Karwan Fatah-Black en Pepijn Brandon: Eurocentrisme en herstelbetalingen

Inleiding

Dit jaar zijn twee rapporten uitgekomen die betrekking hebben op slavernij en herstelbetalingen. Pepijn Brandon leidde het onderzoek naar het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO.[1] Hij werd bijgestaan door Gerhard de Kok, Gabrielle LaCroix, Henk Looijesteijn, Brecht Nijman, Daniël Tuik, Patrick van der Geest, Voke Akati-Udi, Britt van Lochem, Matthias Lukkes, Elizabeth Tjalma en Pelle Yntema. Ook werd hij geadviseerd door een wetenschappelijke raad bestaande uit Prof. Dr. Cátia Antunes, Dr. Karwan Fatah-Black, Prof. Dr. Karin Hofmeester, Prof. Dr. Joost Jonker, Nancy Jouwe Ma, drs. Marcel van Kanten, Prof. Em. Dr. Jan Lucassen, Prof. Dr. Leo Lucassen, Prof. Dr. Wayne Modest, Dr. Matthias van Rossum.

Karwan Fatah-Black leidde het onderzoek naar de Nederlandse Bank en de laatste decennia van slavernij 1814-1863.[2] Hij werd bijgestaan door Lauren Lauret, Joris van den Tol, Zipphora Dors, Leonoor Kemperman, Camilla de Koning en Sakina Mouami.

Objectiviteit en onafhankelijkheid

Fatah-Black en Brandon beroepen zich op hun objectiviteit en onafhankelijkheid. Eén ding hebben we in de loop der jaren geleerd. Zodra iemand begint over hoe objectief en onafhankelijk ze zijn (meestal zijn dat witte mensen), dan hoef je verder na te denken om vast te stellen dat ze Eurocentrisch zijn. Met enkele simpele krasjes kun je vrij snel hun Eurocentrische bias zichtbaar maken.

Fatah-Black: “In opdracht van DNB, met medewerking van het archief van DNB, en in volledige onafhankelijkheid hebben wij dit onderzoek ter hand genomen.”[3] Bij de presentatie van het rapport zegt de DNB:“Als DNB-directie beseften we enige tijd geleden dat we een objectief beeld willen hebben van de betrokkenheid van De Nederlandsche Bank bij slavernij. Aanleiding daarvoor was de toenemende aandacht in de wereld voor de strijd tegen racisme en voor het slavernijverleden. Tegelijkertijd kwamen er vanuit onze eigen geledingen stemmen op die hiervoor pleitten. We beseften dat het belangrijk is om dit deel van de geschiedenis van DNB te onderzoeken, als onderdeel van het Nederlandse slavernijverleden.In juni 2020 besloot de directie tot een onafhankelijk extern onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd door de Universiteit Leiden.”[4]

Brandon: “Wetenschappelijke onafhankelijkheid stond voorop in de organisatie van het onderzoek. De invloed van ABN AMRO beperkte zich tot het vaststellen van de randvoorwaarden van dit onderzoek (duur, omvang, vraagstelling). Een paritaire commissie vanuit het IISG en ABN AMRO bewaakte de voortgang van het proces en kwam daarvoor vier keer tijdens de loop van het onderzoek bijeen. Dankzij de bemiddelende rol van deze commissie en de medewerking van het Amsterdams Stadsarchief, het Rotterdams Stadsarchief en de Afdeling Collecties van het IISG kon gezorgd worden dat essentieel archiefmateriaal ook tijdens de periode van lockdown in het voorjaar van 2021 beschikbaar bleef voor de onderzoekers. Vertegenwoordigers van de bank hadden geen enkele zeggenschap over de tekst van dit rapport, die zonder redactionele inmenging vanuit ABN AMRO tot stand is gekomen.”[5]

Wat zit achter deze hang naar de proclamatie van objectiviteit en onafhankelijkheid? Er zijn twee motieven.

