Categoriearchief: 2020

Verdeel-en-heers: dismantling the master’s house without the master’s tools

Pravini Baboeram

7-8-2020

De strijd tegen racisme heeft veel gemeenschappen in beweging gebracht. De belangrijkste beweging hebben we gezien onder witte mensen, die een collectieve wake up call hebben gehad na de dood van George Floyd. Deze beweging is van cruciaal belang, het zijn tenslotte witte mensen die de macht hebben om het systeem van witte suprematie in stand te houden.

Maar #blacklivesmatter heeft ook andere gemeenschappen in beweging gebracht die net als zwarte mensen geraakt worden door racisme. Zo ook de Hindostaanse gemeenschap. De roep om representatie, behoefte aan emancipatie en noodzaak tot dekolonisatie heeft ook Hindostanen doen opstaan. Die beweging heeft geleid tot een discussie over de relatie tussen Afro-Surinamers en Hindostanen. Een discussie die ook van cruciaal belang is, omdat de wijze waarop we hier gevolg aan geven zal aantonen in hoeverre we in staat zijn verdeel-en-heers-erfenis te overwinnen en daadwerkelijk die slag tot dekolonisatie te maken. Als we ‘the master’s house’ willen ontmantelen, moeten we ook kritisch kijken naar welke ‘tools’ we gebruiken om die strijd te voeren. In deze bijdrage bied ik een analyse van die verdeel-en-heers-erfenis en mogelijke benaderingen om die te overwinnen.

De aanleiding

De discussie werd aangekaart naar aanleiding van de NPO benefiet-uitzending voor Suriname. Een uitzending voor Surinamers door Surinamers. Verschillende stemmen uit de Hindostaanse gemeenschap uitten kritiek op die uitzending, met als kernargument het gebrek aan representatie: met een oververtegenwoordiging van Afro-Surinamers in de studio was de diversiteit van Suriname niet vertegenwoordigd in de uitzending.

De onderbouwing van argumenten

De wijze waarop deze kritiek werd geuit verschilt. Sommigen spraken vanuit een oprechte intentie om brede representatie in de Surinaamse gemeenschap bespreekbaar te maken. Anderen gebruikten deze discussie om uiting te geven aan racistische denkbeelden ten behoeve van eigen profilering. Echter, in beide gevallen kwamen koloniale denkbeelden naar voren om de argumenten te onderbouwen. Die denkbeelden zijn een reproductie van een wit perspectief, bedoeld om gemeenschappen van kleur tegen elkaar uit te spelen. De kritiek bestond uit de volgende argumenten:

  1. Slachtoffer tot dader maken

Afro-Surinamers sluiten andere mensen van kleur uit

In de kritiek op Afro-Surinamers werd de zwarte gemeenschap als dader aangewezen voor uitsluiting van andere gemeenschappen van kleur. De witte machtsstructuren worden hiermee buiten beschouwing gelaten. Niet institutioneel racisme wordt als oorzaak geduid van het gebrek van Hindostaanse representatie, maar zwarte emancipatie. Het is bij uitstek het doel geweest van verdeel-en-heers om witte macht buitenspel te plaatsen. De winst die de zwarte gemeenschap heeft behaald om zichtbaar te zijn op een mainstream platform wordt gezien als iets dat ten koste gaat van Hindostanen, in plaats van iets dat Hindostaanse empancipatie kan versterken.

  1. Reproductie stereotypes

Afro-Surinamers zijn onbetrouwbaar

In het bekritiseren van Afro-Surinamers werden verschillende koloniale stereotypes aangehaald, onder andere het idee dat Afrika een land is en geen continent. Ook werd in uitspraken een beeld geschetst dat zwarte mensen als gevaarlijk en onbetrouwbaar positioneerde. De Afro-Surinaamse gemeenschap wordt hiermee gereduceerd tot een koloniaal stereotype dat dehumaniseert in dienst van witte macht.

  1. Strijders positioneren als slachtoffers

In het aankaarten van racisme vervallen Afro-Surinamers in een slachtofferrol

Hoewel in de kritiek vanuit de Hindostaanse gemeenschap wordt erkend dat Afro-Surinamers een belangrijke rol spelen in het uitdagen van racisme, gaat het gepaard met een framing van slachtofferschap. De argumentatie gaat niet gepaard met een uiting van bewondering of respect, maar met een ondertoon van boosheid en verwijten. Zwarte strijd in relatie tot Hindostanen wordt gepositioneerd als hypocriet, door inclusie van Afro-Surinamers te verwachten die op hun beurt inclusie van witte instituties eisen. Het wordt niet gepositioneerd als inspirerend, waarbij de strijd die geleverd is als voorbeeld dient voor Hindostaanse emancipatie.

Naar aanleiding van deze argumenten zijn er ook reacties uit de Afro-Surinaamse gemeenschap gekomen. Opmerkelijk is dat in veel kritiek op koloniale denkbeelden vanuit de Hindostaanse gemeenschap, vervolgens weer koloniale technieken worden gebruikt om het inhoudelijk argument van representatie te diskwalificeren.

  1. Ontkenning van het probleem

De uitzending was heel divers en inclusief, er is geen probleem met Hindostaanse representatie

Eén van de grootste uitdagingen in de zwarte strijd is geweest om serieus genomen te worden in de eis om institutioneel racisme te erkennen. Een belangrijk onderdeel van de strijd was dan ook om gehoord te worden vanuit een oprechte intentie om te luisteren, te leren en uiteindelijk inclusiever te worden. Opmerkelijk is dan ook dat in het gesprek over Hindostaanse representatie door sommige Afro-Surinamers werd gezegd dat representatie geen issue was en de NPO uitzending voldoende Hindostaanse bijdragen had. Hiermee wordt een oprechte zorg terzijde geschoven zonder kritische zelfreflectie.

  1. Trots op etnische identiteit als zwakte positioneren

Waarom identificeren Hindostanen zich niet als Surinamer?

Een vraag die veelvuldig werd gesteld was waarom Hindostanen zich etnisch identificeren en niet in eerste instantie als Surinaams, een vraag die overigens gebaseerd is op een onterechte aanname. Maar zelfs als we die aanname voor waar aannemen, dan blijft de vraag over: is dat erg? Het idee van één identiteit, één natie, één staat is een koloniale erfenis vertaald naar de natiestaat. In de dekoloniale strijd stellen we Nederland, dat een multicultureel land is, als natiestaat ter discussie. We eisen erkenning voor de aanwezige diversiteit. Vanuit de zwarte gemeenschap wordt dit gedaan met de term “Afro-Surinamer”, waarbij de etnische identiteit voor de Surinaamse identiteit wordt gesteld. Trots op zwarte geschiedenis en identiteit is een drijvende kracht geweest voor zwarte emancipatie en dekolonisatie van de geest. Toch worden Hindostanen hier in deze discussie op afgerekend. Er is niet één natie, er zijn meerdere naties. Er is niet één identiteit, er zijn meerdere identiteiten. De kracht van een multiculturele samenleving is dat deze in harmonie samenleven.

  1. Timing ter discussie stellen

Kritiek is terecht, maar de uitzending was niet het juiste moment

Sommige stemmen in de discussie erkenden wel de kritiek, maar stelden de timing ervan ter discussie. De uitzending, die in het teken stond van solidariteit in relatie tot COVID-119, was niet het juiste moment. Het is hetzelfde argument dat witte Nederlanders gebruikten om protest tijdens de landelijke Sinterklaasintocht te diskwalificeren. Die kritiek werd door zwarte activisten voor lief genomen, omdat het doel agendering was. Agendering heeft wat dat betreft nooit een geschikt tijdstip. Dat is inherent aan sociale strijd.

  1. Het eigen referentiekader voor universeel aannemen

Ik heb Hindostaanse vrienden die geen probleem hadden met de uitzending

Een andere grote uitdaging waar activisten van kleur tegenaan lopen in de strijd tegen racisme is het geloof van witte mensen dat hun referentiekader universeel is. Regelmatig worden hierbij incidentele voorbeelden aangehaald van zwarte vrienden die geen probleem hebben met zwarte piet om daarmee het probleem terzijde te schuiven. Zo kwam ook het argument naar voren dat er Hindostaanse mensen zijn die representatie geen probleem vinden. Dat kan natuurlijk zo zijn. Maar dat neemt niet weg dat er ook een deel is van de Hindostaanse gemeenschap die het wél een probleem vinden en die daarin gehoord willen worden. Ook dat geluid moet erkend worden en toegevoegd worden aan het eigen referentiekader.

  1. Ontkenning traditie van verzet

Hindostanen moeten ook een bijdrage leveren aan verzet tegen racisme

Als je de mainstream media gelooft, dan hebben Hindostanen geen bijdrage geleverd aan de anti-racisme strijd. De Hindostanen die mainstream podia bereiken zijn een afspiegeling van een conservatief en koloniaal geluid. Maar net zoals veel successen in de Afro-Surinaamse gemeenschap zijn geboekt buiten de mainstream podia, zo hebben ook Hindostanen wel degelijk een traditie van verzet die niet zichtbaar zijn op mainstream platforms. Van de 40 opstanden die ten tijde van dwangarbeid zijn gepleegd, tot de campagnes tegen culturele kaping en voor vervanging van koloniale standbeelden, er is een dekoloniale stroming aanwezig in de Hindostaanse gemeenschap. Er zijn boeken gepubliceerd, projecten geïnitieerd, campagnes gecoördineerd, allemaal bewuste bijdragen aan de anti-racisme beweging. Door alleen te focussen op de conservatieve geluiden in de Hindostaanse gemeenschap, wordt geen ruimte geboden aan de progressieve en dekoloniale geluiden die willen verbinden met de Afro-Surinaamse gemeenschap.

 

Solidariteit: unite the plantations!

Het is begrijpelijk dat er zo’n sterke reactie is op de kritiek die vanuit de Hindostaanse gemeenschap is gekomen. Een groot deel van die kritiek is tenslotte geworteld in koloniale denkbeelden, exact de denkbeelden waar de zwarte gemeenschap al zo lang tegen strijdt. Het is ook aan Hindostanen om explicieter en proactiever in te zetten op solidariteit met de Afro-Surinaamse gemeenschap. Niet vanwege intersectionaliteit, loyaliteit of sympathie, maar vanwege morele principes. Solidariteit in de strijd tegen institutioneel racisme is het juiste om te doen.

Maar solidariteit betekent niet dat we elkaar geen kritische vragen mogen stellen. Sterker nog, als we als beweging impact willen maken en willen groeien, dan moeten we elkaar die kritische vragen stellen. We moeten elkaar scherp houden, want hoe ‘woke’ we ook zijn, we zijn nooit uitgeleerd. Met de veranderende maatschappelijke context, zullen nieuwe blinde vlekken ontstaan die we moeten erkennen en onderzoeken. Laten we dit samen doen, zodat we daadwerkelijk een nieuw huis kunnen bouwen onafhankelijk van de ‘master’s tools’.

 

Links in Latijns Amerika

Sandew Hira

7-8-2020

Inleiding

Aan het begin van de 21-ste eeuw kwamen in Latijns-Amerika linkse regeringen aan de macht, na een geschiedenis van militaire coups en rechtse regeringen die feitelijk de stromannen waren van het Amerikaans imperialisme. In 1999 kwam Hugo Chavez via verkiezingen aan de macht in Venezuela. In Chili werd Ricardo Lagos president in 2000. In 2003 volgde Lula in Brazilië en Néstor Kirchner in Argentinië. In 2005 werd in Uruguay Tabaré Vázquez van het linkse volksfront gekozen als president. In hetzelfde jaar werden Evo Morales in Bolivia en Manuel Zelaya in Honduras president. In 2007 volgde Daniel Ortega in Nicaragua en Rafael Correo in Equador. In Paraguay werd de linkse bisshop Fernando Lugo president in 2008. In 2009 werd Mauricio Funes van het bevrijdingsfront Farabundo Marti (FMLN) president in El Salvador. In 2010 werd Desi Bouterse in Suriname gekozen tot president.

Al deze leiders hadden als gemeenschappelijk kenmerk dat ze een linkse koers wilden volgen van heel radicaal in Venezuela tot zeer gematigd in Suriname. Beide typen leiders kregen te maken met scherpe binnen- en buitenlandse oppositie.

