Categoriearchief: Nieuws

Dekoloniseer de 1 juli viering: de ketenen werden niet verbroken maar overgedragen

Sandew Hira
Den Haag 27-6-2021

Slechts één visie mogelijk op 1 juli?

Een wind van verandering waait door Nederland. In de nasleep van de anti Zwarte Piet beweging en Black Lives Matters, maar ook in de context van een radicale milieubeweging en de anti-imperialistische beweging rond de bevrijding van Palestina, ontwikkelt zich een klimaat waarin zaken die vroeger onbespreekbaar waren nu onderdeel zijn geworden van een brede maatschappelijke discussie. De kwestie van het uitroepen van 1 Juli tot een nationale feest- en herdenkingsdag is deel van die discussie in de vorm van een petitie aan de Tweede Kamer. En zoals ieder onderwerp m.b.t. koloniale geschiedenis zijn er twee hoofdstromingen: een dominante koloniale stroming die vanuit de akademia wordt geleid en een dekoloniale die vanuit sociale bewegingen wordt gepromoot. Dit artikel presenteert een dekoloniale analyse van de 1 Juli viering en herdenking.

Mitchell Esajas, een van de initiatiefnemers van de petitie, heeft een Facebook post geplaatst met de volgende tekst: “Je kan niet pro #BlackLivesMatter zijn en de petitie voor ‘Maak 1 Juli/Keti Koti een nationale vrije dag’ NIET tekenen.” Dit is een problematische post. Het stelt dat er vanuit de BLM sociale beweging maar één correcte visie is op 1 juli, de zijne. Laten we de visie van Dr. Glenn Willemsen, de veel te vroeg overleden eerste directeur van NiNsee en schrijver van het boek Dagen van Gejuich en Gejoebel ernaast leggen.[1] Het boek van Willemsen is de meest uitgebreide en diepgaande standaardwerk over de dag van de afschaffing van slavernij. Willemsen: Op Curaçao werd deze dag aanvankelijk wel herdacht, maar dat raakte al spoedig in de vergetelheid. 1 juli 1968 was de laatste keer dat op Curaçao emancipatiedag officieel werd herdacht. De jonge generatie ervaart de afschaffing van de slavernij als een daad van Nederlandse koloniale wetgeving die geen betekenis heeft voor de huidige Curaçaose samenleving. Veel meer belang wordt gehecht aan de herdenking van de grote slavenopstand die onder leiding van Tula op 17 augustus 1795 uitbrak. Met de leuze `overwinnen of sterven’, streden de slaafgemaakten voor hun vrijheid. Op Curaçao wordt 17 augustus officieel als Dag van de Vrijheidstrijd erkend.” De gedachte achter deze redenering is dat je niet de dag kiest die de kolonisator heeft ingesteld, maar een dag die de vrijheidsstrijd van de totslaafgemaakten herdenkt. Die vrijheid is belangrijker dan de vrijheid die de kolonisator heeft bedacht. Is dat een rare gedachte?

In Brazilië, het land waar 40%van alle gekidnapte Afrikanen zijn gebracht, werd slavernij op 13 mei 1888 afgeschaft. Die dag werd lange tijd gevierd door de bevolking en met name de zwarte gemeenschap. Door de opkomst van de Black Power beweging in de jaren zestig heeft de zwarte gemeenschap gekozen om een andere dag, 20 november, te vieren als de dag van het Zwarte Bewustzijn. Op 20 november 1695 werd Zumbi, de leider van de gemeenschap van vrije Afrikanen die ontsnapt waren uit slavernij, vermoord. De strijd van Zumbi werd gezien als deel van een lange strijd voor de bevrijding van zwarte mensen in Brazilië. Is dat een rare gedachte? Nee, er zijn goede argumenten te bedenken voor de keuze van een andere dag om de afschaffing van slavernij te vieren en herdenken.

Toch steun ik het initiatief van de petitie en wel op basis van tactische en niet op basis van principiële gronden. De eerste grond is dat het concept van 1 juli als een dag van Keti Koti, de dag waarop de ketenen van de totslaafgemaakten zijn verbroken, diep geworteld is in de Surinaamse gemeenschap (niet in de Antilliaanse). De Surinaamse gemeenschap is de grootste zwarte gemeenschap in Nederland en daar moet je rekening mee houden. De tweede grond is dat een dag van nationale viering niet het eindpunt, maar nieuw startpunt is om de sociale beweging tegen racisme te versterken. Het gaat namelijk gepaard met enorm veel educatie over koloniale geschiedenis. Daarom is het een goede zaak. Als je het tot een principieel punt in plaats van een taktische, dan kom je al gauw in de problemen. Want hoe reageer je hierop: “Je kan niet oproepen om de petitie voor ‘Maak 1 Juli/Keti Koti een nationale vrije dag’ tekenen en daarbij zwijgen over herstelbetalingen.”

Als je principieel bent, dan kun je niet zwijgen over herstelbetalingen. Als je tactisch bent, dan is het goed mogelijk om te stellen dat het opnemen van herstelbetalingen nu, de basis versmalt om te komen tot een nationale vrije dag en dus tot een bredere maatschappelijk discussie waarin later het onderwerp herstelbetalingen wordt ingebracht.

Laten we nu dieper ingaan op de twee benaderingen van 1 juli.

De dominante koloniale benadering

De koloniale benadering wordt het beste verwoord door de racist Pieter Emmer. Volgens hem hadden zwarte mensen geen notie van vrijheid. Emmer: “There is no indication that either the insurgent slaves or the maroons ever had the intention to abolish slavery and to strive towards general slave emancipation.”[2] Sterker nog, ze wilden helemaal geen afschaffing. Wat wilden ze wel? Zijn antwoord: “The fact that the slaves did not strive to abolish slavery does not indicate that the slaves in the Dutch Caribbean were not interested in more freedom to manage their own time. They wanted time to tend their own gardens, to sell their produce at other plantations or at slave markets, to go fishing and hunting and to own guns, to visit relations at other plantations and to stay away from their plantation from time to time. And in many ways, the slaves had their way.”[3]

Als zwarte mensen slavernij niet wilde afschaffen, waarom is het dan toch gebeurd? Emmer: “Who abolished the slave trade and slavery? For a long time the answer seemed simple: the governments in Europe, and the USA, Cuba and Brazil. The abolition of slavery was a typical feature of Western civilization.”[4] En dit is het leidende verhaal in van historici uit de koloniale stroming: de afschaffing van slavernij was het product van de Europese beschaving die het vrijheidsideaal had ontwikkeld, dat geen enkel andere beschaving heeft ontwikkeld. De helden in het verhaal van de afschaffing zijn witte mensen. Witte historicus Simon Drescher is lyrisch over die heiligen (saints) met William Wilberforce als de ultime Engelse held: “Abolitionism was part of Britain’s unchallenged status as the center of the movement to eliminate slavery from the world…  Symptomatic was the centenary of British colonial slave emancipation, in 1933… The national memory was refreshed by a roll call of the gallant band of Saints led by their English hero.”[5]

In Engeland was er een breder abolitionistische sociale beweging met vele petities en bijeenkomsten die druk uitoefenden op politici. Dat was het bewijs dat de afschaffing het resultaat was van oprechte humanistische gevoelens en niet het gevolg van economische, dus zelfzuchtige, motieven. Zwarte historici hebben als weerwoord: waarom heeft deze beweging dan de daders van de misdaad gecompenseerd in plaats van de slachtoffers? Hoe humanistisch is dat?

Op de vraag “Wat vier je op 1 juli?” is het antwoord vanuit de koloniale stroming: “We vieren een heldendaad van de Europese beschaving: de afschaffing van slavernij.” Voor een anti-racistische sociale beweging is dit een problematisch antwoord, want nu moet je de kolonisator prijzen voor deze daad van beschaving. Dat probleem doet zich niet voor als je een andere datum neemt dan 1 juli, namelijk een datum van het verzet door de totslaafgemaakten zelf, bijvoorbeeld de eerste opstand.

De koloniale benadering van de afschaffing van slavernij bestaat uit twee hoofdpunten:

  1. Slavernij wordt gezien als een systeem met één hoofdkenmerk: de mens als bezit van een ander mens.
  2. Slavernij wordt losgekoppeld van kolonialisme.

Een dekoloniale benadering

Wie viert wat op 1 juli?

De vraag “Wat vieren we op 1 Juli?” begint met de vaststelling dat er twee groepen feest vierden. De eerste groep bestond uit de totslaafgemaakten die vierden dat hun fysieke kettingen die hen tot bezit van de witte mensen maakten waren verbroken. Ze waren niet meer het eigendom van deze mensen. Maar er was een tweede groep die ook feest vierde en met goede redenen. Die bestond uit de eigenaren van de totslaafgemaakten die een flinke financiële compensatie kregen voor het “verlies” van hun bezit. Willemsen: De tegemoetkoming aan de slaveneigenaren kwam in totaal te staan op 11.876.260 gulden, waarvan 9.864.360 gulden voor Suriname en 2.011.900 gulden voor de zes eilanden die de Nederlandse Antillen vormden. Slechts ongeveer een kwart van het bedrag dat aan de slaveneigenaren in Suriname werd uitgekeerd, is in Suriname uitbetaald. Het overige deel ging naar in Nederland wonende eigenaren, van wie velen na ontvangst van de betaling hun onderneming in Suriname sloten.”[6] Willemsen legt het verband uit met de uitbuiting van Indonesië. Want wie draaide op voor de kosten van de afschaffing van de slavernij in het Caraïbisch gebied? Willemsen: “De West-Indische slavenemancipatie werd uit het surplus van de exploitatie van Java (de zogenaamde ‘Indische baten’) gefinancierd.”[7] De enorme winsten uit de uitbuiting van het Indonesische volk hebben de afschaffing in Suriname en de Antillen gefinancierd.

Waarom is de slavernij afgeschaft?

Hierboven is de koloniale analyse van de afschaffing van slavernij uitgelegd: het was het resultaat van de Europese beschaving. In Nederland was er een probleem. Er was geen abolitionistische beweging van betekenis? Waarom is de slavernij dan in de Nederlandse koloniën afgeschaft. Gert Oostindie, die samen met Alex van Stipriaan tot de leiding van de koloniale stroming van historici in Nederland behoort, geeft als antwoord: “Desinteresse!” Oostindie, die uit jaloezie het meesterwerk van Willemsen “gemakzuchtige bladvulling” noemt, heeft hiermee een probleem voor zichzelf geschapen. Humanisme of egoïsme zijn motieven om handelingen te plegen, maar desinteresse is geen motief, maar een state of mind. Ik leg dat in detail uit in mijn kritiek op Oostindie in de essay Decolonizing The Mind.[8] Willemsen heeft de discussie over de redenen voor de afschaffing van de slavernij heel nuchter en wetenschappelijk aangepakt. Hij is gaan kijken welke redenen de beleidsmakers uit die tijd als argumenten hebben gebruikt.