In de eerste plaats is het bedoeld om de zwarte perspectieven op dit thema weg te drukken. Iedere student van slavernijgeschiedenis weet dat er twee hoofdstromingen zijn in de geschiedschrijving van de trans-Atlantische slavernij: de witte Eurocentrische perspectieven dat dominant is op de Eurocentrische universiteiten (die niet alleen in Europa en Amerika zitten, maar ook in de gekoloniseerde wereld) en de zwarte perspectieven die vooral vanuit zwarte sociale bewegingen zijn voortgekomen. De verschillen tussen deze perspectieven komen hier uitgebreid aan bod.

Objectiviteit betekent dat de productie van kennis vrij is van waardeoordelen. De geproduceerd kennis is de waarheid. Je kunt niet twee objectieve waarheden hebben die diametraal tegenover elkaar staan. Als jij claimt dat jouw kennisproductie objectief is, dan betekent dat dat degenen die je bekritiseert subjectief is. Diens kennis is niet objectief en dus waardeloos.

In de tweede plaats is het bedoeld om van alle mogelijke beleidsopties die voortvloeien uit kennisproductie de lezer in één richting te duwen. Kennis heeft altijd een beleidsdimensie. En zeker in de discussie over slavernij en herstelbetalingen.

Het wegpellen van Eurocentrisme bij Fatah-Black en Brandon

Het conceptueel kader

In de zwarte perspectieven over slavernij wordt slavernij gepositioneerd in de context van kolonialisme en de opkomst van een Eurocentrische en racistische wereldbeschaving. De zwarte perspectieven treffen we in verschillende tradities, o.a. in de VS met Marcus Garvey en Malcolm X en in het Caribisch gebied met Eric Williams, Walter Rodney, Frantz Fanon, Aimé Césaire en C.L.R. James.

Slavernij en kolonialisme worden geduid als een misdaad tegen de menselijkheid, als een historisch onrecht van mensenrechtenschendingen. Kolonialisme begint met de illegale bezetting van land die behoort tot de gekoloniseerden. Die misdaad heeft een doorwerking tot in de huidige tijd in kennisproductie van de kolonisator (de kolonisatie van de geest via universiteiten) en in de geest van de gekoloniseerden via mental slavery.

Studies over de rol van afzonderlijke entiteiten (ondernemingen, universiteiten, kerkgenootschappen etc.) positioneren deze entiteiten in het kader van dit historisch onrecht en de doorwerking daarvan in het heden.

In de Eurocentrische perspectieven wordt slavernij losgekoppeld van een Eurocentrische en racistische wereldbeschaving. Het vertrekt vanuit de niet-onderbouwde claim van objectiviteit en neutraliteit. Vervolgens wordt het element van de misdaad tegen de menselijkheid en de aard van koloniale bezetting zorgvuldig uit hun verhaal gehouden. Ook wordt de koppeling losgemaakt met de doorwerking naar het verleden, waardoor een misdaad wordt gepresenteerd als iets neutraals uit het verleden.

Dat zie je in de titels van de studies. De studie van Fatah-Black is getiteld: Dienstbaar aan de keten? Als je aan een economisch keten denkt, dan denk je niet aan een misdaad, maar aan hoe een product wordt geproduceerd, gedistribueerd en geconsumeerd. Dat is een andere titel dan “Medeplichtigheid aan een misdaad tegen de menselijkheid“. Ook bij Brandon wordt slavernij niet geduid als een misdaad tegen de menselijkheid. Zijn titel is gewoon: Het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO. Dat is iets anders dan “Historische voorlopers van het misdadig verleden van de ABN AMRO“.

