Overpeinzingen bij 100 jaar Vereniging Ons Suriname

Sandew Hira
16 januari 2019

Een mijlpaal

Het is niet niks. Een vereniging, neen, een Surinaamse vereniging bestaat 100 jaar. Welke organisatie kan dat van zichzelf zeggen? Op 18 januari 1919 nam Julius Jacob Gemmel, een Surinaamse onderwijzer die naar Nederland kwam om verder te studeren en in Amsterdam gemeenteambtenaar werd, het initiatief tot de oprichting van de vereniging. Het aantal Surinamers in die periode zal enkele honderden zijn geweest. Nu is het 350.000.

De eerste dertig jaar van de vereniging draait vooral om het bevorderen van sociale contacten tussen Surinamers in Nederland, met name in Amsterdam waar veel ex-zeelieden uit Suriname wonen. Dat was belangrijk toen en in de decennia daarna. Maar wat Ons Suriname zo bijzonder maakt voor onze gemeenschap is haar politieke functie die een historische waarde heeft.

Ik heb persoonlijke herinneringen aan Ons Suriname die me dierbaar zijn omdat het ze plaatst in een traditie van progressieve Surinaamse politiek door de jaren heen.

Nationalisme

Ons Suriname is de plek waar de grondleggers van de nationalistische beweging van Suriname bij elkaar kwamen. Daar werden de discussies gevoerd over de strategie en tactiek over dekolonisatie. De jaren vijftig waren de jaren van internationale dekolonisatie. In verschillende delen van de wereld werd strijd gevoerd voor politieke en economische onafhankelijkheid. Surinaamse studenten onder leiding van Eddy Bruma richtten in 1951 Wie Egie Sanie (onze eigen dingen). Uiteindelijk kwamen ze in het bestuur van de Vereniging.

De principes van het nationalisme werden in 1955 uiteengezet in de Koerier, het orgaan van de vereniging:

  1. Bevrijding van de Nederlands/westerse culturele overheersing
  2. Bevrijding van de Nederlandse etnocentrische beschrijving van de Surinaamse geschiedenis, met het oog op de herschrijving van de geschiedenis
  3. Bevrijding van de buitenlandse economische overheersing
  4. Staatkundige onafhankelijkheid.

In de jaren tachtig heb ik mogen samenwerking met Fred Derby en de vakcentrale C’47. Daar heb ik de persoonlijk kennis gemaakt met de erfenis van Baru, zoals Bruma liefkozend werd genoemd door zijn volgelingen. Het was een erfenis van een beweging die haar wortels had in Wie Egie Sanie, die later opging in Ons Suriname. De zelfbewuste Surinamer die niet steeds achterom keek om te zien of hij/zij de goedkeuring droeg van de witte Nederlander, de strijdbewuste Surinamer die de strijd voor sociale rechtvaardigheid voor de armste delen van de Surinaamse bevolking voorop stelde, de trotse Surinamer die de onafhankelijkheid koestert. Die erfenis heeft haar oorsprong in de beweging die gevormd is in Ons Suriname en uiteindelijk de politieke onafhankelijkheid heeft weten te bewerkstelligen.

De nationalisten in Ons Suriname hadden ook een internationalistische houding. In 1954 schreef Frits Moll in de Koerier: “De verbondenheid met het koningshuis betekent voor ons net zo iets als bijvoorbeeld verknochtheid aan het Gemeentebestuur van Amsterdam. Wij wensen ons niet te vereenzelvigen met de Nederlandse buitenlandse politiek waarop we geen enkel vat hebben. We voelen ons geen stamverwanten van het Zuid-Afrikaanse volk, dat een misdadige rassenpolitiek bedrijft. We willen geen NAVO-partners zijn van Portugal dat op misdadige wijze de negerbevolking van Angola onder de duim houdt, of van Frankrijk, dat al zeven jaar oorlog voert tegen Algerije… Wij begrijpen heel goed dat ons nationalistisch streven onmiddellijk zal worden vereenzelvigd met communisme, maar wij weigeren te kiezen tussen Oost en West en de verantwoordelijkheid voor dit standpunt ligt niet bij de Nederlandse regering maar bij Suriname zelf.”

Internationalisme is altijd een beginsel geweest van de progressieve krachten in Ons Suriname.

Socialisme

Dat kwam sterker tot uitdrukking in de nieuwe beweging die het nationalisme opvolgde en ook in Ons Suriname een huis vond: de socialistische beweging van de Volkspartij. Eddie Jharap, één van de grondleggers van de VP, over wie ik een boek schreef als grondlegger van Staatsolie, vertelde me over de Surinaamse Studenten Vereniging SSV die nauwe banden had met Ons Suriname: “We namen ook actief deel aan internationale seminars en conferenties met studenten uit Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse landen. Cuba was een referentiepunt. Je voelde je onderdeel van een grote internationale beweging voor sociale rechtvaardigheid en socialisme.

We deden mee aan demonstraties tegen de oorlog in Vietnam. Ik weet nog dat we aan de Vietnamezen die wij op conferenties in het buitenland te­genkwamen, vroegen waarmee wij hun strijd concreet konden steunen. We waren zelf niet erg bemiddeld, maar wij wilden iets doen om onze solidariteit met het Vietnamese volk tot uitdrukking te brengen. ‘Kinine tegen malaria hebben wij nodig in Vietnam,’ zeiden ze. We zijn toen langs diverse apotheken gegaan om kinine in kleine hoeveelheden op te kopen. Dat materiaal werd dan langs een omweg verscheept. Toch viel dat op en de apothekers begonnen vragen te stellen. Wij verklaarden dat de kinine bestemd was voor mensen in het binnenland van Suriname. Ik denk dat we daardoor toch in het vizier zijn gekomen van de Binnenlandse Veilig­heids Dienst, de BVD. Een BVD’er had contact opgenomen met één van onze leden. Hij had met hem afgesproken in een Chinees restaurant, waar hij gegevens zou doorspelen over de leiding van de SSV. Tijdens die bijeen­komst zijn we binnengegaan om hem te fotograferen en eigenlijk om hem te intimideren.”

Ons Suriname was het huis van de Volkspartij en haar jongerenorganisatie het Democratisch Jongeren Front (DJF). Niet nationalisme, maar socialisme was nu het leidende verhaal. Jharap over de rol van Ons Suriname in de opbouw van de Volkspartij in Suriname: De Vereniging Ons Suriname werd een steunpilaar. Frits Moll was onze verbindingsman met Ons Suriname. De steun vanuit Nederland was heel belangrijk.”