Op 29 november 1853 stelde de regering een commissie onder voorzitterschap van de ex-minister van Koloniën J.C. Baud om te onderzoeken waarom, of en hoe de slavernij zou moeten worden afgeschaft. De voorbereiding voor de daadwerkelijke afschaffing heeft dus tien jaar geduurd. Willemsen geeft het belangrijkste argument van de commissie Baud weer om de slavernij af te schaffen: ‘De emancipatie is […] een maatregel van materiële noodzakelijkheid, zonder welken Suriname onmisbaar te gronde gaat, door het wegsterven zijner landbouwers. Met de emancipatie zal Suriname wel minder opleveren dan thans, maar zal voor algeheele vernietiging behoed blijven. Kortom, voor Suriname schijnt de emancipatie het eenig middel van behoud.’[9]

Hoe was Baud tot dit standpunt gekomen? Hij had op basis van statistieken van het ministerie van Koloniën vastgesteld dat de slavenbevolking sterk terugliep: van 42.272 personen in 1833 tot 34.773 in 1841. Dat was een daling van 18%, wat neerkomt op een jaarlijks gemiddelde van 2¼%. Willemsen licht het motief verder toe: Het zwaarst wegende belang – daarover laat de tekst geen misverstand bestaan – was het behoud van Suriname als exploitatiekolonie voor Nederland. De toelichting stelt dat Suriname als suikerproducerende kolonie in verval verkeerde. De reden daarvoor lag in de krimp van de slavenbevolking. Door het uitzonderlijk lage geboortecijfer en het buitengewoon hoge sterftecijfer van de slavenbevolking was er geen sprake van natuurlijke aanwas. Met name de suikerproductie was (en daar was ook de koloniale overheid zich van bewust) een afmattende, slopende en gevaarlijke bezigheid die door de slavenbevolking werd gehaat omdat ze vele levens eiste. Suriname was, net als de andere plantage economieën in het Caraïbisch gebied, wat dit betreft een abattoir. De plantagebezitters waren dus afhankelijk van een constante import van nieuwe slaven, maar sinds de slavenhandel was afgeschaft kon de populatie niet meer worden aangevuld.”[10]

Hoe werd de slavernij afgeschaft?

Toen de regering zover om over te gaan tot daadwerkelijke afschaffing, formuleerde ze een beleid dat gebaseerd was op drie overwegingen. Willemsen:

  1. De emancipatie moest door de staat geleid worden.
  2. De planters moesten gecompenseerd worden voor hun verlies aan eigendom.
  3. Een nieuw systeem van dwangarbeid moest worden opgezet: contractarbeid.

Een belangrijk principe was: “No emancipation without reparations!” Dit zou een slogan kunnen zijn van de anti-racistische beweging, maar het was een slogan van de koloniale planters die verwoord werd in het rapport van de Commissie Baud: “Geen Emancipatie van staatswege zonder voorafgaande schadeloosstelling aan de slavenhouders.”[11] Dus geen emancipatie van zwarte slachtoffers zonder compensatie van witte daders. De commissie Baud had voorgesteld dat de vrijgemaakten zelf moesten opdraaien “voor de kosten van hun vrijmaking en die zoveel mogelijk terugbetalen aan de staat.” Maar dit bleek niet haalbaar, dus kwam de regering met het voorstel dat de staat dit zou moeten doen uit de winsten van de uitbuiting van Indonesië (die waren geoormerkt in het overheidsbudget als zijnde afkomstig uit Oostindië, de Oostindische baten).

Slavernij kon niet direct worden afgeschaft, betoogde de commissie. Willemsen: Omdat slaven volgens de commissie op een lage trede stonden op de trap van beschaving en zedelijkheid – zelfs diegenen die christen genoemd konden worden, maakten zich schuldig aan ‘veelwijverij en veelmannerij’ – diende de staat, als zij de opheffing van de slavernij beval, dit te doen in het belang van godsdienst, beschaving en welzijn. Aan de geëmancipeerde behoorde voorts de verplichting te worden opgelegd tot arbeid. Dit kon door het meesterschap van de planters te vervangen door het gezag van de staat.”[12]

De beschuldiging van veelwijverij zedelijk verval was komisch gegeven het gedrag van Koning Willem III die verantwoordelijk wordt gehouden voor de afschaffing van de slavernij. De biografen van het koningshuis schrijven: Zo waren er flink wat bastaardkinderen. Zowel Willem I als Willem III gingen vreemd en beiden hadden kinderen bij andere vrouwen. Willem I had vier kinderen met de gouvernante van zijn overleden dochter Paulina… Een affaire van Willem III leidde zelfs bijna tot troonsafstand. Hij had zijn maîtresse zwanger gemaakt en wilde met haar op het platteland gaan wonen… Willem II had een ander ‘probleem’: hij was biseksueel (in die tijd een misdaad) en werd gechanteerd door ene Petrus Janssen. Die beweerde dat de koning hem had aangerand. Als de koning hem zou betalen, zou Janssen niets zeggen over zijn biseksualiteit. De koning zette Janssen in de gevangenis, maar daar ging de chantage gewoon door. Alles bij elkaar betaalde Willem II hem, en mensen om hem heen, jarenlang omgerekend honderdduizenden euro’s.”

De eerste dag van 1 juli

Hoe werd de eerste viering van 1 juli ingericht? Willemsen legt dat in details uit.

Ten eerste de informatievoorziening. De Nederlandse regering misleidde de Afro-bevolking over de afschaffing. De informatievoorziening was ook in het Sranan Tongo. Willemsen: “De koloniale overheid ging bij haar vertalingen echter vrij selectief te werk: van de nieuwe wetten werden niet alle artikelen vertaald. Wij hebben vastgesteld dat wetten en of bepalingen die betrekking hadden op de slaveneigenaren vaak niet werden vertaald, waardoor de vrijgemaakten geen kennis droegen van die bepalingen. Zo werd een van de meest belangrijke bepalingen uit de wet die de opheffing van de slavernij regelt niet aan de vrijgemaakte bevolking bekend gemaakt. Het gaat om artikel 2 van de wet van 8 augustus 1862 houdende de opheffing van de slavernij in de West-Indische koloniën, waarin wordt bepaald dat de slavenhouders in Suriname voor elke nog in leven zijnde slaaf een bedrag van f 300, – als schadeloosstelling zouden krijgen. In de in het Sranan vertaalde tekst van deze wet, werd dit belangrijke artikel weggelaten.”[13]

Ten tweede, de keuze voor de dag van 1 juli. Willemsen: Waarom had de Nederlandse regering de datum van 1 juli 1863 aangewezen als de dag waarop de tot slaaf gemaakten hun vrijheid mochten verkrijgen en niet een ander tijdstip? Volgens de Memorie van Toelichting op de wet tot afschaffing van de slavernij is deze datum niet willekeurig gekozen, maar met het plantersbelang voor ogen. Destijds viel 1 juli in Suriname in de grote regentijd, een periode waarin de productie van suiker twee tot drie maanden bijna geheel stil lag. Dan was er weinig arbeid nodig op de plantages, ‘weshalve alsdan een tijdelijke stilstand van arbeid – zoo als bij de emancipatie aanvankelijk kan worden verwacht – het minst nadeelig zal zijn’. Omdat men dacht dat de vrijgemaakten de eerste tijd zouden willen genieten van hun pas verkregen vrijheid en niet op de plantages zouden willen werken, werd de datum van 1 juli voor de planters het minst nadelig geacht. Een andere verwachting was dat de vrijgemaakten door de vele en zware regens niet zouden gaan ‘rondzwerven’ en daardoor eerder geneigd zouden zijn arbeidsovereenkomsten te sluiten met hun voormalige overheersers. Dit zou volgens de regering orde en rust bevorderen.  Samengevat wilde de regering dat de Emancipatie plaats vond in een periode waarin weinig werk was op de plantages ‘opdat de arbeid zoo min mogelijk moge worden verstoord’.

De orale geschiedenis van Suriname geeft een geheel andere verklaring voor de keuze van 1 juli als emancipatiedag. In de slaventijd was het gebruikelijk om jaarlijks, met nieuwjaar en/of halfjaarlijks, op 1 juli, uitdelingen te houden van kleding en levensmiddelen. Bij deze wettelijk voorgeschreven verstrekkingen kregen de slaafgemaakten vrij en het geheel ging met zang, dans en feestvieren gepaard. Bekend waren de zogenaamde `Nieuwjaarsspelen’, waarbij er volgens de Hernhutter zendelingen “somtijds zes dagen achter elkander gedanst, gezongen, geraasd en gedronken wordt”. Door de vrijmaking te laten samenvallen met een van deze `volksfeesten’ dacht de koloniale overheid twee vliegen in een klap te slaan.”

Ten derde, de voorbereidingen om een eventuele te uitbundige viering van vrijheid die tot een opstand kon leiden gewelddadig de kop in te drukken. Willemsen: “De politiemacht werd gereorganiseerd en met vijftig manschappen versterkt. Er werd een korps marechaussees opgericht met een sterkte van 122 onderofficieren en manschappen dat nog voor 1 juli 1863 op sterkte werd gebracht. Op de avonden van 1 en 2 juli liepen patrouilles van de politie uit voorzorg door de stad. Zij konden echter ongestoord door de lege straten marcheren. De Surinaamse legermacht van ruim achthonderd manschappen werd uitgebreid met een compagnie van tweehonderd mariniers en 144 manschappen bestemd voor het bataljon jagers… Al op 10 februari 1863 arriveerden de tweehonderd mariniers met het fregatschip Landbouw, dat aan boord ook een grote hoeveelheid ammunitie had. De overige manschappen arriveerden in de loop van de maanden daarna vanuit Nederland aan boord van de militaire zeeschepen Cornelis Dirks, Stavoren, Delfzijl en Dommel. De zeemacht werd bovendien versterkt met een korvet met stoomvermogen, vier stoomflottille vaartuigen en een schoener.”[14]

Ten vierde: de kolonisatie van de geest. De nieuwe burgers moeten geestelijk gevormd worden in de tradiei van gehoorzaamheid, onderdanigheid en het ontnemen van zelfrespect. Willemsen: “Vooral de vraag welke familienamen de geëmancipeerden zouden aannemen, stond hoog op de agenda bij de machthebbers. Bij de behandeling in de Staten-Generaal van het wetsontwerp tot opheffing van de slavernij had een afgevaardigde de minister van Koloniën erop geattendeerd dat erop moest worden toegezien dat de slaven niet de geslachtsnamen aannamen van hun oude meesters. Er zou namelijk verwarring kunnen ontstaan, ‘om van zwarte Vondels en andere beroemde personen [maar] te zwijgen’. Om dit probleem op te lossen, stonden de slavenhouders voor de taak om in de laatste maanden voor 1 juli 1863 meer dan 30.000 nieuwe namen te bedenken.20 Anders dan in de Verenigde Staten van Amerika, waar de vrijgemaakten zelf nieuwe namen mochten kiezen, kregen de vrijgemaakten in Suriname hun familienaam van de koloniale overheid of de planters.”[15]

Een andere manier van het koloniseren van de geest was het inzetten van de kerk om een attitude van onderworpenheid te kweken. Willemsen: “Al lang voor de ‘grote dag’ trachtten de zendelingen de gedoopte slaven dus al in spirituele zin voor te bereiden op hun aanstaande vrijheid. Deze spirituele controle, in de Koloniale Verslagen ook wel het ‘gunstig stemmen van de slaven’ genoemd, was vooral het werk van de Moravische Broeders (ook bekend als Hernhutters); in iets mindere mate was het ook het werk van de katholieke missionarissen. Volgens Helman werd het christendom door de Hernhutters (en de katholieken) overgedragen op de slaven met een ‘geloofsleer die de nadruk legde op genade en verlossing, lijden en medelijden. Het leidde tot een “levenskunst” die deemoed, geduld, berusting en onderdanigheid ten opzichte van de machthebbers ten toon spreidde.’”[16]

En tenslotte was daar de ultieme daad van dank. Er werd een lied gecomponeerd “Gi Koning Willem III” (“Voor Koning Willem III) die in alle kerken werd gezongen en waarin de koning wordt geprezen en bedankt voor zijn weldaad.

