Categoriearchief: Nieuws

Amar Soekhlal, Hindostanen en Afro Surinamers

Naar aanleiding van een artikel van Amar Soekhlal over de Covid uitzending van Jurgen Rayman en Humerto Tan is er in de Surinaamse gemeenschap een discussie ontstaan over de relatie tussen Afro-Surinamers en Hindostanen. De discussie heeft twee elementen: een element van hoe om te gaan met de emancipatie van de verschillende etnische groepen en een element hoe die discussie leidt tot racistische uitlatingen over elkaar en het roeren in de spanningen tussen de twee bevolkingsgroepen. Hoe moeten we vanuit een dekoloniaal optiek hiermee omgaan?

Het uitgangspunt is dat in de strijd voor dekolonisatie je geen concurrentie kunt hebben in emancipatie, maar solidariteit. De basis voor de emancipatie van alle bevolkingsgroepen is de solidariteit van alle groepen met de afzonderlijke emancipatiestrijd van elkaar. Solidariteit en niet concurrentie is de basis voor een gezamenlijke emancipatie.

Een kernpunt van emancipatie is representatie in de centra van de macht: politieke macht, economische macht, culturele macht. In Suriname waren politieke partijen op etnische grond een motor voor die emancipatie, niet vanuit solidariteit maar vanuit concurrentie. Dat heeft veel schade aangericht in de onderlinge verhoudingen. Met alle kritiek die je kunt hebben op de NDP van Bouterse, moet je erkennen dat die partij erin geslaagd om die etnische verdeeldheid te overwinnen. En dat heeft weer de weg vrijgemaakt voor de overwinning van Santokhi die met 20 zetels de etnische barrière heeft overwonnen bij deze verkiezingen.

Op soortgelijke wijze heeft de Afro-Surinaamse gemeenschap in Nederland de weg gebaand voor de emancipatie van Hindostanen. De strategie om luidkeels je stem te laten horen en op assertieve wijze een plek opeisen in de samenleving werd lange tijd in de Hindostaanse gemeenschap afgewezen. Wees bedeesd en ga vooral niet de confrontatie aan, was het motto. De Zwarte Piet Beweging en Black Lives Matter hebben laten zien dat je alleen kunt emanciperen als je op assertieve wijze je stem laat horen. Amar heeft met zijn artikel een emancipatorisch geluid laten horen: Hindostanen willen erkend worden als een volwaardig deel van de Surinaamse gemeenschap en eisen gelijkwaardige representatie, niet alleen een token-aanwezigheid. Iedereen die emancipatie van mensen van kleur steunen, zou deze eis moeten steunen.

Het is onvermijdelijk dat dit ertoe leidt dat in de Hindostaanse gemeenschap extreem-rechtse krachten zich gaan roeren en de emancipatiestrijd in een etnische strijd met Afro-Surinamers willen brengen. Die krachten moeten leidende Hindostanen krachtig bestrijden, en niet alleen door ze te duiden, maar ook aan te geven de strategie voor emancipatie solidariteit is en niet concurrentie.

Ook in de Afro-gemeenschap heb je extreem-rechtse krachten die anti-Hindostaanse sentimenten voeden. Ook daar geldt dat leidende Afro-Surinamers zich krachtig moeten uitspreken tegen die sentimenten en het alternatief aandragen: onze toekomst ligt in solidariteit, niet in concurrentie.

Wat is de volgende stap? Dialoog en samenwerking! Laten mensen uit de Hindostaanse en Afro-Surinaamse gemeenschappen het initiatief nemen om bij elkaar in één (digitale) ruimte te zitten, hun gevoelens te bespreken over de sentimenten die over en weer leven en strategieën uit te stippen over een toekomst van solidariteit in plaats van concurrentie. Wie neemt het initiatief?

 

Sandew Hira

13-7-2020

Moet Gandhi’s standbeeld vallen?

Sandew Hira

Den Haag, 21-6-2020

Email: sandew.hira@iisr.nl

Inleiding

Is het bekladden en neerhalen van standbeelden van Gandhi een progressieve stap in de strijd tegen racisme? Voor sommige activisten is het antwoord eenduidig: “Ja”. Gandhi heeft een aantal racistische uitspraken gedaan over zwarte mensen. Zo iemand verdient geen standbeeld. Voor veel mensen in met name de Hindostaanse gemeenschap is Gandhi de leider van de Indiase bevrijdingstrijd tegen het Brits kolonialisme en wordt hij geëerd op allerlei manieren. Het bekladden en neerhalen van zijn standbeeld wordt daar met afgrijzen bekeken. Hoe moet je hiermee omgaan als dekoloniale activist?

Je moet beginnen met proberen om de feiten te achterhalen over Gandhi en de zwarte strijd? Wat is die waarheid?

Alle bronnen over uitspraken van Gandhi gaan terug naar zijn verzamelde werken die op internet gratis te downloaden zijn. Het gaat om 98 delen van gemiddeld 500 pagina’s, dus ongeveer 50.000 pagina’s. Het is in opdracht van de Indiase regering samengesteld. Het materiaal is verzameld tussen 1956 en 1994 en is nu beschikbaar. De samenstellers hebben geen censuur gepleegd, dus heb je ook de uitspraken van Gandhi waar hij zich voor zou moeten schamen.

Gandhi is geboren in Gujarat, India, op 2 oktober 1869 en werd op 79-jarige leeftijd vermoord door een Hindu fundamentalist op 30 januari 1948, een half jaar nadat India haar onafhankelijkheid had uitgeroepen op 15 augustus 1947.

Gandhi was op 22-jarige leeftijd in London als advocaat afgestudeerd en keerde terug naar zijn geboorteland waar hij moeilijk een praktijk van de grond kon krijgen. In april 1893 vertrok hij naar Zuid-Afrika om juridisch adviseur te worden van een Indiase zakenman. Hij zou er 21 jaar verblijven en nauw betrokken raken bij de strijd van de Hindostaanse gemeenschap tegen apartheid. In 1915 keerde hij op 45-jarige leeftijd terug naar India, waar hij met succes de strijd tegen het Brits kolonialisme leidde die resulteerde in de onafhankelijkheid van India.

De relatie van Gandhi met de zwarte gemeenschap heeft betrekking op twee gemeenschappen:

  • Zuid-Afrika.
  • De zwarte gemeenschap in de VS.

De beschuldiging van racisme heeft betrekking op zijn periode in Zuid-Afrika.

Zuid-Afrika

Zuid-Afrika zoals we haar nu kennen is in 1948 ontstaan als een eenheidsstaat. De Westerse kolonisatie van Zuid-Afrika met de vestiging van een militaire vesting en handelspost op de Kaap door de Nederlandse Verenigde Oost Indische Compagnie in 1652 onder leiding van Jan van Riebeeck. Ze dwongen de zwarte bevolking tot slavernij. In 1795 kregen de Nederlanders concurrentie van een andere koloniale macht, Engeland, die uiteindelijk de controle kreeg over het gebied in 1815. De Nederlanders en Britten voerde regelmatig oorlog tegen elkaar. De Nederlandse Boeren scheidden zich af in een viertal onafhankelijke republieken: Transvaal, Oranje Vrijstaat, Natal en de Kaap. In 1869 werd diamant gevonden in Transvaal en Oranje Vrijstaat en in 1886 goud in Transvaal. De Britten probeerde controle te krijgen over deze gebieden. In 1880 werd de eerste Anglo-Boers oorlog uitgevochten die gewonnen werd door de Nederlandse Boeren. In 1899 vond de tweede Anglo-Boers oorlog plaats die de Britten de definitieve overwinning bracht op de Boeren in 1902. Gandhi zou deze oorlog meemaken en koos de zijde van de Britten. Hij bood de Britten hulp aan in de vorm van ziekenverzorgers uit de Hindostaanse gemeenschap.

De Hindostaanse gemeenschap in Zuid-Afrika kent twee bronnen van oorsprong: enkele duizenden totslaafgemaakten uit Bengalen en Zuid-India die door Van Riebeeck en consorten werden gebracht naar de Kaap in de zeventiende eeuw en 150.000 contractarbeiders die tussen 1860 en 1911 werden gebracht onder het systeem van “indentured labour”. Ze werden geworven in India en naar Zuid-Afrika gebracht om te werken op de suikerplantages in Natal. Ze waren Britse onderdanen. Gandhi was actief in deze gemeenschap. De verhouding tussen de Hindostanen en Afrikanen was complex. Aan de ene kant werden beide groepen onderdrukt voor de witte bevolking middels apartheidswetgeving. Het land van Afrikanen was door de witte kolonisator gestolen. Die zette vervolgens zwarte politie-agenten in om de contractarbeiders met bruut geweld in toom te houden: de oude verdeel-en-heers tactiek.

In 1888 werd in Natal de pasjeswet voor Indiërs ingevoerd die hun bewegingen in de apartheidssamenleving moest controleren. Gandhi kwam in 1893 aan in Zuid-Afrika en begon vrij snel de beweging tegen de pasjeswet te leiden. Hij werd vier keer de gevangenis ingestuurd vanwege zijn verzet.

De kritiek op Gandhi in Zuid-Afrika betreft drie punten:

  • Gandhi was een bewonderaar van het Britse systeem.
  • Gandhi steunde de Britten tijdens een opstand van zwarte Afrikanen o.l.v. Bambatha kaMancinza in 1906.
  • Ghandi heeft racistische uitspraken gedaan over zwarte mensen.

Bewonderaar van het Britse systeem

Twee Zuid-Afrikaanse historici – Ashwin Desai en Goolam Vahed – maken hier een punt in hun boek “The South African Gandhi. Stretcher-bearer of the Empire”.[1] Ze citeren Gandhi uit zijn afscheidsspeech in Cape Town in 1914 toen hij besloot terug te keren naar India: “I have always believed there is something subtle, something fine in the ideals of the British Constitution. Tear away those ideals and you tear away my loyalty to that Constitution; keep those ideals and I am ever a bondman. [Cheers] Both races should see that those ideals of the British Constitution always remained a sacred treasure.”[2]

 

Je vraagt je af hoe met deze attitude hij de onafhankelijkheidsstrijd van India heeft kunnen leiden? Het antwoord is simpel. Gandhi was gekoloniseerd in zijn geest in 1914 en heeft een mentale bevrijding moeten ondergaan om de rol van leider van de onafhankelijkheidsbeweging te kunnen nemen. Is het moeilijk om te begrijpen dat mensen groeien in hun geestelijke ontwikkeling?

De bewondering voor het Westerse systeem zien we bij meer anti-koloniale leiders. In 1964 geeft Nelson Mandela een vergelijking tussen communisme en het Westerse systeem. “From my reading of Marxist literature and from conversations with  Marxists, I have gained the impression that Communists regard the parliamentary system of the West as undemocratic and reactionary. But, on the  contrary, I am an admirer of such a system.  The Magna Carta, the Petition of Rights and the Bill of Rights, are documents which are held in veneration by democrats throughout the world.  I have great respect for British political institutions, and for the country’s  system of justice. I regard the British Parliament as the most democratic  institution in the world, and the independence and impartiality of its judiciary  never fail to arouse my admiration.  The American Congress, that country’s doctrine of separation of powers,  as well as the independence of its judiciary, arouse in me similar sentiments.”[3]

Moet je om deze redenen standbeelden van Mandela verwijderen?

Steun voor de Britten in de opstand van 1906

In 1906 voerden de Britten nieuwe belastingwetten in. Afrikanen onder leiding van de Bambatha kaMancinza uit de Zulu gemeenschap organiseerden een gewapende opstand tegen de Britten. De opstand werd bloedig neergeslagen. Gandhi had de Britten aangeboden om ziekenbroeders uit de Hindostaanse gemeenschap te mobiliseren voor de kolonisator.

Desai en Vahed maken hier een punt van en ze hebben gelijk: The Gandhian pattern that emerges during the South African War and the Bhambatha Rebellion is the erasure of Africans as a people who suffered and resisted a brutal system. Alongside this was the use of war and violence as opportunities to display loyalty to local settlers and, by extension, to the British Empire.”[4] Vandaag de dag pleiten we voor solidariteit met andere onderdrukte groepen. De strijd tegen kolonialisme en imperialisme is internationaal. Gandhi heeft in 1906 aan de verkeerde kant van de geschiedenis gestaan. Zelf verklaart Gandhi zijn houding als volgt: We are in Natal by virtue of British power. Our very existence depends upon it. It is therefore our duty to render whatever help we can.”[5]

Later zou zijn houding radicaal veranderen, maar daarover straks meer.

Racistische uitspraken

Docenten van de universiteit van Ghana hebben een petitie ingediend waarin ze het bestuur vragen om het standbeeld van Gandhi te verwijderen van het universiteitsterrein. In die petitie hebben ze een aantal racistische citaten gevonden uit de collected works waar Gandhi zich voor moet schamen. Hier zijn enkele citaten:

  • “A general belief seems to prevail in the Colony that the Indians are little better, if at all, than savages or the Natives of Africa. Even the children are taught to believe in that manner, with the result that the Indian is being dragged down to the position of a raw Kaffir.”[6]
  • “In the face, too, of financial operations, the success of which many of their detractors would envy, one fails to understand the agitation which would place the operators in the same category as the half-heathen Native and confine him to Locations, and subject him to the harsher laws by which the Transvaal Kaffir is governed.”[7]
  • “So far as the feeling has been expressed, it is to degrade the Indian to the position of the Kaffir.”[8]
  • Desai en Vahed voegen toe: “In The Green Pamphlet Gandhi objected to the fact that ‘Indians are classed with the natives of South Africa—Kaffir races’. For example, Indians had to use the same entrance as Africans at the post office in Durban. ‘We felt the indignity too much and . . . petitioned the authorities to do away with the invidious distinction and they have now provided three separate entrances for natives, Asiatics and Europeans.’ Gandhi was irate that ‘the sons of this land of light [India] are despised as coolies and treated as Kaffirs’ “.[9]

 

Het algemene beeld uit dit soort citaten is dat Gandhi zwarte Afrikanen als minderwaardig beschouwde vergeleken met Indiërs. Als je dit leest en moet je verontwaardigd zijn over deze uitspraken en niet proberen om daar begrip voor op te brengen. De vraag die je echter ook moet stellen is of Gandhi deze opvattingen heeft behouden in de rest van zijn leven of daar afscheid van heeft genomen.