Net als de nationalisten wilden ook de socialisten breken met de oude koloniale orde.

In Nederland ontwikkelde zich onder Surinaamse studenten en activisten verschillende socialistische stromingen. Ondanks hun meningsverschillen zijn de meesten nog steeds onderdeel van de anti-imperialistische beweging van Suriname. De LOSON is de enige organisatie die een andere weg is ingeslagen. Aanvankelijk was ze vooral geïnspireerd door het Stalinistisch leiderschap van dicator Enver Hoxha van Albanië. Na de val van het Oostblok schoof ze op naar rechts en zelfs in zo een mate dat haar leider Theo Para (pseudoniem van Henry Does) nu zonder enige schaamte de spreekbuis is van de meest reactionaire krachten in Suriname.

De coup van 25 februari 1980

De coup van 25 februari 1980 heeft voor een enorme discussie gezorgd in de progressieve gemeenschap. Was het een coup? Was het een revolutie? Bood het nieuwe mogelijkheden voor de progressieve beweging die er eerst niet waren? Hoe moest je ertegen aan kijken? Ons Suriname was de plek waar die discussies werd gevoerd, maar waar ook gemobiliseerd werd tegen de Nederlandse bemoeienis daarin. Ik herinner me nog levendig de paneldiscussie (waar ik onderdeel van mocht zijn) met de toenmalige minister Jan de Koning (“Suriname is geen pot met honing”).

De schok van de Decembermoorden en de nasleep daarvan werd gevoeld in Ons Suriname. Suriname bleef altijd mij altijd verbinden met Ons Suriname.

Decolonizing The Mind en slavernij

In 2009 was Ons Suriname met Delano Veira voorop de initiatiefnemer van een debat tussen mij en Gert Oostindie, dat uiteindelijk zou leiden tot een scheiding der geesten in de Surinaamse geschiedschrijving en het ontstaan van de beweging voor Decolonizing The Mind, die haar beslag heeft gekregen in de oprichting in Suriname van een Instituut voor de Dekolonisatie van Suriname. Meer dan ik besefte Delano hoe belangrijk een confrontatie tussen mij en Oostindie kon zijn als een katalysator voor nieuwe impulsen in het dekolonisatieproces. Hij heeft het evenement dan ook heel zorgvuldig voorbereid en uitgevoerd.

Belangrijke discussies over slavernij vonden plaats in Ons Suriname. De mislukte tv-serie De Slavernij was wetenschappelijk begeleid door o.a. Gert Oostindie. Mijn inhoudelijke kritiek op die serie leidde tot een knieval van de begeleiders (Gert Oostindie, Alex van Stipriaan en Aspha Bijnaar) die in een ingezonden stuk in De Volkskrant toegaven dat de serie niet deugde, maar legden de schuld daarvan bij de programmamaker Carl Boos. Naar aanleiding daarvan organiseerde Ons Suriname een debat tussen mij en Boos over de serie.

In Ons Suriname werd de website slavernijonline gelanceerd. Vanaf de nationalistische beweging tot en met de beweging voor Decolonizing The Mind is herschrijving van de geschiedenis van Suriname, waaronder de geschiedenis van slavernij, een belangrijk onderdeel geweest van de vereniging.

De Surinaamse gemeenschap en zeker haar progressieve beweging kan niet anders dan een diepe buiging maken voor deze organisatie die een historische rol heeft gespeeld in het ontwikkelen van een anti-imperialistische en dekoloniale bewustzijn onder ons volk. Namens heb zeg ik: Ons Suriname: dankjewel vanuit het diepste van ons hart. Jouw bijdrage is van onschatbare waarde geweest voor onze ontwikkeling.

En nog een persoonlijke noot: in Ons Suriname heb ik mijn eerste poging gedaan om de liefde van mijn leven aan mijn zijde te krijgen. Het lukte niet gelijk, maar ik leef nu 42 jaar met haar samen en weet het zeker: geluk bestaat en het is heel dichtbij.

Nationalisme, eenheid in verscheidenheid en solidariteit

Sandew Hira, 4 januari 2019

In Suriname is het vraagstuk van nationalisme en culturele diversiteit onderwerp van discussie geweest in de tweede helft van de vorige eeuw. Dit artikel plaatst die discussie in een breder theoretisch kader vanuit het perspectief van Decolonizing The Mind.

Definities

Een belangrijk onderwerp in de theorie van DTM (Decolonizing The Mind) is het vraagstuk van de natie-staat en identiteit. Laat mij beginnen met enkele definities.

Onder staat versta ik het politieke apparaat dat een gemeenschap bestuurt binnen vastgestelde geografische grenzen. De bestuursvorm kan verschillende vormen aannemen zoals een dictatuur of een parlementaire democratie. Een cruciaal onderdeel van dit apparaat is het monopolie op het gebruik van geweld middels leger en politie.

Onder natie of volk versta ik een gemeenschap die gevormd is op basis van een gemeenschappelijke geschiedenis, taal en cultuur. Een gemeenschap kan verspreid leven in verschillende staten. Een staat kan verschillende gemeenschappen besturen.

Onder identiteit versta ik in dit verband de relatie tussen een individu en een gemeenschap met betrekking tot de mate waarin een individu zich deel voelt van een gemeenschap. Die relatie kan tot uitdrukking komen in hoe het individu het gemeenschapsgevoel tot uitdrukking brengt via taal, geschiedenis en cultuur.

Onder klasse versta ik een groep mensen met dezelfde relatie tot arbeid en productiemiddelen. Ik gebruik dus de klassieke Marxistische definitie waarbij in het kapitalisme het proletariaat de klasse is van mensen die geen productiemiddelen in bezit hebben en hun arbeid moeten verkopen, de bourgeoisie de klasse van de eigenaren van productiemiddelen die meerwaarde (arbeid) onttrekken aan het proletariaat en de petit-bourgeouisie die productiemiddelen in bezit hebben, maar zelf ook arbeid verrichten met die productiemiddelen (kleinere boeren). In de westerse sociologie wordt het begrip klasse gebruikt om een groep mensen aan te duiden met dezelfde kenmerken (bijv. inkomen of levensstijl).

Een natie-staat is een staat waarvan de gemeenschap uit één natie bestaat: één staat, één volk met een gemeenschappelijke geschiedenis, één taal, gemeenschappelijke waarden en normen, één cultuur (bijv. religie).

