Een DTM analyse van intersectionaliteit

8 juli 2016
Sandew Hira

De oorsprong

Kimberle Crenshaw, een zwarte burgerrechten jurist in Amerika, introduceerde in 1989 het concept van intersectionaliteit. Ze schreef: “Unable to grasp the importance of Black women’s intersectional experiences, not only courts, but feminist and civil rights thinkers as well have treated Black women in ways that deny both the unique compoundedness of their situation and the centrality of their experiences to the larger classes of women and Blacks. Black women are regarded either as too much like women or Blacks and the compounded nature of their experience is absorbed into the collective experiences of either group or as too different, in which case Black women’s Blackness or femaleness sometimes has placed their needs and perspectives at the margin of the feminist and Black liberationist agendas… I argue that Black women are sometimes excluded from feminist theory and antiracist policy discourse because both are predicated on a discrete set of experiences that often does not accurately reflect the interaction of race and gender. These problems of exclusion cannot be solved simply by including Black women within an already established analytical structure. Because the intersectional experience is greater than the sum of racism and sexism, any analysis that does not take intersectionality into account cannot sufficiently address the particular manner in which Black women are subordinated. Thus, for feminist theory and antiracist policy discourse to embrace the experiences and concerns of Black women, the entire framework that has been used as a basis for translating ‘women’s experience’ or ‘the Black experience’ into concrete policy demands must be rethought and recast.” (Crenshaw, K. 1989, p. 140)

De ervaringen van zwarte vrouwen moeten beschouwd worden als een kruispunt van twee wegen: de weg van de ervaring als vrouw en de weg van de ervaring als zwarte. Beschouw je alleen de ervaring als vrouw en als zwarte apart, dus zonder ze als een kruispunt te zien, dan verlies je het zicht op hoe deze ervaringen op elkaar inwerken.

Ze vertolkte het idee ook op beeldende wijze: “Intersectionality is what occurs when a woman from a minority group . . . tries to navigate the main crossing in the city. . . . The main highway is “racism road.” One cross street can be Colonialism, then Patriarchy Street. . . . She has to deal not only with one form of oppression but with all forms, those named as road signs, which link together to make a double, a triple, multiple, a many layered blanket of oppression.” (Geciteerd in Yuval-Davis, N. 2009, p. 47-48)

Crenshaw’s bijdrage was een kritiek op het witte feminisme: “The value of feminist theory to Black women is diminished because it evolves from a white racial context that is seldom acknowledged. Not only are women of color in fact overlooked, but their exclusion is reinforced when white women speak for and as women. The authoritative universal voice – usually white male subjectivity masquerading as non-racial, non-gendered objectivitys – is merely transferred to those who, but for gender, share many of the same cultural, economic and social characteristics. When feminist theory attempts to describe women’s experiences through analyzing patriarchy, sexuality, or separate spheres ideology, it often overlooks the role of race. Feminists thus ignore how their own race functions to mitigate some aspects of sexism and, moreover, how it often privileges them over and contributes to the domination of other women. Consequently, feminist theory remains white, and its potential to broaden and deepen its analysis by addressing non-privileged women remains unrealized.” Crenshaw, K. 1989, p. 154)

De kernpunten van haar kritiek zijn: witte vrouwen hebben de arrogantie om te spreken namens alle vrouwen als ze spreken over patriarchaat, maar vergeten het aspect van ras zowel in de ervaringen van zwarte vrouwen als in de ervaringen van witte vrouwen die bevoorrecht zijn op het punt van ras.

Een soortgelijke kritiek heeft Crenshaw op zwarte mannen: “Anna Julia Cooper, a 19th-century Black feminist, coined a phrase that has been useful in evaluating the need to incorporate an explicit analysis of patriarchy in any effort to address racial domination. Cooper often criticized Black leaders and spokespersons for claiming to speak for the race, but failing to speak for Black women. Referring to one of Martin Delaney’s public claims that where he was allowed to enter, the race entered with him, Cooper countered: “Only the Black Woman can say, when and where I enter … then and there the whole Negro race enters with me.” Crenshaw, K. 1989, p. 160)

Zwarte mannen praten over ras alsof vrouwen geen onderdeel daarvan zijn. Ze pleit daarom voor een intersectionele benadering: “If any real efforts are to be made to free Black people of the constraints and conditions that characterize racial subordination, then theories and strategies purporting to reflect the Black community’s needs must include an analysis of sexism and patriarchy. Similarly, feminism must include an analysis of race if it hopes to express the aspirations of non-white women. Neither Black liberationist politics nor feminist theory can ignore the intersectional experiences of those whom the movements claim as their respective constituents. In order to include Black women, both movements must distance themselves from earlier approaches in which experiences are relevant only when they are related to certain clearly identifiable causes (for example, the oppression of Blacks is significant when based on race, of women when based on gender). The praxis of both should be centered on the life chances and life situations of people who should be cared about without regard to the source of their difficulties.” Crenshaw, K. 1989, p. 166)