Vervolgens zie je dat in de opzet van de studies. Fatah-Black: “Ons onderzoek richt zich niet alleen op de formele betrokkenheid van DNB bij slavernij, maar ook op de particuliere betrokkenheid van vooraanstaande bestuurders. Bovendien is nagegaan of DNB of betrokken bestuurders een rol speelden in de afschaffing van de slavernij.”[6] De hele studie draait om de vraag: was Jantje of Pietje direct betrokken in de slavernij-economie. Hetzelfde geldt voor Brandon. Zijn onderzoek richt zich op de directe betrokkenheid aan slavernij-gerelateerde activiteiten, niet op het systeem van de misdaad tegen de menselijkheid die gebaseerd was op slavernij en haar effecten had op bedrijfstakken die niet slavernij-gerelateerd zijn. Brandon: ” Het rapport duidt de volgende activiteiten als slavernijgerelateerd: “Eigen deelname, investeringen en financiële dienstverlening … in de plantagesector (eigenaarschap, leningen en obligaties, verzekeringsactiviteiten), de slavenhandel en de handel in door slaafgemaakten geproduceerde goederen, leningen aan, handel met en financiële dienstverlening … gericht op … activiteiten in slavenhandel, slavernij, en de handel in door slaafgemaakten geproduceerde goederen, staatsleningen aan staten waarin slavernij voorkwam en investeringen in handelscompagnieën die participeerden in de slavenhandel.”[7]

De gebrekkige onderzoeksopzet

Een omvangrijke misdaad als de trans-Atlantische slavernij kende tienduizenden betrokken daders met een directe betrokkenheid: de organisatie van de kidnapping, de brute dwang om gratis te werken op plantages, het vermoorden van mensen die in opstand komen etc.. Deze misdadigers worden ondersteund in hun dagelijkse activiteiten door miljoenen mensen en ondernemingen. De bron van hun inkomsten is een misdaad tegen de menselijkheid. De besteding van die inkomsten is vaak niet eens in slavernij-gerelateerde bedrijfstakken: woningbouw, investering in nieuwe bedrijfstakken etc. Eric Williams heeft in zijn studie “Capitalism and slavery” in details uitgewerkt hoe de inkomsten slavernij geleid heeft tot de opkomst van een wereldwijd kapitalistisch systeem met bedrijfstakken die niet slavernij gerelateerd zijn. Karl Marx heeft in Het Kapitaal een heel hoofdstuk (hoofdstuk 33) gewijd aan hoe kolonialisme heeft bijdrage aan de primitieve accumulatie van het kapitalisme. Als je die besteding buiten beschouwing laat, dan haal je deze belangrijke bijdrage van slavernij aan de Europese economie uit beeld: het multiplier effect van bestedingen van inkomsten uit slavernij op de algemene economie. En dat is precies wat Fatah-Black en Brandon doen. Ze hebben niet gekeken naar de besteding van de gelden die verdiend werden door de misdadigers en welke rol de banken hebben gespeeld in die besteding. Ze hebben bijvoorbeeld niet  gekeken naar het ontstaan van nieuwe bedrijfstakken met geld die verdiend is met slavernij en de rol die de banken daarin gespeeld hebben. Daardoor bagatelliseren ze de betekenis van de banken in het hele economische systeem van slavernij. En dat komt hun opdrachtgevers heel goed uit.

Academische vrijheid of intellectuele lafheid?

Fatah-Black en Brandon geven hoog op over hun academische onafhankelijkheid. Niemand moet ze vertellen wat ze moeten doen. Maar hoe zit het met die onafhankelijkheid als het gaat om zagen die je niet mag en moet doen, met name als het gaat om de rol van de hoofdmatador in de Nederlandse misdaad tegen de menselijkheid: Koning Willem I. Beide academici weten wat ze niet mogen doen: ze mogen Willem I niet neerzetten als de motor achter een misdaad tegen de menselijkheid.

In de Nederlandse geschiedschrijving wordt hij zo beschreven: “Hij bepaalt het beleid, neemt besluiten en is verantwoordelijk voor de financiën, en hij benoemt en ontslaat de ministers. Die ministers zijn alleen aan hem verantwoording schuldig en zijn in feite ‘ambtenaren’.”[8] Willem I was niet alleen betrokken bij de misdaad van slavernij. Hij was ook een ordinaire drugsbaron. Hij was de grondlegger en grootaandeelhouder van de Nederlandse Handels Maatschappij (NHM), de belangrijkste voorloper van de ABN-AMRO. Historiek.net beschrijft zijn drugsactiviteiten als volgt: “In 1827 verleende Willem I de NHM het alleenrecht op de invoer van opium, waardoor de winsten flink toenamen.”[9]

Als een zwart man dit doet, dan noemen ze hem een dictator en drugsbaron. Maar het om de witte Willem I gaat, dan heet hij een “verlicht absolutistisch vorst[10]. En vervolgens wordt dan ingegaan op de goede daden die hij voor het land heeft verricht: “De koning heeft het beste voor met het land, zo bevordert hij handel en industrie en zorgt hij voor aanleg van kanalen.”[11]

Nederlandse historici die hoog opgeven van hun akademische vrijheid, weten wat hun grenzen zijn, zo ook Fatah-Black en Brandon.