De discussie in Suriname

Zoals in veel gekoloniseerde landen kwam ook in Suriname een anti-koloniale beweging opgang die streed voor politieke onafhankelijkheid. Die beweging begon als een culturele beweging voor herwaardering van de Afro-Surinaamse cultuur en met name het Sranan Tongo, zowel in Nederland als in Suriname. In Nederland was de Vereniging Ons Suriname een belangrijk trefpunt. De onderdrukking van de Afro-cultuur en het racisme van witte Nederlanders en lichtgekleurde Afro’s naar zwarte Afro-Surinamers waren de motor achter de culturele beweging die herwaardering van de eigen taal en cultuur voorop stelde. Het leverde prachtige kunst en literatuur op met schrijvers als Bruma, Dobru, Trefossa en Koenders. Bruma zag in dat de culturele strijd alleen succesvol zou zijn als het gecombineerd werd met een politieke strijd voor onafhankelijkheid en een sociale strijd (vakbondsrechten). De Partij Nationalistische Republiek en de vakcentrale C’47 (PNR) zijn de uitkomst van zijn visie. De PNR was instrumenteel in de totstandkoming van de onafhankelijkheid.

Hoe zou een nieuwe onafhankelijke staat eruit zien? Bruma en de PNR waren anti-koloniaal vanuit de ervaringen van de Afro-Surinaamse gemeenschap. De multiculturele samenleving van Suriname telt meer gemeenschappen. Hoe verhoudt de Afro-gemeenschap zich in een nieuwe onafhankelijke staat tot de andere gemeenschappen?

Surinaamse intellectuelen die in Nederland opgeleid zijn hebben geen theoretische traditie zoals de Engelse en Franse kolonisator die hebben ingevoerd in het onderwijs. Theoretische verhandelingen over de aard van de natie-staat vinden we niet in de nationalistische beweging. Wel is er een praktisch adagium: de nationalisten streven naar de veredeling van de natie. Veredeling betekent verbetering in de mate waarop de samenleving “zuiver” is geworden. Wat betekent die zuiverheid? Dat iedereen zich Surinamer voelt en dus een Surinaamse identiteit koestert.

Wat houdt die Surinaamse identiteit in? Heel eenvoudig: één taal (Sranan Tongo), één cultuur (nationalisme) en één geschiedenis van kolonisatie (met name slavernij geschiedenis). Anders gezegd: de introductie van  het concept van de natie-staat.

Vanuit de Hindostaanse kant kwam er verzet tegen dit nationalisme met Jnan Adhin als intellectuele boegbeeld. Tegen het concept van de natie-staat bracht Adhin het concept van eenheid in verscheidenheid in: “Laat elke groep op de haar karakteristieke wijze, in actieve coöperatie en harmonie met andere groepen, het hare bijdragen tot de culturele en sociale opbouw van Suriname. Laat er geen eenvormigheid en eentonigheid zijn, doch eenheid in verscheidenheid!”

Het klonk mooi: eenheid in verscheidenheid. In de praktijk betekende het: “Laat me met rust. Jij doet jouw ding. Ik doe mijn ding. En verder vallen we elkaar niet lastig.”

Net zo min als het nationalisme geen antwoord had op de problemen met het concept van de natie-staat in een multiculturele samenleving, zo had Adhin ook geen antwoord op het probleem van de gevolgen van het kolonialisme voor de multiculturele samenleving van Suriname. Adhin was niet anti-koloniaal. Integendeel. Hij was uitgesproken pro-koloniaal. Zie mijn analyse van zijn standpunten.

The theoretische concept van de natie-staat

De meeste staten die zijn gevormd in de geschiedenis van de mensheid waren multiculturele staten. Eén staat bestuurde een gebied met meerdere naties. Het concept van de natie-staat is geïntroduceerd in Spanje in 1492 na de val van Granada. Zuid-Spanje met Granada als hoofdstad werd geregeerd door Moslim heersers sinds het begin van de achtste eeuw. In de politieke theorie van de Islam moet een natie die door Moslims werd geregeerd vrijheden garanderen voor niet-Moslims. Die theorie werd uitgewerkt in Verdrag van Medina die in 622 door de profeet Mohammed is opgesteld. Daarin werden voor Christen, Joden en andere geloofsgroepen. Het Verdrag legde vast dat niet-Moslims vrijheid van godsdienst hadden en dezelfde politieke en culturele rechten als Moslims.

Toen het Christelijke vorstenhuis van koning Ferdinand en Isabella op 2 januari 1492 het laatste bolwerk van de Islamitische staat veroverde introduceerden zij het concept van de natie-staat: één staat, één geloof en één cultuur. Jodendom en Islam werden verklaard tot verboden godsdiensten. Andersdenkenden werden gedwongen om zich te bekeren tot het Christendom.

Dat concept van de natie-staat werd overgedragen in de kolonisatie van de Amerika’s. De gekoloniseerde volkeren moesten zich bekeren tot het Christendom en zich de Christelijke cultuur eigen maken. Spaans moest hun taal worden.

Kolonisatie had grote gevolgen voor Europa. Kolonisatie was in het begin vooral een aangelegenheden van particuliere ondernemers met steun van de staat die zij controleerden. Zo was Suriname ruim een eeuw lang bezit van een particulier bedrijf, de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname. De aandelen waren in handen van een ander particulier bedrijf (De West-Indische Compagnie), de familie Sommelsdijck en de stad Amsterdam. Dat bedrijf runde een staat in Suriname van 1683 tot 1795. India was van 1750 tot 1857 in handen van de East India Company, een bedrijf dat o.a. handelde in drugs (opium). Zij inde belastingen, onderhield een leger en runde de staat. India en Suriname waren gedurende ruim een eeuw geen koloniën van een staat, maar van een particulier bedrijf.

De concurrentie tussen deze ondernemingen en de door hen gecontroleerde staten leidde veelvuldig tot oorlogen in Europa die ook in de koloniën werden uitgevochten. In dat proces vormden zich in Europa staten met één dominante taal en cultuur. Een dominante taal en cultuur betekende dat er wel andere talen en gemeenschappen waren, maar er één leidend was in de vorming van de identiteit en geschiedenis van een staat.