 

In de verzamelde werken zul je ook dit soort citaten van Gandhi treffen:

  • “I regard the Kaffirs, with whom I constantly work these days, as superior to us. What they do in their ignorance we have to do knowingly.”[10] (Citaat uit 1910)
  • “In cocoa plantations,. Negro workers are subjected to such inhuman treatment that if we witnessed it with our own eyes we would have no desire to drink cocoa.”[11] (Citaat uit 1913)
  • Among the Negroes, the tallest and the most handsome are the Zulus. I have deliberately used the epithet ‘handsome, in connection with Negroes. A fair complexion and a pointed nose represent our ideal of beauty. If we discard this superstition for a moment, we feel that the Creator did not spare Himself in fashioning the Zulu to perfection. Men and women are both tall and broad-chested in proportion to their height. Their muscles are strong and well set. The calves of the legs and the arms are muscular and always well rounded. You will rarely find a man or woman walking with a stoop or with a hump back. The lips are certainly large and thick, but as they are in prefect symmetry with the entire physique, I for one would not say that they are unshapely. The eyes are round and bright. The nose is flat and large, such as becomes a large face and the curled hair on the head sets off to advantage the Zulu’s skin which is black and shining like ebony. If we ask a Zulu to which of the various races inhabiting South Africa he will award the palm for beauty, he will unhesitatingly decide in favour of his own people, and in this I would not see any want of judgment on his part. The physique of the Zulu is powerfully built and finely shaped by nature without any such effort as is made by Sandow and others in Europe in order to develop the muscles. It is a law of nature that the skin of races living near the equator should be black. And if we believe that there must be beauty in everything fashioned by nature, we would not only steer clear of all narrow and one-sided conceptions of beauty, but we in India would be free from the improper sense of shame and dislike which we feel for our own complexion. If it is anything but fair.”[12] (Citaat uit 1926).

De eerdere citaten stammen uit zijn vroege periode in Zuid Afrika en de later zijn van 1910, 1913 en 1926.

Zijn opvattingen over zwarten werd later vooral bepaald door zijn visie op de strijd van de zwarte gemeenschap in Amerika.

De zwarte gemeenschap in de VS

Gandhi schreef veel. Hij schreef ook regelmatig over de situatie van de zwarten in Amerika. In 1926 schreef hij: “The Negroes of the United States have accepted Western civilization. They have embraced Christianity. But the black pigment of their skin constitutes their crime, and if in the Northern States they are socially despised, they are lynched in the Southern States on the slightest suspicion of wrongdoing.”[13]

Hij publiceerde regelmatig over het onrecht dat de zwarten werd aangedaan. Zo meldde hij: “In South Carolina (U.S.A.) a white man stole a motor car. He got four weeks. The same Court of Justice condemned a Negro to three years’ penal servitude for stealing a bicyle. A Delaware (U.S.A.)”coloured” man was sentenced to death for committing rape on a white girl. At Alabama (U.S.A.) two whites were fined $. 250 each for committing rape on coloured girls.”[14]

Hij maakte in 1929 een vergelijking tussen het kaste systeem in India en de VS: “There can be no true comparison between the two. They are dissimilar. Depressed and oppressed as the untouchable is in his own land, there is no legal discrimination in force against him as it is in the case of the Negro in America. Then, though our orthodoxy sometimes betrays a hardness of heart that cannot but cause deep anguish to a humanitarian, the superstitious prejudice against the untouchable never breaks out into such savage fury as it does sometimes in America against the Negro. The lynching of the Negrois not an uncommon occurrence in America. But in India such things are impossible because of our tradition of non-violence. Not only that, the humanitarian sentiment in India has so far prevailed against caste prejudice as to result even in the canonization of individual untouchables. We have several untouchable saints. I wonder whether you have any Negro saints among you. The prejudice against untouchability is fast wearing out. I wish somebody could assure me that the tide of colour prejudice had spent itself in America.”[15]

Acht jaar later komt hij terug op de vergelijking en benadrukt hoe in India het kaste-systeem onderdeel was van de Hindu religie, terwijl dat in de VS niet het geval was. Gandhi: “Can it be a divine law that some persons are born untouchables and remain so for generations? Even men do not have such a law. It does not exist anywhere in this world. The plight of Negroes in America is very bad. They are untouchables but they are not considered to have been born so. Treating them as untouchables is not considered a dharma. There are a vast number of people who treat Negroes as untouchables but such behaviour is not considered a part of religion.”[16]

In 1946 had Gandhi een gesprek met zwarte Amerikaanse soldaten in Madras. Een soldaat vroeg hem: “There are several religions in the world. They were all orginated in foreign countries. Which one of these should Africa follow? Or should she discover her own religion? If so, how ?”

Dit is het antwoord van Gandhi: “It is wrong to say that all religions were originated in foreign countries. I had fairly extensive contact with Zulus and Bantus and I found that the Africans have a religion of their own, though they may not have reasoned it out for themselves. I am not referring to the rites, ceremonies and fetishes that are prevalent among African tribes but the religion of one Supreme God. You pray to that God.”[17]

Hier begint hij te erkennen dat je moet redeneren buiten de bestaande kaders en erkennen dat er zoiets bestaat als een Inheemse Afrikaanse filosofie met haar eigen wortels.

Een andere soldaat vroeg: “How can a continent like Africa fight down the fetters of slavery when it is so hopelessly divided?”

Gandhi: “The moment the slave resolves that he will no longer be a slave, his fetters fall. He frees himself and shows the way to others. Freedom and slavery are mental states. Therefore the first thing is to say to yourself: ‘I shall no longer accept the role of a slave. I shall not obey orders as such but shall disobey them when they are in conflict with my conscience.’ The socalled master may lash you and try to force you to serve him. You will say: ‘No, I will not serve you for your money or under a threat.’ This may mean suffering. Your readiness to suffer will light the torch of freedom which can never be put out.”[18]

Gandhi pakte het vraagstuk op van mental slavery en de noodzaak voor de dekolonisatie van de geest. In 1931 schrijft hij over het Britse onderwijssysteem in India: “We know what history we learn in schools and what we have to unlearn by bitter experience. We are taught to imagine the blessings and virtues of British rule; we learn, as we grow, to know the contrary. Our greatest enemy is therefore ignorance spread often willfully to prejudice us.”[19]

Tot slot vraagt een soldaat: “Africa and India both drink of the cup of slavery. What necessary steps can be taken to unite the two nations so as to present a common front?”

En Gandhi maakt de volgende verbinding: “India is not yet free and yet Indians have begun to realize that their freedom is coming, not because the white man says so but because they have developed the power within. In as much as India’s struggle is non-violent, it is a struggle for the emancipation of all oppressed races against superior might. I do not propose mechanical joint action between them. ‘Each one has to find his own salvation’ is true of this as well as of the other world. It is enough that there is a real moral bond between Asiatics and Africans. It will grow as time passes.”[20]

Hij kreeg gelijk. Zwarte leiders uit Amerika maakten contact met Gandhi. De meest opmerkelijke is Marcus Garvey. Garvey had een internationale organisatie opgebouwd van radicale zwarte activisten met ruim een miljoen leden. Garvey was heel goed op de hoogte van de spanningen tussen Afrikanen en andere gekoloniseerde gemeenschappen, ook tussen Hindostanen en Afrikanen. Maar Garvey zag de betekenis van Gandhi voor de internationale strijd tegen het kolonialisme. In 1924, toen zijn organisatie op de hoogtepunt was van haar ontwikkeling, stuurde Garvey een telegram aan Gandhi met de volgende tekst: “The Negroes of the world through us send you greetings for fight for the freedom of your people and country. We are with you. Fourth Annual international Convention Negro Peoples of the World. Marius Garney, Chairman.”[21] Twee jaar later stuurde zijn vrouw, Amy Jacques Garveytwee boeken van Garvey naar Gandhi (”The Philosophy and Opinions of Marcus Garvey” en ”Africa for Africans”). Gandhi stuurde haar op 12 mei 1926 een bedankbriefje terug.[22]

Een andere belangrijke zwarte leider, de grondlegger van de NAACP, W.E.B. du Bois, was regelmatige contact met Gandhi. Du Bois publiceerde artikelen van Gandhi in zijn maandblad Crisis. Du Bois was een Pan-Africanist. Veel Pan-Africanisten in West Afrika waren geïnspireerd door Gandhi.

De kern van die inspiratie lag in de strategie die Gandhi had ontwikkeld mb.t. geweldloos verzet. Een van de vroegere leiders van de burgerrechtenbeweging in Amerika was Howard Thurman (1899-1981). Hij was een Afro-Amerikaanse theoloog en een mentor van Martin Luther King. Thurman schrijft in zijn autobiografie over zijn reis naar India en de ontmoeting met Gandhi: “He had questions. Never in my life have I been a part of that examination: persistent pragmatic questions about American Negroes, about the course of slavery, and how we had survived it. One of the things that puzzled him was why the slaves did not become Muslems. “Because,” he said, “the Moslem religion is the only religion in the world in which no lines are drawn from within the religious fellowship. Once you are in, you are all the way in. This is not true in Christianity, it is’t true in Buddhism or Hinduism. If you would have become Moslem, then even though you were a slave, in the faith you would be equal to your master…. He wanted to know about voting rights, lynching, discrimination, public school education, the churches and how they functioned. His questions covered the entire sweep of our experience in American society.”[23]

Thurman was belangrijk in de Amerikaanse burgerrechtenbeweging, omdat hij een mentor was van Martin Luther King Jr. King had Gandhi’s technieken van geweldloos verzet bestudeerd vooral met de bus boycott in Montgomery. King schrijft in zijn autobiografie: “Like most people, I had heard of Gandhi, but I had never studied him seriously. As I read I became deeply fascinated by his campaigns of nonviolent resistance. I was particularly moved by his Salt March to the Sea and his numerous fasts. The whole concept of Satyagraha (Satya is truth which equals love, and agraha is force; Satyagraha, therefore, means truth force or love force) was profoundly significant to me. As I delved deeper into the philosophy of Gandhi, my skepticism concerning the power of love gradually diminished, and I came to see for the first time its potency in the area of social reform.”[24]

The strategie, tactieken en technieken die Gandhi had ontwikkeld werden toegepast door grote groepen zwarte activisten in Montgomery. King: “In the summer of 1957 the name of Mahatma Gandhi was well known in Montgomery. People who had never heard of the little brown saint of India were now saying his name with an air of familiarity. Nonviolent resistance had emerged as the technique of the movement, while love stood as the regulating ideal. In other words, Christ furnished the spirit and motivation while Gandhi furnished the method.”[25]

King heeft zijn strategie van geweldloos beschreven, uitgelegd en verdedigd in zijn boek Stride Toward Freedom. Hij gaat in detail in op alle filosofische, strategische, tactische en technische aspecten van geweldloos verzet, inclusief de argumenten tegen deze strategie. Bij iedere stap grijpt hij terug naar wat hij van Gandhi heeft geleerd.

In 1956 was premier Nehru van India in de VS en nodigde King en zijn vrouw Coretta uit voor een bezoek aan India. Gandhi was toen al dood.

King beschrijft zijn ervaring in India: “We had a grand reception in India. The people showered upon us the most generous hospitality imaginable. Almost every door was open so that our party was able to see some of India’s most important social experiments and talk with leaders in and out of government, ranging from Prime Minister Nehru, to village councilmen and Vinoba Bhave, the sainted leader of the land reform movement. Since our pictures were in the newspapers very often it was not unusual for us to be recognized by crowds in public places and on public conveyances. Occasionally I would take a morning walk in the large cities, and out of the most unexpected places someone would emerge and ask: “Are you Martin Luther King?” We had hundreds of invitations that the limited time did not allow us to accept. We were looked upon as brothers, with the color of our skins as something of an asset. But the strongest bond of fraternity was the common cause of minority and colonial peoples in America, Africa, and Asia struggling to throw off racism and imperialism. We had the opportunity to share our views with thousands of Indian people through endless conversations and numerous discussion sessions. I spoke before university groups and public meetings all over India. Because of the keen interest that the Indian people have in the race problem these meetings were usually packed. Occasionally interpreters were used, but on the whole I spoke to audiences that understood English. The Indian people love to listen to the Negro spirituals. Therefore, Coretta ended up singing as much as I lectured. We discovered that autograph seekers are not confined to America. After appearances in public meetings and while visiting villages, we were often besieged for autographs. Even while riding planes, more than once pilots came into the cabin from the cockpit requesting our signatures. We got good press throughout our stay. Thanks to the Indian papers, the Montgomery bus boycott was already well known in that country. Indian publications perhaps gave a better continuity of our 381-day bus strike than did most of our papers in the United States. We held press conferences in all of the larger cities—Delhi, Calcutta, Madras, and Bombay—and talked with newspapermen almost everywhere we went. They asked sharp questions and at times appeared to be hostile, but that was just their way of bringing out the story that they were after. As reporters, they were scrupulously fair with us and in their editorials showed an amazing grasp of what was going on in America and other parts of the world.”[26]

Het is interessant om te zien hoe King en zijn metgezellen kennis maakten met het vraagstuk van reparations and affirmative action in India voor de “untouchables” in een gesprek met Nehru. Hij vergelijkt dat beleid met het beleid in de VS m.b.t. zwarte emancipatie. King schrijft: “The Indian government spent millions of rupees annually developing housing and job opportunities in villages heavily inhabited by untouchables. Moreover, the prime minister said, if two applicants compete for entrance into a college or university, one of the applicants being an untouchable and the other of high caste, the school is required to accept the untouchable. Professor Lawrence Reddick, who was with me during the interview, asked: “But isn’t that discrimination?” “Well, it may be,” the prime minister answered. “But this is our way of atoning for the centuries of injustices we have inflicted upon these people.” From the prime minister down to the village councilmen, everybody declared publicly that untouchability is wrong. But in the United States some of our highest officials declined to render a moral judgment on segregation, and some from the South publicly boasted of their determination to maintain segregation. That would be unthinkable in India. Although discrimination has not yet been eliminated in India, it is a crime to practice discrimination against an untouchable.”[27]

King gaf de essentie weer van de relatie tussen Afrikanen en Indiërs: “The strongest bond of fraternity was the common cause of minority and colonial peoples in America, Africa, and Asia struggling to throw off racism and imperialism.”