Fatah-Black: “De oprichting van De Nederlandsche Bank in 1814 maakte onderdeel uit van het beleid van koning Willem I gericht op herstel van de Nederlandse staat na de inlijving bij Frankrijk tussen 1810 en 1813. De oprichting van DNB vond in hetzelfde jaar plaats als waarin Willem I per decreet de Nederlandse trans-Atlantische slavenhandel verbood. Als vorst van het huidige Nederland, België en Luxemburg vond Willem I dat dit nieuwe koninkrijk op het gebied van handel en industrie een land met aanzien moest worden.”[12] Hij wordt laaiend enthousiast over zijn witte vorst: “Hij was niet alleen een ondernemende vorst, maar ook een gedreven ondernemer die het belang zag van een modernisering van de economie.”[13] Het is dezelfde toon die premier Balkenende in 2007 sloeg toen het ging om de VOC, de grootste misdaadsyndicaat van Nederland. Balkenende: “Laten we blij zijn met elkaar! Laten wij optimistisch zijn! Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die VOC-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek! Toch?”

Niks over zijn aandeel in een misdaad tegen de menselijkheid. Sterker nog, Fatah-Black geeft zelf aan dat het verboden terrein is. De uitdrukkelijke missie van het onderzoek was om in kaart te brengen wat de formele betrokkenheid van DNB bij slavernij was, maar ook op de particuliere betrokkenheid van vooraanstaande bestuurders.

Fatah-Black: “Degenen die toch al vroeg investeerden zouden een belangrijke rol spelen in de verdere ontwikkeling van de bank. De zestien grootste aandeelhouders waren de kring waaruit commissarissen werden geloot en ze droegen directieleden voor aan de koning. Ook de koning en de regering waren grote investeerders van het eerste uur, maar we rekenen hen in dit onderzoek niet mee.”[14]

Waarom niet? De belangrijkste persoon uit de groep van zestien (Surinamers hebben een andere connotatie met de term “de groep van zestien”) wordt niet onderzocht en er volgt geen enkele uitleg waarom niet. Dit is geen academische vrijheid. Dit is intellectuele lafheid.

Brandon doet het net iets anders. De belangrijkste voorloper van ABN-AMRO is de Nederlandse Handel-Maatschappij (NHM). De oprichter en grootaandeelhouder is de beruchte Koning Willem I. Brandon schrijft over de reden om de NHM, en daarmee Koning Willem I, uit te sluiten van het onderzoek: “De belangrijkste beperking in dit onderzoek is de keuze voor een concentratie op slavernij, en niet op andere vormen van (koloniale) gedwongen arbeid. Connecties met de NHM en het Cultuurstelsel of de Russische lijfeigenschap zijn in het huidige rapport wel benoemd, maar worden uitsluitend expliciet behandeld in relatie tot slavernij.”[15] Tijdens slavernij was de onderneming als zodanig amper betrokken in eigendom en transacties van slavernij-gerelateerde activiteiten, maar haar grootaandeelhouder zat er diep in. Hij was koning. Hij maakte de wetten die mensen tot slaaf maakten en hen in slavernij hielden. Hij was de oprichter van De Nederlandse Bank en de NHM. Kortom, groter kun je het niet hebben als je op zoek bent als je deze onderzoeksvraag van Brandon wilt beantwoord: “Hoe verhielden vertegenwoordigers van de betrokken financiële instellingen zich tot de debatten over (afschaffing van) de slavernij in de achttiende en de negentiende eeuw.”[16]

Als het om het koningshuis gaat, dan hoef je kennelijk die vraag niet te beantwoorden. Is dit academische vrijheid of intellectuele lafheid?