In 2009 werd Zelaya in Honduras ten val gebracht door een militaire coup.

In 2015 kwam de rechtse Mauricio Macri aan de macht in Argentinië.

In december 2015 werd de opvolgster van Lula, Dilma Roussef, door het parlement tot aftreden gedwongen middels een impeachment procedure en kwam in 2018 de extreem rechtse Jair Bolsonario aan de macht. In hetzelfde jaar volgde Lenín Moreno in Equador Rafael Correo op, maar veranderde zijn linkse politiek in een uiterst recht beleid en werd de miljardair Sebastián Piñera president van Chile. In Paraguay werd Fernando Lugo via een impeachment procedure ten val gebracht in 2018.

In 2019 werd de zakenman Nayib Bukele president van El Salvador. Begin 2019 riep Juan Guaido zich uit tot president van Venezuela en werd erkend door de VS en de EU. In november 2019 werd Evo Morales middels een militaire coup tot aftreden gedwongen. In 2020 werd de rechtse Luis Lacalle Pou tot president gekozen in Uruguay. In 2020 verloor Bouterse de verkiezingen in Suriname.

In deze bijdrage probeer ik een antwoord te geven op de vraag: hoe en waarom verloor links in zoveel landen in Latijns-Amerika? Om dat te begrijpen, moet ik eerst uitleggen wat macht inhoudt in die landen.

Het vraagstuk van staatsmacht

Macht is het vermogen om beleid te maken en uit te voeren. Staatsmacht is het vermogen van een regering om beleid te maken en uit te voeren in een land. Progressieve regeringen kunnen aan de macht komen via een revolutie, een gewapende machtsovername van een progressief deel van het leger of via verkiezingen. In de bovengenoemde landen gaat het om situaties waarbij links aan de macht komt via verkiezingen en die macht weer verliezen. Wat zijn de mogelijke oorzaken voor dit verlies?

Ik ga eerst in op de problemen met linkse macht in Latijns-Amerika. Een eerste oorzaak is arrogantie van de macht. Links heeft een progressieve agenda, maar sommige linkse partijen denken dat als ze eenmaal aan de macht zijn, de mobilisatie van de massa niet een continue noodzakelijkheid is, maar alleen gebeurt tijdens verkiezingen. Ze denken dat als ze een sociaal beleid uitvoeren dat een voldoende basis is om aan de macht te blijven. Maar ze hebben zich rekenschap gegeven van hoe de tegenmacht werkt.

Je kunt wel de bestuurlijke macht (de regering, de uitvoerende macht) in handen hebben, maar macht is ook georganiseerd op de volgende gebieden:

  1. Het parlement (wetgevende macht).
  2. De rechterlijke macht.
  3. De sociale macht (mobilisatie van ontevreden massa’s)
  4. De gewapende macht.
  5. De economische macht (bedrijven, financiële instellingen).
  6. De culturele macht (media).
  7. De internationale macht (internationale instellingen en buitenlandse regeringen).

Hoe breng ik een progressieve regering te val?

Je kunt wel de uitvoerende macht in handen hebben, maar de rechtse krachten kunnen nog steeds macht hebben op de bovengenoemde gebieden en die zullen ze dan ook te volle benutten om een regering te val te brengen. De klassieke methode – de militaire coup die de uitvoerende macht onder controle brengt van het leger – was vroeger de normale manier om linkse regeringen de uitvoerende macht te ontnemen. Dat is in Bolivia toegepast, maar nadat alle andere methoden eerst waren ingezet. Morales won de verkiezingen in 2019. Toen werd eerst de sociale macht ingezet: de witte sociale elite organiseerde straatdemonstraties en gewelddadige acties om een klimaat van instabiliteit te creëren. De OAS (internationale macht) verklaarde verkiezingen ongeldig op basis van schimmige verklaringen, die achteraf ook als zodanig bleken te zijn. De nationale en Westerse media steunden de campagne om Morales te delegitimiseren (in Nederland geleid door de reportages van Nina Jurna voor de Nederlandse media). Uiteindelijk greep het leger in en werd een niet gekozen persoon president van Bolivia, tot nu toe.

In Brazilië en Paraguay werd het parlement ingezet als een manier om een president af te zetten. Intensieve culturele macht en internationale macht hebben pressie op parlementsleden uitgeoefend met als resultaat een succesvolle campagne.

In de meeste landen is de rechterlijke macht een cruciaal instrument van rechts. De rechterlijke macht is vaak bemenst met mensen van de oude orde. Verkiezingen hebben links in de uitvoerende macht gebracht, maar de andere machtsgebieden zijn nog in handen van de oude orde. Het instrument dat in Equador en Brazilië wordt ingezet zijn corruptie-onderzoeken. Het vervelende is dat vanwege de arrogantie van de macht sommige personen uit de linkse macht zich wel degelijk schuldig maken aan corruptieve handelingen. Dat vergemakkelijkt het werk van de rechtse krachten in de rechterlijke macht. Maar ze beperken zich niet tot deze elementen en pakken ook linkse leiders die niet corrupt zijn en fingeren aanklachten die uiteindelijk leiden tot aanvallen op deze leiders. Het geval van Rafael Correo is zo een voorbeeld.

De economische macht is misschien wel het belangrijkste instrument van rechts. Economische sabotage, opdrijven van prijzen, schaarste creëren, het blokkeren van leningen en de organisatie van internationale economische boycot moeten ervoor zorgen dat de massa’s ontevreden worden en zich tegen de linkse regering keren.

De meest bizarre vorm van rechtse tegenmacht is de kwestie Guaido in Venezuela. Een man roept zich zonder verkiezingen uit tot president en wordt vervolgens erkend door Westerse mogendheden. Hij heeft geen controle op de uitvoerende, gewapende of rechterlijke macht en maar een deel van de wetgevende macht en toch wordt zijn staatsmacht erkend door het Westen. Maar de internationale macht kon hem als aangrijpingspunt gebruiken om de internationale macht van Maduro aan te tasten: erkenning van ambassades van Guaido, toe-eigening van miljarden dollars van Venezuelaanse staatsbedrijven in de VS en toe-eigening van goudvoorraden van Venezuela in Engeland zijn manieren om de internationale macht van de Bolivariaanse regering te breken.

De lessen van de neergang van links

Het is rechts gelukt om een aantal linkse regeringen ten val te brengen, maar niet allemaal. In Venezuela zijn de meest extreme middelen ingezet en toch wint links keer op keer de verkiezingen die door internationale waarnemers als eerlijk zijn bestempeld. Hoe is dat mogelijk? Het simpele antwoord is: politieke bewustwording. Ik heb tijdens bezoeken aan Venezuela mogen ervaren wat dat betekend. De regering is niet een groep mensen die aan de macht komt via verkiezingen. De revolutionairen hebben een permanente educatie via massa-organisaties. Deze organisaties worden betrokken bij het vorm en inhoud geven van beleid. Het kan altijd beter en er is kritiek, maar de grote lijn is dat brede delen van de massa’s nauw betrokken zijn bij de Bolivariaanse revoluties, en zeker de zwarte en Inheemse bevolking. Dus ondanks de intensieve economische boycot die grote offers vraagt van de bevolking is er vanwege de intensieve politieke educatie nog steeds grote steun voor de linkse regering. De mensen realiseren zich ook wat er zal gebeuren als rechts aan de macht komt: de uitschakeling van links zal met veel geweld gepaard gaan. In 1989 heeft rechts flink huisgehouden tijdens een opstand in Caracas die bekend staat onder de naam Caracazo. Drieduizend mensen zijn toen vermoord.

Daar waar het rechts wel is gelukt om links ten val te brengen, blijkt steeds weer dat het vergemakkelijkt werd door de volgende factoren.

  • De arrogantie van de macht en corruptie. Die twee gaan hand in hand samen. Ze verdragen geen politieke bewustwording. Daarom zijn linkse partijen die politieke educatie verwaarlozen het meest gevoelig voor corruptie en mismanagement.
  • Een half-zachte benadering van sociale hervormingen. Vaak zijn ze niet radikaal genoeg om belastinghervormingen door te voeren die de rijkste delen de zwaarste lasten laten dragen.
  • Een onderschatting van de rechterlijke macht die een instrument is geworden in de sociale strijd (lawfare).

De rol van internationale solidariteit

Anti-imperialistische revoluties in de wereld hebben vaak mogen rekening op internationale solidariteit van anti-imperialisten over de hele wereld. Die zaten vaak in de socialistische hoek. Met de val van het Soviet-bloc is de socialistische kamp behoorlijk gedesintegreerd. Nieuwe sociale bewegingen (milieu, anti-racism) ontberen vaak die anti-imperialistische traditie.

De meest radikale revoluties (Venezuela, Bolivia, Cuba) mogen rekenen op steun, maar de sociaal-democratische regeringen voeren vaak een half-slachtig beleid waardoor het lastiger is om ze te steunen.

De neergang van links in Latijns-Amerika is niet permanent. Het blijkt dat links kan terugkomen, maar ze moet wel leren van de fouten zie ze gemaakt hebben.

Waar strijden we voor?

Sandew Hira

7-8-2020

1.       Inleiding

In Europa en Amerika ontwikkelen zich nieuwe sociale bewegingen die grote massa’s op de been brengen: de Black Lives Matter beweging en de milieubeweging. Soortgelijke bewegingen hebben we in meerdere golven gezien sinds de Tweede Wereldoorlog: de beweging voor politieke dekolonisatie, de studentenbeweging van de jaren zestig, de beweging tegen de Vietnamoorlog, de beweging tegen de plaatsing van Amerikaanse kruisraketten in Europa, de beweging tegen apartheid in Zuid-Afrika, de beweging tegen de Zionistische bezetting van Palestina. Al deze bewegingen brachten honderdduizenden mensen op straat. En allemaal kampen ze met het probleem van de verhouding tussen “Waar strijden we tegen?” en “Waar strijden we voor?”. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat dit probleem zich ook voordoet in de Black Lives Matter beweging in Amerika en Europa.

In deze bijdrage behandel ik de verhouding tussen deze twee vragen en vraagstukken van analyse en strategie.

2.       Actie-reactie

De vraag “Waar strijd je tegen?” lijkt in eerste instantie gemakkelijk te beantwoorden. We zijn tegen Zwarte Piet, dus tegen het gebruik van dit karaktertype bij het Sinterklaasfeest. Wat strijd je voor? De afschaffing van Zwarte Piet. We zijn in een fase gekomen dat dat nu gerealiseerd zal worden. Het antwoord op de vraag “waar strijd je voor” is als het ware een reactie op de vraag “waar strijd je tegen?”. Is het dan straks hemel op aarde als zwarte en witte kinderen samen Sinterklaas vieren zonder Zwarte Piet?

Dat hangt af van je analyse van Zwarte Piet. Als er geen analyse is, dan wordt het een kwestie van actie-reactie. Ben je tegen etnisch profileren? Dan kan de eis zijn: de invoering van een stopformulier. Dat is een formulier dat bijhoudt wie gestopt wordt, wat de reden van de controle was, wat de etniciteit van die persoon is en of de controle leidde tot een boete of aanhouding. Aan de hand van specifieke registraties van controles kunnen klachten simpel worden onderzocht en aantijgingen van discriminatie worden bevestigd of weerlegd.

Zo kun je een program van eisen ontwikkelen op basis actie-reactie en daarmee de vraag beantwoorden “waar strijd je voor”. Je maakt een inventarisatie van casussen van onrechtvaardigheid en bepaalt de reactie in die casussen.