De PNR nam in haar anti-kolonialisme een Eurocentrisch concept over van de natie-staat en was daardoor gedoemd om te mislukken in het ontwikkeling van een beleid over hoe om te gaan met de verhouding tussen natie en staat in een multiculturele samenleving. Adhin kon geen alternatief bieden omdat hij vastgeroest zat in datzelfde Eurocentrisme en het concept van eenheid in verscheidenheid niet wist te koppelen met anti-kolonialisme.

Een DTM concept van de natie-staat

Verschillende denkers uit de niet-Westerse wereld hebben concepten ontwikkeld over de verhouding natie en staat. In zijn boek “How to read Confucius and other Chinese classical thinkers” legt de Chinese president Xi Jinping uit hoe hij de oude Chinese filosofen raadpleegt om het vraagstuk van natie-staat aan te pakken: “The Chinese understood the idea of ‘harmony in diversity’ long ago. Zuo Qiuming, a Chinese historian who lived 2500 years ago, recorded a few sentences about ‘harmony’ by Yanzi, a senior official of the State of Qi: ‘Harmony may be illustrated by soup. You have the water and fire, vinegar, pickle, salt, and plums with which to cook fish.’ ‘There is an analogy between sounds and flavors. There are the breath, the two classes of dances, the three subjects, the materials from the fourth quarters, the five notes, the six pitch pipes, the seven sounds, the eight winds, the nine songs; (by these nine components] harmony is derived.’ ‘Who would eat the soup if we used only water to bring flavor? Who would listen if we played music with only one tune?'”

De essentie is dat als je verschillende naties (volkeren) onder bestuur van één staat brengt, dat niet automatisch zal leiden tot iets goeds. Eenheid in Verscheidenheid is iets anders dan Harmonie in Verscheidenheid. Eenheid betekent “Je vecht niet met elkaar” en Harmonie betekent “Je werkt samen om gezamenlijk iets beters tot stand te brengen”. China heeft 56 officieel erkende etnische groepen met hun eigen talen. Eenheid in Verscheidenheid is passief. Je hoeft niets te doen als je elkaar met rust laat. Harmonie in Verscheidenheid is actief. Je moet iets doen om harmonie tot stand te brengen, bijvoorbeeld solidariteit tussen de groepen promoten en actief samenwerking tot stand brengen. Xi Jinping heeft het concept van de Chinese droom als bindmiddel gepresenteerd: “The over 1.3 billion and more Chinese people are endeavoring to realize the Chinese dream of great national renewal. The dream of the Chinese people is closely connected with the dreams of other peoples of the world. We cannot realize the Chinese dream without a peaceful international environment, a stable international order and the understanding, support and help from the rest of the world. The realization of the Chinese dream will bring more opportunities to other countries and contribute to global peace and development.” Solidariteit is niet beperkt tot China, maar strekt zich uit tot de rest van de wereld.

In Bolivia onder leiding van de Inheemse president Evo Morales is het concept van verscheidenheid opgenomen in de grondwet en in de officiële naam van de republiek: De Plurinationale Staat Bolivia. De preambule van de grondwet meldt: “In ancient times mountains arose, rivers moved, and lakes were formed. Our Amazonia, our swamps, our highlands, and our plains and valleys were covered with greenery and flowers. We populated this sacred Mother Earth with different faces, and since that time we have understood the plurality that exists in all things and in our diversity as human beings and cultures. Thus, our peoples were formed, and we never knew racism until we were subjected to it during the terrible times of colonialism.”

De verscheidenheid heeft dus niet alleen betrekking op volkeren, maar ook op de relatie tussen mens en natuur.

Artikel 9.1 koppelt de versterking van pluri-nationale identiteiten aan het proces van dekolonisatie. Eén doel van de staat is “To construct a just and harmonious society, built on decolonization, without discrimination or exploitation, with full social justice, in order to strengthen the Pluri-National identities.”

Een pluri-nationale staat is gekoppeld aan meervoudige identiteiten. Je kunt deel zijn van de staat Bolivia en tegelijkertijd deel van een specifieke natie. De kunst is om de harmonie te bewerkstelligen tussen de verschillende identiteiten.

Een DTM concept van de natie-staat is niet Eenheid in verscheidenheid, maar Harmonie in verscheidenheid. En harmonie vereist een actief beleid om mensen met en tot elkaar te brengen, solidariteit te versterken om in saamhorigheid een vreedzame en welvarende samenleving te bouwen. Suriname kan veel leren van dit concept.

Na Dokkum: hoe verder?