Het dilemma van de Europese beschaving

In de slavernij literatuur is een kardinaal verschil tussen witte en zwarte perspectieven op hoe je aankijkt tegen de afschaffing van de slavernij. In de zwarte perspectieven wordt de afschaffing niet gezien als het hoogtepunt van de menselijke beschaving, maar een triest dieptepunt van ongeciviliseerd gedrag. Slavernij werd vervangen door andere vormen van dwangarbeid. De illegale bezetting van land ging door. Racisme vierde hoogtij. De misdadiger werd gecompenseerd en daarmee erkenden de witte abolitionisten hun recht op eigendom van zwarte mensen. De slachtoffers kregen geen cent. Witte mensen had op hun knieën moet gaan om zwarte mensen om vergiffenis te vragen foor de honderden jaren aan misdaden die ze tegen hen hebben begaan. Dat zou beschaafd gedrag en niet de poppenkast van koloniale transformatie van de ene vorm van dwangarbeid naar een andere. Deze perspectieven vind je in de zwarte literatuur over slavernij.

In de witte literatuur vind je het perspectief dat Fatah-Black en Brandon presenteren: de afschaffing van slavernij als een hoogtepunt in de westerse beschaving. Brandon: “Zeker in de negentiende eeuw kon slavernij rekenen op brede publieke afkeuring.”[17] De vraag vanuit welk perspectief die afkeuring plaats vond (de witte of zwarte), stelt hij niet ter discussie.

Fatah-Black komt met het hele repertoire uit de witte literatuur: “De Britten beëindigden de trans-Atlantische mensenhandel in 1808 en maakten dit, gesteund door hun dominantie op de wereldzeeën, een belangrijk punt in hun buitenlandse beleid. Zij werden daarbij gedreven door humanitaire (SH: mijn nadruk) en veiligheidsoverwegingen.”[18] Het humanitaire aspect komt terug: “De Britten zagen het sinds hun afschaffing van de slavenhandel in 1808 als taak om andere landen te bewegen tot afschaffing. Dat was zowel uit humanitaire overtuiging als pragmatisme; men wenste de concurrentie van landen die nog wel mensenhandel toestonden in te perken.”[19]

Hij vervolgt: “Na een lange periode van stilte rond het onderwerp leefde plotseling de afschaffingsbeweging in Engeland weer op. De aantrekkingskracht van deze nieuwe beweging was ongekend en vele honderden petities werden getekend die verzochten om onmiddellijke, in plaats van stapsgewijze afschaffing van de slavernij. In de tien jaar die volgden stond de afschaffing hoog op de politieke agenda tot in 1833 het Britse parlement besloot om tot de algehele afschaffing over te gaan.”[20]

Dan komt hij met de abolitionistische beweging in Nederland. Die stelde niks voor. Zelfs de verstokte racist Piet Emmer geeft dat toe: “Abolitie is in Nederland nooit populair geweest bij een seculiere of religieuze beweging, maar was alleen aanwezig bij een klein deel van de elite… Als je al kunt spreken van een hoogtepunt dan zou de Nederlandse abolitionistische beweging haar piekjaren hebben bereikt tussen 1853-1857, toen de Vereniging ter Bevordering van de Afschaffing van Slavernij een ledental had van 670.”[21]

Fatah-Black: “De Nederlandse financiële en handelselite kreeg in de negentiende eeuw te maken met een belangrijke tegenstrijdigheid. Terwijl de eerste stappen richting de afschaffing van de slavernij werden gezet, groeide het economisch belang van de sectoren die gebruik maakten van slavenarbeid. De publieke opinie keerde zich tegen de slavernij, maar de consumptie van slavernijgerelateerde als katoen, indigo, suiker en koffie steeg.”[22]

Hij ziet de tegenstrijdigheid helemaal niet. De publieke opinie keert zich tegen slavernij en gaat juist meer consumeren aan slavernijgerelateerde goederen.