3.       Werken vanuit een analyse

Een tweede manier om te bepalen waarvoor je strijdt is door de vraag te stellen: wat is mijn analyse van de oorzaken van onrechtvaardigheid? Waar komen Zwarte Piet en Etnisch Profileren vandaan? Daarvoor heb je een theorie nodig. Die theorie moet een antwoord bieden op de vragen: wat is racisme, hoe is het ontstaan en hoe functioneert het? Er zijn verschillende soorten theorieën:

  1. Theorieën die de oorzaak van racisme zien in de aard van de witte mens. Witte mensen zijn van nature racistisch. Dat zal altijd zo blijven, dus is de strijd tegen racisme een eeuwige strijd tot het einde van de mensheid. In essentie strijden zwarte mensen dus tegen de macht van witte mensen tot het einde der tijden.
  2. Theorieën die de oorzaak van racisme zien in hoe persoonlijke verhoudingen in een samenleving zijn georganiseerd door ideologie en macht. Je strijdt voor een verandering van die persoonlijke verhoudingen door middel van gedragsverandering. Witte mensen worden dan aangesproken op hun individueel gedrag dat veranderd moet worden.
  3. Theorieën die oorzaak van racisme zien in kapitalisme. Kapitalisme is een systeem van klassenstrijd en racisme is een instrument om verdeel-en-heers te creëren in de klassenstrijd. Eenheid in de klassenstrijd is de beste manier om racisme te bestrijden.
  4. Theorieën die de oorzaak van racisme plaatsen in het kolonialisme. Het kolonialisme heeft instituten en instituties geschapen die superioriteit en inferioriteit heeft gekoppeld aan theologische, biologische en culturele kenmerken. Je bestrijdt racisme door die instituten en instituties te bestrijden. Ik plaats mijn analyse in de school van dekoloniale theorie, en specifiek in de theorie van Decolonizing The Mind (DTM).

4.       Institutioneel racisme

De term “Institutioneel Racisme” wordt nu veel gebruikt in de maatschappelijke discussie. Laat mij die term verduidelijken vanuit de DTM theorie.

Een instituut is een organisatie. Een universiteit of een middelbare school zijn instituten. Een institutie is een systeem. Onderwijs is een systeem. Kennisproductie aan een universiteit is een systeem. Kennisdistributie via het middelbaar onderwijs is ook een systeem.

Racisme is een systeem waarin een verzameling van instituties (systemen) het principe van superioriteit/inferioriteit koppelt aan biologische en etnische kenmerken in de vijf dimensies van een samenleving. Deze vijf dimensies in de DTM theorie zijn:

  1. De economische dimensie: de wijze waarop goederen en diensten in een samenleving worden geproduceerd, gedistribueerd en gefinancierd. Racisme in de economische dimensie kent o.a. de volgende aspecten:
    1. Het historische aspect: kolonialisme en imperialisme hebben op wereldschaal mensen van kleur uitgebuit en rijkdom overgeheveld van de koloniën naar het Westen. Hoe die onrechtvaardigheid ongedaan te maken is deel van een dekoloniale program van eisen in de vorm van herstelbetalingen.
    2. In Nederland is al decennialang de werkloosheid onder mensen van kleur beduidend hoger dan onder witte mensen. Welke instituties en instituten zijn hiervoor verantwoordelijk, hoe functioneren ze en hoe moeten ze veranderen om racisme te bestrijden in de economische dimensie? Hier zullen discussies komen over quota-regelingen, oormerken van subsidiegelden, de rol van etnisch ondernemerschap etc.
  2. Sociale dimensie: de wijze waarop sociale verhoudingen in een samenleving zijn georganiseerd. De primaire basis is de arbeidsdeling, de wijze waarop arbeid georganiseerd is: sociale klasse. Een ander instrument is gender en seksualiteit. Kolonialisme heeft etniciteit (biologische en culturele kenmerken) geïntroduceerd als instrument om een samenleving in te richten. Racisme in de sociale dimensie kent o.a. de volgende aspecten:
    1. Het historische aspect: kolonialisme heeft nieuwe samenlevingen opgezet in de Amerika’s door bestaande samenlevingen te bezetten en te vernietigen en via migratie – waaronder gedwongen migratie – nieuwe sociale verhoudingen geschapen. Eeuwenlater zijn door een andere vorm van migratie in Europa multiculturele samenlevingen ontstaan. In al deze samenlevingen werd de superioriteit verkondigd van het witte ras en de Westerse cultuur. Die is gaan vastzitten in brede lagen van de witte bevolking met als gevolg dat in Nederland politieke partijen die openlijk witte superioriteit verkondigen een vijfde van het electoraat achter zich hebben. Een anti-racisme strategie moet dit punt adresseren: hoe strijd je tegen de opkomst van fascisme in Nederland en Europa.
    2. De mislukking van de natie-staat in Europa. Het concept van de natie-staat houdt in dat in één staat (een geografisch gebied onder één politiek bestuur) één sociale groep (de natie/het volk) met één culturele identiteit leeft. Die culturele identiteit is ontleed aan een gemeenschappelijke geschiedenis en gemeenschappelijke waarden en normen. De migratie vanuit het zuiden naar het noorden heeft in Nederland de zogenaamde multiculturele samenleving voortgebracht. Sommige witte Nederlanders praten over de mislukking van de multiculturele samenleving, terwijl het in essentie de mislukking van de natie-staat is: het onvermogen om een staat op te bouwen waarin meerdere naties wonen met meervoudige identiteiten. Dat is de kern van racisme in de sociale dimensie.
  3. De politieke dimensie: de wijze waarop macht is georganiseerd om een samenleving te besturen. Bestuurlijke macht bestaat uit de regering, het parlement, de rechterlijke macht en de gewapende machten (politie, leger, veiligheidsdiensten). Racisme in de politieke dimensie kent o.a. de volgende aspecten:
    1. Het historische aspect: De onderwerping van volkeren van kleur aan de witte macht is gebeurt door kolonialisme met brute instrumenten van bezetting, genocide, oorlog, martelingen en allerlei vormen van fysiek en psychisch geweld. De erfenis daarvan zien we in politiegeweld tegen mensen van kleur.
    2. Het vraagstuk van representatie, burgerlijke vrijheden en verdeel-en-heers. In organen die een samenleving besturen zou er bij een samenleving waarin iedereen gelijkwaardig is een evenredige vertegenwoordiging moeten zijn van mensen van kleur in regering, parlement, provinciale staten, gemeenteraden, rechterlijke en gewapende macht. Burgerlijke vrijheden die voor iedereen gelden (zoals recht op vrijheid van meningsuiting, recht van vereniging en vergadering) zou voor iedereen moeten gelden.
  4. De culturele dimensie: de wijze waarop gewoonten, gebruiken, waarden en normen, kunst, kennisproductie en kennisdistributie in een samenleving zijn georganiseerd. Racisme in de sociale dimensie kent o.a. de volgende aspecten:
    1. Het historische aspect: Kolonialisme is begonnen met een theologische rechtvaardiging van superioriteit/inferioriteit. Sommige volkeren werden als inferieur bestempeld omdat ze het Christendom niet accepteerden. Christelijke waarden en normen werden gezien als universele waarden en normen. De volkeren van kleur werden met geweld gedwongen om zich te bekeren tot het Christendom. Met de opkomst van de Europese Verlichting ontstonden nieuwe filosofieën die superioriteit/inferioriteit koppelde aan biologische en culturele kenmerken. De westerse cultuur was doordrenkt met racistische gewoonten, gebruiken, waarden en normen, kunst, kennisproductie en kennisdistributie.
    2. Het vraagstuk van identiteit. Dit hangt samen met het sociale vraagstuk van de natie-staat. Wat voor samenleving wil je opbouwen in cultureel opzicht. Wat is de identiteit van die samenleving? Is het gebaseerd op Westerse waarden en normen, op de Westerse cultuur of is het gebaseerd op een pluriversiteit aan culturen en hoe wordt die pluriversiteit gerespecteerd?
  5. De geografische dimensie: de wijze waarop de economische, sociale, politieke en culturele dimensie georganiseerd is in geografisch opzicht. Racisme in de sociale dimensie kent o.a. de volgende aspecten:
    1. Het historische aspect: Kolonialisme heeft de wereld gereorganiseerd tot een globale eenheid waarbij Westerse landen een wereldwijde infrastructuur hebben opgebouwd van transport, communicatie, technologie, economische instituten en instituties waardoor zij welvaart, geproduceerd door volkeren van kleur, kon overhevelen naar de witte westerse wereld.
    2. Het vraagstuk van geo-politieke verhoudingen. Welke visie heeft de anti-racisme beweging op geo-politieke vraagstukken zoals de Nederlandse rekolonisatie van Suriname, de Nederlandse politieke t.a.v. Israël, Irak, Iran en Venezuela? Immers, institutioneel racisme kun je niet alleen op nationaal niveau bestrijden.

 

In de DTM theorie gaat het niet alleen om de analyse van de afzonderlijke dimensies, maar ook om de samenhang tussen de verschillende dimensies. Institutioneel racisme is een systeem waarin instituten en instituties uit verschillende dimensies met elkaar samenwerken om superioriteit en inferioriteit te koppelen aan biologische en etnische kenmerken.

Vanuit de theorie van DTM kun je op basis van deze analyse de vraag “waar strijd je tegen” en “waar strijd je voor” beantwoorden. De strijd tegen institutioneel racisme is een strijd voor verandering van instituten en instituties die racisme in stand houden. Je moet dus in kaart brengen welke instituten en instituties er zijn in de vijf dimensies die moeten veranderen en hoe die verandering eruit moet zien. Die vraag kan niet door één persoon beantwoord worden maar door de collectieve input van activisten uit sociale bewegingen.

Laat me een voorbeeld behandelen: het vraagstuk van identiteit van mensen van kleur, en meer specifiek van mensen van Afrikaanse afkomst. Als je de vraag zou beantwoorden: waar strijd je tegen en waar strijd je voor op het punt van identiteit, dan zijn vanuit DTM verschillende antwoorden mogelijk zijn.

Een DTM analyse van hoe institutioneel racisme werkt op het gebied van identiteit zou er als volgt uitzien.

  • Kolonialisme was erop gericht om haar heerschappij in stand te houden door de kolonisatie van de geest. De kolonisatie van de geest houdt in dat mensen van kleur door middel van economische, sociale, politieke en culturele systemen accepteerden dat de Westerse cultuur superieur is en mensen van kleur moeten ambiëren om die cultuur te omarmen en de eigen cultuur als inferieur en achterlijk te beschouwen.
  • Bij mensen van Afrikaanse afkomst die de erfenis van de trans-Atlantische slavernij met zich meedragen ging de kolonisatie van de geest heel erg ver: hun Afrikaanse namen hebben ze moeten inleveren voor Westerse namen. Hun identificatie met het Westen en de Westerse cultuur was daarmee compleet. Hun naam was Westers. Hun godsdienst was Westers. Hun gewoonten en gebruiken waren Westers.
  • Zwarte sociale bewegingen hebben dit probleem aangepakt en hebben naamsverandering als onderdeel gezien van reparations. Reparations wordt in het Nederlands vertaald met “herstelbetalingen”, maar die term is niet toereikend omdat het de focus legt op het financiële aspect van iets wat in het Nederlandse zou moeten heten “herstelbeleid”, waarbij herstellen betekent het corrigeren (het veranderen) van een systeem, een institutie, van onrechtvaardigheid. In dit geval gaat het om de culturele institutie van de naamgeving. In Nederland heeft Gideon Everduim het vraagstuk op de agenda geplaatst en gekoppeld aan een financieel aspect van herstelbeleid, namelijk het gratis laten veranderen van de naam van Afro-Nederlanders inclusief het vergoeden van de kosten van het onderzoek dat daarmee gepaard gaat.
  • De strategie van de naamsverandering plaatst de dekolonisatie van de geest op de agenda. Stel dat Afro-Nederlanders dit op grote schaal gaan doen. Wat voor effect heeft het op de maatschappelijke discussie, bij de keukentafel bij gezinnen, in de kantines van bedrijven en instellingen? Het brengt de discussie van Zwarte Piet en Sinterklaas naar institutioneel racisme: welke instituties zijn gebruikt om de geest van zwarte mensen te koloniseren en hoe speelde de naamkeuze daarin een rol? Het plaatst het vraagstuk van empowerment van zwarte mensen op de agenda in de zwarte gemeenschap.
  • Overigens speelt de kwestie van naamskeuze niet alleen bij Afro-Nederlanders. Ik ben van Hindostaanse komaf. Mijn schrijversnaam is Sandew Hira, maar mijn ouders gaven mij de naam Reneé Dev-Anand Baboeram. Ze zetten de westerse naam Reneé voorop omdat ze dachten dat ik me daardoor gemakkelijker in de samenleving zou kunnen bewegen dan met een Hindostaanse naam. Gedurende mijn hele jeugd werd ik Reneé genoemd, totdat ik actief werd in de anti-imperialistische beweging en inzag dat dit niet goed aanvoelde, zonder dat ik nog een theoretische analyse van DTM had. Daarom heb sindsdien die naam afgewezen en liet me door mijn Hindostaanse naam aanspreken, die afgekort werd als Dew.