Eenheid maakt macht, verdeeldheid breekt kracht

De kwestie van eenheid tussen onderdrukte volkeren is voor veel leiders in de gekoloniseerde een belangrijk thema geweest. Europese mogendheden hadden de wereld gekoloniseerd en hun volkeren meedogenloos onderdrukt en uitgebuit. Ze hebben de strategie gebruikt van verdeel-en-heers en de kolonisatie van de geest. Alle leiders van de bevrijdingsstrijd tegen het kolonialisme realiseerden zich deze essentiële regel: eenheid maakt macht, verdeeldheid breekt kracht.

De strategie van verdeel-en-heers was vaak heel effectief. Onder alle gekoloniseerde gemeenschappen heerst er angst voor de kolonisator en woede over de vernedering, onderdrukking en uitbuiting. De strategie van verdeel-en-heers richt de focus van angst en woede weg van de kolonisator en binnen de eigen gemeenschappen. In de zwarte gemeenschappen werd de kleurschakering gebruikt als instrument: hoe lichter de huidskleur, hoe beter de sociale, economische en culturele positie. In de multiculturele gemeenschappen werden Afrikanen opgezet tegen Aziaten en omgekeerd. En als die strategie gecombineerd werd onderling geweld, dan zijn de gevolgen voor generaties niet te overzien: de woede is direct verbonden met leed die elkaar is aangedaan.

In Suriname zijn Hindostanen en Afro-Surinamers tegen elkaar opgezet bij verkiezingen. Politiek was gebaseerd op de manipulatie van de spanningen tussen deze bevolkingsgroepen. Pas na de coup van 25 februari 1980 is het element van dekolonisatie onderdeel geworden van de politiekvoering. In Suriname heeft de verdeel-en-heers strategie van Nederland niet geleid tot geweld, maar in het buurland Guyana wel.

In 1950 richten de Marxist Chedi Jagan (Hindostaanse komaf) en Forbes Burnham (Afro-Guyanese komaf) samen de People’s Progressive Party (PPP) op als een socialistische partij die de strijd voor onafhankelijkheid tegen Engeland zou leiden. De PPP won de verkiezingen van 1953 en begon sociale hervormingen door te voeren op weg naar de onafhankelijkheid, die uiteindelijk in 1966 werd bereikt. De Engelsen stuurden militairen naar Guyana en zetten Jagan af. De Britse en Amerikaanse inlichtingendiensten begonnen in te werken op de PPP en een scheiding te bewerkstelligen tussen Hindostanen en Afro-Guyanezen. Dat was effectief. In de verkiezingen van 1957 namen twee fracties van de PPP (Jagan en Burnham) apart deel aan de verkiezingen, maar Jagan won 9 van de 14 zetels en Burnham 3. Veel Afro-Guyanezen hadden toch op Jagan gestemd. De CIA zetten met steun van de Engelsen een campagne op om de twee bevolkingsgroepen uit elkaar te drijven. De woede over racisme en kolonialisme werden gericht op elkaar. Gekoloniseerde Hindostanen vertellen racistische verhalen van de witte kolonisator over de minderwaardigheid van Afro-Guyanezen en hun wens om Hindostaanse vrouwen te verkrachten. Afro-Guyanezen vertellen racistische verhalen van de kolonisator over gierige Hindostanen die zwarten willen uitbuiten. Die spanningen worden gecombineerd met stakingen en demonstraties en monden uit in honderden doden in de beginjaren zestig. Het heeft de etnische relaties in Guyana voor decennia verstoord. Stephen Rabe, die de campagne van de Amerikaanse inlichtingendienst met steun van de Britten in Guyana uitvoerig heeft gedocumenteerd, concludeert: U.S. policymakers generated political instability and economic chaos and incited racial warfare in the British colony.”[28]

Sociale bewegingen krijgen vaak te maken met inlichtingendiensten. De Black Panthers Party in Amerika is ten onder gegaan door infiltranten van de FBI. De Russische revolutionair Victor Serge heeft een handboek samengesteld voor revolutionairen met de titel: “What everyone should know about repression“. De archieven van de Russische inlichtingendienst was na de revolutie van 1917 in handen gevallen van de revolutionairen. Serge heeft in zijn handboek uitgelegd hoe inlichtingendiensten werken om sociale bewegingen te ondermijnen. Een belangrijk element is de inzet van provocateurs die verdeel-en-heers strategieën toepassen en onderling wantrouwen creëert.[29]

Een soortgelijk handboek werd vijftig jaar later samengesteld door de Amerikaanse CIA agent Philip Agee met de titel “Inside the Company – CIA diary“.[30] Agee werkte 12 jaar voor de CIA in Latijns Amerika tegen anti-imperialistische organisaties. Hij kreeg er later spijt van en verzamelde zijn ervaringen in de vorm van een handboek die door sociale bewegingen gebruikt zijn geworden over hoe om te gaan met inlichtingendiensten.

De algemene les is: verdeel-en-heer bestrijd je door de focus te leggen waar het hoort: de strijd tegen kolonialisme. Leiders van de Aziatische en Afrikaanse bevrijdingsbewegingen hebben dat goed begrepen. Ze kennen de woede in hun gemeenschappen over vernedering en onderdrukking heel goed en beseffen dat die woede een focus moet hebben: de kolonisator. Als die focus verschuift naar onderlinge strijd, dan heb je een belangrijke slag verloren.

De focus van de strijd in Nederland is institutioneel racisme. Het verwijderen van standbeelden van slavenhouders heeft een duidelijk focus: de kolonisator. Het verwijderen van het standbeeld van Gandhi is daar geen deel van. Gandhi was geen deel van de kolonisator. Hij was gekoloniseerd in zijn geest zoals veel gekleurde mensen. Hij is uiteindelijk gedekoloniseerd in zijn geest. De focus te verschuiven van de kolonisator naar hem is onderdeel van verdeel-en-heers. Daarom is die actie niet goed te keuren. Die afkeuring betekent niet dat niet gesproken moet worden over de problematische aspecten van zijn leiderschap en in het algemeen van leiderschap van sociale bewegingen. Dat gesprek is hard nodig. Maar het moet gebaseerd zijn op feiten en het totaalplaatje. Dan is het deel van de groei van sociale bewegingen, anders wordt het deel van de strategie van verdeel-en-heers.

Bronnen

Agee, P. (1975): Inside the Company. CIA diary. Stonehill Publishing Company. London.

Carson, C. (1998): The Autobiography of Martin Luther King Sr.. IPM/Warner Books. New York.

Desai, A. and Vahed, G. (2016): The South African Gandhi. Stretcher-bearer of the Empire. Stanford University Press. Stanford.

Gandhi, M.K. (1956-1994 (xx)): The Collected Works of Mahatma Gandhi. https://www.gandhiheritageportal.org/the-collected-works-of-mahatma-gandhi. Accessed 19-6-2004. De referentie naar de verschillende delen is opgenomen tussen haakjes (xx).

King, M.L (1958): Stride Toward Freedom. The Montgomery Story. Beacon Press. Boston.

Mandela, N. (1964): I am not a communist. From speech in his defence at the Rivonia Trial while Secretary General of the ANC, in June 1964. The speech is known by the title ‘I Am Prepared to Die’. in: Bragança, A. de and Wallerstein, I. (eds.) (1982), p. 91-95.

Petition (2016): Gandhi’s Statue at the University Of Ghana Must Come Down. https://www.change.org/p/the-members-of-the-university-of-ghana-council-gandhi-s-statue-at-the-university-of-ghana-must-come-down. Accessed 20-6-2020.

Rabe, S. (2005): U.S. intervention in British Guiana. A cold war story. Univ. Of North Carolina Press. Chapel Hill.

Serge, V. (1979): What everyone should know about repression. New Park Publications. Original: 1926.

[1] Desai, A. and Vahed, G. (2016): The South African Gandhi. Stretcher-bearer of the Empire. Stanford University Press. Stanford.

[2] Desai, A. and Vahed, G. (2016), p. 36.

[3] Mandela, N. (1964), p. 95.

[4] Desai, A. and Vahed, G. (2016), p. 89.

[5] Gandhi, M.K. (1956-1994 (1)), p. 179.

[6] Gandhi, M.K. (1956-1994 (1)), p. 193.

[7] Idem, p. 225.

[8] Idem, p. 229.

[9] Desai, A. and Vahed, G. (2016), p. 30.

[10] Gandhi, M.K. (1956-1994 (11)), p. 107.

[11] Gandhi, M.K. (1956-1994 (12)), p. 432.

[12] Gandhi, M.K. (1956-1994 (34)), p. 11-12.

[13] Idem, p. 79.

[14] Gandhi, M.K. (1956-1994 (36)), p. 397.

[15] Gandhi, M.K. (1956-1994 (45)), p. 148.

[16] Gandhi, M.K. (1956-1994 (63)), p. 351.

[17] Gandhi, M.K. (1956-1994 (89)), p. 280.

[18] Idem.

[19] Gandhi, M.K. (1956-1994 (52)), p. 102.

[20] Gandhi, M.K. (1956-1994 (89)), p. 280.

[21] Gandhi, M.K. (1956-1994 (29)), p. 28.

[22] Gandhi, M.K. (1956-1994 (36)), p. 361.

[23] Thurman, H. (1979), p. 132.

[24] Carson, C. (1998), p. 34.

[25] Carson, C. (1998), p. 72.

[26] Carson, C. (1998), p. 127-128.

[27] Carson, C. (1998), p. 136-137.

[28] Rabe, S. (2005), p. 175.

[29] Serge, V. (1979).

[30] Agee, P. (1975).

Geschiedschrijving van Hindostaanse dwangarbeid

Op vrijdag 5 juni stond het Sarnámihuis stil bij 147 jaar Hindostaanse Immigratie. Naar aanleiding van de maatregelen in de strijd tegen het coronavirus had het Sarnámihuis besloten dit jaar een Facebook Live Stream te hosten. Gehost door Tasiana Ramdin, werd met 147 jaar Hindostaanse Immigratie het officiële startsignaal gegeven voor Indian History Month, dat dit jaar in het teken staat van #calcuttabrieven. Initiatiefnemer van Indian History Month, Pravini Baboeram, lichtte in de livestream het thema van dit jaar toe. Daarnaast was historicus Sandew Hira te gast, die inging op Hindostaanse geschiedschrijving en de betekenis van de Calcutta brieven. Tot slot ging Lalla Rookh vertegenwoordiger Farid Ketwaru in op de ervaringen van de Nationale Stichting Hindostaanse Immigratie met geschiedschrijving en het Lalla Rookh Museum. The volledige uitzending i hier te bekijken op YouTube: https://www.youtube.com/watch?v=75qosUevebI&feature=youtu.be

Analyse van institutioneel racisme

Islamic Human Rights Commission (IHRC), lid van het Decolonial International Network produceert in tijden van corona educatieve video’s over allerlei onderwerpen. Op 6 juni 2020 werd via Zoom presentaties en discussies opgenomen over institutioneel racism door Ramon Grosfoguel, Mohammad Marandi en Imam Dawud Walid. Daarom kwamen o.a. aan de orde wat de verschillen zijn tussen de huidige beweging en de civil rights movement van de jaren zestig.

Kijk naar de Zoom uitzending op YouTube:  https://www.youtube.com/watch?v=UpIcKFO3b_E&t=43s

 

 

Handsoff Venezuela: een onmisbare informatiebron over Venezuela

HandsOffVenezuela-Nederland is een anti-imperialistische solidariteitsorganisatie die solidariteit organiseert met de Bolivariaanse revolutie. Naar aanleiding van de mislukte invasie van huurlingen in Venezuela heeft zij een open brief gericht aan de Nederlandse regering waarin zij de medeplichtigheid van Nederland aan de agressie, sabotage, belegering, informatie oorlog, economische vernietiging, staatsgrepen en invasies tegen de soevereine Bolivariaanse Republiek van Venezuela veroordeelt.

De Franse journalist Romain Migus bericht vanuit Caracas dat de groep van huurlingen bevoorraad was met brandstof in Curaçao, dat nog steeds een deel is van het Koninkrijk der Nederlanden. Nederland is dus direct betrokken bij deze actie.

HandsOffVenezuela houdt zij acties op De Dam in Amsterdam om aandacht te vragen voor de anti-imperialistische strijd in Latijns-Amerika. Haar website is een goede informatiebron in het Nederlands over de ontwikkelingen in Venezuela. Haar Facebook pagina is actueel en biedt mogelijkheden voor discussie en commentaren. Wil je de werkgroep steunen of meedoen aan hun activiteiten, ga dan naar hun website en Facebook pagina.