Fatah-Black komt ook met andere argumenten uit de witte literatuur. Zwarte slaven wilden eigenlijk geen vrijheid van dwangarbeid. Ze wilden meer tijd om naar de kerk te gaan en een betere informatievoorziening. Fatah-Black over een opstand in de Nederlandse kolonie Demerary (nu Guyana): “In Demerary brak in augustus 1823 een grote opstand uit die een keerpunt zou betekenen in het Britse debat over de afschaffing van slavernij. De opstandelingen in Demerary hadden zich niet tegen het Britse gezag als zodanig gekeerd, maar hadden alleszins redelijk eisen gesteld. Zo wensten zij op zondag naar de kerk te gaan en ze vroegen om duidelijkheid over het gerucht dat hun vrijlating aanstaande was. Bovendien hadden de gevangengenomen eigenaren en opzichters een brief geschreven waarin ze verklaarden goed behandeld te zijn.”[23]

De bestuurders van de DNB waren over het algemeen voor het behoud van slavernij, aldus Fatah-Black. Hij ging naarstig op zoek naar tenminste één persoon die dat misschien niet was en die vond hij: Cornelis. Hij wijdt maar liefst tien pagina’s aan hoe Mees actief was in de abolitionistische beweging in Nederland, ook al stelde die niet veel voor.

Dan volgt het ultieme argument om de misdaad tegen de menselijkheid te relativeren. Fatah-Black: “Met de hedendaagse maatschappelijke interesse voor historische slavernij doemt onmiddellijk een ingewikkelde vraag op: hoe duiden we de betrokkenheid van DNB bij een slavernij die eeuwenlang had bestaan, maar juist in de eerste decennia van het bestaan van DNB werd beëindigd. Om die vraag te beantwoorden is het nodig om ons te realiseren dat een aantal eenentwintigste-eeuwse denkbeelden over instituten en onderwerpen verschillen met die van de negentiende eeuw: DNB was nog geen centrale bank, slavernij was nog niet bij wet verboden en het staatshoofd was nog niet zoals die nu is. Ook opvattingen over oneigenlijke vormen van belangenverstrengeling verschillen van wat we nu gewend zijn.”[24]

In die tijd dacht men er anders over, en wij moeten niet met de huidige bril ernaar kijken. Hiermee laat hij zijn objectiviteit helemaal varen. Als hij het over de negentiende-eeuwse denkbeeld heeft, dan doelt hij op de denkbeelden van witte mensen. Die beschouwt hij als maatgevend. Wat de zwarte mensen in de negentiende eeuw dachten, boeit hem niet. Hij kent het begrip hypocrisie niet, want zelfs in de negentiende eeuw was de Bijbel het meest gebruikte boek in Nederlandse huishouden. Twee van de tien geboden zeggen dit: “U zult niet stelen” en “U zult niet doodslaan”. Ze kenden die morele denkbeelden, maar handelden daar niet naar vanwege hun hypocrisie.

Herstelbetalingen

Beide consultants (want dat zijn ze in plaats van wetenschappers) weten heel goed wat er speelt in de zwarte gemeenschap. Ze kennen de zwarte literatuur, maar kiezen ervoor de zwarte perspectieven die een kritiek zijn op hun witte Eurocentrische perspectief weg te moffelen.

Brandon: “Het slavernijverleden van overheden, bedrijven en financiële instellingen staat in Nederland en daarbuiten volop in de belangstelling. Gemeenschappen van nazaten van de slaafgemaakten vragen al decennia om erkenning van dit aspect van het verleden. Sinds de herdenking van 150 jaar wettelijke afschaffing van de slavernij in 2013 vertaalt deze roep om een nieuwe omgang met het slavernijverleden zich in een soms hoogoplopend nationaal debat. De wereldwijde Black Lives Matter protesten in 2020, die ook in Nederland veel navolging kregen, brachten dit debat nog verder in een stroomversnelling.”[25]

Fatah-Black: “In 2020 gaf DNB aan dat men zich bewust is ‘van de huidige discussie over het Nederlandse slavernijverleden.'”[26]

Van wetenschappers verwacht je dat ze hun rapport vervolgens in dit kader positioneren en materiaal aandragen voor die maatschappelijke discussie. En wat is het hoofdonderwerp in die maatschappelijke discussie: herstelbetalingen! Onbevreesde wetenschappers die kennisproductie centraal stellen, koppelen hun bevindingen aan de discussie over herstelbetalingen: waarom, hoeveel, hoe? Geen van deze vragen komen aan de orde in de studies, hoewel ze centraal staat in de maatschappelijke discussie over het slavernijverleden.