 

Dit voorbeeld geeft aan hoe een program van eisen (waar strijd je voor) ontwikkeld wordt op basis van ervaringen van sociale bewegingen, niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten. Zo een program wordt ontwikkeld in de discussie over de analyse van wat racisme is.

5.       Van theorie naar wereldbeschouwing

Eerder gaf ik aan dat je de vraag “waar strijd je voor” kunt beantwoorden op basis van actie-reactie en op basis van een theorie. Maar je kunt verder gaan. Een theorie geeft een analyse van de oorzaken van racisme en hoe institutioneel racisme te begrijpen. De vraag “Waar strijd je voor?” kan niet alleen beantwoord worden door naar de oorzaken van onrechtvaardigheid te kijken. Je moet een koppeling maken met de vraag: hoe ziet mijn ideale wereld er uit? Wat voor een ideaal wil ik opbouwen en waar wil ik voor strijden? Die vraag beantwoord je aan de hand van een wereldbeschouwing. Een wereldbeschouwing is een visie van hoe een ideale wereld eruit zien moeten zien.

Millennialang hebben mensen over de hele wereld ideeën ontwikkeld over een ideale samenleving. In China heeft Confucius een ideale samenleving geschetst als een samenleving waarin een goede moraal en educatie leiden tot een stabiele vreedzame samenleving waarin mensen in harmonie met elkaar leven.

De monotheïstische godsdiensten (Christendom, Islam, Jodendom) zien een ideale samenleving als een samenleving waarin de mens leeft volgens de regels die God gesteld heeft in de Heilige Geschriften.

In Afrika hebben pan-Afrikanisten zoals Julius Nyeyere een beeld geschetst van een ideale Afrikaanse samenleving gebaseerd op een soort Afrikaanse socialisme en Afrikaanse politieke systemen die consensus bevorderen boven concurrentie.

In Mexico heeft de Maya-filosofie van een egalitaire samenleving waarbij politieke controle op leiderschap uitgeoefend wordt op basis van moraliteit bekendheid gekregen doordat voormalige Marxisten van de Zapatista-beweging deze concepten probeerden te integreren in hun bevrijdingstheorie.

Maar kolonialisme heeft al deze filosofieën weggedrukt en twee filosofieën van een ideale samenleving geproduceerd: Liberalisme en Marxisme.

Volgens het Liberalisme is de ideale samenleving een wereldsamenleving waarin de economie wordt gebaseerd privé-bezit van productiemiddelen en de vrije markt, het politiek systeem gebaseerd is op de scheiding der machten en parlementaire democratie, het sociaal systeem op individualisme en het cultureel systeem op de Europese Verlichting.

Volgens het Marxisme is de ideale samenleving een wereldsamenleving waarin er geen klassen bestaan, productie en distributie van goederen en diensten gebeurt via planning en niet via de markt, de parlementaire democratie is vervangen door een systeem van arbeiders en boerenraden en cultuur is gebaseerd op wetenschappelijke kennis uit de Europese Verlichting (religie is uitgestorven).

Het anti-koloniale verzet heeft vanaf het begin al ideeën geproduceerd over een nieuwe wereldbeschaving zonder kolonialisme. Na de politieke onafhankelijkheid van veel landen na de Tweede Wereldoorlog heeft een aantal landen in 1955 in de Indonesische stad Bandung een conferentie georganiseerd die een derde weg naast socialisme en kapitalisme probeerde uit te stippelen. Daarbij grepen ze terug op ideeën uit niet-Westerse beschavingen over de inrichting van een samenleving. De Koude Oorlog heeft deze beweging naar de achtergrond verdrongen, maar met de val van Sovjet-Unie en het socialistische blok is er een nieuwe dekoloniale beweging ontstaan in de afgelopen decennia, die het concept van een nieuwe wereldbeschaving heeft opgepakt.

De kernpunten van dit concept zijn:

  • Een nieuwe wereldbeschaving is een pluriverse beschaving waarin verschillende wereldbeschouwingen vreedzaam naast elkaar kunnen leveren zonder de claim dat één beschaving universele geldigheid heeft. Economische, politieke, sociale en culturele systemen zullen heel divers zijn.
  • De erfenis van kolonialisme – die maar 500 jaar geleden is begonnen – is tijdelijk. Institutioneel racisme is zo een erfenis. Het heeft niet altijd bestaan en het zal ooit verdwijnen.
  • Het sociaal-economisch systeem in een nieuwe wereldbeschaving is gebaseerd op het concept van sociale rechtvaardigheid. Economische systemen moeten ten dienste staan van de mensen en niet omgekeerd.
  • De nieuwe wereldbeschaving komt niet vanzelf. Het is het resultaat van strijd en de waarden en normen die we in een nieuwe wereldbeschaving willen hebben, kunnen we nu al praktiseren.

 

De vraag “waar strijd je voor?” wordt mede beantwoord vanuit het idee van hoe die nieuwe wereldbeschaving eruit zou moeten zien en waarvoor je wilt strijden om die te realiseren.

6.       Het vraagstuk van strategie

Iedere sociale beweging moet vroeg of laat een program van eisen opstellen (waar strijd je voor) die gebaseerd is op een analyse en een wereldbeschouwing. In de anti-racisme beweging is dat nu de grote uitdaging: hoe ontwikkel je in de grote diversiteit aan opvattingen, visies en wereldbeschouwingen een grote gemeenschappelijke deler die de verschillende stromingen met elkaar kan verbinden. Dat doe je door mensen bij elkaar te brengen, analyses uit te wisselen en discussies over meningsverschillen in alle eerlijkheid te voeren. Iedereen kan hiertoe initiatieven ontplooien. Het is niet voorbehouden aan één organisatie.

Als je dan al een programma hebt dat breed gedragen wordt, dan komt de volgende vraag: welke weg wil je bewandelen om dat programma te realiseren? Anders gezegd: welke strategie hanteer je?

Er zijn tal van punten bij een strategie die je kunt uitwerken. Ik zal drie punten uitwerken:

  • Het concept van “unite the plantations”.
  • Het concept van “internationalisme”.
  • Het concept van “de nieuwe wereldbeschaving”.

6.1     Unite the plantations

De strategie van “unite the plantations” is gebaseerd op het concept “eenheid maakt macht, verdeeldheid breekt kracht”.  Het is een antwoord op de strategie van verdeel-en-heers door de heersende macht. Wat houdt de strategie van “unite the plantations” in?

  1. Het plaatst verdeel-en-heers op de agenda. De sociale beweging moet zich constant afvragen: welke mechanismen worden gebruikt bij verdeel-en-heers en hoe functioneren die mechanismen. Die discussie moet openlijk gevoerd worden. Alleen dan kun je een strategie formuleren om eenheid te bevorderen.
  2. Het erkent dat kolonialisme etnische gemeenschappen tegen elkaar heeft opgezet en wel zodanig dat de vooruitgang van de ene groep in haar emancipatiestrijd wordt gezien als de achterstelling van de andere groep omdat emancipatie gezien wordt als etnische concurrentie in plaats van als solidariteit. Anti-zwart racisme and islamofobie zijn twee onderscheiden vormen van institutioneel racisme, waarbij de eerste vorm terug gaat naar de trans-Atlantische slavernij en de tweede naar de kolonisatie van Azië, Afrika en het Midden-Oosten. Ze zijn onderscheiden, maar zijn werkzaam binnen hetzelfde systeem dat is opgezet sinds de Europese Verlichting. Vanuit deze analyse betekent “unite the plantations” dat activisten zoeken naar de manieren om de verbinding te maken tussen activisten uit beide gemeenschappen.
    Neem een voorbeeld: het concept van Afrika is geen land. Soms praten witte mensen over Afrika alsof het een land is in plaats van een continent. Sommige zwarte activisten nemen dat witte concept over en praten over Afrika als het om een paar landen in West Afrika gaat, de landen van waaruit de trans-Atlantische slavernij is opgezet. Maar Marokko ligt ook in het continent Afrika. Als je praat over eenheid van Afrikanen, en je denkt dat Afrika uit een paar landen in West-Afrika bestaat, dan heb je het over eenheid van zwarte mensen met biologische kenmerken van West-Afrika. Dat zijn Afro’s. Als je het concept van Afrika als een continent hanteert, dan zijn Marokkanen ook Afrikanen, Afro’s dus. Als je eenheid onder Afro’s predikt, dan zul je eenheid met Marokkanen op de agenda moeten zetten vanuit de strategie van ‘unite the plantations’.
    Sommige activisten gebruiken de term anti-zwart racisme niet om te verbinden, maar om te scheiden. Anti-zwart racisme wordt gezien als iets heel anders dan islamofobie, dus moet willen ze die twee vooral niet met elkaar in verband brengen.
  3. De strategie van “unite the plantations” gaat verder dan de eenheid van Afrikanen, maar de eenheid van alle gemeenschappen van kleur vanuit de gemeenschappelijke geschiedenis van kolonialisme en hoe institutioneel racisme doorwerkt in de Nederlandse samenleving.

6.2     Internationalisme

De strategie van internationalisme betekent dat sociale bewegingen erkennen dat de strijd tegen institutioneel racisme onderdeel is van een internationale strijd tegen het koloniale systeem dat de afgelopen 500 jaar is opgezet. Dat internationale systeem is een imperialistisch systeem. Hoewel veel landen politieke onafhankelijkheid hebben gekregen is het Westen nog steeds bezig om de bevrijdingsstrijd van die landen om zich los te rukken uit de greep van het imperialisme te frustreren. Nederland heeft in Suriname een oorlog gefinancierd en gesteund die 450 mensen het leven heeft gekost. Dat is een deel van de verborgen geschiedenis van Suriname, die in Nederland verborgen wordt gehouden. In Venezuela is een zwarte man – Hugo Chavez – een revolutie begonnen om Venezuela onafhankelijk te maken van het Amerikaanse imperialisme. Chavez heeft Afro en Inheemse roots. In Amerika wordt Obama een zwarte president genoemd omdat hij Afro en witte roots heeft. Chavez wordt niet als zwarte president gezien, wat onlogisch is. Waar is de steun van zwarte activisten voor deze zwarte president? Vergelijk dat gebrek aan steun met de enthousiaste steun voor Obama, die de zwarte president Chavez probeert omver te werpen. Het Westen, inclusief Nederland, erkent Guaido, een witte man, als president van Venezuela terwijl die niet eens gekozen is door het volk van Venezuela. Waar is de steun van zwarte activisten voor de zwarte bevolking van Venezuela die leidt onder een economische boycot die begon met Obama en nu 40.000 mensen het leven heeft gekost, waaronder veel zwarte mensen. In de burgerrechtenbeweging van de jaren zestig in Amerika was anti-imperialisme één van de pijlers van hun strijd. Die is ver te zoeken in de nieuwe sociale beweging tegen racisme.

In de dekoloniale strategie die ik bepleit is anti-imperialistische solidariteit een wezenlijk onderdeel van de strijd tegen institutioneel racisme op wereldschaal. De strijd in Nederland moet verbonden worden met de strijd tegen koloniale invloeden in de huidige en voormalige koloniën van Nederland. Het moet verbonden worden met de strijd van zwarte gemeenschappen en gemeenschappen van kleur in de rest van de wereld. Institutioneel racisme is geen lokaal of nationaal probleem, het is globaal.

6.3     De nieuwe wereldbeschaving

De strategie van een nieuwe wereldbeschaving geeft een richting aan over hoe sociale bewegingen moeten omgaan met de relatie tussen witte mensen en mensen van kleur in Nederland.