Sandew Hira
8-12-2017
Een nieuwe fase
Dit jaar heeft een onthutsende ervaring opgeleverd voor veel activisten die strijden tegen institutioneel racisme in de vorm van Zwarte Piet. De blokkade op de snelweg naar Dokkum, de intimidatie van Sylvana Simons door PVV Pieten die naar haar huis gingen, PVV Pieten die een school in Utrecht binnendringen die geen Zwarte Pieten heeft op haar Sinterklaasviering. Dat zijn allemaal tekenen dat we een nieuwe fase ingaan in de strijd tegen Zwarte Piet.
Wat is het belangrijkste kenmerk van deze fase? Dat is het vraagstuk van initiatief.
Het initiatief in de strijd tegen Zwarte Piet lag tot nu toe bij de activisten tegen racisme: demonstraties tijdens de landelijke intocht, bijeenkomsten, allerlei acties etc. Daar reageerde de rest van de samenleving op: talkshows, inbelprogramma’s, sociale media etc.
De strijd tegen Zwarte Piet is geïnitieerd vanuit de Afro-gemeenschap. Maar de link met institutioneel racisme maakt dat andere gemeenschappen van kleur voelen dat dit ook over hen gaat. Op werk, in familie- of andere sociale verbanden staat het ter discussie. Mensen van kleur met een onbevangen geest kiezen vanuit dat gevoel en de link naar racisme voor de strijd tegen Zwarte Piet. Mensen van kleur – inclusief Afro’s – met een gekoloniseerde geest voelen zich steeds meer onder druk om hun witte meesters te verdedigen, en met steeds meer ongemak. In de witte gemeenschap is er een breuk opgetreden tussen voor- en tegenstanders van Zwarte Piet. Een toenemend deel van de witte gemeenschap spreekt zich uit tegen Zwarte Piet.
Reeds voor Dokkum trad er een verandering op. Dat deel van de witte gemeenschap dat tegen Zwarte Piet is, raakt meer en meer geradikaliseerd. De NTR die in het begin twijfelde in haar opstelling, radikaliseert: Willemijn Francissen, mediadirecteur van de NTR: “We laten onze oren niet hangen naar welke extreme groep dan ook… Maar we weten allemaal dat je zwart wordt als je door een schoorsteen gaat en dat is wat Pieten doen. Bij ons is zwart geen huidskleur, maar roet… Die hele discussie heeft het voor best veel mensen bijna verpest, ook voor programmamedewerkers.” Alle argumenten over de schoorsteen worden nu zonder pardon terzijde geschoven. De twijfel is omgeslagen naar radikalisatie.
Met Dokkum hebben de PVV-Pieten het initiatief naar zich toegetrokken. PVV-Pieten zijn extreem-rechtse pro-Zwarte Piet activisten die de radikale lijn van de PVV nu uitdragen in de Zwarte Piet discussie. De witte fundamentalisten van de PVV dwingen de samenleving om te kiezen voor racisme en islamofobie. De PVV-Pieten dwingen de samenleving om expliciet te kiezen voor het behoud van Zwarte Piet. En die dwang oefenen ze uit door het initiatief in de acties naar zich toe te trekken. Ze gaan niet meer reageren op anti-Zwarte Piet activisten. Ze gaan de activisten desnoods met geweld dwingen om te reageren op hen, en daarmee de rest van de samenleving voor het blok te zetten: kies voor of tegen Zwarte Piet.
En dit is de belangrijkste les van Dokkum: als je dat doet, dan is de kans op succes groter dan als je eeuwig blijft doordiscussiëren over wel of geen Zwarte Piet. Blokkeer de snelweg. Intimideer Sylvana Simons openlijk voor haar deur. Dring ongevraagd een school binnen. En kijk dan hoe de samenleving reageert. Niet de gekleurde samenleving, maar de witte. En wat blijkt? Die witte samenleving toont begrip voor hun acties!
De politie keuvel 45 minuten lang op de snelweg met de PVV-Pieten in plaats van ze te arresteren. Jeroen Pauw steekt actievoerdster Jenny Douwes een hart onder de riem: “Trek je niets aan van mensen die zeggen dat je extreem-rechts bent”. Inderdaad, Jenny Douwes is niet extreem-rechts. Ze is gewoon extreem.
Premier Rutte toont begrip. Ministers tonen begrip. De groep twijfelaars wordt minder. De groep die hun mind opmaakt om voor Zwarte Piet te zijn wordt groter. De PVV-Pieten worden radikaler.
De Amerikaanse discussie over geweld(loosheid)
Het is belangrijk om lessen te trekken uit de geschiedenis van de strijd tegen racisme over de hele wereld. De lessen van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging zijn relevant voor Nederland, omdat de Afro bevolking in de VS een kleine minderheid is (10%). De Afro bevolking van Nederland is zelfs nog kleiner, amper 3%.
De situatie in de VS was nog erger: daar was apartheid vastgelegd in de wet. De inzet was de afschaffing van apartheid. De witte fundamentalisten waren zeer gewelddadig: het vermoorden van zwarte activisten was deel van hun strategie.
In Amerika heeft een discussie plaatsgevonden over het gebruik van geweld in de strijd tegen apartheid. Grofweg had je twee stromingen, die tegen elkaar werden gesteld, maar vanuit een bepaalde optiek ook als aanvullend kunnen worden beschouwd.
De lijn van Martin Luther King was geweldloos verzet. King was naar India gegaan om te leren van de methoden van de beweging van Gandhi in de strijd tegen de Britse bezetting van India. Zijn activisten werden getraind door activisten van Gandhi. Die training was niet mals.
Een principe van geweldloos verzet is dat je slagen incasseert van de tegenpartij zonder dat je terugslaat. Dat is onnatuurlijk. Als iemand je slaat, is je natuurlijke reactie dat je je verweert: dekken en zo nodig terugslaan. De training is fysiek en geestelijk. Hoe zou je met je lichaam en je geest moeten reageren op geweld?
Een onderbouwing van deze strategie door King was het argument van demografie: de Afro’s vormen zo een kleine minderheid (10%) dat de strijd onmogelijk gewonnen kan worden door geweld. De minderheid moet allianties vormen met delen van de witte gemeenschap en zo breuken forceren die kunnen leiden tot de val van het systeem. Wat is dan het alternatief voor gewelddadige verzet? Geweldloos verzet.
De lijn die door Malcolm X en later door de Black Panthers werd uitgedragen was die van gewapende zelfverdediging. Let wel, het ging hier niet om gewapende strijd zoals in de bevrijding van koloniën in Afrika of Azië. Het was niet een gewapende strijd, een strijd die gewonnen moest worden door uiteindelijk een oorlog te voeren met wapens. Het ging om het opeisen van het recht om de zwarte gemeenschap te verdedigen tegen geweld waar de politie het liet afweten of zelfs meewerkte met witte racisten.
De Nederlandse discussie over strategie
Onder anti Zwarte Piet activisten worden deze discussies ook gevoerd. Moeten de activisten bij een volgende intocht hun eigen ordedienst meenemen om de demonstranten te beschermen? Wat doe je de volgende keer als je bus op de snelweg wordt gestopt? Moeten eigen auto’s voor de bus rijden en van daaruit een mogelijke blokkade opheffen? Moet je überhaupt gaan demonstreren bij de intocht als de demonstranten fysiek gevaar lopen?
Ik ben een voorstander van geweldloos verzet om verschillende redenen. Het demografisch argument is ook in Nederland een sterk argument. Met alle mensen van kleur zijn we nog een kleine minderheid in deze samenleving. Wil je fundamentele veranderingen doorvoeren dan heb je belangrijke delen van de witte gemeenschap nodig.
Een tweede argument is dat geweldloos verzet de gemeenschappen van kleur die de voorhoede zal zijn in deze strijd, gaat verbinden. Het overgrote deel van de mensen van kleur is niet gewelddadig en is instinctief voor het oplossen van problemen via dialoog en verzoening. Gewelddadige acties zal de gemeenschap scherp verdelen in voor- en tegenstanders van geweld en grote groepen ervan weerhouden om in verzet te gaan.
Geweldloos verzet zal meer mensen in verzet brengen en daardoor de strijd verbreden.
Tot nu toe is geweldloos verzet vorm gegeven in demonstraties tijdens de intocht. Welke andere vormen zijn denkbaar? Dit moet een kwestie zijn va
n openbare discussie in onze gemeenschappen.
Het organisatievraagstuk
Tenslotte zal het organisatievraagstuk bij de kop moeten worden genomen. Er moet een initiatief komen voor een brede conferentie over een antwoord op witte fundamentalisten en PVV-Pieten en een coherente strategie over geweldloos verzet. De voorbereiding van de conferentie is minstens zo belangrijk als de uitvoering. Het moet een conferentie zijn die de traditionele activistenvergaderingen ontstijgt en mensen een podium geeft die met elkaar van mening verschillen. We moeten leren dat activisten met verschillende meningen en strategieën het normaal vinden om respectvol met elkaar in discussie te gaan in plaats van elkaar op Facebook af te maken. Eenheid in en verbreding van de strijd is meer dan ooit belangrijk om het initiatief terug te halen.