De ketenen werden niet verbroken maar overgedragen

Mijn dochter Pravini reikte mij dit concept aan: op 1 juli de ketenen werden niet verbroken, maar overgedragen. Zonder de inrichting van een nieuw systeem van dwangarbeid, zou het oude systeem niet afgeschaft kunnen worden. Toen de regering het wetsontwerp in tot opheffing van de slavernij indiende bij het parlement stond deze eis dan ook centraal: “dat de vrijverklaring dient gepaard te gaan van de invoering van nieuwe werkkrachten.”[17] Zonder Aziatische contractarbeid, geen zwarte emancipatie! Dit aspect wordt in de Afro-gemeenschap bij de herdenking en viering van 1 juli volledig over het hoofd gezien. Perez Jong Loi heeft een stap in die richting gezet door erop te wijzen dat 1873 moet worden aangehouden als het jaar van emancipatie, en niet 1863. De periode van staatstoezicht (1863-1873) was een periode van dwangarbeid voor Afro-Surinamers. De gedachte dat de afschaffing van slavernij mogelijk was door de invoering van contractarbeid als een nieuw vorm van dwangarbeid is duidelijk aanwezig bij Anton de Kom. Hij legt het verband uit tussen emancipatie en contractarbeid door de contracten die tijdens het staatstoezicht werden afgesloten “koeliecontracten” te noemen. De Kom: “De heele emancipatie der slaven werd zoo ingericht dat de vrijgelatenen geen andere keus zouden hebben dan het vrijwillig weder opnemen der slavernij die men zoo juist wettelijk afgeschaft had. Terwijl de kolonisten driehonderd gulden per slaaf ontvingen, konden de vrijgelaten slaven zelfs geen rooie cent hun eigendom noemen. Zij waren vrij, doch zonder de middelen om ook maar een enkelen dag voor zich zelf te kunnen zorgen. Zij ontvingen geen land, zooals vroeger de Europeesche kolonisten. Zij ontvingen geen landbouwonderwijs om later op de kostgronden voor zichzelf te kunnen zorgen. Zij kregen geen crediet om zich op gepacht land de gereedschappen te kunnen verschaffen die voor het bewerken van de akkers noodig waren. Het eenige wat zij ontvingen, was de mededeeling dat alle plantageslaven van 15 tot 60 jaar verplicht waren om koeliecontracten [mijn nadruk] te sluiten tot het verrichten van plantagearbeid. Ook zij die in de stad woonden (stadsslaven) moesten contracten sluiten voor het verrichten van huisarbeid. Het loon werd natuurlijk voor, bij en buiten hen om vastgesteld. Zoo zag de ‘vrijheid’ er uit onder het z.g. ‘staatstoezicht’. “[18]

Hij gaat dieper in op het verband tussen emancipatie en contractarbeid: “In 1858 werden op aandringen van een aantal planters, die van oordeel waren, dat immigratie noodig was vóór tot afschaffing der slavernij kon worden overgegaan, door bemiddeling van den Nederlandschen Consul in Macao een 500 Chineesche koelies geronseld… De Chineezen werden volkomen als slaven behandeld. Toen zij hiertegen in verzet kwamen, werden zij zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen, door de politie met rietslagen gestraft, een onwettige handeling die telkens en telkens herhaald is.”[19]

Zonder Aziatische contractarbeid, geen zwarte emancipatie. Contractarbeid was niet alleen vervangende dwangarbeid. Het had ook een ander doel: zorgen dat de lonen van de Afro-Surinamers die gedwongen waren om loonarbeid te verrichten op de plantages om in hun levensonderhoud te voorzien, naar beneden werden gedrukt. Volgens De Kom liet men Aziaten “onder valsche voorspiegelingen, contracten […] teekenen waardoor loon en arbeidsvoorwaarden in Suriname omlaag gedrukt worden.”[20]

Welke ketenen werden verbroken?

In de koloniale benadering is slavernij een systeem met één hoofdkenmerk: de mens als bezit van een ander mens. In de dekoloniale benadering is de trans-Atlantische slavernij een wereldsysteem gebaseerd op vijf kenmerken:

  • Een economisch systeem waarbij Westerse particuliere bedrijven mensen lieten kidnappen om als werkvee en eigendom van die bedrijven te beschouwen (eerst de Inheemse bevolking en later Afrikanen) zodat ze hun leven lang onder dwang gratis arbeid kunnen verrichten. De afschaffing van slavernij verbrak een deel van de economische ketenen: de zwarte mens was geen eigendom. De particuliere bedrijven gingen door met andere vormen van arbeid (dwangarbeid, loonarbeid).
  • Een sociaal systeem waarin sociale verhoudingen op basis van raskenmerken werden georganiseerd. De witte mens was superieur en stond aan de top van de samenleving. De zwarte mens was inferieur en stond aan onderaan. De afschaffing van de slavernij heeft dat niet veranderd.
  • Een politiek systeem waarin de witte kolonisator de zwarte bevolking bestuurde met harde hand. De inzet van leger, politie en veiligheidsdiensten zorgen voor een systematische controle op de bewegingsvrijheid van de zwarte bevolking. De afschaffing van de slavernij heeft dat niet veranderd.
  • Een cultureel systeem waarin de geest van de zwarte mens werd gekoloniseerd en minderwaardigheid en het ontnemen van zelfrespect werd bevorderd. De afschaffing van slavernij heeft niet geleid tot de afschaffing van mental slavery.
  • Een geografische systeem waarin de kolonie een wingewest was om de welvaart van Europa te bevorderen. De uitbuiting van de kolonie was een belangrijke basis voor rijkdom van Nederland. Koloniale historici proberen het tegendeel te bewijzen door te verzwijgen hoe arm Nederland zou zijn geworden als ze honderden jaren lang gewoon een normaal loon had betaald aan de zwarte arbeider. Er is geografisch wel wat veranderd, maar de basisverhouding van het machtige Noorden dat het rijke Zuiden wil beroven van haar natuurlijke hulpbronnen bestaat nog steeds.

Als je pleit voor een nationale viering en herdenking van het verbreken van de ketenen (Keti Koti) moet je de vraag stellen: over welke ketenen praat je?

Aan wie werden de ketenen overgedragen?

Mijn goede vriend Prof. Stephen Small van de University of California Berkeley die samen met mij veel werk verzet op het gebied van slavernijgeschiedenis, zegt: “For every act of oppression, there was act of resistance.” Na de afschaffing slavernij werden economische, sociale, culturele en politieke ketenen overgedragen aan Afro-Surinamers. En zij kwamen in verzet daartegen. Veertig jaar geleden publiceerde ik mijn eerste boek: Van Priary tot en met De Kom – de geschiedenis van het verzet in Suriname 1630-1940.[21] Daarin behandel ik het verzet tegen het kolonialisme in Suriname vanaf het begin van de kolonisatie. Al vrij snel na de afschaffing van slavernij, tijdens het staatstoezicht, begon het verzet van Afro-Surinamers. In 1889 kwamen de zwarte kleine boeren in Para in opstand tegen het koloniaal bewind naar aanleiding hoge belastingen. In 1910 was Suriname in rep en roer toen een groep mensen onder leiding van Frans Killinger werd gearresteerd omdat ze plannen hadden om het koloniaal bewind omver te werpen en een democratische vrije republiek te vestigen. In 1921 lieten de Marrons van zich horen met een drie maanden lange staking van Marron vrachtvaarders die een belangrijk rol speelden in de goudindustrie als transporteurs op de rivieren. In de jaren dertig kwam de arbeidersbeweging op die in 1931 de hongeroproer organiseerde en in 1933 de protesten tegen de arrestatie van Anton de Kom. In 1863 werden de ketenen niet verbroken, maar overgedragen aan nieuwe generaties Afro-Surinamers.

Met de invoer van het systeem van Aziatische contractarbeid, die de noodzakelijke voorwaarde was voor het verbreken van de ketenen van de zwarte bevolking, werden de ketenen overgedragen aan een nieuwe groep Surinamers: Aziaten van China, India en Indonesië. Voor de Tweede Wereldoorlog was er solidariteit onder de onderdrukte geketende bevolkingsgroepen van Suriname. Na de Tweede Wereldoorlog werd met de invoering van het algemeen kiesrecht en de introductie van politieke partijvoering op basis van etniciteit een systeem van verdeel-en-heers doorgevoerd. Tijdens de opstand bij de arrestatie van De Kom in 1933 vielen er twee doden: de Hindostaan Mohabier en de Afro-Guyanees Cyriel Murray.[22] Toen de fysieke ketenen van de Afro-Surinamers op 1 juli 1863 werden verbroken heeft het gekoloniseerde volk van Suriname nieuwe manieren gevonden om de ketenen die overgedragen werd te verbreken in een continu proces van verzet. Wij moeten daaruit lessen trekken over hoe we hun offers gaan herdenken.

Hoe zou je een nationale viering en herdenking kunnen inrichten?

De kolonisator heeft Hindostanen en Afro-Surinamers geleerd om elkaar te haten. Wij moeten onze generatie leren om elkaar lief te hebben. De kolonisator heeft ons geleerd om elkaar als concurrent te zien. Wij moeten onze kinderen leren om elkaar als partners te zien in een strijd om emancipatie en bevrijding. De kolonisator heeft ons geleerd dat de vooruitgang van de ene groep ten koste gaat van de vooruitgang van de andere groep. Wij moeten onze generatie leren dat de vooruitgang van de ene groep een inspiratiebron moet zijn voor de vooruitgang van de andere groep. De kolonisator heeft ons geleerd om neer te kijken op elkaar. Wij moeten onze generatie leren om elkaar met respect te behandelen.

Het wordt tijd dat we onze herdenkingen gaan verbinden met elkaar. Op 1 juli zou het Sarnámihuis als vertegenwoordiger van een online community van Hindostanen in Nederland een boodschap van liefde en solidariteit moeten sturen naar de Afro gemeenschap, ongeacht of die boodschap wel of niet wordt beantwoord, gewoon als principe en niet als onderhandeling. Afro-Surinaamse organisaties zouden moeten leren om op 5 juni zulke boodschappen te sturen naar de Hindostaanse gemeenschap.

Op 5 juni 2023 wordt in de Hindostaanse gemeenschap 150 jaar Hindostaanse immigratie herdacht. Op 1 juli 2023 wordt in de Afro-gemeenschap 160 jaar Keti Koti herdacht. Hoe mooi zou het zijn als in dat jaar een gemeenschappelijke boodschap van Hindostaanse en Afro-Surinaamse organisatie zou worden uitgegeven naar de hele gemeenschap dat de ketenen zijn overgedragen en het een gezamenlijke strijd om die te verbreken. Hoe mooi zou het zijn als op 1 juli 2023 eindelijk een standbeeld van Flora en Sery naast het standbeeld van Tetary bij het presidentieel paleis in Paramaribo zou worden onthuld. Een standbeeld van krachtige vrouwen. Flora en Sery zijn twee dappere Marron vrouwen die weigerden om het kamp van hun gemeenschap te verraden en dat met de dood hebben moeten bekopen. Anton de Kom deed hen een belofte: “Dappere Séry. Dappere Flora. Wij zullen uw namen steeds in eerbied gedenken.”[23] Hoe mooi zou het zijn als we in 2023 zijn belofte konden nakomen met het standbeeld van Flora en Sery naast die van Tetary. De Kom kendehet verhaal van Tetary, maar haar naam niet. Hij schrijft over de opstand op plantage Zorg en Hoop dat in September 1884 … er een groote opstand onder de Indische contractkoelies [viel] te vermelden. Dadelijk werden de troepen opgecommandeerd, de ‘extremisten’ aangevallen en zeven ‘belhamels neergelegd’. Zoo slaagde gouverneur van Heerdt tot Eversberg er in, met bloedig geweld den opstand in korten tijd te dempen.”[24] Het ging om de opstand waar Tetary werd vermoord. Laten we Anton de Kom in 2023 trots laten zijn op de hele Surinaamse gemeenschap door in dat jaar samen op te trekken in de herdenking van het verzet tegen het kolonialisme.

Leeswijzer

Wie meer wil lezen over de discussie over slavernij kan de volgende stukken raadplegen:

  1. Hira, S. (1984): Van Priary tot en met De Kom. De geschiedenis van het verzet in Suriname, 1630-1940. Futile, Rotterdam.
  2. Hira, S. (2009): Decolonizing the mind. Een fundamentele kritiek op het wetenschappelijk kolonialisme. Amrit, Den Haag.
  3. Hira, S. (2014): 20 Questions and Answers on Reparations for Colonialism. Amrit, Den Haag.
  4. Kom, A. de (1934): Wij Slaven van Suriname. Contact, Amsterdam.
  5. Small, S. en Hira, S. (2014): 20 Questions and Answers on 20 Questions and Answers on Dutch Slavery and its Legacy. Amrit, Den Haag.
  6. Willemsen, G. (2006): Dagen van Gejuich en Gejoebel. 1 juli 1863: afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Amrit/Ninsee. Den Haag/Amsterdam 2006.
  7. Website IISR: https://iisr.nl/slavernij/.