Het concept van een nieuwe wereldbeschaving geeft aan dat er ooit een tijd zal zijn waarin biologische en etnische kenmerken niet gekoppeld zullen zijn aan inferioriteit en superioriteit. Die tijd zal niet vanzelf komen. Het vereist strijd van witte mensen en mensen van kleur. Iedereen zal daarin een eigen positie hebben vanwege de wijze waarop instituten en instituties (organisaties en systemen) zijn gevormd en witte mensen in posities van macht hebben gebracht. Sommigen zullen bereid zijn om hun positie ter discussie te stellen, sommigen niet. De laatste groep zal tegenstanders zijn in de strijd voor een nieuwe wereldbeschaving. De eerste groep zal een bondgenoot zijn. Met die groep zal de discussie gevoerd moeten worden over hun analyse van institutioneel racisme, hoe die instituten en instituties te veranderen en wat ieders rol daarin is.

We hebben nog een lange weg te gaan, maar zoals Confucius zei: een reis van 1000 km begint met de eerste stap.

 

 

Geschiedschrijving van Hindostaanse dwangarbeid

Op vrijdag 5 juni stond het Sarnámihuis stil bij 147 jaar Hindostaanse Immigratie. Naar aanleiding van de maatregelen in de strijd tegen het coronavirus had het Sarnámihuis besloten dit jaar een Facebook Live Stream te hosten. Gehost door Tasiana Ramdin, werd met 147 jaar Hindostaanse Immigratie het officiële startsignaal gegeven voor Indian History Month, dat dit jaar in het teken staat van #calcuttabrieven. Initiatiefnemer van Indian History Month, Pravini Baboeram, lichtte in de livestream het thema van dit jaar toe. Daarnaast was historicus Sandew Hira te gast, die inging op Hindostaanse geschiedschrijving en de betekenis van de Calcutta brieven. Tot slot ging Lalla Rookh vertegenwoordiger Farid Ketwaru in op de ervaringen van de Nationale Stichting Hindostaanse Immigratie met geschiedschrijving en het Lalla Rookh Museum. The volledige uitzending i hier te bekijken op YouTube: https://www.youtube.com/watch?v=75qosUevebI&feature=youtu.be

Analyse van institutioneel racisme

Islamic Human Rights Commission (IHRC), lid van het Decolonial International Network produceert in tijden van corona educatieve video’s over allerlei onderwerpen. Op 6 juni 2020 werd via Zoom presentaties en discussies opgenomen over institutioneel racism door Ramon Grosfoguel, Mohammad Marandi en Imam Dawud Walid. Daarom kwamen o.a. aan de orde wat de verschillen zijn tussen de huidige beweging en de civil rights movement van de jaren zestig.

Kijk naar de Zoom uitzending op YouTube:  https://www.youtube.com/watch?v=UpIcKFO3b_E&t=43s

 

 

Handsoff Venezuela: een onmisbare informatiebron over Venezuela

HandsOffVenezuela-Nederland is een anti-imperialistische solidariteitsorganisatie die solidariteit organiseert met de Bolivariaanse revolutie. Naar aanleiding van de mislukte invasie van huurlingen in Venezuela heeft zij een open brief gericht aan de Nederlandse regering waarin zij de medeplichtigheid van Nederland aan de agressie, sabotage, belegering, informatie oorlog, economische vernietiging, staatsgrepen en invasies tegen de soevereine Bolivariaanse Republiek van Venezuela veroordeelt.

De Franse journalist Romain Migus bericht vanuit Caracas dat de groep van huurlingen bevoorraad was met brandstof in Curaçao, dat nog steeds een deel is van het Koninkrijk der Nederlanden. Nederland is dus direct betrokken bij deze actie.

HandsOffVenezuela houdt zij acties op De Dam in Amsterdam om aandacht te vragen voor de anti-imperialistische strijd in Latijns-Amerika. Haar website is een goede informatiebron in het Nederlands over de ontwikkelingen in Venezuela. Haar Facebook pagina is actueel en biedt mogelijkheden voor discussie en commentaren. Wil je de werkgroep steunen of meedoen aan hun activiteiten, ga dan naar hun website en Facebook pagina.

Hoefdraad en economisch beleid

Sandew Hira

“It’s the economy, stupid!”

Het gaat er hard aan toe in Suriname in deze verkiezingsmaand. Alles wordt uit de kast getrokken om de uitslag van de verkiezingen over drie weken te beïnvloeden. Daartoe behoort ook de hetze tegen minister Hoefdraad. Waarom is het centrum van de aanval op Hoefdraad gericht?

In maart 1991, drie maanden na de Amerikaanse inval van Koeweit, was de populariteit van president George H. Bush ongelooflijk groot: 90% van de Amerikanen steunden hem. Een jaar later verloor hij de verkiezingen. Terwijl Bush dacht dat de “gewonnen” oorlog zijn presidentschap zou verlengen, had de campagne van Clinton een focus. “It’s the economy, stupid!” zou hun slogan luiden. Clinton hamerde op de slechte economische prestaties van Bush en zijn programma voor economisch herstel. Hij won de verkiezingen.

De oppositie in Suriname neemt een groot risico. De focus van hun oppositie is niet een alternatief economisch programma, maar de criminalisering van de man die Suriname uit een economisch dal trekt.

Twee manieren van crisisbestrijding

In 2010 won de NDP de verkiezingen. Hoefdraad werd governor van de Centrale Bank. Hij had een indrukwekkende cv waaruit blijkt dat hij een enorme ervaring heeft en goede netwerken in de internationale financiële wereld. In 2015 won de NDP opnieuw en werd hij Minister van Financiën. Toen sloeg de economische crisis toe met de enorme daling van de grondstoffenprijzen.

Nu zijn er twee manieren om een land uit een diepe economische crisis te halen: een structureel aanpassingsprogramma door sanering van het overheidsapparaat met massa-ontslagen van ambtenaren en drastische verlaging van subsidies of een sociaal investeringsbeleid met behoud van het sociaal vangnet en voorzichtig manoeuvreren naar een situatie van herstel van de economische groei. Dat is ongelooflijk lastig. In plaats van massa-ontslagen en grote verlagingen van de subsidies doe je het omgekeerde: investeren in de herstelkracht van de economie. In de Westerse economische theorie is dit beleid uitgewerkt door de Britse econoom John Maynard Keynes. Hij stelde voor dat de overheid grote leningen nam om de overheidsinvesteringen te financieren en daarmee de economie uit het slop te halen. Als dat eenmaal gebeurt, zal het overheidstekort door de economische groei weer afnemen. Rechtse liberalen economen onder leiding van Milton Friedman hebben deze strategie afgewezen en stellen als alternatief voor het neo-liberale structurele aanpassingsprogramma. In Suriname lijkt het alsof de traditionele economen maar één theorie kennen, die van het neo-liberalisme.

Hoefdraad heeft gekozen voor een sociale aanpak in crisisbestrijding en wat blijkt: het heeft gewerkt tot de corona-crisis. Het IMF heeft in December 2018 een rapport uitgebracht over Suriname waarin ze de weg naar boven beschrijft en concludeert: “Suriname’s economy has stabilized and is expected to further improve.” Ze verwachte een economische groei van 2% in 2018 en 3% daarna.

En Suriname merkt dit ook. Want hoe is het mogelijk voor de regering om salarisverhogingen toe te kennen aan onderwijsgevenden, de politie, de leerkrachten, de militairen en de Rechterlijke Macht in plaats van een drastische verlaging van die salarissen? Hoe is het mogelijk om basissubsidies in stand te houden in plaats van ze massaal af te schaffen? En dit alles vindt plaats te midden van een economische sabotagecampagne waarbij speculanten de valutakoersen proberen te manipuleren en de rechtse vakbeweging nog meer druk probeert te leggen op het overheidsbudget. Als de oppositie consequent was, moet ze pleiten tegen die salarisverhogingen. Waarom doet ze dat niet?

Als je een eerlijke discussie wilt voeren over de resultaten van de strategie van een sociaal investeringsbeleid versus een structurele aanpassingsprogramma dan zullen de feiten aantonen dat deze strategie heeft gewerkt en ook goed onderbouwd is in de economische theorie. Die eerlijke discussie wordt niet gevoerd. In plaats daarvan wordt een hetze gevoerd. Ik heb eerder een analyse gegeven van de rol van de VES in die hetze. De VES manipuleert informatie, weigert te reageren op kritiek en stelt zich op als de economische arm van de oppositie.

De strategie van de hetze: shift de focus!

De strategie van de hetze is gebaseerd op een oude techniek: shift de focus. Hoe werkt die techniek. Ik geef een voorbeeld.

Een familie is geconfronteerd met een crisis: hun huis staat in brand. Ze halen met een autobusje water uit de trenzen om de brand te blussen. Ze parkeren het busje midden op straat met de autodeuren wijd open. Een buurman die al die tijd stilletje benzine heeft gegooid op het erf om de brand te stimuleren, komt naar buiten en roept: “Buurman, waarom heb je zo a-sociaal geparkeerd. Je hindert het verkeer.” De buurman belt de politie. De politie arriveert en wil de familie bekeuren: “Meneer, u overtreedt de regels. U mag niet midden op de straat parkeren nota bene met de deuren wijd open.”

De familie brengt haar verweer in: “Buurman, agent, we zitten in een crisissituatie. Ons huis staat in brand, en ja we overtreden de verkeersregels, maar we zijn bezig ons huis en onze buurt te redden.”

Maar de agent en de buurman moeten er niets van weten: regels zijn regels. De agent haalt een wetboek tevoorschijn en leest de regels op die geschonden zijn. De buurman, die benzine gooide, blijft roepen: “We zijn een beschaafde samenleving waar iedereen de regels moet volgen.” En beide zwijgen over de crisissituatie. Ze verschuiven de focus van “hoe bestrijd je een brand” naar “hoe hou je je aan de verkeersregels“.

Verkeersregels zijn belangrijk, maar om regels te kunnen beoordelen moet je ze plaatsen in een context. En het overtreden van de verkeersregels in de context van het bestrijden van de brand beoordeel je anders dan het overtreden van diezelfde regels buiten de context van de brand. Die beoordeling laat je achterwege, als je alleen over de overtreding praat en de context weglaat.

Dat gebeurt nu in de kwestie van de PG en Hoefdraad. Als je de context van de crisisbestrijding weglaat uit het verhaal, krijg je een heel andere beoordeling van de regels dan als je die context wel in ogenschouw neemt. Als je die context weglaat, dan pas je uiteindelijk de techniek van focus-verschuiving toe. Blijf hameren op de regels en dan kun je een goede hetze voeren.

In Suriname heeft de oppositie de controle over belangrijke delen van de particuliere media. De columnisten en journalisten zijn getraind in focus-verschuiving. Geen woord over de twee manieren om een economische crisis te bestrijden. Geen woord over de context.

Maar ook als je over de context praat, moet je je wel realiseren dat de familie ook had kunnen zeggen: “OK agent, ik parkeer de auto op een nette manier en ga verder met de brand blussen.” De context kan ook niet een vrijbrief zijn om alle regels aan je laars te lappen. Hoefdraad zal met een antwoord moeten komen over de vraag of hij regels heeft overtreden en waarom. Ik geloof niet dat hij zichzelf persoonlijk heeft verrijkt, maar gehandeld heeft vanuit de gedachte: hoe haal je een land uit een crisis? De context is van belang om zijn handelingen te beoordelen.

Het grotere plaatje: dekolonisatie of rekolonisatie

Ik heb vaker aangegeven dat de Surinaamse politiek moet worden bekeken vanuit een grotere plaatje: het proces van dekolonisatie. Ik kan het niet genoeg benadrukken.

Dekolonisatie betekent een diepgaande verandering van de samenleving op economisch, sociaal en politiek gebied. De economische strategie van de anti-koloniale krachten in Suriname moet in die context geplaatst worden. Er zijn niet alleen twee economische strategieën voor crisisbestrijding, maar ook twee strategieën voor economische ontwikkeling in het algemeen. Laten we die strategieën bekijken buiten de crisissituatie.

In 1975 werd Suriname onafhankelijk en kreeg 3,2 miljard NF mee. De Front-regering (de huidige oppositie) had de keuze: vertrouwen op eigen kunnen of vertrouwen op de kolonisator. Front vertrouwde op de kolonisator. In mijn boek over de geschiedenis van Staatsolie vertelt Eddy Jharap hoe zijn idee om naar olie te zoeken in Suriname werd getorpedeerd door NPS-ambtenaren die alleen keken naar wat voor SHELL belangrijk is. Jharap kon Staatsolie beginnen na de coup van 1980. Staatsolie bracht een economische revolutie op gang. Het bedrijf is een belangrijke pijler van de economie geworden. Dat komt door de economische visie van “vertrouwen op eigen kunnen” in plaats van “vertrouwen op de kolonisator“.