Hoefdraad en economisch beleid

Sandew Hira

“It’s the economy, stupid!”

Het gaat er hard aan toe in Suriname in deze verkiezingsmaand. Alles wordt uit de kast getrokken om de uitslag van de verkiezingen over drie weken te beïnvloeden. Daartoe behoort ook de hetze tegen minister Hoefdraad. Waarom is het centrum van de aanval op Hoefdraad gericht?

In maart 1991, drie maanden na de Amerikaanse inval van Koeweit, was de populariteit van president George H. Bush ongelooflijk groot: 90% van de Amerikanen steunden hem. Een jaar later verloor hij de verkiezingen. Terwijl Bush dacht dat de “gewonnen” oorlog zijn presidentschap zou verlengen, had de campagne van Clinton een focus. “It’s the economy, stupid!” zou hun slogan luiden. Clinton hamerde op de slechte economische prestaties van Bush en zijn programma voor economisch herstel. Hij won de verkiezingen.

De oppositie in Suriname neemt een groot risico. De focus van hun oppositie is niet een alternatief economisch programma, maar de criminalisering van de man die Suriname uit een economisch dal trekt.

Twee manieren van crisisbestrijding

In 2010 won de NDP de verkiezingen. Hoefdraad werd governor van de Centrale Bank. Hij had een indrukwekkende cv waaruit blijkt dat hij een enorme ervaring heeft en goede netwerken in de internationale financiële wereld. In 2015 won de NDP opnieuw en werd hij Minister van Financiën. Toen sloeg de economische crisis toe met de enorme daling van de grondstoffenprijzen.

Nu zijn er twee manieren om een land uit een diepe economische crisis te halen: een structureel aanpassingsprogramma door sanering van het overheidsapparaat met massa-ontslagen van ambtenaren en drastische verlaging van subsidies of een sociaal investeringsbeleid met behoud van het sociaal vangnet en voorzichtig manoeuvreren naar een situatie van herstel van de economische groei. Dat is ongelooflijk lastig. In plaats van massa-ontslagen en grote verlagingen van de subsidies doe je het omgekeerde: investeren in de herstelkracht van de economie. In de Westerse economische theorie is dit beleid uitgewerkt door de Britse econoom John Maynard Keynes. Hij stelde voor dat de overheid grote leningen nam om de overheidsinvesteringen te financieren en daarmee de economie uit het slop te halen. Als dat eenmaal gebeurt, zal het overheidstekort door de economische groei weer afnemen. Rechtse liberalen economen onder leiding van Milton Friedman hebben deze strategie afgewezen en stellen als alternatief voor het neo-liberale structurele aanpassingsprogramma. In Suriname lijkt het alsof de traditionele economen maar één theorie kennen, die van het neo-liberalisme.

Hoefdraad heeft gekozen voor een sociale aanpak in crisisbestrijding en wat blijkt: het heeft gewerkt tot de corona-crisis. Het IMF heeft in December 2018 een rapport uitgebracht over Suriname waarin ze de weg naar boven beschrijft en concludeert: “Suriname’s economy has stabilized and is expected to further improve.” Ze verwachte een economische groei van 2% in 2018 en 3% daarna.

En Suriname merkt dit ook. Want hoe is het mogelijk voor de regering om salarisverhogingen toe te kennen aan onderwijsgevenden, de politie, de leerkrachten, de militairen en de Rechterlijke Macht in plaats van een drastische verlaging van die salarissen? Hoe is het mogelijk om basissubsidies in stand te houden in plaats van ze massaal af te schaffen? En dit alles vindt plaats te midden van een economische sabotagecampagne waarbij speculanten de valutakoersen proberen te manipuleren en de rechtse vakbeweging nog meer druk probeert te leggen op het overheidsbudget. Als de oppositie consequent was, moet ze pleiten tegen die salarisverhogingen. Waarom doet ze dat niet?

Als je een eerlijke discussie wilt voeren over de resultaten van de strategie van een sociaal investeringsbeleid versus een structurele aanpassingsprogramma dan zullen de feiten aantonen dat deze strategie heeft gewerkt en ook goed onderbouwd is in de economische theorie. Die eerlijke discussie wordt niet gevoerd. In plaats daarvan wordt een hetze gevoerd. Ik heb eerder een analyse gegeven van de rol van de VES in die hetze. De VES manipuleert informatie, weigert te reageren op kritiek en stelt zich op als de economische arm van de oppositie.

De strategie van de hetze: shift de focus!

De strategie van de hetze is gebaseerd op een oude techniek: shift de focus. Hoe werkt die techniek. Ik geef een voorbeeld.

Een familie is geconfronteerd met een crisis: hun huis staat in brand. Ze halen met een autobusje water uit de trenzen om de brand te blussen. Ze parkeren het busje midden op straat met de autodeuren wijd open. Een buurman die al die tijd stilletje benzine heeft gegooid op het erf om de brand te stimuleren, komt naar buiten en roept: “Buurman, waarom heb je zo a-sociaal geparkeerd. Je hindert het verkeer.” De buurman belt de politie. De politie arriveert en wil de familie bekeuren: “Meneer, u overtreedt de regels. U mag niet midden op de straat parkeren nota bene met de deuren wijd open.”

De familie brengt haar verweer in: “Buurman, agent, we zitten in een crisissituatie. Ons huis staat in brand, en ja we overtreden de verkeersregels, maar we zijn bezig ons huis en onze buurt te redden.”

Maar de agent en de buurman moeten er niets van weten: regels zijn regels. De agent haalt een wetboek tevoorschijn en leest de regels op die geschonden zijn. De buurman, die benzine gooide, blijft roepen: “We zijn een beschaafde samenleving waar iedereen de regels moet volgen.” En beide zwijgen over de crisissituatie. Ze verschuiven de focus van “hoe bestrijd je een brand” naar “hoe hou je je aan de verkeersregels“.

Verkeersregels zijn belangrijk, maar om regels te kunnen beoordelen moet je ze plaatsen in een context. En het overtreden van de verkeersregels in de context van het bestrijden van de brand beoordeel je anders dan het overtreden van diezelfde regels buiten de context van de brand. Die beoordeling laat je achterwege, als je alleen over de overtreding praat en de context weglaat.

Dat gebeurt nu in de kwestie van de PG en Hoefdraad. Als je de context van de crisisbestrijding weglaat uit het verhaal, krijg je een heel andere beoordeling van de regels dan als je die context wel in ogenschouw neemt. Als je die context weglaat, dan pas je uiteindelijk de techniek van focus-verschuiving toe. Blijf hameren op de regels en dan kun je een goede hetze voeren.

In Suriname heeft de oppositie de controle over belangrijke delen van de particuliere media. De columnisten en journalisten zijn getraind in focus-verschuiving. Geen woord over de twee manieren om een economische crisis te bestrijden. Geen woord over de context.

Maar ook als je over de context praat, moet je je wel realiseren dat de familie ook had kunnen zeggen: “OK agent, ik parkeer de auto op een nette manier en ga verder met de brand blussen.” De context kan ook niet een vrijbrief zijn om alle regels aan je laars te lappen. Hoefdraad zal met een antwoord moeten komen over de vraag of hij regels heeft overtreden en waarom. Ik geloof niet dat hij zichzelf persoonlijk heeft verrijkt, maar gehandeld heeft vanuit de gedachte: hoe haal je een land uit een crisis? De context is van belang om zijn handelingen te beoordelen.

Het grotere plaatje: dekolonisatie of rekolonisatie

Ik heb vaker aangegeven dat de Surinaamse politiek moet worden bekeken vanuit een grotere plaatje: het proces van dekolonisatie. Ik kan het niet genoeg benadrukken.

Dekolonisatie betekent een diepgaande verandering van de samenleving op economisch, sociaal en politiek gebied. De economische strategie van de anti-koloniale krachten in Suriname moet in die context geplaatst worden. Er zijn niet alleen twee economische strategieën voor crisisbestrijding, maar ook twee strategieën voor economische ontwikkeling in het algemeen. Laten we die strategieën bekijken buiten de crisissituatie.

In 1975 werd Suriname onafhankelijk en kreeg 3,2 miljard NF mee. De Front-regering (de huidige oppositie) had de keuze: vertrouwen op eigen kunnen of vertrouwen op de kolonisator. Front vertrouwde op de kolonisator. In mijn boek over de geschiedenis van Staatsolie vertelt Eddy Jharap hoe zijn idee om naar olie te zoeken in Suriname werd getorpedeerd door NPS-ambtenaren die alleen keken naar wat voor SHELL belangrijk is. Jharap kon Staatsolie beginnen na de coup van 1980. Staatsolie bracht een economische revolutie op gang. Het bedrijf is een belangrijke pijler van de economie geworden. Dat komt door de economische visie van “vertrouwen op eigen kunnen” in plaats van “vertrouwen op de kolonisator“.

Een ander voorbeeld. Toen Suriname in 1975 NF 3,5 miljard “ontwikkelingshulp” kreeg, waren het de Nederlanders in de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland Suriname (CONS) die bepaalden wat er moest gebeuren. In 1982 was er een voorstel om uit deze gelden een brug over de Suriname rivier te bouwen. Nederland wees dat voorstel af. Die brug is er later gekomen onder een anti-koloniale regering. Wat is het verschil in economische visie? Front staat voor wat goed is voor Nederland, is goed voor Suriname. De anti-koloniale beweging staat voor de visie: wat goed is voor Suriname hoeft niet goed te zijn voor Nederland; ontwikkel de infrastructuur van Suriname, dan ontwikkel je haar economie.

Dit zijn heldere visies op economisch beleid voor de lange termijn: dekolonisatie versus rekolonisatie. Dat is de inzet van de politieke strijd in Suriname. En dat staat ook op het spel bij de verkiezingen.

Het risico voor de oppositie

De oppositie heeft gekozen voor focusverschuiving: praat niet over economisch beleid van Hoefdraad, maar criminaliseer de persoon door een hetze die zich niet baseert op feiten en visie. Of die hetze effect heeft zal blijken in de DNA als het parlement zich uitspreekt over de actie van de PG. Ik verwacht dat dat effect niet groot zal zijn en Hoefdraad die strijd wint. Of de NDP de verkiezingen wint in tijden van corona moet blijken. Ze maakt een goede kans als ze het advies van de Clinton campagne volgt: focus op de economische resultaten en wat ondanks de crisis wel is bereikt: “It’s the economy, stupid!”

Analyse van de Corona crisis in Nederland

Sandew Hira, 11-4-2020

China

Op 27 december 2019 deed een ziekenhuis uit Wuhan, de hoofdstand van de Chinese provincie Hubei, voor het eerst melding van 3 patiënten met een longontsteking met een onbekende oorzaak. Een Chinese arts, Li Wenliang, die hiervan melding maakte werd aanvankelijk berispt door de autoriteiten omdat hij erop wees dat dit een gevaarlijke nieuwe ziekte is, maar nader onderzoek leerde dat hij gelijk had. Een officieel onderzoek sprak hem vrij en de Communistische Partij van China bood haar verontschuldigingen aan aan zijn familie. China stelde op 31 december de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) op de hoogte van deze ontwikkeling. Sindsdien heef het land intensief samengewerkt met de wereld om het virus te kop in te drukken. Gedurende een maand kon de wereld zien hoe China allerlei maatregelen nam om haar bevolking te beschermen: uitgebreid testen, afsluiten van parken en toeristische attracties en op 23 januari zelf een totale lockdown in Wuhan. Elke dag hoorden we van een toenemend aantal besmettingen en een toenemend aantal doden. De aantallen leken duizelingwekkend: op 22 januari waren er 17 doden, een week later waren het er 170, op 4 februari 490 en op 22 maart 3.270. Op 10 april waren het er 3.339 en er kwamen amper nieuwe bij. In drie maanden tijd had China de epidemie onder controle gekregen.

Wat hebben ze gedaan? Ze hebben een enorme daadkracht getoond. Ze begonnen mensen snel te testen op allerlei plekken met geavanceerde lasergestuurde thermometers. Ze schakelden hun grote tech-bedrijven in om de voedselvoorziening en communicatie te organiseren. In de eerste dagen van de lockdown was er een run po de supermarkten. Maar al snel wisten bedrijven als Alibaba met lokale supermarkten een systeem op te zetten waarbij je vanuit je huis kon bestellen en direct wist of medicijnen en voedselproducten op voorraad waren. Binnen 20 minuten na je bestelling kreeg je je producten en vertelde een app je waar het werd klaargelegd.

In andere steden hebben ze technologie gebruikt om de risico’s van verspreiding in kaart te brengen. Iedereen gebruikt zijn mobiele telefoon met een QR-code (Quick Response code) om betalingen te verrichten en met andere te communiceren. Dit systeem wordt gebruikt om aan je QR-code een kleur toe te kennen. Het begint met het beantwoorden van vragen over je gezondheidssituatie en je reisgedrag en in hoeverre je in gebieden bent geweest waar Corona heerst. Op basis daarvan krijg je een kleurcode: groen betekent dat je vrij kunt reizen, geel dat je zeven dagen in quarantaine moet en rood dat je veertien dagen in quarantaine moet. Net als in Nederland hechten ook in China mensen aan de privacy van hun gegevens en dus zijn ook daar discussie over wie, hoe lang waar de gegevens kan opslaan en hoe dat gecontroleerd moet worden. Hun medisch systeem werd op stel en sprong ingericht om de bevolking te kunnen testen en zieken te kunnen behandelen. Zo kregen ze het virus in drie maanden onder controle en komt her openbare leven weer op gang in een stad als Wuhan. Een systeem van preventie blijft nog wel van kracht totdat er een vaccin is ontwikkeld.