Dekolonisatie van de geschiedschrijving van Indonesië

Op 20 oktober organiseerde Histori Bersama een bijeenkomst over dekolonisatie van de geschiedschrijving van Indonesië. Klik hier voor enkele video’s van de bijeenkomst.
Zie ook de inleiding van Ethan Mark van de Universiteit Leiden voor een kritische kijk op het onderzoek.
Als follow-up hebben Jeffry Pondaag en Francisca Pattipilohy het initiatief genomen voor een open brief aan de onderzoekers die met 4,3 miljoen Euro steun van de Nederlandse overheid een onderzoek starten naar extreem geweld in Indonesië in de periode 1945-1949. Klik hier om de open brief te lezen.
Intussen zijn dekoloniale activisten de mogelijkheden aan het bekijken om een alternatief onderzoek naar koloniaal geweld in Indonesië op te zetten.
Meer informatie hierover volgt nog.

Vijf misvattingen over terrorisme

[/caption]De top drie bestaat uit moslimmeerderheid landen. Het eerste westers land op de lijst is de VS op #7. Wanneer 9/11 uit de data wordt gehaald, dan blijft er géén enkel westers land in de top tien over. En ter vergelijking: bij alle door Daesh gepleegde terroristische aanslagen in de westerse wereld (53) kwamen 425[1] om. Terroristisch geweld is dus voornamelijk een probleem voor de niet-westerse wereld.

Hoe komt het dat er onduidelijkheid heerst m.b.t. de schaal van terrorisme in de westerse en niet-westerse wereld? Volgens socioloog Sean Darling-Hammond te maken met de mediaberichtgeving (of het gebrek daaraan). Darling-Hammond verzamelde data van elk van de 300 gerapporteerde terroristische aanslagen in het jaar 2015. Hij constateerde het volgende over het aantal artikelen toegewijd aan terroristische aanslagen in november 2015: 392 mediaberichten over de aanslag in Baghdad; 1.292 aan Beiroet en meer dan 21.000 over de gewelddaad in Parijs. De onderzoeker concludeert logischerwijs dat westerse slachtoffers disproportioneel meer aandacht krijgen dan hun medelotgenoten in de niet-westerse wereld.

Er valt nog iets op gekeken naar de cijfers hierboven: de top tien bestaat veelal uit landen die of onderwerp waren van de door de VS geleide Global War on Terror of de bijgevolgen ervaren. Dat komt beter naar voren in onderstaande grafiek:

 

 

Neem Irak. De VS viel het Arabisch land binnen in 2003 op grond van twee redenen: 1) de toenmalige leider, Saddam Hoessein, zou chemische wapens in zijn bezit hebben en 2) hij zou onderdak bieden aan al-Qaida – beide claims bleken ongegrond te zijn. De gevolgen van de invasie waren echter zeer reëel: elf jaar na de illegale inval, in 2014, werden meer Irakezen slachtoffer van terroristisch geweld dan het totale wereldaantal (!) in 2001 – het jaar waarin 9/11 plaats vond en de start betekende van de Global War on Terror. Irak – waar vóór 2003 géén zelfmoordaanslagen geregistreerd waren – is compleet gedestabiliseerd geraakt door de illegale invasie en sindsdien zijn meer dan 40.000 doden gevallen door terroristisch geweld.

Waarom ontbreken deze cijfers in het publieke discours? Volgens intellectueel Noam Chomsky heeft dat niet alleen te maken met een gebrek aan media-aandacht, maar een politieke cultuur waarin onderscheid gemaakt wordt tussen waardige – en onwaardige slachtoffers. Chomsky legt dat uit met het volgende voorbeeld: in 2007 werd een poll gehouden onder burgers in de VS waarbij gevraagd werd om het totale aantal doden in Irak te schatten. De mediaan lag op 10.000. Het werkelijke lag in die tijd tussen de 150.000 en 650.000 doden. Dit verschil in perceptie komt volgens Chomsky als gevolg van een gerichte campagne om zoveel berichtgeving over de (dodelijke) burgerslachtoffers te onderdrukken. Hierdoor probeert de VS te voorkomen dat hun rol in de bezetting en oorlog niet onderwerp van discussie wordt.

Wanneer worden burgerdoden wél als waardig beschouwd? Dat is wanneer ze de agenda van Washington vooruit kunnen helpen. Case in point: hoe Obama middels de dreiging van Daesh weer ‘boots on the ground’ wist te krijgen in Irak. In 2011 weigerde de toenmalige president Nouri al-Maliki om het verblijf van het Amerikaanse leger te verlengen. Dat leidde tot onvrede en verzet in Washington die het liefst zouden willen blijven in Irak. Toen in 2014 Daesh op de westerse radar kwam en burgers wereldwijd bedreigde, werd dat gevaar gebruikt om het aantal Amerikaanse troepen in Irak toe te laten nemen. Daarmee werden de (potentiële) slachtoffers van Daesh gebruikt om het buitenlandbeleid van Washington te rechtvaardigen.

  1. Neerwaartse trend doden terrorisme in West-Europa
    Er vallen steeds minder doden door terrorisme in West-Europa. Dit staat in contrast met de doemscenario’s die sommige experts schetsen van een mogelijke “gouden tijdperk van terrorisme”. Dat is in het geval van West-Europa incorrect. Er is eerder sprake van een neerwaartse trend, zie de grafiek hieronder:

 

Bovenstaande cijfers laten duidelijk zien dat er in de periode na 9/11 aanzienlijk minder dodelijke slachtoffers zijn gevallen dan in de 21 jaar daarvoor. Die trend begon na de Val van de Berlijnse Muur (1989) en zette zich sindsdien voort uitgezonderd uitschieters als Madrid (2004) en Londen (2005).