 

[1] Willemsen, G. (2006): Dagen van Gejuich en Gejoebel. 1 juli 1863: afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Amrit/Ninsee. Den Haag/Amsterdam 2006.

[2] Emmer, P.C. (2008): Emmer, P.C. (2008): Who abolished slavery?. Resistance and accommodation in the Dutch Caribbean. Paramaribo, p. 15.

[3] Emmer, P.C. (2008), p. 18.

[4] Emmer, P.C. (2008), p. 2.

[5] Drescher, S. (2010): British abolitionism and imperialism. in: Peterson (2010), pp. 129-149. Peterson, D.R.(ed.) (2010): Abolitionism and imperialism in Britain, Africa, and the Atlantic. Cambridge Centre of African Studies Series. Ohio University Press. Athene, p. 130.

[6] Willemsen, G. (2006): p. 139.

[7] Idem, p. 138.

[8] Hira, S. (2009): Decolonizing the mind. Een fundamentele kritiek op het wetenschappelijk kolonialisme. Amrit, Den Haag, p. 30 e.v.

[9] Willemsen, G. (2006): p. 89.

[10] Idem, p. 83-84.

[11] Idem, p. p. 79-80

[12] Idem.

[13] Idem, p. 116-117.

[14] Idem, p. 136-137.

[15] Idem, p. 142-143.

[16] Idem, p. 142.

[17] Idem, p. 89.

[18] Kom, A. de (1934): Wij Slaven van Suriname. Contact, Amsterdam, p. 135-136.

[19] Idem, p. 127-128.

[20] Idem, p. 161.

[21] Hira, S. (1982): Van Priary tot en met De Kom. De geschiedenis van het verzet in Suriname, 1630-1940. Futile, Rotterdam.

[22] Hira (1982), p. 316.

[23] Kom, A. de (1934), p. 74.

[24] Idem, p. 158.

Kolonialisme en de Indiase dans

Wat is de relatie tussen kolonialisme en dans. Poernima Gobardhan is een Hindostaanse danseres getraind in Indiase klassieke dansen. Ze is afgestudeerd als Master Of Arts And Culture in Theatre Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Ze produceert een dansvoorstelling waarin de invloed van de voorouders van Hindostanen op de gemeenscap wordt uitgebeeld. Hiervoor ging ze in gesprek met Sandew Hira over kolonialisatie van de geest en kunst.

Lees hier meer over Poernima.

Volg hier het interview met Poernima. De laatste vijf minuten is het gesprek met Sandew Hira.

Op 5 mei presenteert ze de solovoorstelling My Pitṛs in combinatie met Elly & Me op het India Dans Festival 2021! via een digitale stream. presenteer ik de solovoorstelling My Pitṛs in combinatie met Elly & Me. Een inspirerende double-bill waarin elementen uit Bharata Natyam en de Vedische traditie gebruik om te reflecteren op het fenomeen sterfelijkheid.

My Pitṛs

De solo My Pitṛs (mijn voorouders) stelt het lineaire besef van tijd ter discussie. Ons heden kan niet begrepen worden zonder het verleden. Ook in onze individuele tijdslijn speelt het verleden, de geschiedenis van onze voorouders een beslissende rol. De tijd is circulair waarbij het verleden, het heden en de toekomst met elkaar verbonden zijn. Circulair betekent niets minder dan dat je voorouders verbonden zijn met jouw leven. Op die wijze blijft elk leven behouden in de gedachtes van volgende generaties.

Elly & Me

In 2019 maakte ik Elly & me voor het CaDance Festival, gebaseerd op de roman Eline Vere van de Haagse schrijver Louis Couperus. De solo laat zien hoe ik mij verhoudt tot Eline, vrouw die zich niet wil conformeren aan de verwachtingen van de maatschappij. Het 19de-eeuwse personage toont schrijnend veel overeenkomsten met de vrouw van vandaag. Met de torenhoge paradoxale verwachtingen lijkt het zelfs nog makkelijker jezelf te verliezen in de ellende.

Klik hier voor meer informatie.

Een dekoloniale visie op klimaatverandering

Op 22 en 23 april 2021 heeft president Biden een videoconferentie georganiseerd met wereldleiders over klimaatverandering. De Plurinationale Staat Bolivia organiseerde op 23 april 2021 een alternatieve videoconferentie. Sandew Hira werd gevraagd om een bijdrage te leveren. Zie hier de tekst van zijn bijdrage.

De nieuwe Tweede Kamer: Grote kansen voor de anti-racisme beweging

In 2015 kwam de eerste partij van mensen van kleur in de Tweede Kamer: DENK. Daarvoor waren er wel politici van kleur in de Kamer, maar ze vielen onder een partij discipline van hun witte partijen waardoor ze altijd beperkt waren in de wijze waarop ze de belangen van de gemeenschappen van kleur behartigden. DENK heeft laten zien dat het mogelijk is zonder enige terughoudendheid de confrontatie aan te gaan op het belangrijke podium van het land en zich daarbij niet te beperken tot de Moslimgemeenschap, maar de issues uit de Afro-gemeenschap in hun programma en propaganda mee te nemen.

De splitsing tussen Kuzu en Özturk had desastreus kunnen uitpakken. Het had de partij kunnen breken in twee afzonderlijke organisaties die waarschijnlijk geen van beide in de kamer zouden komen. Farid Azarkhan heeft zich ontplooid tot een fantastische leider die met humor en sarcasme die de kar wist te trekken. Kuzu en Özturk zijn verstandig geweest om het niet tot een splitsing te laten komen. Ik had verwacht dat DENK zou terugvallen naar 2 of 1 zetel. Dat is niet het geval. Ze zijn op 3 gebleven. Ze zijn wel teruggelopen in absolute aantal stemmen van 216.147 in 2017 naar 211.237 in 2021, een terugval met 4.910 stemmen. Dat valt heel erg mee.

Opmerkelijk is het hoge aantal stemmen voor Isaura Carillho (5.839) en Natasha Mohamed-Hoessein (3.826), gemeenteraadslid voor DENK in Rotterdam. Beide komen niet uit de traditionele Turkse en Marokkaanse achterban van DENK. Ze hebben meer stemmen behaald dan Stephan van Baarle (2.449), die op nummer 3 stond van de lijst van DENK en nu in de Tweede Kamer zit. Bij de volgende verkiezingen voor de Tweede Kamer moet DENK minimaal één vrouw hebben bij de eerste drie.

Gegeven alle ellende die DENK heeft meegemaakt (te midden van de altijd aanwezige negatieve media-aandacht) is het toch een mooi resultaat.

BIJ1 heeft het fantastisch gedaan. Bij de vorige verkiezingen heeft ze onder de naam Artikel 1 28.700 stemmen behaald. Dat is bij deze verkiezingen gegroeid naar 87.238 en daarmee behaalde ze een zetel.

Met twee partijen uit de gemeenschappen van kleur is de kans aanwezig dat de media ze tegen elkaar zal willen uitspelen en hun verschillen onder een vergrootglas gaan leggen. Ik hoop dat ze verstandig genoeg zijn om dat te doorzien en een strategie weten te ontwikkelen om samen op te trekken. Dat biedt grote kansen voor de anti-racisme beweging want de interactie tussen sociale bewegingen en anti-racistische partijen in de Tweede Kamer is heel belangrijk.

Wie weet dat over tien jaar ze fuseren tot één partij en over 20 jaar met de linkse partij tot één grote linkse partij.

 

Sandew Hira

 

Dekosur en de riooljournalistiek van Starnieuws

Sandew Hira
Den Haag 27-2-2021

Onder de kop Kromosoeto, Sandew Hira en € 850.000 publiceerde Starnieuws op 15 februari 2021 een artikel met de suggestie dat ik via stichting Dekosur betrokken zou zijn bij corruptieve handelingen. Het artikel staat bol van onwaarheden en suggestieve moddergooien. Het artikel is ondertekend door de Stichting 8 december 1982 (Sunil Oemrawsingh, voorzitter). Amper 10 dagen later, op 24 februari 2021, publiceert Starnieuws een artikel met de kop DA’91 wil onderzoek naar besteding gelden Dekosur met de mededeling dat voorzitter Angelic del Castilho en partijraadsvoorzitter Sunil Oemrawsingh van DA’91 een brief hebben geschreven aan minister Armand Achaibersing van Financiën & Planning met de vraag om de Centrale Landsaccountantsdienst (CLAD) in te schakelen voor een onderzoek naar de schenking van 850.000 euro.

In de oude vakjournalistiek is er een check op laster en moddergooien. Ivan Cairo, journalist van De Ware Tijd, laat zien hoe die check in de vakjournalistiek werkt. N.a.v. deze berichtgeving stuurt hij mij een app met vragen, die een journalist van Starnieuws ook had kunnen stellen. Hieronder is onze Whatsapp correspondentie van 25 februari 2021.

Cairo: Goedemiddag hr Hira.

DA’91 heeft naar aanleiding van de schenking van SPSB aan Dekosur voor uitvoering van een project over onderzoek en herschrijving vd Surinaamse geschiedenis een verzoek aan de procureur-generaal gedaan onderzoek te doen in hoeverre er mogelijk sprake is van onrechtmatig gebruik/besteding of corrupte aanwending van staatsgelden.

  1. Wat is uw reactie als betrokkene bij voornoemd project over deze actie van de partij?

Ik: Ik ondersteun het initiatief van DA’91. Ieder onderzoek zal laten zien dat ik gratis heb gewerkt voor Dekosur. Ik ben niet meer betrokken bij Dekosur vanwege meningsverschillen met het bestuur.

Cairo: 2. Welke activiteiten heeft Dekosur in het kader van voornoemd project al uitgevoerd?

Ik verwijs hiervoor naar het bestuur van Dekosur. Ik beschik over uitgebreide documentatie van mijn gratis werkzaamheden om de encyclopedie te produceren. Als de PG daarom vraagt zal ik die ter beschikking stellen.

Cairo: 3. Zijn er inmiddels al gelden voor Dekosur overgemaakt door SPSB? Zo ja, hoe groot is dat bedrag?

Ik verwijs hiervoor naar het bestuur van Dekosur. Ik heb geen inzicht in de financiën.

Cairo: 4. Welke activiteiten moeten nog ontplooid worden om het project af te ronden en in welk stadium van gevorderdheid bevindt de uitvoering zich?

Vanwege meningsverschillen met het bestuur ben ik niet meer betrokken bij het project en ben niet op de hoogte van de voortgang.

In de follow-up van de vragen gaat hij door:

Cairo: Wat was trouwens het specifieke  doel m.b.t. tot de SPSB-schenking?

Ik: De Surinaamse Postspaarbank heeft in verband met haar 140 jarig bestaan gemeend om een bijzonder gebaar te maken naar duurzame intellectuele ontwikkeling in Suriname.

Om dit doel te bereiken is op 14 april 2019 met Stichting Dekosur het volgende overeengekomen:

  1. Dekosur zal een team van onderzoekers in het leven roepen om wetenschappelijk onderzoek naar de dekolonisatie in Suriname te leiden;
  2. Dekosur zal een trainingsprogramma opzetten voor het team om het onderzoek uit te voeren;
  3. Dekosur zal publieke lezingen verzorgen over dekolonisatie;
  4. Dekosur is verantwoordelijk voor de eindresultaten van het onderzoek te weten:
  • Een zesdelige encyclopedische uitgave over de moderne geschiedenis van Suriname;
  • Overige publicaties het onderzoek rakende;
  1. Dekosur is verantwoordelijk voor de inhoudelijke opzet van conferenties en workshops die zij zal organiseren;
  2. Dekosur is verantwoordelijk voor het doen ontwikkelen van wetenschappelijke databases.

Cairo: Dus vanuit SPSB is het idee gekomen om een project over de geschiedenis uit te voeren?