Een ander voorbeeld. Toen Suriname in 1975 NF 3,5 miljard “ontwikkelingshulp” kreeg, waren het de Nederlanders in de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland Suriname (CONS) die bepaalden wat er moest gebeuren. In 1982 was er een voorstel om uit deze gelden een brug over de Suriname rivier te bouwen. Nederland wees dat voorstel af. Die brug is er later gekomen onder een anti-koloniale regering. Wat is het verschil in economische visie? Front staat voor wat goed is voor Nederland, is goed voor Suriname. De anti-koloniale beweging staat voor de visie: wat goed is voor Suriname hoeft niet goed te zijn voor Nederland; ontwikkel de infrastructuur van Suriname, dan ontwikkel je haar economie.

Dit zijn heldere visies op economisch beleid voor de lange termijn: dekolonisatie versus rekolonisatie. Dat is de inzet van de politieke strijd in Suriname. En dat staat ook op het spel bij de verkiezingen.

Het risico voor de oppositie

De oppositie heeft gekozen voor focusverschuiving: praat niet over economisch beleid van Hoefdraad, maar criminaliseer de persoon door een hetze die zich niet baseert op feiten en visie. Of die hetze effect heeft zal blijken in de DNA als het parlement zich uitspreekt over de actie van de PG. Ik verwacht dat dat effect niet groot zal zijn en Hoefdraad die strijd wint. Of de NDP de verkiezingen wint in tijden van corona moet blijken. Ze maakt een goede kans als ze het advies van de Clinton campagne volgt: focus op de economische resultaten en wat ondanks de crisis wel is bereikt: “It’s the economy, stupid!”

Analyse van de Corona crisis in Nederland

Sandew Hira, 11-4-2020

China

Op 27 december 2019 deed een ziekenhuis uit Wuhan, de hoofdstand van de Chinese provincie Hubei, voor het eerst melding van 3 patiënten met een longontsteking met een onbekende oorzaak. Een Chinese arts, Li Wenliang, die hiervan melding maakte werd aanvankelijk berispt door de autoriteiten omdat hij erop wees dat dit een gevaarlijke nieuwe ziekte is, maar nader onderzoek leerde dat hij gelijk had. Een officieel onderzoek sprak hem vrij en de Communistische Partij van China bood haar verontschuldigingen aan aan zijn familie. China stelde op 31 december de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) op de hoogte van deze ontwikkeling. Sindsdien heef het land intensief samengewerkt met de wereld om het virus te kop in te drukken. Gedurende een maand kon de wereld zien hoe China allerlei maatregelen nam om haar bevolking te beschermen: uitgebreid testen, afsluiten van parken en toeristische attracties en op 23 januari zelf een totale lockdown in Wuhan. Elke dag hoorden we van een toenemend aantal besmettingen en een toenemend aantal doden. De aantallen leken duizelingwekkend: op 22 januari waren er 17 doden, een week later waren het er 170, op 4 februari 490 en op 22 maart 3.270. Op 10 april waren het er 3.339 en er kwamen amper nieuwe bij. In drie maanden tijd had China de epidemie onder controle gekregen.

Wat hebben ze gedaan? Ze hebben een enorme daadkracht getoond. Ze begonnen mensen snel te testen op allerlei plekken met geavanceerde lasergestuurde thermometers. Ze schakelden hun grote tech-bedrijven in om de voedselvoorziening en communicatie te organiseren. In de eerste dagen van de lockdown was er een run po de supermarkten. Maar al snel wisten bedrijven als Alibaba met lokale supermarkten een systeem op te zetten waarbij je vanuit je huis kon bestellen en direct wist of medicijnen en voedselproducten op voorraad waren. Binnen 20 minuten na je bestelling kreeg je je producten en vertelde een app je waar het werd klaargelegd.

In andere steden hebben ze technologie gebruikt om de risico’s van verspreiding in kaart te brengen. Iedereen gebruikt zijn mobiele telefoon met een QR-code (Quick Response code) om betalingen te verrichten en met andere te communiceren. Dit systeem wordt gebruikt om aan je QR-code een kleur toe te kennen. Het begint met het beantwoorden van vragen over je gezondheidssituatie en je reisgedrag en in hoeverre je in gebieden bent geweest waar Corona heerst. Op basis daarvan krijg je een kleurcode: groen betekent dat je vrij kunt reizen, geel dat je zeven dagen in quarantaine moet en rood dat je veertien dagen in quarantaine moet. Net als in Nederland hechten ook in China mensen aan de privacy van hun gegevens en dus zijn ook daar discussie over wie, hoe lang waar de gegevens kan opslaan en hoe dat gecontroleerd moet worden. Hun medisch systeem werd op stel en sprong ingericht om de bevolking te kunnen testen en zieken te kunnen behandelen. Zo kregen ze het virus in drie maanden onder controle en komt her openbare leven weer op gang in een stad als Wuhan. Een systeem van preventie blijft nog wel van kracht totdat er een vaccin is ontwikkeld.

Nederland

Op 30 januari riep de WHO de epidemie uit tot een internationale noodsituatie. De wereld was goed geïnformeerd. In Nederland volgden we de ontwikkelingen in China als een ver-van-mijn-bed show. De media hadden plezier erin om de Chinese regering af te schilderen als een onbetrouwbare regering die geen steun had onder het volk en maar niet in staat was om hun bevolking te beschermen. Anti-China retoriek vierde hoogtij.

Uitgerekend iemand van extreem-rechts, Thierry Baudet, vroeg op 29 januari in de Tweede Kamer om een spoeddebat over de vraag hoe Nederland voorbereid is op een mogelijk Corona uitbraak hier. De gevestigde partijen lachten hem uit. “Over tien dagen is een vergadering gepland en daar kan het besproken worden,” reageerden de regeringspartijen. De hele maand februari had de regering en haar deskundigen van het RIVM – – in tegenstelling tot de WHO – nog geen alarm geslagen. Op 1 maart gaf RIVM een persconferentie waarin ze verklaarde dat ondanks het feit dat er in Brabant tien besmettingsgevallen bekend waren er geen redenen waren om het Carnavalsfeest stop te zetten. Jaap van Dissel, directeur van RIVM, geeft op 13 maart aan: “50 tot 60 procent krijgt coronavirus.” Hij gaf bewust niet aan hoeveel doden dat zouden zijn. Een simpele berekening leert dat het om minimaal 170.000 doden gaat: 50% van 17 miljoen = 8,5 miljoen besmettingen. Het aantal doden per 100 besmettingen 16 maart was 2% en nam later toe tot 4%: 2% van 8,5 miljoen = 170.000 doden; 4% is 340.000 doden. Nederland zou zich hierop moeten voorbereiden, maar door deze aantallen te verzwijgen, bereid je je op niets voor. Een besmetting klinkt niet zorg erg als een dode.

En werkelijk, na 13 maart begon het aantal doden toe te nemen. Op 16 maart waren er al 24 gestorven aan corona. De paniek sloeg toe. Premier Rutte gaf op die dag een toespraak met een analyse van drie beleidsopties:

  1. Het land gaat helemaal op slot: een total lockdown. Rutte: “Zo’n rigoureuze aanpak kan op het oog aantrekkelijk lijken, maar deskundigen wijzen erop dat het bepaald geen kwestie van dagen of weken zou zijn.” Optie 1 is afgewezen.
  2. Het virus onbeheerst zijn gang laten gaan. Rutte: “Daarmee zou ons zorgsysteem in de piek van de besmetting volkomen overvraagd worden, waardoor er niet genoeg capaciteit zou zijn om kwetsbare ouderen en andere patiënten met een hoog risico te helpen.” Exit optie 2.
  3. Het opbouwen van groepsimmuniteit. Rutte: “Wie het virus heeft gehad, is daarna meestal immuun. Net als vroeger met de mazelen. Hoe groter de groep die immuun is, hoe kleiner de kans voor het virus om over te springen op kwetsbare ouderen en mensen met een zwakke gezondheid. Met groepsimmuniteit bouw je als het ware een beschermende muur om hen heen. Dat is het principe. Dat leidt tot een beheerste verspreiding, onder groepen die het minste risico lopen… Maximaal controleren betekent dat we proberen met maatregelen de piek in het aantal besmettingen af te vlakken en uit te smeren over een langere periode. “

 

En zo hielden Rutte en zijn deskundigen samenleving voor de gek. Hij sprak bewust niet over het uitsmeren van het aantal doden over een langere periode, maar over het aantal besmettingen. Intussen is de meest grimmige scenario werkelijkheid aan het worden. Het officiële aantal doden in Nederland als directe gevolg van Corona is opgelopen van 24 op 16 maart naar 2.643 op 11 april, ruim drie weken later, dat is een stijging van 11.013% (!!). Straks heeft Nederland meer doden dan China.

We horen niets meer over groepsimmuniteit.

De vergelijking met andere landen

De informatievoorziening in Nederland over Corona is onderdeel van de manipulatie van de geest. Landen waar het Westen problemen mee heeft moeten het ontgelden: eerst China en nu Iran. De hele wereld kampt met Corona en over Iran moeten we steeds horen hoe het aantal doden daar maar toeneemt en de bevolking haar regering niet vertrouwt. Niets over economische sancties en de boycot van Iran. De cijfers die gepresenteerd worden, worden steeds als absolute cijfers gepresenteerd, zonder een vergelijk met anderen landen. Op 11 april had Iran 4.357 doden op een bevolking van 84 miljoen, dan zijn 5,2 doden per 100.000. Nederland had 15,5 doden per 100.000. Die vergelijking wordt niet gemaakt. Op 11 april was Amerika nummer één van de wereldranglijst van doden als gevolg van corona. Ze was Iran al voorbijgestreefd in aantallen doden per 100.000 (5,7).

De vergelijking die gemaakt moet worden is met landen die het beter doen zodat we van hen kunnen leren. Taiwan heeft een bevolking van 24 miljoen en een oppervlakte van 36.000 km2. Nederland heeft een oppervlakte van 42.000 km2. Op 11 april had Nederland 2.643 doden en Taiwan slechts 6. Zou dat niet een reden zijn om te kijken hoe dat in een dichtbevolking land als Taiwan mogelijk is en hier niet?

Taiwan zag Corona al in december aankomen. Ze publiceerden een lijst van 124 maatregelen die genomen moesten worden. Het begon met de eerste maatregel om vanaf 31 december passagiers in vliegtuigen te testen op symptomen van verhoogde temperatuur en luchtwegproblemen. En vervolgens werd een scala aan maatregelen uitgerold op het gebied van preventie, testen en voorbereiden van het zorgsysteem op de opvang van besmette gevallen.

En wat deed Nederland in die tijd? Op advies van de RIVM carnaval vieren met als gevolg dat Brabant de hoogste prijs betaalt voor de Corona crisis.

In plaats van testen en preventie komt het advies van Rutte en zijn deskundigen neer op een simpele boodschap: “Dames en heren, het gaat heel erg worden met de besmettingen; hou je goed en zorg dat je niet besmet wordt. Daag!” Daar moeten we het mee doen.

Een laatste vergelijking. De voormalige kolonie Suriname telde op 11 april 1 dode, het laagste aantal in Latijns-Amerika. Hoe kan dat?

Lezing Sandew Hira over Séri en Flora

In het kader van de internationale vrouwen dag organiseert het Comité 30 juni-1 juli Almere een lezing over deze twee moedige vrouwen.

Het verhaal van Flora en Séry is door Anton de Kom op een prachtige wijze vertolkt. Flora en Séry zijn twee vrouwen die tijdens de slavernij door het koloniale leger waren gearresteerd. Ze werden gemarteld om de locatie van hun dorp prijs te geven zodat het leger die kon aanvallen. Ze zijn stervend ten onder gegaan maar hebben hun dorpsgenoten niet verraden.

Sandew Hira houdt een lezing over Flora en Sery en plaats dit in het kader van de geschiedenis van slavernij.

Sylvana Simons van Bij1 houdt ook een inleiding.