Nederland

Op 30 januari riep de WHO de epidemie uit tot een internationale noodsituatie. De wereld was goed geïnformeerd. In Nederland volgden we de ontwikkelingen in China als een ver-van-mijn-bed show. De media hadden plezier erin om de Chinese regering af te schilderen als een onbetrouwbare regering die geen steun had onder het volk en maar niet in staat was om hun bevolking te beschermen. Anti-China retoriek vierde hoogtij.

Uitgerekend iemand van extreem-rechts, Thierry Baudet, vroeg op 29 januari in de Tweede Kamer om een spoeddebat over de vraag hoe Nederland voorbereid is op een mogelijk Corona uitbraak hier. De gevestigde partijen lachten hem uit. “Over tien dagen is een vergadering gepland en daar kan het besproken worden,” reageerden de regeringspartijen. De hele maand februari had de regering en haar deskundigen van het RIVM – – in tegenstelling tot de WHO – nog geen alarm geslagen. Op 1 maart gaf RIVM een persconferentie waarin ze verklaarde dat ondanks het feit dat er in Brabant tien besmettingsgevallen bekend waren er geen redenen waren om het Carnavalsfeest stop te zetten. Jaap van Dissel, directeur van RIVM, geeft op 13 maart aan: “50 tot 60 procent krijgt coronavirus.” Hij gaf bewust niet aan hoeveel doden dat zouden zijn. Een simpele berekening leert dat het om minimaal 170.000 doden gaat: 50% van 17 miljoen = 8,5 miljoen besmettingen. Het aantal doden per 100 besmettingen 16 maart was 2% en nam later toe tot 4%: 2% van 8,5 miljoen = 170.000 doden; 4% is 340.000 doden. Nederland zou zich hierop moeten voorbereiden, maar door deze aantallen te verzwijgen, bereid je je op niets voor. Een besmetting klinkt niet zorg erg als een dode.

En werkelijk, na 13 maart begon het aantal doden toe te nemen. Op 16 maart waren er al 24 gestorven aan corona. De paniek sloeg toe. Premier Rutte gaf op die dag een toespraak met een analyse van drie beleidsopties:

  1. Het land gaat helemaal op slot: een total lockdown. Rutte: “Zo’n rigoureuze aanpak kan op het oog aantrekkelijk lijken, maar deskundigen wijzen erop dat het bepaald geen kwestie van dagen of weken zou zijn.” Optie 1 is afgewezen.
  2. Het virus onbeheerst zijn gang laten gaan. Rutte: “Daarmee zou ons zorgsysteem in de piek van de besmetting volkomen overvraagd worden, waardoor er niet genoeg capaciteit zou zijn om kwetsbare ouderen en andere patiënten met een hoog risico te helpen.” Exit optie 2.
  3. Het opbouwen van groepsimmuniteit. Rutte: “Wie het virus heeft gehad, is daarna meestal immuun. Net als vroeger met de mazelen. Hoe groter de groep die immuun is, hoe kleiner de kans voor het virus om over te springen op kwetsbare ouderen en mensen met een zwakke gezondheid. Met groepsimmuniteit bouw je als het ware een beschermende muur om hen heen. Dat is het principe. Dat leidt tot een beheerste verspreiding, onder groepen die het minste risico lopen… Maximaal controleren betekent dat we proberen met maatregelen de piek in het aantal besmettingen af te vlakken en uit te smeren over een langere periode. “

 

En zo hielden Rutte en zijn deskundigen samenleving voor de gek. Hij sprak bewust niet over het uitsmeren van het aantal doden over een langere periode, maar over het aantal besmettingen. Intussen is de meest grimmige scenario werkelijkheid aan het worden. Het officiële aantal doden in Nederland als directe gevolg van Corona is opgelopen van 24 op 16 maart naar 2.643 op 11 april, ruim drie weken later, dat is een stijging van 11.013% (!!). Straks heeft Nederland meer doden dan China.

We horen niets meer over groepsimmuniteit.

De vergelijking met andere landen

De informatievoorziening in Nederland over Corona is onderdeel van de manipulatie van de geest. Landen waar het Westen problemen mee heeft moeten het ontgelden: eerst China en nu Iran. De hele wereld kampt met Corona en over Iran moeten we steeds horen hoe het aantal doden daar maar toeneemt en de bevolking haar regering niet vertrouwt. Niets over economische sancties en de boycot van Iran. De cijfers die gepresenteerd worden, worden steeds als absolute cijfers gepresenteerd, zonder een vergelijk met anderen landen. Op 11 april had Iran 4.357 doden op een bevolking van 84 miljoen, dan zijn 5,2 doden per 100.000. Nederland had 15,5 doden per 100.000. Die vergelijking wordt niet gemaakt. Op 11 april was Amerika nummer één van de wereldranglijst van doden als gevolg van corona. Ze was Iran al voorbijgestreefd in aantallen doden per 100.000 (5,7).

De vergelijking die gemaakt moet worden is met landen die het beter doen zodat we van hen kunnen leren. Taiwan heeft een bevolking van 24 miljoen en een oppervlakte van 36.000 km2. Nederland heeft een oppervlakte van 42.000 km2. Op 11 april had Nederland 2.643 doden en Taiwan slechts 6. Zou dat niet een reden zijn om te kijken hoe dat in een dichtbevolking land als Taiwan mogelijk is en hier niet?

Taiwan zag Corona al in december aankomen. Ze publiceerden een lijst van 124 maatregelen die genomen moesten worden. Het begon met de eerste maatregel om vanaf 31 december passagiers in vliegtuigen te testen op symptomen van verhoogde temperatuur en luchtwegproblemen. En vervolgens werd een scala aan maatregelen uitgerold op het gebied van preventie, testen en voorbereiden van het zorgsysteem op de opvang van besmette gevallen.

En wat deed Nederland in die tijd? Op advies van de RIVM carnaval vieren met als gevolg dat Brabant de hoogste prijs betaalt voor de Corona crisis.

In plaats van testen en preventie komt het advies van Rutte en zijn deskundigen neer op een simpele boodschap: “Dames en heren, het gaat heel erg worden met de besmettingen; hou je goed en zorg dat je niet besmet wordt. Daag!” Daar moeten we het mee doen.

Een laatste vergelijking. De voormalige kolonie Suriname telde op 11 april 1 dode, het laagste aantal in Latijns-Amerika. Hoe kan dat?

Lezing Sandew Hira over Séri en Flora

In het kader van de internationale vrouwen dag organiseert het Comité 30 juni-1 juli Almere een lezing over deze twee moedige vrouwen.

Het verhaal van Flora en Séry is door Anton de Kom op een prachtige wijze vertolkt. Flora en Séry zijn twee vrouwen die tijdens de slavernij door het koloniale leger waren gearresteerd. Ze werden gemarteld om de locatie van hun dorp prijs te geven zodat het leger die kon aanvallen. Ze zijn stervend ten onder gegaan maar hebben hun dorpsgenoten niet verraden.

Sandew Hira houdt een lezing over Flora en Sery en plaats dit in het kader van de geschiedenis van slavernij.

Sylvana Simons van Bij1 houdt ook een inleiding.

Datum: zaterdag 7 maart 2020

Tijd: 19.00-22.00 uur

Locatie: Buurtcentrum “ Filmwijkcentrum

Adres: Walt Disneyplantsoen 76/78

Plaats: 1325 SX Almere

De kosten zijn €5,00 + koffie, thee en cake.

Zijn Surinamers gek geworden?

Sandew Hira, 24-2-2020

Inleiding

Hoe is het mogelijk dat een regering die verantwoordelijk is voor torenhoge prijzen, stijgende wisselkoersen, desastreuze leningenbeleid, korruptie-schandalen en nog veel ergere wandaden 35.000 man op de been krijgt om haar steun te betuigen terwijl de oppositie die met nationale en internationale steun van de media en onophoudelijke campagnes amper 4.000 mensen op de been kan brengen om te protesteren tegen de regering? Zijn Surinamers gek geworden?

Als je de media mag geloven, dan is dat de enige conclusie die je kunt trekken. Wie nu nog de media gelooft, gelooft ook in sprookjes. De twee demonstraties van 17 en 24 februari was een confrontatie tussen pro- en anti-koloniale stromingen in de Surinaamse politiek. Dit artikel gaat dieper in op de betekenis van de verkiezingsstrijd die nu gaande is in Suriname.

Het artikel behandelt de volgende onderwerpen:

  1. De historische ontwikkeling tussen de pro- en anti-koloniale stromingen in Suriname.
  2. De krachtsverhoudingen tussen oppositie en coalitie nu.
  3. De mogelijke scenario’s na de verkiezingen.

1. De historische ontwikkeling

De historische ontwikkeling

Vanuit een historische kader bekeken zijn de verkiezingen van 2020 deel van een lange strijd in Suriname voor dekolonisatie. Tussen 1980 en 1987 werd die strijd gevoerd met militaire middelen. Sinds 1987 wordt die strijd gevoerd in de arena van de parlementaire democratie. Tussen 1987 en 2015 zijn er zeven verkiezingen geweest. Dat heeft geresulteerd in 21 partijen en partij-combinaties die een DNA-zetel hebben kunnen bemachtigen. Die partijen kunnen we grofweg indelen in partijen die pro- en partijen die anti-koloniaal zijn. Dit zijn globale scheidslijnen, want sommige partijen kunnen duidelijk gekarakteriseerd als pro- of anti-koloniaal, terwijl dat bij sommige partijen niet het geval is. Vaak hebben partij-combinaties meegedaan aan de verkiezingen die bestonden uit een mengelmoes van pro- en anti-koloniale krachten.

De partijen rond de NDP karakteriseer ik als de anti-koloniale stroming en de partijen rond het Front als de pro-koloniale stroming. Dit zijn de verschillen tussen de twee stromingen.

Politiek: De anti-koloniale stroming wil daadwerkelijke onafhankelijkheid en wil geen directe of indirecte politieke invloed van Nederland in Suriname. De pro-koloniale stroming heeft nauw contact met de kolonisator en stemt haar beleid af met de kolonisator.

Sociaal: De anti-koloniale stroming is multi-etnisch en verenigd in één partij. De pro-koloniale stroming is gebaseerd op etnische segregatie en georganiseerd in politieke partijen die op etnische leest zijn geschoeid.

Economisch: De anti-koloniale stroming wil economische onafhankelijkheid van Nederland. De oprichting van Staatsolie is daarvan het levend bewijs. De pro-koloniale stroming zoekt altijd naar de verbinding met Nederland. Toen ze aan de macht kwam in 1980 en daarna in 1987 heeft ze de ontwikkelingshulp als een belangrijke bron gezien voor de ontwikkeling van Suriname.

Cultureel: De anti-koloniale stroming gaat uit van vertrouwen in eigen kunnen en het versterken van de Surinaamse identiteit en trots. De anti-koloniale beweging is geworteld in de anti-koloniale traditie die gesymboliseerd wordt door Anton de Kom. Ze hebben de universiteit naar Adek genoemd. De pro-koloniale stroming haalt het vertrouwen in eigen kunnen neer, praat in negatieve termen over wat er mis is met Suriname en hemelt anderen op en zwijgt over de historische strijd tegen het Nederlands kolonialisme. Dit zijn grofweg de verschillen. Het kan uitgewerkt en verfijnd worden.

Hoe hebben de krachtsverhoudingen tussen deze stromingen zich ontwikkeld in de verkiezingsstrijd tussen 1987 en 2015?

Grafiek 1 geeft de verkiezingsuitslagen weer (gebaseerd op tabel 2). Ik heb daarbij de globale indeling gehanteerd naar koloniale en anti-koloniale stroming. Die indeling is soms enigszins arbitrair. Zo heb ik de VVV-combinatie die in 2005 aan de verkiezingen deelnam onder de anti-koloniale kracht geschaard omdat de DNP o.l.v. Wijdenbosch in die combinatie zat en president werd. Maar de overige partijen van die combinatie kwamen uit de oude politiek (BVD, KTPI, PL, PPRS); zie tabel 2.

Grafiek 1: De verhouding pro- en anti-koloniale stromingen bij de verkiezingsuitslag voor de DNA zetels

De historische trend is overduidelijk. In de afgelopen veertig jaar heeft er een dramatische shift plaatsgevonden van de dominantie van pro-koloniaal naar anti-koloniaal. De grafiek laat dat visueel zien.

Tabel 1 toont dezelfde data in cijfers. In 1987 hadden de pro-koloniale krachten een overweldigende meerderheid van 44 zetels. In veertig jaar tijd zijn ze gehalveerd. De anti-koloniale stroming is enorm gegroeid van 7 naar 27 zetels.

Tabel 1: De verhouding pro- en anti-koloniale stromingen bij de verkiezingsuitslag voor de DNA zetels

Tabel 2 geeft een gedetailleerd inzicht in de krachtsverhoudingen in het parlement. Daaruit blijkt de NDP de centrale kracht is in de anti-koloniale stroming. In 1987 had de NDP maar drie zetels. Ze heeft de verdeeldheid die er voor 2015 was onder progressieve krachten weten te overkomen en een eenheidsbeweging gevormd. Ze heeft op eigen kracht 26 zetels weten te behalen in 2015. De PALU begon goed in 1987 met vier zetels, maar wist dat niet vast te houden. Haar betekenis is nu niet significant.

Bij de pro-koloniale krachten is etniciteit de basis voor politiekvoering waardoor er een enorme verscheidenheid is aan partijen, maar de spil die dit geheel aan elkaar bindt is de VHP. Zij is in alle combinaties de belangrijkste partij. De NPS die in het begin een even belangrijke factor was als de VHP is verschrompeld tot twee zetels.