Maar Crensaw beperkte zich niet tot de analyse van de positie van zwarte vrouwen. Ze breidt dat uit naar andere gemarginaliseerde groepen: “It seems that placing those who currently are marginalized in the center is the most effective way to resist efforts to compartmentalize experiences and undermine potential collective action….  The goal of this activity should be to facilitate the inclusion of marginalized groups for whom it can be said: “When they enter, we all enter.” Crenshaw, K. 1989, p. 167)

Dit is de kern van de theorie van intersectionaliteit zoals het door haar grondlegger is geformuleerd. Sindsdien zijn er tal van auteurs geweest die nadere uitwerkingen hebben gemaakt en veranderingen hebben aangebracht in het basisconcept.

Een uitwerking

Een belangrijke uitwerking is de uitbreiding van het concept van het kruispunt van wegen naar andere onderdrukte groepen. Crenshaw had de deur hiervoor geopend. Lykke definieert intersectionaliteit als “a theoretical and methodological tool to analyze how historically specific kinds of power differentials and/or constraining normativities, based on discursively, institutionally and/or structurally constructed sociocultural categorizations such as gender, ethnicity, race, class, sexuality, age/ generation, dis/ability, nationality, mother tongue and so on, interact, and in so doing produce different kinds of societal inequalities and unjust social relations. As this is an umbrella definition, it is important to notice that the societal mechanisms at stake here are defined in different ways by different branches of feminist theorists. Depending on the theoretical framework, they can be theorized as dominance/subordination, in/exclusion, recognition/ misrecognition, power/disempowerment, possession/dispossession, privilege/lack of privilege, majoritizing/minoritizing and so on.” (Lykke, N. 2010, p. 50-51)

De uitbreiding is niet alleen in termen van groepen (zwarte vrouwen naar alle onderdrukte groepen), maar ook naar de aard van de onderdrukking (ras, klasse, seksualiteit, leeftijd etc).

De kracht van intersectionaliteit

De kracht van het concept van intersectionaliteit was gebaseerd op het positieve gevoel van erkenning en solidariteit. Intersectionaliteit was een erkenning van het meervoudige karakter van de onderdrukking van individuen en groepen. Vanuit die erkenning is de logische stap dan ook het verbinden van de strijd van die onderdrukte groepen.

De roep om erkenning en solidariteit is een drijvende kracht geweest achter de enorme populariteit die het concept van intersectionalisme heeft genomen in kringen van activisten over de hele wereld.

Het fundamentele gebrek aan het concept van intersectionaliteit

Maar het concept heeft ook veel fundamentele gebreken. Hier behandel ik slechts één probleem: de conceptualisering van racisme. Berger en Guidroz geven een accurate aanduiding: “Race, class, and gender were once seen as separate issues for members of both dominant and subordinate groups. Now, scholars generally agree that these issues (as well as ethnicity, nation, age, and sexuality) — and how they intersect — are integral to individuals’ positions in the social world.” (Berger, M.  and Guidroz, K. 2009, p. 1)

Het gaat om de onderdrukking van een individu of een verzameling van individuen, niet van een gemeenschap. Maar racisme is niet primair een onderdrukking van individuen. Natuurlijk worden individuen onderdrukt, maar ze worden onderdrukt als deel van een gemeenschap. In de DTM theorie van racisme is haar ontstaan gelegen in het kolonialisme waarbij het concept van superioriteit/inferioriteit verbonden werd aan religie, ras en etniciteit. Opvattingen over niet-westerse samenlevingen waren geen opvattingen over individuen, maar over gemeenschappen en volkeren.

Het verschil tussen een gemeenschap en een verzameling van individuen is dat een gemeenschap bestaat uit sociale instituties die haar een identiteit geven die niet gekoppeld is aan de individuen. De individuen worden geboren en sterven, maar de gemeenschap met haar instituties blijft bestaan. Die instituties zijn tastbare zaken als kleding, voedsel, gebouwen en immateriële zaken als taal, rituelen, godsdienst en een gemeenschappelijke geschiedenis.

De onderdrukking van een individu uit zich in de wijze waarop hij of zij behandeld wordt: mensonwaardig, benadeling t.o.v. anderen, achterstelling, discriminerend etc.