Datum: zaterdag 7 maart 2020

Tijd: 19.00-22.00 uur

Locatie: Buurtcentrum “ Filmwijkcentrum

Adres: Walt Disneyplantsoen 76/78

Plaats: 1325 SX Almere

De kosten zijn €5,00 + koffie, thee en cake.

Zijn Surinamers gek geworden?

Sandew Hira, 24-2-2020

Inleiding

Hoe is het mogelijk dat een regering die verantwoordelijk is voor torenhoge prijzen, stijgende wisselkoersen, desastreuze leningenbeleid, korruptie-schandalen en nog veel ergere wandaden 35.000 man op de been krijgt om haar steun te betuigen terwijl de oppositie die met nationale en internationale steun van de media en onophoudelijke campagnes amper 4.000 mensen op de been kan brengen om te protesteren tegen de regering? Zijn Surinamers gek geworden?

Als je de media mag geloven, dan is dat de enige conclusie die je kunt trekken. Wie nu nog de media gelooft, gelooft ook in sprookjes. De twee demonstraties van 17 en 24 februari was een confrontatie tussen pro- en anti-koloniale stromingen in de Surinaamse politiek. Dit artikel gaat dieper in op de betekenis van de verkiezingsstrijd die nu gaande is in Suriname.

Het artikel behandelt de volgende onderwerpen:

  1. De historische ontwikkeling tussen de pro- en anti-koloniale stromingen in Suriname.
  2. De krachtsverhoudingen tussen oppositie en coalitie nu.
  3. De mogelijke scenario’s na de verkiezingen.

1. De historische ontwikkeling

De historische ontwikkeling

Vanuit een historische kader bekeken zijn de verkiezingen van 2020 deel van een lange strijd in Suriname voor dekolonisatie. Tussen 1980 en 1987 werd die strijd gevoerd met militaire middelen. Sinds 1987 wordt die strijd gevoerd in de arena van de parlementaire democratie. Tussen 1987 en 2015 zijn er zeven verkiezingen geweest. Dat heeft geresulteerd in 21 partijen en partij-combinaties die een DNA-zetel hebben kunnen bemachtigen. Die partijen kunnen we grofweg indelen in partijen die pro- en partijen die anti-koloniaal zijn. Dit zijn globale scheidslijnen, want sommige partijen kunnen duidelijk gekarakteriseerd als pro- of anti-koloniaal, terwijl dat bij sommige partijen niet het geval is. Vaak hebben partij-combinaties meegedaan aan de verkiezingen die bestonden uit een mengelmoes van pro- en anti-koloniale krachten.

De partijen rond de NDP karakteriseer ik als de anti-koloniale stroming en de partijen rond het Front als de pro-koloniale stroming. Dit zijn de verschillen tussen de twee stromingen.

Politiek: De anti-koloniale stroming wil daadwerkelijke onafhankelijkheid en wil geen directe of indirecte politieke invloed van Nederland in Suriname. De pro-koloniale stroming heeft nauw contact met de kolonisator en stemt haar beleid af met de kolonisator.

Sociaal: De anti-koloniale stroming is multi-etnisch en verenigd in één partij. De pro-koloniale stroming is gebaseerd op etnische segregatie en georganiseerd in politieke partijen die op etnische leest zijn geschoeid.

Economisch: De anti-koloniale stroming wil economische onafhankelijkheid van Nederland. De oprichting van Staatsolie is daarvan het levend bewijs. De pro-koloniale stroming zoekt altijd naar de verbinding met Nederland. Toen ze aan de macht kwam in 1980 en daarna in 1987 heeft ze de ontwikkelingshulp als een belangrijke bron gezien voor de ontwikkeling van Suriname.

Cultureel: De anti-koloniale stroming gaat uit van vertrouwen in eigen kunnen en het versterken van de Surinaamse identiteit en trots. De anti-koloniale beweging is geworteld in de anti-koloniale traditie die gesymboliseerd wordt door Anton de Kom. Ze hebben de universiteit naar Adek genoemd. De pro-koloniale stroming haalt het vertrouwen in eigen kunnen neer, praat in negatieve termen over wat er mis is met Suriname en hemelt anderen op en zwijgt over de historische strijd tegen het Nederlands kolonialisme. Dit zijn grofweg de verschillen. Het kan uitgewerkt en verfijnd worden.

Hoe hebben de krachtsverhoudingen tussen deze stromingen zich ontwikkeld in de verkiezingsstrijd tussen 1987 en 2015?

Grafiek 1 geeft de verkiezingsuitslagen weer (gebaseerd op tabel 2). Ik heb daarbij de globale indeling gehanteerd naar koloniale en anti-koloniale stroming. Die indeling is soms enigszins arbitrair. Zo heb ik de VVV-combinatie die in 2005 aan de verkiezingen deelnam onder de anti-koloniale kracht geschaard omdat de DNP o.l.v. Wijdenbosch in die combinatie zat en president werd. Maar de overige partijen van die combinatie kwamen uit de oude politiek (BVD, KTPI, PL, PPRS); zie tabel 2.

Grafiek 1: De verhouding pro- en anti-koloniale stromingen bij de verkiezingsuitslag voor de DNA zetels

De historische trend is overduidelijk. In de afgelopen veertig jaar heeft er een dramatische shift plaatsgevonden van de dominantie van pro-koloniaal naar anti-koloniaal. De grafiek laat dat visueel zien.

Tabel 1 toont dezelfde data in cijfers. In 1987 hadden de pro-koloniale krachten een overweldigende meerderheid van 44 zetels. In veertig jaar tijd zijn ze gehalveerd. De anti-koloniale stroming is enorm gegroeid van 7 naar 27 zetels.

Tabel 1: De verhouding pro- en anti-koloniale stromingen bij de verkiezingsuitslag voor de DNA zetels

Tabel 2 geeft een gedetailleerd inzicht in de krachtsverhoudingen in het parlement. Daaruit blijkt de NDP de centrale kracht is in de anti-koloniale stroming. In 1987 had de NDP maar drie zetels. Ze heeft de verdeeldheid die er voor 2015 was onder progressieve krachten weten te overkomen en een eenheidsbeweging gevormd. Ze heeft op eigen kracht 26 zetels weten te behalen in 2015. De PALU begon goed in 1987 met vier zetels, maar wist dat niet vast te houden. Haar betekenis is nu niet significant.

Bij de pro-koloniale krachten is etniciteit de basis voor politiekvoering waardoor er een enorme verscheidenheid is aan partijen, maar de spil die dit geheel aan elkaar bindt is de VHP. Zij is in alle combinaties de belangrijkste partij. De NPS die in het begin een even belangrijke factor was als de VHP is verschrompeld tot twee zetels.

Tabel 2: De specificatie van de pro- en anti-koloniale stromingen bij de verkiezingsuitslag voor de DNA zetels

Hoe moeten we deze dramatische omslag verklaren? Het gaat namelijk niet om een verandering in één jaar, maar om een historische trend van bijkans 30 jaar. Je moet de oorzaak dan ook niet zoeken in een gebeurtenis rond een verkiezingsjaar, maar in de historische krachten achter de uitslag.

De eerste verklaring ligt in de verandering van de sociale samenstelling van de bevolking, met name de etniciteit.

Tabel 3 geeft de verandering weer in de etnische samenstelling van de bevolking in Suriname op basis van de volkstellingen.

Tabel 3: Bevolking van Suriname naar etniciteit

Hieruit blijkt dat er een grote groep “Gemengd” is ontstaan, Surinamers die geboren zijn uit ouders van verschillende etnische groepen. Hun aandeel is gestegen van 0% in 1971 naar 13% in 2012. Dit percentage zal de komende jaren alleen maar stijgen en zal in 2020 hoger zijn dan 13%. De categorie “overigen” zijn Brazilianen, Haitianen en de nieuwe Chinezen die niet in de historische periode van contractarbeid naar Suriname zijn gekomen, maar met de nieuwe migratie uit China. Omdat de bestaande partijen een etnische identiteit hebben is er voor deze groep geen natuurlijke binding met deze partijen. De twee grote etnische groepen – Hindostanen en Afro-Surinamers – zijn in hun aandeel gedaald. De Hindostanen met 10% en de Afro-Surinamers met 15%. Daartegenover staat dat het aandeel van de Marrons is gestegen van 10% naar 22%. De VHP was geprofileerd als de partij van de Hindostanen en de NPS als de partij voor de Afro-Surinamers inclusief de Marrons. Maar die laatste groep heeft eigen politieke partijen opgezet die met succes hebben deelgenomen aan de verkiezingen.

Als je verkiezingen puur op basis van etnische politiekvoering zou bekijken, dan zouden bij een evenredige kiesstelsel (Suriname heeft een districtenstelsel) de zetelverdeling naar etniciteit (op basis van de verhoudingen uit 2012) er als volgt uitzien. We koppelen de etnische groepen aan bestaande partijen in de DNA. Dan krijgen we het volgende plaatje. De Marrons koppelen we aan ABOP/BEP. Zij hebben samen 7 zetels (2015), maar hebben een etnisch maximum van 11. De Afro-Surinamers koppelen we aan de NPS. Zij hebben nu 2 zetels met een etnisch maximum van 8. De Hindostanen koppelen we aan de VHP met nu 9 zetels en een etnisch maximum van 14. De Javanen zijn gekoppeld aan PL met 5 zetels nu en een etnisch maximum van 5. De rest is gekoppeld aan NDP/PALU/DOE met nu 28 zetels en een etnisch maximum van 11.

Tabel 4: Zetelverdeling op basis etnische groep

Een tweede element is sociale klasse. Doordat politiek partijen op etnische basis waren georganiseerd, hadden de armste sociale klassen geen afzonderlijke stem. De SPA was gelieerd aan de vakbeweging maar toch vooral een Afro-Surinaamse partij. De multi-etniciteit van de NDP heeft de poort geopend naar een partij die sociale klasse als basis heeft. De armste delen van de samenleving uit verschillende etnische groepen laten nu via de NDP hun stem laten horen.

Welke conclusie kun je trekken uit deze exercitie? De belangrijkste conclusie is dat etniciteit niet de primaire basis vormt voor de uitslag van de verkiezingen. De “Overige” hebben nu 28 zetels, terwijl ze maximaal 11 zouden moeten hebben. De NPS zit ver onder haar maximum en de VHP en ABOP/BEP ook redelijk ver. Alleen PL zit redelijk dicht bij haar etnische maximum. Het betekent niet dat etniciteit totaal geen rol meer speelt, maar partijvorming op etnische leest heeft haar langste tijd gehad.

De derde factor die de historische shift verklaart is opleiding en bewustwording. En bewustwording is belangrijker dan opleiding. De afgelopen jaren hebben steeds meer mensen onderwijs genoten. Het onderwijs is geschoeid op koloniale leest, van het lager onderwijs tot en met de universiteit. Daarom is het belangrijk om te kijken naar hoe het proces van anti-koloniale bewustwording zich heeft ontwikkeld.

Daarvoor moeten we teruggaan naar de lange traditie van verzet tegen het kolonialisme van de Inheemsen, de totslaafgemaakte Afrikanen en de Marrons, de Aziatische contractarbeiders en het arbeidersverzet in de jaren dertig. De pro-koloniale beweging heeft niets met die traditie, maar de anti-koloniale beweging plaatst zich binnen deze traditie.

Na de Tweede Grote Europese Oorlog (die de Europeanen de Tweede Wereldoorlog noemen) komt in Suriname de nationalistische beweging op, voornamelijk in de Afro-Surinaamse gemeenschap. Hieruit is de PNR voortgekomen. In de jaren zestig en zeventig komen linkse partijen op: Volkspartij, PALU, Marxistisch-Leninistisch Centrum Suriname e.d.. Zij brengen een anti-imperialistische en socialistische bewustwording op gang.

In hun begintijd waren deze partijen klein. De PNR is er wel in geslaagd om deel te nemen aan een regering die de onafhankelijkheid tot stand bracht. Maar de coup van 25 februari 1980 heeft een historische omwenteling gebracht. Aanvankelijk ging het om een coup zonder een duidelijk ideologische oriëntatie. Er waren socialistische en nationalistische elementen in de leiding van de toenmalige Nationale Militaire Raad. Tussen 1980 en 1987 was er een zwalkend beleid tussen links en rechts. Bij de verkiezingen van 1987 werd de NDP opgericht, maar zij verloor dramatisch. De pro-koloniale politiek kwam met een overweldigende meerderheid binnen. In de decennia daarna is er NDP erin geslaagd om een beweging op te bouwen met veel anti-koloniale krachten en daarmee de verkiezingen ook te winnen. Die beweging is gebaseerd op een anti-koloniaal bewustzijn met wortels in verschillende historische bewegingen, van nationalisten tot en met marxisten.