Tabel 2: De specificatie van de pro- en anti-koloniale stromingen bij de verkiezingsuitslag voor de DNA zetels

Hoe moeten we deze dramatische omslag verklaren? Het gaat namelijk niet om een verandering in één jaar, maar om een historische trend van bijkans 30 jaar. Je moet de oorzaak dan ook niet zoeken in een gebeurtenis rond een verkiezingsjaar, maar in de historische krachten achter de uitslag.

De eerste verklaring ligt in de verandering van de sociale samenstelling van de bevolking, met name de etniciteit.

Tabel 3 geeft de verandering weer in de etnische samenstelling van de bevolking in Suriname op basis van de volkstellingen.

Tabel 3: Bevolking van Suriname naar etniciteit

Hieruit blijkt dat er een grote groep “Gemengd” is ontstaan, Surinamers die geboren zijn uit ouders van verschillende etnische groepen. Hun aandeel is gestegen van 0% in 1971 naar 13% in 2012. Dit percentage zal de komende jaren alleen maar stijgen en zal in 2020 hoger zijn dan 13%. De categorie “overigen” zijn Brazilianen, Haitianen en de nieuwe Chinezen die niet in de historische periode van contractarbeid naar Suriname zijn gekomen, maar met de nieuwe migratie uit China. Omdat de bestaande partijen een etnische identiteit hebben is er voor deze groep geen natuurlijke binding met deze partijen. De twee grote etnische groepen – Hindostanen en Afro-Surinamers – zijn in hun aandeel gedaald. De Hindostanen met 10% en de Afro-Surinamers met 15%. Daartegenover staat dat het aandeel van de Marrons is gestegen van 10% naar 22%. De VHP was geprofileerd als de partij van de Hindostanen en de NPS als de partij voor de Afro-Surinamers inclusief de Marrons. Maar die laatste groep heeft eigen politieke partijen opgezet die met succes hebben deelgenomen aan de verkiezingen.

Als je verkiezingen puur op basis van etnische politiekvoering zou bekijken, dan zouden bij een evenredige kiesstelsel (Suriname heeft een districtenstelsel) de zetelverdeling naar etniciteit (op basis van de verhoudingen uit 2012) er als volgt uitzien. We koppelen de etnische groepen aan bestaande partijen in de DNA. Dan krijgen we het volgende plaatje. De Marrons koppelen we aan ABOP/BEP. Zij hebben samen 7 zetels (2015), maar hebben een etnisch maximum van 11. De Afro-Surinamers koppelen we aan de NPS. Zij hebben nu 2 zetels met een etnisch maximum van 8. De Hindostanen koppelen we aan de VHP met nu 9 zetels en een etnisch maximum van 14. De Javanen zijn gekoppeld aan PL met 5 zetels nu en een etnisch maximum van 5. De rest is gekoppeld aan NDP/PALU/DOE met nu 28 zetels en een etnisch maximum van 11.

Tabel 4: Zetelverdeling op basis etnische groep

Een tweede element is sociale klasse. Doordat politiek partijen op etnische basis waren georganiseerd, hadden de armste sociale klassen geen afzonderlijke stem. De SPA was gelieerd aan de vakbeweging maar toch vooral een Afro-Surinaamse partij. De multi-etniciteit van de NDP heeft de poort geopend naar een partij die sociale klasse als basis heeft. De armste delen van de samenleving uit verschillende etnische groepen laten nu via de NDP hun stem laten horen.

Welke conclusie kun je trekken uit deze exercitie? De belangrijkste conclusie is dat etniciteit niet de primaire basis vormt voor de uitslag van de verkiezingen. De “Overige” hebben nu 28 zetels, terwijl ze maximaal 11 zouden moeten hebben. De NPS zit ver onder haar maximum en de VHP en ABOP/BEP ook redelijk ver. Alleen PL zit redelijk dicht bij haar etnische maximum. Het betekent niet dat etniciteit totaal geen rol meer speelt, maar partijvorming op etnische leest heeft haar langste tijd gehad.

De derde factor die de historische shift verklaart is opleiding en bewustwording. En bewustwording is belangrijker dan opleiding. De afgelopen jaren hebben steeds meer mensen onderwijs genoten. Het onderwijs is geschoeid op koloniale leest, van het lager onderwijs tot en met de universiteit. Daarom is het belangrijk om te kijken naar hoe het proces van anti-koloniale bewustwording zich heeft ontwikkeld.

Daarvoor moeten we teruggaan naar de lange traditie van verzet tegen het kolonialisme van de Inheemsen, de totslaafgemaakte Afrikanen en de Marrons, de Aziatische contractarbeiders en het arbeidersverzet in de jaren dertig. De pro-koloniale beweging heeft niets met die traditie, maar de anti-koloniale beweging plaatst zich binnen deze traditie.

Na de Tweede Grote Europese Oorlog (die de Europeanen de Tweede Wereldoorlog noemen) komt in Suriname de nationalistische beweging op, voornamelijk in de Afro-Surinaamse gemeenschap. Hieruit is de PNR voortgekomen. In de jaren zestig en zeventig komen linkse partijen op: Volkspartij, PALU, Marxistisch-Leninistisch Centrum Suriname e.d.. Zij brengen een anti-imperialistische en socialistische bewustwording op gang.

In hun begintijd waren deze partijen klein. De PNR is er wel in geslaagd om deel te nemen aan een regering die de onafhankelijkheid tot stand bracht. Maar de coup van 25 februari 1980 heeft een historische omwenteling gebracht. Aanvankelijk ging het om een coup zonder een duidelijk ideologische oriëntatie. Er waren socialistische en nationalistische elementen in de leiding van de toenmalige Nationale Militaire Raad. Tussen 1980 en 1987 was er een zwalkend beleid tussen links en rechts. Bij de verkiezingen van 1987 werd de NDP opgericht, maar zij verloor dramatisch. De pro-koloniale politiek kwam met een overweldigende meerderheid binnen. In de decennia daarna is er NDP erin geslaagd om een beweging op te bouwen met veel anti-koloniale krachten en daarmee de verkiezingen ook te winnen. Die beweging is gebaseerd op een anti-koloniaal bewustzijn met wortels in verschillende historische bewegingen, van nationalisten tot en met marxisten.

De mensen die in de loop er jaren gevormd zijn met een anti-koloniaal bewustzijn geven dat door aan jongeren. Bovendien is zelfeducatie via internet voor veel jongeren een belangrijke bron van informatie. De komende jaren zal deze bewust groep alleen maar groeien.

De vierde verklaring voor de historische verandering is het beleid van de pro-koloniale stroming. In 1975 kwamen ze aan de macht met een “kado” van NF 3,5 miljard “ontwikkelingshulp”. Maar de besteding werd bepaald door de Nederlanders in de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland Suriname (CONS). In 1982 was er een voorstel om uit deze gelden een brug over de Suriname rivier te bouwen. Nederland wees dat voorstel af. De NDP heeft later die brug gebouwd en daarmee oost Suriname helemaal ontsloten. Eddy Jharap, de oprichter van Staatsolie, vertelt hoe de mentaliteit van de oude politiek was voor 1980: “Ideeën voor projecten die niet direct in het belang van buitenlandse bedrijven waren, werden van tafel geveegd. Toen ik bij de GMD kwam in 1970 was drs. R. Cambridge diensthoofd, maar het onderzoeksprogramma werd geleid door dr. W. Bosma, een Nederlander. Bosma was wel gedreven, maar hij voerde een beleid van Nederland uit. Daar werd bepaald welke projecten goedgekeurd werden en fondsen kregen. Bosma rapporteerde aan de heer W. Snijders de oude koloniale directeur van het Ministerie van Opbouw. Snijders leek meer te vertellen te hebben over de operationele zaken dan de Minister van Opbouw, de heer Dr. F. Essed.

Snijders zag toe dat de projecten pasten in het Nederlandse beleid. Aardolie mocht je niet doen. Dat werd niet gefinancierd. Het beleid was er niet op gericht om de hulpbronnen in eigen beheer te ontwikkelen. Wij mochten slechts globale studies doen en eventuele vondsten vervolgens aanbieden aan buitenlandse bedrijven voor nadere evaluatie en productie.” (Hira, S.: Eddy Jharap. Vertrouwen in Eigen Kunnen. Een biografisch interview over de ontwikkeling van Staatsolie Maatschappij Suriname NV. Amrit. Den Haag 2007, p. 212).

Corruptie heb je bij de NDP en de oude politiek. De corruptie van de oude politiek ging gepaard met een beleid dat gericht was op de bevordering van de belangen van buitenlandse bedrijven. De corruptie bij de NDP heeft niet verhinderd dat Staatsolie van de grond is gekomen en de infrastructuur van het land sterk is verbeterd: het wegennet, de bruggen, water en elektriciteit in het binnenland e.d. Die praktische verbeteringen in het dagelijks leven van de mensen heeft geleid tot de versterking van de basis van de anti-koloniale stroming.

2. De krachtsverhoudingen nu

Wat betekent deze analyse voor de perspectieven van de verkiezingen van 2020. De NDP heeft nu 26 zetels. De partij heeft Suriname door een diepe economische crisis moeten loodsen. Voor ieder partij in elk land heeft dit negatieve gevolgen voor haar electoraat. De ontevredenheid richt zich op de zittende regering. Het is dan de vraag hoe diep het anti-koloniaal bewustzijn is doorgedrongen bij het electoraat om nog vertrouwen te houden in de NDP.

In Venezuela zijn de anti-koloniale krachten in 1999 middels verkiezingen aan de macht gekomen. Sindsdien zijn er 25 verkiezingen geweest: voor de president, het parlement, de deelstaten, de gemeenten en referenda over grondwetswijzigingen. De anti-koloniale krachten hebben 23 verkiezingen gewonnen, ook in de laatste jaren toen de economische crisis en de Amerikaanse boycot Venezuela hard trof. Maar het nationalistische en anti-imperialistisch bewust is daar heel hoog. De organisatiegraad van de massa-organisaties (boeren, jongeren, studenten, vrouwen, wijkorganisaties) en de Bolivariaanse partij is ook enorm hoog. En ondanks de crisis heeft dat geleid tot electorale winst voor de Chavistas.

Een terugval van de NDP van 26 naar zeg 13 zetels is heel onwaarschijnlijk vanwege de factoren die ik hierboven beschreven heb. Als we kijken naar de opiniepeilingen van IDOS en NIKOS, dan zie ik in de cijfers een bevestiging hiervan.

Ze voorspellen een teruggang van de NDP met meer dan de helft in Paramaribo (tabel 5). Maar het percentage zwevende kiezers is heel hoog. Ze zijn goed voor 6-7 zetels in Paramaribo. In de opiniepeiling van IDOS geeft driekwart (77%) van de respondenten aan dat de economische situatie in Suriname slechter is dan een jaar geleden. Nog eens 84% geeft aan dat ze ontevreden tot heel ontevreden is over de huidige economische situatie. Hoe komt het dat dat zich niet vertaald in een duidelijke keuze tegen de NDP en het aantal zwevende kiezers nul is. Als alle zwevende kiezers door de NDP overtuigd kunnen worden van hun goede bedoelingen dan zou haar zetelaantal zelf stijgen van 9 naar 10-11. Dat is niet waarschijnlijk. Waarschijnlijker is dat de zwevende kiezers over de verschillende partijen worden verdeeld en dat de NDP in Paramaribo op basis van de huidige peiling van 9 zetels teruggaat naar 6-7.

Tabel 5: Opiniepeiling IDOS/NIKOS in Paramaribo

Maar Paramaribo heeft slechts éénderde van alle zetels (zie tabel 6).

Tabel 6: zetelverdeling DNA naar district en partij

De vraag is of en hoe de situatie in de districten zal afwijken van die van Paramaribo. De NDP is geworteld in alle districten. Ze kan in Paramaribo 2-3 zetels verliezen en misschien in de districten nog enkele. In het binnenland is er veel gedaan aan water- en electriciteitsvoorzieningen. Misschien kan ze die zetels behouden.

Mijn inschatting is dat een mogelijk verlies van de NDP in de orde kan zijn van 0-6. Veel zal afhangen van hoe de campagne in de komende maanden wordt gevoerd. Een dramatische terugdraaien van de historische trend acht ik heel klein, maar een verlies van tussen 0-6 zetels is heel goed mogelijk. Maar nogmaals, dit hangt af van de campagne. Het is mogelijk dat de kracht van de NDP in combinatie met de zwakte van de oppositie toch nog voor een verrassing zorgt en ze niet verliest, maar wint.

De kracht van de NDP ligt in twee zaken: haar sterke organisatie en haar ideologische basis. Net als in Venezuela is goede communicatie en mensen constant uitleggen wat er gebeurt en hoe dat te begrijpen van cruciaal belang. Die zaken kunnen een basis zijn voor het opvangen van de effecten van de crisis op het electoraat.

De zwakte van de NDP in het management van het openbaar bestuur: veel wisselingen in de ministers en andere belangrijke posten, problemen met korruptie, trage besluitvorming en slechts communicatie. Die zwakte moeten ze de komende maanden zien te overwinnen met hun kracht.

Een andere zwakte van de NDP is het probleem van kadervorming. Een massa-partij als de NDP die fundamentele veranderingen wil aanbrengen in de samenleving moet geworteld zijn in alle belangrijke sectoren van de samenleving: de vakbeweging, de studentenbeweging, de professionals, de landbouwers etc. Als de VES spreekt zou je een batterij progressieve economen moeten hebben die in staat zijn om een antwoord te formuleren op de onzin die de VES uitkraamt. Als de pro-koloniale juristen alles recht praten wat krom is, zou je anti-koloniale juristen moeten hebben die met publicaties en discussie een repliek kunnen formuleren. Studenten op de universiteit zouden de voorhoede moeten zijn in de anti-koloniale beweging en de hervorming van de structuren van het hoger onderwijs moeten leiden. Dit alles is er niet en dat is een zwakte van een anti-koloniale partij als de NDP.