Verder, als we de doden in Europa uitsplitsen tussen west en oost, is op te merken dat de meerderheid van de slachtoffers in de afgelopen 15+ jaar vielen in het oostelijk deel van de continent (zie hieronder):

 

Volgens experts wordt dat verklaard door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de (langdurige) gevolgen van conflicten die (mede) daaruit ontstonden. Denk hierbij aan de conflicten in Joegoslavië, Tsjetsjenië en Oekraïne. De map hieronder laat zien hoe die aanslagen verdeeld zijn in Europa tussen 1970 en 2015:

 

Anders gezegd: de heersende gedachte dat de meeste doden vallen in en aanslagen gepleegd worden in het westelijk deel van Europa wordt niet ondersteund door de actuele verdeling van de dodelijke terroristische aanslagen; dat is namelijk in Oost-Europa het geval. Een voorbeeld is de Vakbondsgebouw-aanslag in Odessa (Oekraïne) van 2 mei 2014. Daarbij werden 46 mensen vermoord door de neonazistische Pravy Sektor vanwege hun pro-Russische affiliaties.

  1. Groeiende dreiging extreemrechts geweld
    De dreiging vanuit extreemrechtse hoek is echter niet voorbehouden aan Oost-Europa. In West-Europa en Noord-Amerika zijn terroristische gewelddaden door extreemrechtse terroristen in de opmars. Een recente studie concludeerde dat 1/3 van alle zogeheten lone-wolf terroristen in Europa van extreemrechtse slag zijn.

In de VS zijn soortgelijke bevindingen geconstateerd. Volgens denktank New America zijn er bijna twee keer meer slachtoffers gevallen, in de periode 9/11 tot 2015, door witte suprematisten dan door takfiri terroristen.

Die conclusie wordt verder ondersteund door een recent onderzoek (2017) van het hoogste auditorgaan van de Verenigde Staten – het Government Accountability Office (GAO). Het GOA concludeert dat extreemrechts verantwoordelijk is voor de bulk van de dodelijke terroristische aanslagen, namelijk: 73% tegenover 27% door takfiri terrorisme.

Echter, wanneer terroristische aanslagen worden uitgezet in termen van dodelijke slachtoffers zien we hetzelfde als in Europa: takfiri terroristen zijn verantwoordelijk voor de meeste doden. Dit doet verder niks af van de reële en groeiende dreiging van extreemrechts terrorisme. De gevallen van Breivik, Tristan van der Vlis en Dylann Roof zijn relatief bekend, maar met de volgende voorbeelden wordt dat gevaar nogmaals benadrukt:

  • In 2013 werd de 82-jarige Mohammed Saleem neergestoken door een extreemrechtse terrorist terwijl hij thuiskwam van een moskeebezoek. Saleem overleed snel daarna. Een zelfde lot overkwam de 81-jarige Brits Muhsin Ahmed twee jaar later. In het opvolgende jaar in 2016 werd Labour-politica Jo Cox neergeschoten door een extreemrechtse terrorist vanwege haar politieke positie inzake Brexit;
  • In de VS zijn alleen al in de afgelopen vijf jaar moslims en Afro-Amerikanen vermoord – en in sommige gevallen zelfs geëxecuteerd – door witte racisten vanwege hun religieuze en/of etnische Ook andere (religieuze) minderheidsgroepen als hindoes en sikhs zijn doelwit geweest van extreemrechtse terreur, vaak omdat laatstgenoemde hen verwarren en/of aanzien als moslims;
  • In 2016 werd in Nederland een terroristische aanslag gepleegd op een moskee door een groepje van vijf extreemrechtse racisten.
  • In Griekenland werd in 2016 een vluchtelingenkamp aangevallen door een groep extreemrechtse racisten;
  • Begin 2017 viel een extreemrechtse terrorist een moskee aan in het Canadese Quebec. De dader schoot op de moskeegangers terwijl ze aan het bidden waren en doodde daarbij 6 burgers.

Kortom, dit select overzicht maakt duidelijk dat extreemrechtse terreur niet alleen in opmars is, maar breed in de westerse wereld voorkomt.

  1. Rol vluchtelingen en nieuwkomers overschat
    De instroom van migranten en vluchtelingen leidt automatisch tot meer (terroristische) dreiging. Ten eerste, de rol van migranten en vluchtelingen in aanslagen zijn beperkt. Het in Den Haag gevestigde onderzoeksinstituut ICCT onderzocht (2017) alle door Daesh gepleegde in het westen en concludeerde dat 73% van alle aanslagplegers burgers van hetzelfde land zijn waar zij hun geweld in praktijk brengen. Nog een 14% waren bezoekers of inwoners met een (legale) verblijfsstatus. 6% verbleven in het land zonder documentatie en slechts 5% waren vluchtelingen of statushouders (zie hieronder).

De dreiging vanuit vluchtelingen of statushouders bestaat dus maar is miniem. De overgrote meerderheid van het gevaar (95%) komt van burgers of ingezetenen met een legale verblijfsstatus. Het ICCT onderzoek wordt ondersteund door een studie van de Britse denktank The Henry Jack Society. Zij (2017) constateren dat bij meer dan twee derde van de aanslagen sinds 2005 uitgevoerd zijn door individuen die “who were either born or raised in the UK.”. De New America Foundation stelt in het geval van de VS “every jihadist who conducted a lethal attack inside the United States since 9/11 was a citizen or legal resident”. Een ander recent onderzoek, uitgevoerd onder leiding van politicoloog Robert Pape, komt tot gelijke bevindingen. In het onderzoek genaamd American Face of ISIS waren bij 112 van de Daesh gerelateerde misdrijven nul vluchtelingen betrokken. Libertarische denktank Cato onderzocht die verhouding ook en komt tot de conclusie dat immigranten en vluchtelingen praktisch geen rol hebben gespeeld bij terroristische aanslagen. Vrijwel alle doden komen uit één single gebeurtenis: 9/11 (98.6%). Afgezien daarvan zijn fatale terroristische aanslagen door immigranten of vluchtelingen extreem zeldzaam.

Met recente aanslagen als Berlijn (2016), Ansbach (2016) en Kopenhagen (2016) is het aandeel van nieuwkomers in aanslagen wél gestegen. Volgens het ICCT is de instroom van vluchtelingen en migranten an sich niet het probleem, want: “the number of criminals and terrorists in mass migration movements has been low” en “terrorists often have a criminal background to begin with”. Daesh focust haar operaties vooral in de strijd in Irak en Syrië en de nieuwkomers en immigranten ontvluchten die brandhaarden juist omdat ze tegen de terreurgroepen zijn. De focus daarom zou moeten zijn op propere regulatie.