Hoe stellen de twee heren zich op? De beleidsimplicatie van hun studie is niet: hoe om te gaan met het historisch onrecht van een misdaad tegen de menselijkheid? Ze laten hun pet als wetenschapper door hun pet als consultant. Zoals het slimme consultants betaamt, pleiten ze voor meer onderzoek in plaats van een begin met herstelbetalingen. De waarde voor hun acquisitiebeleid is gestegen, maar de waarde voor de gekoloniseerde gemeenschappen is daardoor nul geworden. We wisten al lang dat het bankwezen een belangrijk onderdeel van de slavernij-economie was. Dat is uitgebreid gepubliceerd in tal van studies, alleen het label DNB of ABN AMRO ontbrak. Dat die labels nu worden toegevoegd is leuk, maar voegt niet veel toe aan de kennis die we hebben.

Wat we willen weten is hoe komt het dat in vergelijkbare gevallen van een  misdaad tegen de menselijkheid (de Joodse Holocaust die vijf jaar duurde) Zwitserse banken in 2000 hebben besloten om US$ 1,3 miljard te betalen aan de slachtoffers[27], en de AMRO AMRO geen cent wil uitgeven en de hoogste vorm van herstelbetaling ziet in het bieden van excuses en het beschikbaar stellen van stage-plaatsen voor nazaten van slavernij. En dat zeggen ze zonder enig schaamte.[28]

Het bieden van excuses zonder herstelbetalingen is gewoon gebakken lucht dat ruikt naar scheten van hypocrisie. Het stinkt en je hebt er niets aan.

 

Sandew Hira

Den Haag

11-6-2022

[1] Brandon, P. (2022): Het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO. Een onderzoek naar Hope & Co en R. Mees & Zoonen. IISG. Amsterdam.

[2] Fatah-Black, K. (2022): Dienstbaar aan de keten?. De Nederlandsche Bank en de laatste decennia van slavernij 1814-1863. Leiden.

[3] Fatah-Black, idem, p. 9.

[4] Spreeklijn persbijeenkomst presentatie onderzoek slavernijverleden DNB.

[5] Brandon, idem p. 16.

[6] Fatah-Black, idem, p. 9.

[7] Brandon, idem p. 10.

[8] Zie https://www.parlement.com/id/vh8lnhrpfxto.

[9] https://historiek.net/nederlandsche-handel-maatschappij-nhm-1824/83034/

[10] https://www.parlement.com/id/vh8lnhrpfxto.

[11] https://www.parlement.com/id/vh8lnhrpfxto.

[12] Fatah-Black, idem, p. 4.

[13] Fatah-Black, idem, p. 19.

[14] Fatah-Black, idem, p. 23.

[15] Brandon, idem p. 16.

[16] Brandon, idem p. 11.

[17] Brandon, idem p. 12.

[18] Fatah-Black, idem, p. 18.

[19] Fatah-Black, idem, p. 20.

[20] Fatah-Black, idem, p. 74.

[21] Emmer, P.: Anti-slavery and the Dutch: abolition without reform, in: Bolt, C. and S. Drescher (eds.) (1980): Anti-Slavery, Religion and Reform. Essays in Memory of Roger Anstey. Wm Dawson and Sons. Folkestone, pp. 80-98.

[22] Fatah-Black, idem, p. 51-52.

[23] Fatah-Black, idem, p. 73.

[24] Fatah-Black, idem, p. 14.

[25] Brandon, idem p. 6.

[26] Fatah-Black, idem, p. 9.

[27] https://www.swissbankclaims.com/Overview.aspx.html.

[28] https://www.abnamro.com/nl/nieuws/abn-amro-maakt-excuses-voor-historische-betrokkenheid-bij-slavernij.