De partij leunt sterk op het charismatisch leiderschap van Bouterse. Dat is een kracht en een zwakte. Als die leiding wegvalt en niet goed functioneert, dan is er een groot probleem. In Venezuela heeft Hugo Chavez dit voorzien en gezorgd voor een goede overgang naar nieuw leiderschap. Hetzelfde is in Cuba gebeurd.

De kracht van de oppositie zit eigenlijk maar in één ding: de manipulatie van de onderbuikgevoelens van ontevredenheid over de economische crisis. Er is geen visie op hoe de samenleving in te richten (economisch, sociaal, cultureel, politiek) om nieuwe uitdagingen aan te gaan.

De zwakte van de oppositie zit in haar organisatie en haar ideologie. De oppositie bestaat uit een conglomeraat van allerlei partijen die niet op één lijn zitten. Hun organisatorische zwakte bleek op 17 februari. Als alle partijen hun achterban hadden georganiseerd dan hadden ze niet vierduizend, maar 15.000 op straat moeten brengen. Nu was het nota bene georganiseerd door een individu die geen leider is van één van de partijen. De vertaling van de demonstratie naar organisatorisch versterking van de partijen is er niet.

De massabijeenkomsten van de NDP leiden tot versterking van de organisatorische structuren van de partij. Dat is het emotionele en politieke effect van zulke bijeenkomsten.

Van alle partijen heeft de VHP de sterkste organisatie. Maar haar zwakte is etniciteit. Ze is onlangs begonnen met een beleid om in andere etnische groepen een basis te ontwikkelen, maar dat gebeurt niet in een paar jaren. Hiervoor is een culturele omslag nodig die lang kan duren.

Ik voorzie dat de historische trend die we de afgelopen decennia gezien hebben van de neergang van de pro-koloniale beweging en de opgang van de anti-koloniale beweging niet gestopt zal worden. Maar de komende maanden kunnen voor een verrassing zorgen. Soms kan een schandaal vlak voor de verkiezingen een enorme impact hebben op de verkiezingsuitslag.

3. Hoe verder na de verkiezingen?

Hoe gaat het verder na de verkiezingen? Laten we drie scenario’s op een rijtje zitten.

  1. De NDP behoudt haar meerderheid in het parlement. Nadat iedereen bekomen is van het feesten en de oppositie haar wonden heeft gelukt, blijft de vraag: hoe overkom je de diepe verdeeldheid in de Surinaamse samenleving van de afgelopen decennia. Hoe voorkom je dat de polarisatie blijft bestaan en een hinderpaal blijft in de vreedzame ontwikkeling van het land. Dat kan alleen door een handreiking te doen naar de oppositie en een proces van dialoog en verzoening op gang te brengen.
  2. De NDP beperkt haar verlies tussen 0-6 zetels. Ze moet dan een coalitie vormen met andere partijen. Veel hangt af van hoe de afzonderlijke partijen van de oppositie het doen.
  3. De NDP verliest meer dan 6 zetels. Dan is de kans dat de oppositie een regering vormt heel groot. En dan zal ook voor hen de vraag blijven: wil je een samenleving besturen door de diepe verdeeldheid te laten voortmodderen en de kans lopen dat je de rekening vijf jaar later gepresenteerd krijgt, of ben je een in staat om een historische stap te zetten en toch een proces van dialoog en verzoening op gang te brengen.

 

Voor de twee grootste partijen – de NDP en de VHP – zijn deze verkiezingen erop of eronder. Als de NDP niet in de regering komt, dan moet de partij zich voorbereiden op een rol in de oppositie en zich de vraag stellen: wat voor oppositiepartij wil je zijn?

Als de VHP niet in de regering komt, dan zullen in de VHP stemmen opgaan die het leiderschap van Santokhi ter discussie zullen stellen. Want vijf jaar oppositie zal voor de VHP-ondernemers een grote klap zijn. Zij zullen de partij mogelijk verlaten en hun steun geven aan wie in de regering zit.

De komende maanden zijn beslissend voor welke van deze scenario’s actueel worden.

 

Anton de Kom

Op 22 februari is het 122 jaar geleden dat Anton de Kom is geboren en op 24 april is het 75 jaar geleden dat hij stierf in een concentratiekamp in Duitsland. Sandew Hira heeft in de afgelopen jaren verschillende columns gewijd aan de betekenis van Anton de Kom, toe hij nog voor Starnieuws schreef.

Hieronder is het materiaal bij elkaar gebracht.

Een koloniale biografie over Anton de Kom

Vol verwachting kocht ik het boek van Alice Boots en Rob Woortman: Anton de Kom. Biografie 1898-1945 / 1945-2009. Wat een teleurstelling is het geworden!

De figuur van Anton de Kom is in de jaren zestig herondekt door de progressieve Surinaamse studentenbeweging in Nederland onder leiding van mensen als Ruben Liew Paw Sam en Eddy Jharap. Zij brachten een roofdruk uit nadat het boek sinds de eerste publicatie in de jaren dertig in de vergetelheid was geraakt.

Wat was zo bijzonder aan Anton de Kom? Hij was de eerste Surinamer die het durfde om het kolonialisme te beschrijven zoals het echt was: als een systeem van uitbuiting en onderdrukking. Zijn boek Wij Slaven van Suriname leverde een totaal ander perspectief van slavernij en koloniale geschiedenis: die van strijd tegen onderdrukking en uitbuiting.

Zijn benadering staat haaks op de traditionele geschiedenisboeken over Suriname waarin het kolonialisme wordt verheerlijkt.

Dat is de kern van het verhaal van Anton de Kom.

Wat hebben Boots en Woortman van zijn verhaal gemaakt? Ze beschrijven het kolonialisme vanuit het perspectief van de kolonisator: als een systeem dat erop gericht was achtergestelde mensen naar een hoger niveau te tillen.

En De Kom was iemand dat dat eigenlijk ook vond en eigenlijk een mooischrijver was in plaats van een analyticus.

Laten we kijken naar enkele passages uit het boek.

De Kom heeft veel ontleend aan het 19de eeuwse boek van Wolbers over de geschiedenis van Suriname. De auteurs schrijven: “Omdat hij ook van Wolbers’ boek veel tekst letterlijk overneemt, slaagt hij er niet in het perspectief van de blanke gouverneurs naar de opstandelingen te verleggen.” (p.85).

Ze hebben het over Wij Slaven van Suriname en hebben daarin geen ander perspectief kunnen ontdekken dan die van de blanke gouverneurs. Welke boek hebben ze gelezen, vraag ik me af.

Als De Kom feiten vermeldt vanuit dat ander perspectief, dan maken ze een vergelijking met Multatulti en diens verzonnen verhaal over Saïdjah en Adinda, waarmee ze suggereren dat De Kom fantaseert over slavernij: “Zijn inspanning om de slaven zo menselijk mogelijk voor te stellen komt voort uit dezelfde motieven die Multatuli heeft als hij de Max Havelaar verlevendigt met vertellingen over de inlanders, zoals in het beroemde verhaal van Saïdjah en Adinda. Zo schrijft Anton meelevend over de slavin Sery, die door blanke soldaten wordt gegeseld maar haar broeders en zusters niet verraadt.” (p. 84-85).

De terminologie – ze praten over slaven, terwijl tegenwoordig antikolonialisten de term enslaved (tot slaaf gemaakt) gebruiken – verraadt hun opstelling in de slavernijdiscussies. Maar erger nog is de suggestie alsof het verhaal van de moedige strijd van vrouwen tijdens slavernij een verzonnen verhaal is.

Boots en Woortman wantrouwen De Kom’s intenties om eenheid onder Surinamers te brengen, waarvoor hij zo hartstochtelijk pleitte in zijn daden en woorden. Zo beschrijven ze een reactie in het koloniale blad De Banier: “In De Banier van 25 januari verschijnt een ingezonden stuk waarin de aantrekkingskracht van Anton wordt verklaard door het feit dat Hindostanen en Javanen de meest ´eenvoudigen van geest´ zijn.”

Vervolgens vragen de auteurs zich af: “Heeft Anton zich bewust gewend tot de contractarbeiders om daar zijn succes te behalen zoals vaker wordt beweerd? Was de aandacht van Anton voor deze arbeiders een kwestie van tactiek?”

Ze concluderen: “Vanuit zijn concept van eenheid en organisatie vond Anton dat alleen een gesloten front tegen het koloniaal bewind uitkomst kon brengen en dat de reden zijn waarom hij zich ingespannen heeft voor de Javanen en de Hindostanen. Maar zijn bedoelingen zijn, zoals wel vaker, door de omstandigheden ingegeven.” (p. 122-123).

Waar baseren ze dit wantrouwen op: niet op feiten, maar op hun eigen koloniale visie over de geschiedenis van Suriname en de strijd tegen het kolonialisme. Ze nemen de koloniale gedachte over dat Javanen en Hindostanen ‘eenvoudigen van geest’ waren en geen legitieme redenen hadden om zich te verzetten tegen het kolonialisme. Ze gaan vervolgens door op die redenering en proberen uit te leggen dat De Kom uit opportunistische redenen zich tot deze simpele geesten heeft gericht. Het is een interpretatie en geen onderbouwing met feiten. Ze kunnen gewoonweg niet geloven dat de intenties van De Kom oprecht waren.

Hun koloniale visie komt het duidelijkst tot uiting in de volgende passage: “Anton mag zijn gepassioneerde lezingen in het communistisch circuit dan beëindigen met de leuze die hij overneemt van de CPH: ‘Indonesië, Curaçao en Suriname los van Holland, NU!’, het is in wezen niet het pleidooi dat hij in zijn boek Wij slaven van Suriname houdt. Intelligent als Anton is, beseft hij heel goed dat er meer verschillen zijn tussen Nederlands-Indië en Suriname, dan alleen de omvang van land en bevolking. Indië heeft een eigen oude cultuur en een eigen bestuurselite. Suriname kent maar weinig intellectuelen en de enkeling die zich roert, zoals Doedel is van gemengde afkomst. De voormalige slaven krijgen nauwelijks een kans zich te ontwikkelen en de contractarbeiders komen uit de armste lagen van de bevolking in hun thuislanden. Het ontbreekt de Surinaamse bevolking aan een bestuurlijke elite, een basis waarop de onafhankelijkheid kan drijven. Omdat Anton zich nergens uitspreekt over de aard van een zelfstandig Suriname,blijft het moeilijk na te gaan wat zijn exacte ideeën daarover waren. Het is zeker dat hij autonomie voor het Surinaamse volk opeiste, maar de vorm die deze moest aannemen, blijft onduidelijk.” (p. 190)

Hier praat niet Anton de Kom maar het duo Boots en Woortman die gewoonweg niet accepteren dat De Kom al voor de Tweede Wereldoorlog – vooruitlopend op de Surinaamse nationalistische beweging – al de roep om onafhankelijkheid had gelanceerd. Ze construeren een eigen redenering die ze in de schoenen van De Kom schuiven.

De Kom moet wel erg dom zijn, om te pleiten van onafhankelijkheid van het kolonialisme, zoals de ongeletterde slaven van Haïti wel erg dom zouden zijn om te strijden voor afschaffing van het kolonialisme. De ongeletterde Creolen, Hindostanen en Javanen hadden geen reden om tegen het kolonialisme te willen zijn. Ze moesten gewoon meer onderwijs krijgen en dan zouden ze wel begrijpen dat de Nederlandse kolonisator het zo goed meende met hen. Dat is wat De Kom volgens deze Nederlandse auteurs zouden hebben gevonden, maar leveren niet de feiten om hun argumentatie te onderbouwen.

De Kom vertelt in Wij Slaven van Suriname gepassioneerd over onderdrukking en de strijd daartegen. Die passie is overgenomen door nieuwe generaties van Surinamers, waaronder veel Afro-Surinamers. De auteurs zijn daar niet blij mee. Ze schrijven: “Toch vindt menigeen dat de Afro-Surinamers zich niet te veel met dat verleden moeten bezighouden, dat zij afstand moeten nemen om vooruit te kunnen kijken. Zij vinden dat mensen die voortdurende blijven wijzen op het slavernijverleden en dat aanvoeren als bron van hun problemen in hun persoonlijk of maatschappelijk functioneren, kiezen voor de ‘slachtofferrol’.” (p. 444)

Het is opvallend dat de auteurs het alleen over één aspect van de Surinaamse slavernij-geschiedenis hebben (de onderdrukking) en niets vermelden over het andere aspect: de strijd tegen onderdrukking. Ze vinden het gepraat over de slavernijgeschiedenis, maar gezeur, omdat dat gezeur een kant laat zien van de Nederlandse (!) geschiedenis die ze liever willen verzwijgen: een geschiedenis van een barbaarse en ongeciviliseerde misdaad tegen de menselijkheid, zoals de Verenigde Naties nu de periode van slavernij heeft bestempeld.

Hun pleidooi komt erop neer dat Surinamers niet meer over hun geschiedenis moet zeuren. Maar gedurende enkele honderden jaren kende Suriname geen andere geschiedenis van de geschiedenis van slavernij. Er was geen geschiedenis van grote schilders en zwarte koningen in Suriname. In Nederland wordt geschiedenis zo essentieel geacht in de identiteit van een land, dat er een nationaal historisch museum is opgericht en er een canon is ontworpen voor een 50-tal thema’s in de Nederlandse geschiedenis die de identiteit van het land bepalen.

Als het aan deze auteurs ligt, moeten Surinamers ophouden met hun geschiedenis te bestuderen.