Ik: Net als vele andere historici heb ik gepleit voor een herschrijving van de geschiedenis vanuit een dekoloniaal optiek. Ook in het DNA is hiervoor gepleit. Ik heb het project ontwikkeld en ben op zoek gegaan naar financiering en die gevonden bij  SPSB toen ik hoorde dat ze op zoek waren naar een project om te financiering in het kader van 14 0 jaar herdenking. Toen het eenmaal was opgezet bleek dat het tussen het bestuur en mij niet goed liep waardoor de relatie snel stuk liep en ik moest afhaken.

Op basis van dit interview heeft Cairo op 26 februari 2021 een artikel gepubliceerd in zijn dagblad De Ware Tijd met een correcte weergave van de informatie zoals een integere vakjournalist hoort te doen, ook al heeft hij geen enkele sympathie voor mij. De titel van zijn artikel is: Hira verwelkomt onderzoek naar Dekosur-project.

De check op laster en moddergooien die een vakjournalistiek hoort te plegen is volledig weg bij Starnieuws, die maar al te graag haatartikelen tegen mij publiceert. In jaar jonge jaren was Starnieuws hoofdredacteur Nita Ramcharan een toonbeeld van een progressieve vakjournalist. Dat is nu volledig veranderd. Starnieuws is een rechts medium dat haar buitenlands nieuws kopieert uit pro-imperialistische media en haar binnenlands nieuws manipuleert onder het mom van “objectieve” berichtgeving. Mensen uit alle politieke kampen kunnen hun stukken toch kwijt in Starnieuws? Niet helemaal.

De 8 December beweging is een rechtse pro-imperialistische beweging die het leed van de slachtoffers van de 8 Decembermoorden heeft gemonopoliseerd en het leed van honderden andere slachtoffers van politiek geweld systematisch heeft weggedrukt. Ramcharan, die zich gelieerd heeft aan de 8 Decemberbeweging, weet wanneer ze alle partijen aan het woord laat en wanneer niet. Op 1 augustus 2016 publiceerde ik een column in Starnieuws over de deelname van Hugo Essed, advokaat van de Stichting 8 December, aan de Volksmilitie na 8 december 1982 en sprak mijn verontwaardiging uit over zijn gebrek aan moraal. Theo Para en Kanta Adhin reageerden daarop. Ik schreef een column met een weerwoord dat op 8 augustus 2016 geplaatst had moeten worden. Tot mijn verbazing weigerde Nita Ramcharan mijn column met een mail van 7 augustus 2016 waarin ze schrijft: “Ik had gehoopt dat je dit achter je zou laten nadat je zei dat je klaar bent met de groep. Eerlijk gezegd vind ik dit gehaal en getrek niet plezierig. Het is wat mij betreft te persoonlijk nu.”

Hoor en wederhoor in Starnieuws? Voor anderen wel, voor mij niet. Starnieuws is verworden tot een medium waar riooljournalistiek wordt bedreven als het om mijn persoon gaat. Starnieuws is een email postbus waar iedereen zijn of haar laster kan publiceren, waarbij Ramcharan dan hoopt dat de mensen naar wie modder gegooid wordt zullen reageren zodat ze kan zeggen dat ze hoor en wederhoor heeft toegepast, tenminste als ze besluit om het te publiceren. Dat is het kenmerk van riooljournalistiek. Van vakjournalisten verwacht je dat er een check is op laster en moddergooien.

De jonge progressieve vakjournalist Nita Ramcharan is nu veranderd in een verbitterde vrouw die riooljournalistiek bedrijft als het om mijn persoon gaat. Het is niet de eerste keer en het zal ook niet de laatste keer zijn.

 

WEBINAR: De aanval op burgerrechten, mensenrechten en politieke rechten voor Moslims in Europa

DONDERDAG 3 DECEMBER 2020

Din Webinar zondag 13 december

18.00-20.15 uur

 

Achtergrond

In 2011 introduceerde de Britse regering de Prevent Policy dat tot doel heeft te voorkomen dat jongeren zich aangetrokken voelen tot radicale ideologieën, met name de radicale islam. Het instrumentarium van de regering is het toezicht op moslimjongeren op scholen, universiteiten, moskeeën en het gezondheidssysteem en repressie (arrestatie, verhoor, opsluiting).

In Frankrijk moeten moslimleiders een verklaring ondertekenen waarin staat dat de islam een ​​religie is en geen politieke beweging. Moslimouders die klagen over Islamofobe karikaturen die in de klas aan hun kinderen worden getoond, begaan een strafbaar feit en kunnen het land uit worden gedeporteerd. Het publiceren van afbeeldingen van politiegeweld is een strafbaar feit.

Oostenrijk wil de politieke islam bij wet verbieden. Mensen die zijn veroordeeld voor het overtreden van deze wet, kunnen levenslang worden opgesloten, of als ze eerder worden vrijgelaten, kunnen ze na hun vrijlating aan elektronisch toezicht worden onderworpen. Verenigingen en moskeeën die ervan worden verdacht de politieke islam aan te hangen, worden gesloten. Er komt een centraal register van imams.

Overal in Europa zijn er steeds meer aanvallen op de burgerrechten en mensenrechten van moslims door regeringen. Dit zijn aanwijzingen voor de opkomst van politiestaten in Europa. Dit zet belangrijke vragen op de agenda:

Op de DIN webinar van 13 december worden twee soorten vragen behandeld:

Blok 1: politieke islam

  • Wat is de politieke islam?
  • Wie definieert het?
  • Is het een enkel monolithisch idee of zijn er meerdere opvattingen?
  • Is de aanval op de politieke islam een ​​middel om afwijkende stemmen onder moslims de kop in te drukken?
  • Wat is de betekenis van de politieke islam in vergelijking met politieke acties die gebaseerd zijn op andere ideologieën zoals Christendom, Jodendom, liberalisme, socialisme?
  • Hoe articuleren islamitische bronnen politieke acties van moslims in vergelijking met de bronnen van andere ideologieën?

Blok 2: burgerrechten, mensenrechten en de opkomst van het fascisme in Europa per land

  • Wat is de rol van het zionisme bij de depolitisering van moslims?
  • Hoe wordt antisemitisme door nationale en EU-regeringen gebruikt om moslims en hun organisaties het zwijgen op te leggen?
  • Wat is de relatie tussen burgerlijke vrijheden zoals vrijheid van meningsuiting en politieke rechten van moslims in Europa?
  • Hoe zal de onderdrukking van burgerlijke vrijheden en mensenrechten in Europa de positie van moslims en niet-moslims beïnvloeden?
  • Hoe kunnen we de opkomst van de politiestaat in Europa bestrijden?

Video’s om te bekijken

Massoud Shadjareh: Is de actie van Oostenrijk tegen moslims iets nieuws: https://www.youtube.com/watch?v=VIiQQAVEGsw&feature=youtu.be

TRT-ronde tafel: wat is de politieke islam die Oostenrijk probeert weg te vagen? https://www.youtube.com/watch?v=7Z5Gs88QgMo&feature=youtu.be

Decolonial Dialogues – Ramon Grosfoguel en Sandew Hira over de opkomst van het fascisme in Europa: https://www.youtube.com/watch?v=JU8A1dcyOd0

In de afgelopen jaren hebben leden van DIN in december conferenties over islamofobie georganiseerd. Vanwege de Covid-19-crisis zijn fysieke ontmoetingen niet mogelijk. In plaats daarvan organiseert DIN een webinar op 13 december van 18.00-20.15 uur.

 

Het webinar bestaat uit:

  • Korte bijdragen
  • Discussies
  • Paneldiscussies

Gespreksleid(st)ers: Sandew Hira en Narges Mobaleghi

Links om de webinar te volgen:

Het programma van het webinar is als volgt:

Bloc 1: Hakimeh Saghaye-Biria en Mohamed Al-Asi

Bloc 2: Abed Choudry (over VK), Massoud Shadjareh (over Oostenrijk), Houria Bouteldja (over Frankrijk), Sheher Khan (over Nederland) en Amanj Aziz (over Zweden

 

Diversiteit en inclusie op de kieslijst

Op woensdag 20 oktober 2020 organiseert het Montesquieu Instituut een paneldiscussie over diversiteit en inclusie op de kieslijst. Hoe wordt diversiteit bijvoorbeeld zichtbaar op de kandidatenlijsten voor de Tweede Kamerverkiezingen van volgend jaar? En welke stappen zetten politieke partijen concreet om inclusief te worden en dat ook te blijven? De politiek – de volksvertegenwoordiging – zou alle burgers moeten representeren, maar voldoet zij daar ook aan op dit gebied? Sandew Hira houdt de inleiding. Daarna volgt een paneldiscussie met Wilma Kieskamp (Trouw), Devika Partiman (oprichter van Stem op een Vrouw) en Imane Nadif (GroenLinks-bestuurslid met de portefeuille Diversiteit, inclusie en externe relaties). Marleen de Rooy (NOS) modereert het debat.

Datum: woensdag 7 oktober 2020 van 17.15 tot ca. 18.30 uur

Locatie: Livestream en Internationaal Perscentrum Nieuwspoort, Lange Poten 10 te Den Haag.

Waarom Pieter Emmer een racist is

Sandew Hira, 4-9-2020

Pieter Emmer heeft aangifte wegens smaad gedaan tegen journalist Gerri Eickhof die hem een “racistische professor” heeft genoemd. In het verleden heb ik Emmer vaker aangeduid als een racist. Ik zal hier het materiaal bij elkaar halen om dat te onderbouwen.

Wat is racisme?

Racisme is een systeem van economische, sociale, politieke en culturele instituties die mensen indeelt naar superieure en inferieure mensen en sociale groepen op basis van biologische of culturele kenmerken. Een voorbeeld van een culturele institutie is de universiteit die kennis produceert. In de productie van kennis manifesteert racisme zich in o.a. publicaties die zwarte mensen als inferieure mensen portretteren.

Zwarte mensen hebben geen menselijke gevoelens van vrijheid

Pieter Emmer portretteert zwarte mensen als inferieure mensen. Hoe doet hij dat?Hij ontkent dat zwarte mensen algemene menselijke gevoelens hebben. Vrijheid is een algemeen menselijke behoefte. Vrijheid is het aangeboren gevoel van mensen om vrij te willen zijn van dwang van derden. Slavernij was een systeem waarin zwarte mensen eigendom waren van witte mensen en in hun boekhouding werden genoteerd naast andere levende bezittingen zoals kippen en varkens. Een totslaafgemaakte zwarte mens, die moeder of vader kon zijn, die in ieder geval een kind was van een moeder en vader, kon worden verkocht zoals je vee of andere eigendommen zoals meubels verkocht. Een meubel of een varken kent geen menselijke gevoelens, maar een totslaafgemaakte zwarte mens kent die gevoelens. Als je dat ontkent, bent je een racist.

In 2006 schrijft hij dat opstanden van totslaafgemaakten niet veel voorkwamen en dat dat een teken was dat ze geen menselijke gevoelens van vrijheid kennen. Emmer: “But, in the slaves did finally revolt, it was not to combat or put an end to the institution of slavery.”[1]

Hij werkt dat idee uit in 2008, toen hij schreef: “There is no indication that either the insurgent slaves or the maroons ever had the intention to abolish slavery and to strive towards general slave emancipation.”[2]

Hij ontkent dat zwarte mensen het aangeboren menselijke gevoel van vrijheid hebben. Dat is racisme. Emmer presenteert zijn opinie en zijn waardeoordeel als een feit dat voorkomt uit historisch onderzoek die hij als historicus heeft verricht. Maar je hebt geen historisch onderzoek nodig om vast te stellen dat zwarte mensen net als witte mensen menselijke gevoelens hebben. Zwarte mensen hoeven dat niet te bewijzen net zoals witte mensen niet hoeven te bewijzen dat ze menselijke gevoelens hebben. Vrijheid is een aangeboren menselijk gevoel.