De mensen die in de loop er jaren gevormd zijn met een anti-koloniaal bewustzijn geven dat door aan jongeren. Bovendien is zelfeducatie via internet voor veel jongeren een belangrijke bron van informatie. De komende jaren zal deze bewust groep alleen maar groeien.

De vierde verklaring voor de historische verandering is het beleid van de pro-koloniale stroming. In 1975 kwamen ze aan de macht met een “kado” van NF 3,5 miljard “ontwikkelingshulp”. Maar de besteding werd bepaald door de Nederlanders in de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland Suriname (CONS). In 1982 was er een voorstel om uit deze gelden een brug over de Suriname rivier te bouwen. Nederland wees dat voorstel af. De NDP heeft later die brug gebouwd en daarmee oost Suriname helemaal ontsloten. Eddy Jharap, de oprichter van Staatsolie, vertelt hoe de mentaliteit van de oude politiek was voor 1980: “Ideeën voor projecten die niet direct in het belang van buitenlandse bedrijven waren, werden van tafel geveegd. Toen ik bij de GMD kwam in 1970 was drs. R. Cambridge diensthoofd, maar het onderzoeksprogramma werd geleid door dr. W. Bosma, een Nederlander. Bosma was wel gedreven, maar hij voerde een beleid van Nederland uit. Daar werd bepaald welke projecten goedgekeurd werden en fondsen kregen. Bosma rapporteerde aan de heer W. Snijders de oude koloniale directeur van het Ministerie van Opbouw. Snijders leek meer te vertellen te hebben over de operationele zaken dan de Minister van Opbouw, de heer Dr. F. Essed.

Snijders zag toe dat de projecten pasten in het Nederlandse beleid. Aardolie mocht je niet doen. Dat werd niet gefinancierd. Het beleid was er niet op gericht om de hulpbronnen in eigen beheer te ontwikkelen. Wij mochten slechts globale studies doen en eventuele vondsten vervolgens aanbieden aan buitenlandse bedrijven voor nadere evaluatie en productie.” (Hira, S.: Eddy Jharap. Vertrouwen in Eigen Kunnen. Een biografisch interview over de ontwikkeling van Staatsolie Maatschappij Suriname NV. Amrit. Den Haag 2007, p. 212).

Corruptie heb je bij de NDP en de oude politiek. De corruptie van de oude politiek ging gepaard met een beleid dat gericht was op de bevordering van de belangen van buitenlandse bedrijven. De corruptie bij de NDP heeft niet verhinderd dat Staatsolie van de grond is gekomen en de infrastructuur van het land sterk is verbeterd: het wegennet, de bruggen, water en elektriciteit in het binnenland e.d. Die praktische verbeteringen in het dagelijks leven van de mensen heeft geleid tot de versterking van de basis van de anti-koloniale stroming.

2. De krachtsverhoudingen nu

Wat betekent deze analyse voor de perspectieven van de verkiezingen van 2020. De NDP heeft nu 26 zetels. De partij heeft Suriname door een diepe economische crisis moeten loodsen. Voor ieder partij in elk land heeft dit negatieve gevolgen voor haar electoraat. De ontevredenheid richt zich op de zittende regering. Het is dan de vraag hoe diep het anti-koloniaal bewustzijn is doorgedrongen bij het electoraat om nog vertrouwen te houden in de NDP.

In Venezuela zijn de anti-koloniale krachten in 1999 middels verkiezingen aan de macht gekomen. Sindsdien zijn er 25 verkiezingen geweest: voor de president, het parlement, de deelstaten, de gemeenten en referenda over grondwetswijzigingen. De anti-koloniale krachten hebben 23 verkiezingen gewonnen, ook in de laatste jaren toen de economische crisis en de Amerikaanse boycot Venezuela hard trof. Maar het nationalistische en anti-imperialistisch bewust is daar heel hoog. De organisatiegraad van de massa-organisaties (boeren, jongeren, studenten, vrouwen, wijkorganisaties) en de Bolivariaanse partij is ook enorm hoog. En ondanks de crisis heeft dat geleid tot electorale winst voor de Chavistas.

Een terugval van de NDP van 26 naar zeg 13 zetels is heel onwaarschijnlijk vanwege de factoren die ik hierboven beschreven heb. Als we kijken naar de opiniepeilingen van IDOS en NIKOS, dan zie ik in de cijfers een bevestiging hiervan.

Ze voorspellen een teruggang van de NDP met meer dan de helft in Paramaribo (tabel 5). Maar het percentage zwevende kiezers is heel hoog. Ze zijn goed voor 6-7 zetels in Paramaribo. In de opiniepeiling van IDOS geeft driekwart (77%) van de respondenten aan dat de economische situatie in Suriname slechter is dan een jaar geleden. Nog eens 84% geeft aan dat ze ontevreden tot heel ontevreden is over de huidige economische situatie. Hoe komt het dat dat zich niet vertaald in een duidelijke keuze tegen de NDP en het aantal zwevende kiezers nul is. Als alle zwevende kiezers door de NDP overtuigd kunnen worden van hun goede bedoelingen dan zou haar zetelaantal zelf stijgen van 9 naar 10-11. Dat is niet waarschijnlijk. Waarschijnlijker is dat de zwevende kiezers over de verschillende partijen worden verdeeld en dat de NDP in Paramaribo op basis van de huidige peiling van 9 zetels teruggaat naar 6-7.

Tabel 5: Opiniepeiling IDOS/NIKOS in Paramaribo

Maar Paramaribo heeft slechts éénderde van alle zetels (zie tabel 6).

Tabel 6: zetelverdeling DNA naar district en partij

De vraag is of en hoe de situatie in de districten zal afwijken van die van Paramaribo. De NDP is geworteld in alle districten. Ze kan in Paramaribo 2-3 zetels verliezen en misschien in de districten nog enkele. In het binnenland is er veel gedaan aan water- en electriciteitsvoorzieningen. Misschien kan ze die zetels behouden.

Mijn inschatting is dat een mogelijk verlies van de NDP in de orde kan zijn van 0-6. Veel zal afhangen van hoe de campagne in de komende maanden wordt gevoerd. Een dramatische terugdraaien van de historische trend acht ik heel klein, maar een verlies van tussen 0-6 zetels is heel goed mogelijk. Maar nogmaals, dit hangt af van de campagne. Het is mogelijk dat de kracht van de NDP in combinatie met de zwakte van de oppositie toch nog voor een verrassing zorgt en ze niet verliest, maar wint.

De kracht van de NDP ligt in twee zaken: haar sterke organisatie en haar ideologische basis. Net als in Venezuela is goede communicatie en mensen constant uitleggen wat er gebeurt en hoe dat te begrijpen van cruciaal belang. Die zaken kunnen een basis zijn voor het opvangen van de effecten van de crisis op het electoraat.

De zwakte van de NDP in het management van het openbaar bestuur: veel wisselingen in de ministers en andere belangrijke posten, problemen met korruptie, trage besluitvorming en slechts communicatie. Die zwakte moeten ze de komende maanden zien te overwinnen met hun kracht.

Een andere zwakte van de NDP is het probleem van kadervorming. Een massa-partij als de NDP die fundamentele veranderingen wil aanbrengen in de samenleving moet geworteld zijn in alle belangrijke sectoren van de samenleving: de vakbeweging, de studentenbeweging, de professionals, de landbouwers etc. Als de VES spreekt zou je een batterij progressieve economen moeten hebben die in staat zijn om een antwoord te formuleren op de onzin die de VES uitkraamt. Als de pro-koloniale juristen alles recht praten wat krom is, zou je anti-koloniale juristen moeten hebben die met publicaties en discussie een repliek kunnen formuleren. Studenten op de universiteit zouden de voorhoede moeten zijn in de anti-koloniale beweging en de hervorming van de structuren van het hoger onderwijs moeten leiden. Dit alles is er niet en dat is een zwakte van een anti-koloniale partij als de NDP.

De partij leunt sterk op het charismatisch leiderschap van Bouterse. Dat is een kracht en een zwakte. Als die leiding wegvalt en niet goed functioneert, dan is er een groot probleem. In Venezuela heeft Hugo Chavez dit voorzien en gezorgd voor een goede overgang naar nieuw leiderschap. Hetzelfde is in Cuba gebeurd.

De kracht van de oppositie zit eigenlijk maar in één ding: de manipulatie van de onderbuikgevoelens van ontevredenheid over de economische crisis. Er is geen visie op hoe de samenleving in te richten (economisch, sociaal, cultureel, politiek) om nieuwe uitdagingen aan te gaan.

De zwakte van de oppositie zit in haar organisatie en haar ideologie. De oppositie bestaat uit een conglomeraat van allerlei partijen die niet op één lijn zitten. Hun organisatorische zwakte bleek op 17 februari. Als alle partijen hun achterban hadden georganiseerd dan hadden ze niet vierduizend, maar 15.000 op straat moeten brengen. Nu was het nota bene georganiseerd door een individu die geen leider is van één van de partijen. De vertaling van de demonstratie naar organisatorisch versterking van de partijen is er niet.

De massabijeenkomsten van de NDP leiden tot versterking van de organisatorische structuren van de partij. Dat is het emotionele en politieke effect van zulke bijeenkomsten.

Van alle partijen heeft de VHP de sterkste organisatie. Maar haar zwakte is etniciteit. Ze is onlangs begonnen met een beleid om in andere etnische groepen een basis te ontwikkelen, maar dat gebeurt niet in een paar jaren. Hiervoor is een culturele omslag nodig die lang kan duren.

Ik voorzie dat de historische trend die we de afgelopen decennia gezien hebben van de neergang van de pro-koloniale beweging en de opgang van de anti-koloniale beweging niet gestopt zal worden. Maar de komende maanden kunnen voor een verrassing zorgen. Soms kan een schandaal vlak voor de verkiezingen een enorme impact hebben op de verkiezingsuitslag.

3. Hoe verder na de verkiezingen?

Hoe gaat het verder na de verkiezingen? Laten we drie scenario’s op een rijtje zitten.

  1. De NDP behoudt haar meerderheid in het parlement. Nadat iedereen bekomen is van het feesten en de oppositie haar wonden heeft gelukt, blijft de vraag: hoe overkom je de diepe verdeeldheid in de Surinaamse samenleving van de afgelopen decennia. Hoe voorkom je dat de polarisatie blijft bestaan en een hinderpaal blijft in de vreedzame ontwikkeling van het land. Dat kan alleen door een handreiking te doen naar de oppositie en een proces van dialoog en verzoening op gang te brengen.
  2. De NDP beperkt haar verlies tussen 0-6 zetels. Ze moet dan een coalitie vormen met andere partijen. Veel hangt af van hoe de afzonderlijke partijen van de oppositie het doen.
  3. De NDP verliest meer dan 6 zetels. Dan is de kans dat de oppositie een regering vormt heel groot. En dan zal ook voor hen de vraag blijven: wil je een samenleving besturen door de diepe verdeeldheid te laten voortmodderen en de kans lopen dat je de rekening vijf jaar later gepresenteerd krijgt, of ben je een in staat om een historische stap te zetten en toch een proces van dialoog en verzoening op gang te brengen.

 

Voor de twee grootste partijen – de NDP en de VHP – zijn deze verkiezingen erop of eronder. Als de NDP niet in de regering komt, dan moet de partij zich voorbereiden op een rol in de oppositie en zich de vraag stellen: wat voor oppositiepartij wil je zijn?

Als de VHP niet in de regering komt, dan zullen in de VHP stemmen opgaan die het leiderschap van Santokhi ter discussie zullen stellen. Want vijf jaar oppositie zal voor de VHP-ondernemers een grote klap zijn. Zij zullen de partij mogelijk verlaten en hun steun geven aan wie in de regering zit.

De komende maanden zijn beslissend voor welke van deze scenario’s actueel worden.