De onderdrukking van een gemeenschap uit zich op twee manieren: de beschadiging of vernietiging van sociale instituties (beperkingen op uiting van religie, spreken van eigen taal, uitdragen van identiteit e.d.) en de positionering van de gemeenschap als achterlijk, gevaarlijk etc.

Het concept van intersectionaliteit gaat voorbij aan de tweede vorm van onderdrukking wat de basis is van racisme. Crenshaw bekritiseert zelf de benadering vanuit het concept van de gemeenschap: “The problem with identity politics is not that it fails to transcend difference, as some critics charge, but rather the opposite- that it frequently conflates or ignores intra group differences. In the context of violence against women, this elision of difference is problematic, fundamentally because the violence that many women experience is often shaped by other dimensions of their identities, such as race and class. Moreover, ignoring differences within groups frequently contributes to tension among groups, another problem of identity politics that frustrates efforts to politicize violence against women. Feminist efforts to politicize experiences of women and antiracist efforts to politicize experiences of people of color’ have frequently proceeded as though the issues and experiences they each detail occur on mutually exclusive terrains. Although racism and sexism readily intersect in the lives of real people, they seldom do in feminist and antiracist practices. And so, when the practices expound identity as “woman” or “person of color” as an either/or proposition, they relegate the identity of women of color to a location that resists telling.” (Crenshaw, K. 1993, p. 1-2)

Voor een zwarte vrouw is de onderdrukking als vrouw niet veel anders dan de onderdrukking als zwarte: het zijn twee wegen die elkaar kruisen. Racisme en patriarchaat worden min of meer gelijkgesteld in de aard van de onderdrukking, namelijk de beperking van de ontplooiingsmogelijkheden van een individu.

In DTM is racisme van een geheel andere orde dan patriarchaat. Neem het voorbeeld van slavernij: racisme betekende dat de zwarte man en vrouw beschouwd werden als dieren. De witte man en vrouw waren eigenaars van zwarten. Het is ongehoord om de positie van de zwarte vrouw op het punt van patriarchaat gelijk te stellen aan de witte vrouw die haar in bezet heeft omdat ze beide zitten op de weg van het patriarchaat.

De analyse van intersectionaliteit gaat helemaal mank op dit punt.

De beleidsimplicatie

Als de onderdrukte bekeken wordt vanuit een individu die ervaringen ondergaat, dan is de beleidsimplicatie dat alle onderdrukten gelijk zijn omdat ze op verschillende wegen zitten die ze kruizen. Het concept van intersectionaliteit verhult dat een onderdrukte ook een onderdrukker kan zijn. Witte vrouwen en homo’s kunnen racisten zijn. Wat komt er dan terecht van solidariteit vanuit intersectionaliteit?

Een andere beleidsimplicatie in kringen van activisten is dat intersectionaliteit wordt gebruikt om strategische en tactische vraagstukken van allianties te vermengen met principes van solidariteit. Neem het voorbeeld van de anti Zwarte Piet beweging. De grote strategische vraag is hoe een brede massabeweging te bouwen tegen Zwarte Piet. De potentie is aanwezig door een single issue campagne te voeren. Intersectionalisten proberen die basis te versmallen door te eisen van activisten dat zij een verbinding moet worden gelegd met de LGBT-strijd. Wie dat weigert, is een anti-intersectionalist en werkt mee aan de onderdrukking van LGTB. Een strategisch vraagstuk wordt gereduceerd tot een kwestie van morele principes. Dat leidt weer tot verdeeldheid en verzwakking van de beweging. Intersectionaliteit is dan een instrument geworden van verdeel-en-heers.

Er zijn meer theoretische en praktische tekortkomingen aan het concept van intersectionaliteit, maar misschien komen we daar in de toekomst op terug. Zie ook:

Geciteerde werken

Berger, M.  and Guidroz, K. (eds.) (2009): The Intersectional Approach. Transforming the Academia Through Race, Class & Gender. University of North Carolina Press. Chapel Hill.

Crenshaw, K. (1989): Demarginalizing the Intersection of Race and Sex: A Black Feminist Critique of Antidiscrimination Doctrine, Feminist Theory and Antiracist Politics. The University of Chicago Legal Forum, 139, pp. 139-167.

Crenshaw, K. (1993): Mapping the Margins: Intersectionality, Identity Politics, and Violence Against Women of Color. Accessed 4-1-2016.

Lykke, N. (2010): Feminist Studies. A Guide to Intersectional Theory, Methodology and Writing. Routledge. New York.

Yuval-Davis, N. (2009): Intersectionality and Feminist Politics. in: Berger, M.  and Guidroz, K. (eds.) (2009), pp. 44-60.