Overigens laten historische bronnen over slavernij zien dat zwarte mensen zichzelf zagen als mensen en niet als dieren die geen menselijke gevoelens kennen, maar dat onderzoek hoef ik hier aan te dragen net zoals Emmer geen onderzoek hoeft aan te dragen waaruit blijkt dat witte mensen menselijke gevoelens hebben.

Emmer wijdt uit over het gebrek aan menselijke gevoelens van zwarte mensen. Hij schrijft: “The fact that the slaves did not strive to abolish slavery does not indicate that the slaves in the Dutch Caribbean were not interested in more freedom to manage their own time. They wanted time to tend their own gardens, to sell their produce at other plantations or at slave markets, to go fishing and hunting and to own guns, to visit relations at other plantations and to stay away from their plantation from time to time. And in many ways, the slaves had their way.”[3]

Net als een ezel of een koe was de totslaafgemaakte zwarte mens tevreden als hij zijn fysieke behoefte kon bevredigen. Geestelijke behoeften als een menselijke behoefte aan vrijheid kende de zwarte mens volgens Emmer niet.

Emmer gaat nog verder in zijn racisme. Niet alleen hebben zwarte mensen geen menselijke gevoelens van vrijheid, ideeën over vrijheid kunnen ze niet zelf produceren. Die moeten ze halen van witte mensen. Zonder witte mensen zouden ze geen idee hebben wat vrijheid is. Emmer: “The economic advantages of slavery allowed the slaves to have higher incomes in kind such as better food, clothing, housing and medical care. Without the free labour ideology from Western Europe and North America, the slave trade to the Dutch Caribbean as well as slavery would have lasted much longer than it actually did.”[4]

Hier stelt hij dat het idee van vrije arbeid afkomstig is van witte mensen (Europeanen) en zwarte mensen zelf geen concept van vrijheid hebben. Als Europeanen geen concept van vrijheid hadden geformuleerd, zouden zwarte mensen veel langer in slavernij hebben verkeerd omdat ze daar geen bezwaar tegen hadden. Dat bezwaar tegen slavernij kwam van witte mensen.

Hij verwijst naar de opstand van totslaafgemaakte zwarte mensen op Curaçao in 1795. Tula, de leider van de opstand, had verklaard dat Nederland slavernij moest afschaffen zoals Frankrijk dat had gedaan na de Franse revolutie van 1789. Emmer stelt dat de zwarte mens Tula geen idee van vrijheid en hij het van witte Fransen moest leren. Dat is puur racisme en nog wel in de 21ste eeuw. Emmer: “Again Tula referred to the liberation of the French slaves and to the fact that the Netherlands should also liberate its slaves as the country had been occupied by France. There is no doubt that the Curacao slave rising of 1795 had its roots in abolitionism in Europe and was not based on a separate abolitionist ideology originating in the Caribbean.”[5]

Zwarte mensen vinden fysieke mishandeling prima

Ieder mens vindt fysieke mishandeling verschrikkelijk. Witte mensen willen niet geslagen of met een heet ijzer gebrandmerkt worden. Ze willen niet gezien worden als eigendom van andere mensen. Dat is een aangeboren gevoel. Het is niet iets dat je leert op school.

Emmer ontkent dat zwarte mensen die menselijke gevoelens hebben van afkeer van fysieke mishandeling. Hij schrijft in 2003 dat het brandmerken van zwarte totslaafgemaakten twee keren voorkwam in de reis van Afrika naar Amerika: “Een keer als ze aan boord van het Europese slavenschip kwamen en een keer als ze aan het einde van de reis op de plantage arriveerden.” Volgens Emmer werd dat als positief ervaren: “Ze zagen het als bewijs dat hun nieuwe eigenaar voor hen zou zorgen.[6] Zwarte mensen ontberen dat gevoel van afkeer voor fysieke mishandeling door witte mensen. Sterker nog, ze vonden het prima en zagen het als een bewijs van goede zorg van die witte mensen, niet als mishandeling. Je bent een racist als je dit allemaal beweert.

De techniek van Emmer

De techniek die Emmer gebruikt is simpel: bewijs dat het niet zo is. Hij doet voorkomen alsof dit een kwestie is van wetenschappelijk onderzoek. Als je beweert dat zwarte mensen niet van slavernij houden, kom dan met je bewijzen, want ik, Emmer, zie in de archieven dat slavernij honderden jaren heeft geduurd en witte mensen het hebben afgeschaft. Kom met je historische bewijzen om aan te tonen dat dat niet zo is.

Mijn antwoord is: het is een grove racistische belediging om te eisen dat zwarte mensen hun menselijkheid wetenschappelijk moet bewijzen. Dit is een kwestie van beschaving en de racist Emmer ontbeert die ten enenmale.

[1] Emmer, P.C. (2006): The Dutch slave trade 1500-1800. Berghahn Books. New York, Oxford, p. 4.

[2] Emmer, P.C. (2008): Who abolished slavery?. Resistance and accommodation in the Dutch Caribbean. Paramaribo, p. 15.

[3] Idem, p. 18.

[4] Idem, p. 19.

[5] Idem, p. 16.

[6] Emmer, P.C. (2003): De Nederlandse slavenhandel 1500-1850. De Arbeiderspers. Amsterdam,  p. 250-252.

Collaboratie tijdens de Duitse bezetting van Nederland

Sandew Hira

4-9-2020

 

Discussie

Op Facebook is er een discussie geweest tussen Orville Breeveld en mij over de rol van collaborateurs in de trans-Atlantische slavernij. Breeveld, de zoon van Hanna Belliot, verkondigde vol trots in de media dat zijn moeder in 2002 weigerde de Ghanese Ashanti-koning Osei Tutu II te ontmoeten toen die een bezoek bracht aan de Bijlmermeer. Belliot was toen wethouder. Osei Tutu II zou een nazaat zijn van Afrikaanse slavenhandelaren. Ik stelde twee vragen bij zijn actie.

  1. Het beeld alsof miljoenen Afrikanen lijdzaam zich lieten kidnappen klopt niet. Er was verzet, en die werd ook nog eens geleid door de leiders uit die tijd: koningen en koninginnen. Veel Ashanti’s zijn ook tot slaaf gemaakt. Hoe weet Belliot dat Osei een afstammeling is van die koningen die gecollaboreerd hebben en niet van Ashanti’s die zelf gekidnapt waren en Ashanti’s die gestreden hebben tegen de witte slavenhandelaren. Heeft ze de stamboom van Osei Tutut II uitgezocht? Waar zijn de resultaten van dat onderzoek. Of is het gewoon gebaseerd op een algemene Eurocentrische beeld van de trans-Atlantische slavernij waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen slachtoffers en collaborateurs.
  2. De Nederlandse pers roemde het gedrag van Belliot. Onder de titel “Koning versus de koningin” prees het dagblad de houding van wethouder Belliot die de koningin van de Bijlmer werd genoemd. Weet iemand of Belliot ooit heeft opgeroepen om Koningin Beatrix te boycotten vanwege de zeer goed gedocumenteerde rol van het Nederlandse koningshuis in de internationale slavenhandel en andere misdaden tegen de menselijkheid in de Nederlandse koloniën?

Het antwoord van Breeveld was: “Mijn moeder heeft vele tientallen jaren gewerkt aan het verbeteren van de levenskwaliteit van duizenden zwarte mensen, ouders en kinderen. U weet duidelijk niet waarover u praat. Misschien kunt u een gedegen onderzoek doen betreft de bijdrage van mijn moeder aan het welbevinden van zwarte mensen.” Met andere woorden: goede mensen maken geen fouten.

Belliot heeft een koninklijke onderscheiding gehad. Van het koningshuis is bewezen dat ze actief hebben deelgenomen aan slavenhandel en slavernij. Belliot heeft nooit opgeroepen om het Koninghuis om deze reden te boycotten. Ze heeft haar koninklijke onderscheiding niet teruggegeven.

In de discussie heb ik verwezen naar de collaboratie van (Joodse) Nederlanders tijdens de Duitse bezetting en in de Holocaust vernietigingskampen. Ik gaf aan dat de last van die collaboratie niet drukt op de schouders van de slachtoffers. Dat is moreel gezien ook een correcte houding. In het geval van de trans-Atlantische slavernij stelt Breeveld zich op het standpunt dat het wel degelijk correct is om de schuld van de collaborateur op de schouders van het slachtoffer te leggen.

In dit artikel breng ik de documentatie bij elkaar over de collaboratie in Nederland en in de vernietigingskampen.

Ik put daarbij uit twee bronnen:

  1. Het veertiendelige werk van Lou De Jong (uitgebracht in 29 banden): Jong Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog 1969-1991. Den Haag.
  2. Het boek van J. Breukers, J.: Politie en bezettingstijd. Nederlands Politie Museum. 2010.

Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. In de Nederlandse geschiedenis wordt deze actie aangeduid als een “bezetting”. Nederlandse historici karakteriseren de bezetting van Suriname als een “ontdekking”. Suriname werd betiteld als een Nederlandse kolonie. Nederland is nooit betiteld als een Duitse kolonie.

Na vijf dagen strijd gaf het Nederlandse leger onder leiding van generaal Winkelman zich over. De regering en het Koninklijk Huis vluchtten naar Engeland.

Wijs de bezetter de weg in Nederland

De Jong geeft een beschrijving van de ontvangst van de Duitsers door Antoon Coolen die een voorval beschrijft bij een van de bruggen over de Noordbrabantse Dommel die opgeblazen is: ”Een der heen-en-weer rijdende auto’s van de Duitsers houdt plotseling in. Officieren staan er overeind in met hun kaart en wenken een troepje nieuwsgierige burgers dichterbij. Ze komen haastig en bereidwillig en reikhalzen rond de auto om de vraag in het Duits te verstaan. Op de kaart van de Duitsers is sprake van een houtzaagmolen in de buurt en nu willen de Duitsers weten waar die molen is, want ze moeten hout hebben voor een noodbrug over de Dommel. De mensen redetwisten even onder elkaar of die molen er nog is, ja dan neen, en spannen zich in om de Duitsers de inlichtingen te geven die ze vragen. Ik nader het troepje om de auto en waarschuw de mensen dat het geven van inlichtingen aan de vijand verboden is en dat de vijand er ook niet toe kan verplichten. Ik houd zelfs een kleine toespraak dat het geen spelletje is, dat hun eigen broers of zonen misschien zich ergens doodvechten en dat zij zich hier haasten om de Duitsers te helpen … Maar ginds – neen, wat zijn we voor een volk? Een aantal vrouwen is buiten haar huizen gekomen met schalen waarop koffie dampt, zij gaan er mee naar de Duitsers die hun kaarten opvouwen en lachen’.”[1]

Een andere journalist in Rotterdam beschrijft een soortgelijk geval: “Door Rotterdam rijden op 15 mei, daags na het bombardement, Duitse legerauto’s, ‘Ik ergerde mij aan de ongewone gedienstigheid mijner Rotterdamse medeburgers die in vloeiend Duits de ongenode gasten wegwijs maakten. Mijn ergernis die zich uitte in een reeks van verwensingen aan het adres van deze behulpzame stadgenoten.'”[2]

De medewerking van de media

De nieuwsvoorziening in Nederland werd geregeld door het Algemeen Nederlands Persbureau, dat in 1934 was gericht door de Nederlandse Dagblad Pers waarin 94 kranten waren verenigd. De Nederlandse directie ontsloeg alle Joods medewerkers op staande voet “en voegde er de schriftelijke mededeling aan toe dat omgang met de vroegere collega’s verboden was; in de dagen die volgden, weigerden enkelen hunner bij toevallige ontmoetingen de ontslagenen ook maar aan te zien.”[3]