Ten tweede, het probleem zijn niet de migranten en of vluchtelingen, maar ontstaat het volgens Brookings Institute wetenschapper, Daniel L. Byman, pas als nieuwkomers in contact komen met lokale reeds geradicaliseerde groepen (zogeheten “radicalization hubs”).

Inderdaad, dat zien we in het geval van de 22-jarige Syrische statushouder, Jaber al Bakr, die in oktober 2016 gearresteerd werd op grond van het plegen van een aanslag.

Jaber al-Bakr kwam in februari 2015 aan in Duitsland en ontving status vijf maanden later. Volgens de broer van al-Bakr, Alaa al-Bakr, kwam was Jabr vóór aankomst in Duitsland niet politiek actief of geïnteresseerd. Dat veranderde na aankomst. In Berlijn kwam Jabr al- Bakr in aanraking met extremisten. Een lokale imam zou hem in contact hebben gebracht met en aangespoord om te vechten voor Daesh in Raqqa (Syrië). In september 2015 vertrok Bakr uit Duitsland naar Syrië via Turkije, waar hij ongeveer vijf maanden verbleef en vervolgens twee in Syrië. Op zijn persoonlijke Facebook-pagina is te zien dat al-Bakr vanaf januari 2016 zich begon te sympathiseren met Daesh. Ongeveer twee maanden voordat Jabr zijn gewelddaad wilde plegen werd hij opgepakt door de Duitse autoriteiten. Een andere Syrische statushouder hield hem aan en droeg Jabr vervolgens over (waarna de verdachte zichzelf later ophing in zijn cel).

De conclusie is dat de overgrote meerderheid van de IS-daders burgers van het land waar ze een aanslag in plegen zijn. Slechts een miniem aantal van de IS-aanslagplegers zijn nieuwkomers of ongedocumenteerden. Indien de wens is om terrorisme tegen te houden zou daarom meer aandacht gevestigd moeten worden op lokale geradicaliseerde groepen in plaats van grensbewaking, en in het verlengde daarvan: wáárom extremisten überhaupt voedingsbodem kunnen vinden in westerse samenlevingen.

[1] Volgens het ICCT (2017) kwamen 395 westerse burgers om door Daesh van juni 2014 tot juni 2017. Bij de Manchester-aanslag kwamen 22 burgers om en de daaropvolgende aanslag in Londen ontnam van 8 burgers het leven.

Upcoming book release: 20 Questions and Answers on Islam and Women from a reformist vision

In June 2016 IISR will present the book release of Asma Lamrabet, which carries the title “20 Questions and Answers on Islam and Women from a reformist vision”. For centuries, the question of “women in Islam” has been held hostage by two opposing but equally radical perspectives: one, rigid Islamic conservative; the other, western, ethnocentric, and islamophobic. 

DTM05LamrabetIslamWomenFront400In 20 Questions and Answers Asma Lamrabet criticizes with both perspectives from a reformist approach. She takes the propositions of these perspectives and goes back to the sources – the Qur’an and the Hadith – to analyse the different arguments and weight them against the interpretations. Questions the book deals with are for instance:

 

  • Are men and women unequal in Islam?
  • Does the Qur’an allow violence against woman?
  • Is polygamy a marriage norm in Islam?
  • How does the Qur’an address the issue of Muslim woman’s veil or “Hijab”?

Asma Lamrabet is director of the Studies and Research Centre on Women’s Issues in Islam of Rabita Mohammadia des Ulemas located in Rabat, Morocco since 2011.

Forthcoming book: Hatem Bazian – Palestine … it’s something colonial

HatemCoverFront400

In 1902 Theoder Herzl, founder of political Zionism, wrote to Great Britain’s Minister of Colonies Cecil Rhodes stating: “You are being invited to help make history.  It doesn’t involve Africa, but a piece of Asia Minor; not Englishmen but Jews… How, then, do I happen to turn to you since this is an out-of-the-way matter for you? How indeed? Because it is something colonial.”   Palestine is the last settler colonial project to be commissioned in the late 19th early 20th centuries and still unfolding as we enter into the 21st Century.

In centering Palestine’s modern history around settler colonial discourses Dr. Bazian provides a framework to understand and relate to the unfolding events from the late 19th century up to the present in a clear and unambiguous way.  Zionism settler colonialism has salient features such as the normative deployment violence, religious justification, having a garrison state to sponsor it, transforming the land and geography and constituting a new colonial epistemology related to it as well as the expulsion and negating the existence of an indigenous population.  The book offers a theoretical basis for approaching Palestine as a subject without falling into pitfalls of internationally supported ‘peace process’ that on the one hand affirms the settler colonial rights, problematizes the colonialized and dispenses with the ramifications.

Book launch: December 12th in Amsterdam.

Sandew Hira: 20 Questions and Answers about Reparations for colonialism

DTM02HiraReparationsCoverFront400

This book brings together the most relevant facts and insights on reparations and it positions the debate on reparations as part of the continuing struggle to decolonize the mind. The goal is to provide material for debate and discussion. It deals with reparations for both trans-Atlantic slavery and colonialism more generally. In some sections the discussion focuses specifically on slavery because many propositions and arguments are related specifically to slavery.

The final chapter presents a new economic model for the calculations of reparations. These calculations are based on a mathematical model and a computer program that performed simulations to reveal the damage that the colonizers have caused and the impact on the wealth of the colonizer nations.

Stephen Small and Sandew Hira: 20 Questions and Answers on Dutch Slavery and its Legacy

DTM01SmallHiraDutchSlaveryCoverFront400This book provides detailed information about the role of the Dutch in slavery including the legacy in the Netherlands itself. It locates their activities past and present, in linking Europe, Africa and the Americas.

It also provides a critical framework on how to analyse the phenomenon of slavery in the Americas and the trans-Atlantics trade in humans.

During slavery it details the primary role of the Dutch in helping other nations such as the Spanish, British, Portuguese and Americans to establish and expand slavery; as well as the role the Dutch themselves played as traders of humans and as traders of goods across the Atlantic, and between the Caribbean and South America. Moreover, it details their role in the plantation economy of Suriname, and in the production of salt in the Caribbean islands.

Institute for Decolonizing The Mind (DTM)