Op 17 mei 1940 ontving de gehele Nederlandse dagbladpers instructies van de militaire bevelhebber die aangaf dat het verboden was om iets te publiceren dat voor Duitsland in enig opzicht nadelig zou kunnen zijn dan wel van militair voordeel voor de Geallieerden. Ook moesten alle media Joodse medewerkers ontslaan. De Jong: “Het algemeen bestuur van de vereniging ‘De Nederlandse Periodieke Pers’ ried zijn leden aan, de voor de dagbladen geldende richtlijnen te volgen maar ging nog een stap verder: het stelde haastig een dagelijks bestuur in, waarvan het voorzitterschap toevertrouwd werd aan een NSB’er. Dat was H. J. Kerkmeester, directeur van Het Nationale Dagblad.”[4]

Nederland kende omroepverenigingen. De Jong: “Alle omroepverenigingen deden, zij het met variaties, hun best, de Nederlands-Duitse samenwerking te bevorderen. Niet alleen uit hun programma’s bleek dat, maar ook uit de redactionele inhoud der programmabladen die door de omroepverenigingen uitgegeven werden. Naar verhouding bleef de NCRV het stugst tegen de Duitsers; KRO en Avro papten het meest met de Duitsers aan.”[5]

Het overheidsapparaat

Nederland werd bij decreet van 18 mei 1940 onder het bestuur van een Rijkscommissaris gesteld (Arthur Seyss-Inquart), die bevoegd was om verordeningen uit te vaardigen, die kracht van wet hadden. De secretarissen-generaal van de Haagse departementen waren de in rang hoogste Nederlandse bestuurders. De Jong: “De secretarissen-generaal die vanuit hun vooroorlogse positie al de neiging hadden, alles wat naar onrust zweemde, af te keuren, meenden bepaald dat het op hun weg lag, verzet tegen te gaan en, waar nodig, actief te bestrijden: veel beter zou het zijn indien het gehele land in volledig vertrouwen de competente leiding aanvaardde die zij zelf meenden te geven. Ook de regering te Londen moest zich niet meer met de zaken bemoeien.”[6]

Hij vervolgt: “Toen er in juni ’40 klachten van de bezetter kwamen dat Duitse burgers die in het oosten des lands woonden, geboycot werden, ja ‘als lucht beschouwd’, de secretarissen generaal onmiddellijk Mr. J. B. Kan (een populair oud-minister, lid van de Raad van State) naar Twente en de Achterhoek zonden om er de in vergadering samengeroepen burgemeesters op te wijzen dat dergelijke gedragingen ‘ernstige afkeuring’ verdienden.”[7]

De Nazi’s voerden een Ariërverklaring in waarin Nederlanders verklaarden dat ze geen Jood waren. De secretarissen-generaal stuurden deze verklaringen rond. Iedereen in het ambtenarenapparaat moest ze ondertekenen. Hiermee werden de Joden van de niet-Joden gescheiden. De Joden werden op staande voet ontslagen. Zij moesten de namen van zijn ouders en grootouders opgeven alsmede gegevens over hun inkomen en vermogen. Er waren niet of nauwelijks weigeringen, ook niet uit Joodse kring. De Jong: “De ingevulde formulieren stroomden naar Den Haag toe. Het waren er ver over de tweehonderdduizend, daaronder verscheidene van personen die zich korte tijd later als verzetsstrijders nauwelijks meer konden indenken dat zij de Ariërverklaring ingevuld hadden.”[8]

De Hoge Raad, het hoogste rechtscollege van Nederland, had een Joodse president, mr. Lodewijk Ernst Visser. De raad zou bij alle anti-Joodse maatregelen betrokken zijn. De Jong: “In twee vergaderingen overwoog de Hoge Raad welke houding het college zou innemen. Met grote meerderheid van stemmen (vermoedelijk twaalf tegen vijf) besloot de raad, het invullen der Ariërverklaring niet te weigeren.”[9]

Onderwijs en bibliotheekwezen

De schoolboeken moesten worden doorgelicht en gezuiverd van “onjuiste” informatie. Een commissie van achttien medewerkers uit het openbaar en bijzonder onderwijs onder leiding van Prof. Van Dam controleerde in twee maanden niet minder dan 9.000 boeken op hun inhoud. Ruim 400 werden uit de circulatie genomen en in enkele honderden moesten wijzigingen worden aangebracht. De Jong: “Dit ingrijpen werd door de confessionele onderwijsorganisaties aanvaard.”[10]

Het bestuur van de Centrale Vereniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken riep een eigen ‘leescommissie’ in het leven gaf “instructies plus bijbehorende titellijsten regelmatig door en controleerde of men er zich aan hield.”[11]

Op basis van de registratie van Joden werd een segregatie maatregel ingevoerd. Joodse en niet-Joodse kinderen werden bij het onderwijs gescheiden. In Duitsland was die scheiding al doorgevoerd. Joodse kinderen moesten aparte scholen bezoeken. Aan de universiteiten en hogescholen werden geen Joden meer toegelaten.

De Jong: “Er zijn, voor zover ons bekend, slechts twee leerkrachten geweest (twee onderwijzeressen uit Haarlem, mej. A. M. Taselaar en mej. H. Joosten) die in de segregatie aanleiding vonden, het onderwijs de rug toe te keren; wat de burgemeesters betrof, was er slechts één, die van Enkhuizen, J. C. Haspels, die hardnekkig weigerde, van Dams instructies op te volgen. Hij protesteerde schriftelijk, hij protesteerde ook mondeling, er van Dam eind september in een onderhoud op wijzend dat wat deze deed, dwars tegen de Grondwet inging. ‘De heer van Dam’, aldus Haspels later, ‘stemde volmondig toe dat ik juridisch gelijk had, doch ‘bevel is bevel’. Aan dat bevel, hadden ook de gemeentebesturen in den lande zich alom, en prompt, gehouden.”[12]

De Joodse Raad

Net als in Duitsland moest de Joodse gemeenschap in Nederland een Joodse Raad vormen, die de Duitsers zou helpen bij het uitvoeren van hun beleid. Op 12 februari 1940 werd de Joodse Raad gevormd. Op 13 februari riep zij op om alle vuur-, slag- of steekwapenen uiterlijk de volgende dag voor één uur ’s middags bij het politiebureau op het Jonas Daniël Meyerplein in te inleveren.

In april 1941 begon Het Joodse Weekblad als orgaan van de Joodse Raad te verschijnen en in een hoge oplage. De Jong: “Dat blad had in de ogen van de bezetter een duidelijke functie: de Joden moesten geïsoleerd worden, niet-Joden dienden niet te weten wat ten aanzien van de Joden gedecreteerd werd; er was dus behoefte aan een uitsluitend voor Joden bestemd mededelingenblad.”[13]

De Joodse Raad kreeg de opdracht om een volledige opgave te doen van alle in het land aanwezige Joodse niet-commerciële verenigingen en stichtingen. In de herfst van 1940 al bijna duizend aangemeld bij de procureurs-generaal.

Om de Joodse gemeenschap te kunnen controleren was een volledige administratie noodzakelijk. Er moest een cartotheek worden samengesteld met namen en adressen van alle Joden in Nederland. De Joodse Raad kreeg de opdracht om die cartotheek samen te stellen uit de centrale bevolkingsregister. De Jong: “De voorzitters van de Joodse Raad hadden spoed betracht: al op 22 oktober was bij de rijksinspectie een eerste groep van twintig tot vijf-en-twintig Joodse typistes naar binnen getrokken die hun eigen schrijfmachines, tafeltjes en stoelen meebrachten (er kwam later nog een ongeveer even sterke tweede groep uit Amsterdam bij), en die typistes namen alle gegevens van de Joodse persoonsformulieren op kaarten over, beginnend met de formulieren van de Duitse Joden. De kaarten werden naar de bureaus van de Joodse Raad in Amsterdam overgebracht. Daar werden ze gesorteerd, ‘o.a, naar geslacht, naar het zijn van vol-Jood, half-Jood of kwart-Jood en naar de huwelijkse staat’; daar waren een dertig tot veertig hulpkrachten voor aangetrokken. Hun werd, aldus een van die hulpkrachten, de journalist L. A. Pam (die na overleg met de redacteuren van Het Parool bij de Joodse Raad in dienst getreden was) ‘na enige dagen … op last van de heren Asscher en Cohen bekendgemaakt dat er geldelijke premies zouden worden uitgeloofd voor degenen die een bijzonder groot aantal kaarten op één dag (sorteerden).”[14]

De volgende stap in het invoeren van apartheid in bezet Nederland was de invoering van de Jodenster. Joden moesten in het publiek leven als zodanig herkenbaar zijn. In Zuid-Afrika en de Verenigde Staten werd huidskleur gebruikt als herkenningsmiddel. Er werden Die sterren 570.000 sterren (geel met daarop het woord ‘Jood’ in quasi-Hebreeuwse letters) waren uit Polen overgebracht.

De Jong: “De bedoeling was dat de Joodse Raad de distributie der Jodensterren voor zijn rekening zou nemen. Men was er intussen aan Duitse kant niet geheel gerust op, hoe de twee voorzitters van de Joodse Raad zouden reageren…. Welnu, Aus der Fünten deelde die woensdag om vier uur precies aan Cohen en Asscher mee dat elke Jood van zondag 3 mei af in het publiek een Jodenster moest dragen en dat daaromtrent nog diezelfde avond, 29 april, een bericht in de pers zou verschijnen….

“Slechts drie dagen voor de distributie! Het leek een onmogelijke opgave. Cohen, wellicht door Asscher vergezeld, begaf zich van de Zentralstelle onmiddellijk naar het hoofdbureau van de Joodse Raad aan de Nieuwe Keizersgracht en riep er zijn voornaamste stafleden bijeen: er moest doorgewerkt worden, de gehele avond, desnoods de gehele nacht. De stafleden brachten die instructie aan het gehele personeel over. Eén was er die, toen hem uitgelegd was wat er gedaan moest worden, weigerde te blijven: de oud-journalist Pam die in de voorafgaande maanden Het Parool van inlichtingen voorzien had. Hij werd door Meijer de Vries op staande voet ontslagen.

Het werk begon. De voorraad Jodensterren werd opgehaald. Nagegaan werd, hoeveel er naar elke plaatselijke vertegenwoordiging van de Joodse Raad gezonden moesten worden. Die hoeveelheden werden afgeteld en ingepakt. Ook werd vastgesteld, in welke lokalen in Amsterdam de uitreiking zou geschieden waarbij de ontvangers per ster een z.g. textielpunt zouden moeten afstaan”en vier cent zouden moeten betalen (de Joodse Raad moest namelijk de fabricagekosten in een ronde som aan de Zentralstelle [SH: Centraal Bureau voor Joodse Emigratie] voldoen). Er werd voor de Amsterdamse Joden een circulaire opgesteld die aangaf waar de verkoop geschiedde en die onmiddellijk in twaalfduizend exemplaren gedrukt werd. De verspreiding van die circulaires werd voorbereid. Men werkte tot vier uur ’s nachts door. Op donderdag 30 april, ’s morgens vroeg, lagen aile pakken voor de honderden gemeenten waar nog Joden woonden, gereed en waren, wat Amsterdam betrof, alle noodzakelijke voorbereidingen getroffen…

“Hoe waren de reacties binnen de Joodse volksgroep als geheel? ‘De kinderen vonden het leuk’, schreef een van de zoons van Voet, het lid van de Joodse Raad.”[15]

De bezetter had een volgend doel: het onteigenen van de bezittingen van Joden. De Joodse Raad moest daarin een belangrijke rol spelen. De Jong: “Het gehele apparaat van de Joodse Raad, met inbegrip van de Expositur, zou dus weer ingeschakeld moeten worden, nu om de bezittingen van de bijna honderdtwintigduizend Nederlandse Joden te registreren. Een gigantische taak!”… Zes dagen na de vergadering waarin de Joodse Raad ‘principieel’ besloten had, aan de registratie mede te werken, op 16 juni, ondertekende Seyss-Inquart een geheim decreet waarin hij nauwkeurig aangaf, aan welke Duitse instanties het meubilair, het huisraad en de kunstvoorwerpen die eigendom waren van de te deporteren Joden, ter beschikking gesteld zouden worden.”[16]

Er werden in navolging van Duitsland in Nederland werkkampen ingericht waar Joden verplicht werden om te werken. De Joodse Raad moest daarbij hepen. Ze liet de cartotheek raadplegen en enkele dagen later kregen de eerste Amsterdamse Joden die nog normale arbeid verrichtten, plotseling een oproep, om zich te laten keuren voor uitzending naar een werkkamp. De Jong: “Uit Amsterdam waren per 1 april’ 42 ruim een-en-twintighonderd Joden naar de Joodse werkkampen gezonden. Rodegro [SH: een Nazi-officier] gaf in de loop van die maand opdracht, er duizend aan toe te voegen, en begin mei (de Jodenster was inmiddels ingevoerd, de deportaties naderden) kondigde hij Cohen, Asscher en Meijer de Vries aan, dat zij ‘moesten rekenen met grote hardheid en dat geen arbeitsfähige Jood beneden zestig of vijf-en-zestig jaar in Amsterdam zou blijven.” Joodse werkkampen waren er nu niet alleen in Drente, maar ook in Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant (plus, voor recalcitrante elementen, een strafkamp in Friesland)… Er zijn in totaal van januari’ 42 af ca. vijf-en-zeventighonderd Joden naar de werkkampen gezonden.”[17]

De deportatie van Joden naar werk- en vernietigingskampen was de meest dramatische gebeurtenis in het leven van Joden. De Raad werd ingezet om de deportatie van Joden uit Nederland te organiseren. Ze moest per dag de registratieformulieren in orde maken van 600 Joden, dat is ongeveer 4.000 per week. Op de formulieren werden hun bezittingen gespecificeerd.[18]

In de zomer van 1942 begonnen de deportaties naar de vernietigingskampen. De Jong: “Er kwam een premie te staan op het lidmaatschap van de Joodse Raad, de premie van lijfsbehoud. Trouwens, aan allen die bij het voor de Duitsers zo nuttige werk van de Joodse Raad betrokken waren, werd een z.g. Sperre verleend: hun werd toegezegd dat zij voorlopig niet gedeporteerd zouden worden.”[19]

De organisatie van de deportatie was een hele klus, maar het lukte. De Jong: “In de herfst van ‘4I had de leiding van de Joodse Raad in alle steden en overige plaatsen waar aanmerkelijke aantallen Joden woonden, vertegenwoordigingen benoemd: vertegenwoordigers in kleine plaatsen en in de steden hoofdvertegenwoordigers die door een commissie bijgestaan werden… in eerste instantie zouden alleen zij die jonger waren dan veertig jaar, moeten vertrekken, medewerkers van de Joodse Raad zouden in Nederland mogen blijven, de Joodse Raad zou de opgeroepen en helpen bij het invullen van de registratieformulieren.”[20]

De deportatie gebeurde in twee stappen. De mensen werden uit hun huizen gehaald en naar een centraal verzamelpunt gebracht. In Amsterdam was dat het Centraal Station. En daar werden ze op de trein gezet naar werk- of vernietigingskampen.

De politie speelde als onderdeel van de gewapende macht speelde in dit proces een belangrijke rol.

De gewapende macht

Nederland had in 1940 een bevolking van 8.8 miljoen, waaronder 160.000 Joden. Het Duitse leger had 100.000 tot 125.000 man in Nederland gestationeerd. Daarnaast had de Waffen SS, de militaire eenheid van de Nazi-partij, 10.000 man in Nederland. Dus Nederland werd bezet door een groep die minder dan 1% van de bevolking telde. Ongeveer 23.000 Nederlanders namen tijdens de bezetting dienst bij de Waffen-SS.

De Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) was in 1931 door Anton Mussert en Cornelis van Geelkerken opgericht. Mussert wilde van Nederland een nationaal-socialistische staat maken, die verbonden was met Duitsland. Het ledental van de NSB steeg van rond de 33.000 in mei 1940 naar 80.000 halverwege de bezetting. Van Geelkerken was de plaatsvervangend leider van de NSB en “hoofdstormer” van de Nationale Jeugdstorm (NJ), de jongerenorganisatie van de NSB voor jongens en meisjes tussen de 10 en 18 jaar. NJ telde tijdens de bezetting 16.000 leden. De Weer-Afdeling (WA) van de NSB telde circa 8.000 leden.”[21]

Het Nederlandse leger was na de capitulatie gedemobiliseerd. Er werd een aparte organisatie opgericht, de Opbouw Dienst, die de Duitsers zouden helpen bij het handhaven van de openbare orde. De Jong: “Meer dan duizend beroepsofficieren, kadetten en adelborsten, ca. achthonderd reserve-officieren, ca. vijftienhonderd beroepsonderofficieren en ongeveer ….negenhonderd beroepssoldaten meldden er zich vrijwillig voor aan; van het lagere dienstplichtige kader en van de gewone dienstplichtigen werden ruim zestigduizend man geleidelijk naar de Opbouwdienst overgeheveld.”[22]

Bij de deportaties werd de politie ingezet. De Jong: “Voorzover de gemeenten eigen politiekorpsen of gemeenteveldwachters kenden, fungeerden de burgemeesters nog steeds als hoofd der politie… Het ophalen van leden van gezinnen waarvan het gezinshoofd naar een werkkamp overgebracht was, vond, gelijk al vermeld, in 85 gemeenten plaats. Slechts één burgemeester: mr. dr. H. J. Wytema, te Beilen, weigerde medewerking (hij werd ontslagen en twee maanden lang gevangen gehouden).”[23]

De Jong citeert uit een zakagenda uit 1943 van een lid van de Hulppolitie uit Amsterdam luiden om het enthousiasme te illustreren van sommige agenten:

22 jebruari. Vanavond 8 uur Joden vangen … 24 Joden gearresteerd.

12 maart. Vanavond jodenjacht, zeer succesvolle avond. Ik denk dat ik in deze paar weken zeker al een paar honderd Joden gevangen heb. Vanmorgen 3.30 uur thuis.

2 april. Vanavond weer op Jodenjacht. Bruin kwam nog even en kon met volle tas terugkeren.

9 april. Vanavond Joden-Aktiolt in Noord. Geweldige massa kinderen achter ons aan … Vanavond zijn drie Joden doodgeschoten.'”[24]

De Nazi’s hadden veel regels geïntroduceerd om de bewegingsvrijheid van Joden te beperken en te controleren. Een taak van de politie was om ze te controleren op de overtreding van deze regels. De Jong: “‘Aan de Joden-arrestaties’, aldus een rechercheur, ‘heeft 90% van de Amsterdamse politie meegedaan. De cellen hebben dag en nacht vol met Joden gezeten zodat er voor criminele gevangenen geen plaats was. Voor zware misdadigers heb ik soms geen arrestantenwagen kunnen krijgen, maar wanneer er Joden gereden moesten worden, werd er niet gesaboteerd, maar stond de wagen klaar.'”[25]

Nederlandse bedrijven

Het Nederlands bedrijfsleven was een belangrijke toeleverancier voor de Nazi’s. De Jong: “Van alle tussen mei’ 40 en december’ 43 geplaatste orders had het Franse bedrijfsleven per 3I december ’43 70% afgeleverd, het Belgische 75,5% en het Nederlandse 84,4 %.”[26] Hij vervolgt: “Globaal gesproken mag men zeggen dat de Nederlandse industrie tijdens de bezetting in de eerste twee jaren voor minstens een kwart, vervolgens bij inkrimpende bedrijvigheid voor ongeveer een derde en tenslotte, lente ’44, voor meer dan de helft werkzaam is geweest in opdracht en ten behoeve van de Duitsers en dat van het totaal aan Duitse orders meer dan de helft, vermoedelijk zelfs veel meer dan dat, bestemd is geweest voor de Wehrmacht; wij herinneren er aan dat in ’43 2 à 3% van de Duitse bewapening (handelsschepen evenwel inbegrepen) afkomstig was uit Nederland.”[27]

Lessen

Welke lessen kunnen we trekken uit dit verhaal voor de discussie over de collaboratie van Afrikanen bij de trans-Atlantische slavernij? De eerste les is dat bij onderdrukking van een grote gemeenschap door een kleine groep onmogelijk is zonder een laag van collaborateurs uit die gemeenschap. Dat geld voor grote schendingen van mensenrechten.

De tweede les is dat als je geen onderscheid maakt tussen collaborateur en slachtoffer je een moreel verwerpelijk standpunt verkondigt, namelijk dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor de misdaden van de collaborateur.

De derde les is dat collaboratie allerlei motieven kent: persoonlijk gewin, angst voor repressie, ambitie, omkoping. In alle gevallen is het een combinatie van motieven.

Hier heb ik geen aandacht geschonken aan het verzet tegen nazisme en dus ook tegen collaboratie. Dat verzet is er wel degelijk geweest. In Nederland hebben communisten een belangrijke rol gespeeld in het ant-fascistisch verzet, maar ook een anti-imperialist als Anton de Kom. Ook heb ik geen aandacht geschonken aan de relatie tussen de bezetting van Nederland door de Duitsers en de bezetting van Indonesië door de Nederlanders. Als je de Duitse bezetting van Nederland wil analyseren dan moet je deze onderwerpen ook in ogenschouw nemen. Hier wilde ik vooral aandacht schenken aan hoe Nederland is omgegaan met de Joodse collaboratie. Heel terecht is in de publieke herinnering aan de bezetting de schuld van de collaboratie niet op de schouders van de Joodse gemeenschap gelegd.

 

 

[1] Jong, L. de (1970), p. 517.

[2] Idem.

[3] Jong, L. de (1972a), p. 9.

[4] Jong, L. de (1972a), p. 11.

[5] Jong, L. de (1972b), p. 653.

[6] Jong, L. de (1972a), p. 131.

[7] Jong, L. de (1972a), p. 132.

[8] Jong, L. de (1972b), p. 764.

[9] Jong, L. de (1972b), p. 765.

[10] Jong, L. de (1972b), p. 679.

[11] Jong, L. de (1972b), p. 680.

[12] Jong, L. de (1974a), p. 556.

[13] Jong, L. de (1974a), p. 522.

[14] Jong, L. de (1974b), p. 1046-1047.

[15] Jong, L. de (1974b), p. 1085-1089.

[16] Jong, L. de (1974b), p. 1099-1100.

[17] Jong, L. de (1974b), p. 1057-1058.

[18] Jong, L. de (1975), p. 12.

[19] Jong, L. de (1974b), p. 1043-1044.

[20] Jong, L. de (1975), p. 3.

[21] Breukers, J. (2010), p. 3-4.

[22] Jong, L. de (1972b), p. 670.

[23] Jong, L. de (1975), p. 241.

[24] Jong, L. de (1975), p. 245-246.

[25] Jong, L. de (1975), p. 249.

[26] Jong, L. de (1976), p. 130.

[27] Jong, L. de (1976), p. 120.

Pakhuis de Zwijger: Kennisproductie en onderzoek

Op maandag 7 september organiseert Pakhuis De Zwijger een livecast over Kennisproductie en Onderzoek met Aminata Cairo en Sandew Hira als deelnemers. De livecast is een tweede aflevering van een serie van vier afleveringen over institutioneel racisme. De livecast begint om 20.30 en duurt een uur.

Tijdens dit programma wordt gekeken naar de historische en koloniale rol van kennisproductie bij het institutionaliseren van racisme. Want wat was bijvoorbeeld de rol van onderzoek en de universiteit bij het kolonialisme? En op welke manieren hebben westerse kennis instellingen bijgedragen aan de vernietiging en de-legitimering van niet-westerse en inheemse kennissystemen? Wat is kennis eigenlijk? Wie produceert kennis? En voor wie en of wat wordt deze kennis geproduceerd? Een kritisch dialoog over de doorwerking van deze geschiedenis en onderliggende ethiek van westerse kennisproductie. Ten slotte worden naar nieuwe perspectieven en waarden behandeld die kunnen bijdragen aan dekolonisatie en herstel van westerse kennissystemen.

Meer informatie: https://dezwijger.nl/programma/kennisproductie-en-onderzoek