Waar Anton de Kom een daad verricht waar ze nu echt achter staan (geweldloos verzet), dan beschrijven ze die daad niet als Surinaams, maar als Nederlands (!):“Na zijn arrestatie zal het gerucht dat Anton een opstand zou hebben willen ontketenen tot op de dag van vandaag hardnekkig voortleven. Eens te meer blijkt dat Anton weliswaar een revolutionair was, maar zijn doelen niet met geweld wilde bereiken. Met zijn inmiddels Nederlandse visie heeft hij de zaak juridisch bestudeerd.” (p. 127).

“Zijn inmiddels Nederlandse visie”! Hoe verzinnen ze het? De Nederlandse visie in Suriname kwam tijdens de opstand van De Kom neer op het vermoorden van geweldloze demonstranten die de vrijheid eisten van De Kom!

De auteurs proberen maar steeds duidelijk te maken dat De Kom geen revolutionair en geen communist was.

Ze stellen zich de vraag (en geven het antwoord): “Wat was Anton de dan wel? In de eerste plaats was Anton schrijver, zo voelde hij dat zelf ook. Daarnaast was hij een activist, die opkwam voor zelfbestuur van zijn land.” (p. 456)

Dit boek gaat niet over de visie van De Kom, maar over de visie van Boots en Woortman over kolonialisme in Suriname: en die staat aantoonbaar haaks op die van De Kom.

Anil Ramdas uitgedaagd

Anil Ramdas, columnist voor de NRC in Nederland, heeft mij en Armand Zunder ervan beschuldigd dat we rancuneus en niet op een zakelijke manier de discussie over het Nederlandse slavernijverleden voeren. Dat is een positieve zaak. Eindelijk worden Surinaamse intellectuelen volwassen en nemen hun taak in het publieke leven serieus.

Een belangrijk kenmerk van een volwassen democratie is het verschijnsel openbaar debat. Debatten tussen mensen met fundamentele meningsverschillen hebben niet tot doel dat de critici het eens worden met elkaar. Het doel is dat de deelnemers stellingen poneren en argumenten aandragen waarmee anderen hun mening over het onderwerp vormen. Daardoor leveren zij een bijdrage aan de meningsvorming in een gemeenschap en aan de ontwikkeling van een democratische geest in de samenleving.

Voor die meningsvorming heb je twee elementen nodig:

Ten eerste, mensen die de moed hebben om in de arena van het publieke debat te stappen.

Ten tweede, integere media die het principe van hoor-en-wederhoor toepassen en de publieke tribune scheppen voor de debaters.

Laten we dieper ingaan op het eerste element. Sommige onderwerpen voor het publieke debat zijn heel gevoelig. Mental slavery en decolonizing the mind zijn zulke onderwerpen. Het gaat onder meer om de relatie tussen Nederland en Suriname, de verhoudingen tussen rassen en etnische groepen, de inrichting van het onderwijs, economische zaken (herstelbetalingen), eigenwaarde of schaamte van een volk, waarden en normen en om macht. Er staat veel op het spel. Standpunten innemen in de publieke arena kan gevolgen hebben voor de persoon, die de verkeerde standpunten inneemt voor de heersende machten: een carrière kan geblokkeerd worden, een subsidiekraan kan dichtgedraaid worden, een mogelijke opdracht kan aan je neus voorbijgaan, een column bij een krant kan gestopt worden. Het zou niet mogen, maar de werkelijkheid is niet anders.

Een moderne intellectueel zou zich hier niets van moeten aantrekken. Het verschil tussen een intellectueel en een pajongwaaier is dat een intellectueel hongert naar het debat en een pajongwaaier hongert naar zijn pensioen. Een intellectueel neemt standpunten in ongeacht de klimatologische omstandigheden. De pajongwaaier kijkt naar het weer en stemt zijn standpunten daarop af: als de wind naar rechts waait, buigt hij een beetje naar rechts en als de wind naar links draait, buigt hij een beetje naar links.

Het grootste verschil tussen de intellectueel en de pajongwaaerr is echter omgaan met angst. Een intellectueel is niet bang om standpunten in te nemen en te verdedigen in publieke debatten. Een pajongwaaier gelooft niet in de eigen argumentatie en is onzeker. Daarom leeft hij in angst en vermijdt koortsachtig het publieke debat in de hoop dat de discussies gauw overgaan en weer rustige tijden aanbreken waar hij kan keuvelen en babbelen tot de late namiddag en daarna heerlijk slapen in een zacht wiegende hangmat.

Soms heb ik het gevoel dat we meer pajongwaaiers dan intellectuelen hebben in de Surinaamse intelligentsia en onder de Nederlandse intelligentsia die zich met Suriname bezig houdt. Ik hoop dat ik me vergis.

Mijn eerste ervaring met de enorme angst voor het publieke debat was gek genoeg niet met Surinamers, maar met Nederlanders. Toen ik de discussie over decolonizing the mind begon kreeg ik reacties van – voor Surinamers – bekende Nederlanders. Journalist John Jansen van Galen, die een dissertatie schrijft over het Surinaamse nationalisme, mailde me dat hij het niet hoffelijk vond dat ik hem bekritiseerde over zijn voorwoord bij het boek van Anton de Kom, waarin hij de vloer aanveegt met De Kom. Zelf vond hij het kennelijk niet onhoffelijk om kritiek te uiten op Anton de Kom. Toen ik hem antwoordde, dat kritiek deel is van het publieke debat en hem uitnodigde voor een publiek debat, werd het stil. De mailwisseling stopte.

Naar aanleiding van het debat dat ik had met Professor Gert Oostindie over decolonizing the mind in oktober 2009, kreeg ik op de dag van het debat een kribbige mail van Professor Alex van Stipriaan, hoogleraar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Waarom hebben we hem overgeslagen? Hij wil ook meedoen. Hij had veel kritiek op mijn benadering van het kolonialisme. Geweldig!, dacht ik bij me. “Kom Alex, doe mee. Wanneer kun je?” Mijn antwoord zond ik daags na het debat. Alex moet gehoord hebben hoe het Gert is vergaan. En weer bleef het stil aan de overkant.

Bij de organisatie van de conferentie over herstelbetalingen, slavernij en kolonialisme op 27 juni 2010 in Amsterdam heb ik Alex persoonlijk uitgenodigd om te komen en zijn bijdrage aan de discussie te leveren. Hij wou het alleen overwegen als ik kon garanderen dat hij niet bekritiseerd werd. Die garantie kon ik niet bieden.

Ik begrijp waarom blanke intellectuelen moeite hebben om met kritische zwarte denkers in discussie te gaan. Ze hebben eeuwenlang in een cultuur geleefd, waarbij kleur en niet de inhoud de kracht van hun argumentatie bepaalde. Lange tijd gold dat als je zwarte mensen van een stelling wilt overtuigen – maakt niet uit welke stelling – dan moet je een blanke man die laten verkondigen. Dan wordt het als zoete koek ingeslikt.

CNN had onlangs een item waarbij Chinese bedrijven dit element gebruiken in hun bedrijfsvoering in sommige derde wereldlanden. Chinese managers zochten via advertenties naar blanke acteurs die ze als nep-bazen van hun bedrijf konden inzetten in die landen. Hun ervaring had hen geleerd dat als Chinese managers aan de onderhandelingstafel zaten, ze minder serieus werden genomen dan als ze blanken meenamen die deden alsof zij de baas waren.

Het zal ongeveer zo gegaan zijn.

Eerst het sollicitatiegesprek. Deng Sang Miau interviewt Peter White.

Miau: “Waar heb je je acteerdiploma gehaald?”

White: “London school of Arts”

Miau: “Wat is je tarief?”

White: “2000 euro per dag inclusief btw”

Miau: “Aangenomen”

Ergens in Afrika of Zuid-Amerika zitten Miau en White aan de vergadertafel om het contract te tekenen.

White: “Miau, heb je het contract bij je?”

Miau: “Ija baas?”

Buiten in de tropennacht, na ondertekening van het contract:

Miau: “Goed gedaan, White”

White: “Thanks boss!”

White krijgt zijn gage inclusief btw overgemaakt. Miau gaat lachend terug naar Beijng.

De tijden zijn veranderd. Steeds meer zwarte mensen luisteren naar argumenten en kijken niet naar de kleur van de persoon die de argumenten naar voren brengen.

Anil Ramdas schrijft voor een blanke krant, de NRC. In zijn column stelt hij dat Zunder en de organisatoren van de internationale conferentie in Amsterdam rancuneus en niet zakelijk praten over het slavernijverleden. Ik heb samen met Delano Veira namens de organisatoren een weerwoord geschreven op die kritiek. Zijn krant, de NRC, zet graag een grote mond op als de beste kwaliteitskrant in Nederland, maar durfde die reactie niet te publiceren. Hoor en wederhoor is geen onderdeel van het kwaliteitskenmerk van NRC.

De column van Ramdas en de reactie van de organisatoren is te vinden op www.iisr.nl.

De kritiek van Anil Ramdas raakt de kern van de zaak: hoe kijk je aan tegen het slavernijverleden en de doorwerking daarvan in de huidige samenleving in Nederland en Suriname? Is praten over decolonizing the mind een kwestie van rancune of van het opvullen van een groot manco in de publieke discussie?

Ik daag Anil Ramdas graag uit tot een publiek debat naar aanleiding van zijn kritiek. Laten we onze verantwoordelijkheid als intellectuelen in een democratische samenleving serieus nemen. Hoor en wederhoor hoef je niet alleen toe te passen in de NRC. In onderling overleg bepalen we een zaal en een datum. Ik ben benieuwd of hij de handschoen oppakt of dat ik teleurgesteld achterblijf omdat het weer stil wordt aan de overkant.

35 jaar later: de verkrachting van Anton de Kom

“Indonesië, Curaçao en Suriname los van Holland, NU!” Dat schreef Anton de Kom (Adek) ruim 75 jaar geleden en sprak uit wat geen Surinamer in die tijd had durven dromen: de onafhankelijkheid van Suriname.

Voor die uitspraak heeft hij een hoge prijs betaald. Op zoek naar een beter bestaan vertrok Adek in 1920 naar Nederland. In Nederland werd hij actief in de anti-koloniale beweging en onderhield ook contacten met de leiders van de opkomende arbeidersbeweging in Suriname. In 1932 vertrok hij naar Suriname om zijn zieke moeder te bezoeken. Toen hij op 4 januari 1933 in Paramaribo aankwam, was ze al gestorven.

De economische crisis had een groot gedeelte van de Surinaamse arbeidende klasse getroffen. Terwijl de welgevoede koloniale elite haar leven van elke dag in welvaart leidde, stierven arme Surinamers van honger en ellende.

De Kom richtte een adviesbureau op en probeerde met vreedzame middelen Creolen, Javanen en Hindostanen te organiseren om voor hun belangen op te komen. Veel tijd had hij niet, want enkele weken later werd hij gearresteerd. Een vreedzame betoging die zijn vrijlating eiste, werd beantwoord met geweld van de kolonisator. Resultaat: twee doden (de Hindostaan Mohabier en de Guyanese arbeider Cyriel Murray) en 22 gewonden (8 Creolen, 8 Javanen en 6 Hindostanen). Ik ben benieuwd of er nog familie leeft van Mohabier en Murray. Hun voorouders zouden herdacht moeten worden voor de offers die ze hebben gebracht voor het Surinaamse volk.

De Kom werd verbannen naar Nederland. Daar publiceerde hij een studie over de geschiedenis van Suriname met de titel “Wij Slaven van Suriname”. Het belang van die studie kan niet overschat worden. In de verstikkende atmosfeer van de racistische koloniale samenleving was dit een revolutionaire daad. Waarom?

  • De koloniale elite van blanken en lichtgekleurde Creolen onder leiding van de gouverneur leefde in een zeepbel waarin slavernij en kolonialisme werden gepresenteerd als een systeem dat de onbeschaafde zwarte volkeren naar een hoger beschavingsniveau bracht. Adek liet zien dat slavernij en kolonialisme een ongeciviliseerd systeem van onderdrukking en uitbuiting was van de zwarte mens door de blanke. Dat was ongehoord in die tijd!
  • Adek was een zwarte Afro-Surinamer. Zwarte Surinamer waren gedoemd om tot de eeuwigheid handenarbeid te verrichten en waren niet in staat tot grote intellectuele prestaties, zo dachten de kolonialen. Met het boek “Wij slaven van Suriname” liet Adek zien dat de zwarte Surinamer een intellectueel van formaat kon zijn, die scherpe analyses kon maken van hoe het kolonialisme in elkaar zat. Hij was al heel vroeg begonnen met Decolonizing The Mind.
  • Adek was de eerste progressieve Surinaamse intellectueel die een visie had ontwikkeld over hoe de toekomst van Suriname eruit zou moeten zien. Hij had een programma van 9 punten opgesteld. Dat begon met de eis voor onafhankelijkheid en bevatte punten als vrijheid van organisatie, vrijheid van meningsuiting, bevordering van de vakbeweging, eenheid onder de verschillende etnische groepen en een economisch beleid ten gunste van de werkende klasse.

Het boek werd in 1934 gepubliceerd. De Kom kreeg het moeilijk. De inlichtingendiensten zaten achter hem aan. Hij kon niet aan een baan komen. Zijn gezin leefde in armoede. Hij werd depressief en werd voor enkele maanden opgenomen in een psychiatrische inrichting. Zijn boek werd in linkse kringen gewaardeerd, maar hij werd verder doodgezwegen of gebagatelliseerd, zowel in Nederland als in Suriname.

In de jaren zestig werd hij herontdekt door jonge Surinaamse studenten in Nederland. De generatie van Ruben Lie Paw Sam en Eddy Jharap vonden het boek “Wij Slaven van Suriname” in de bibliotheek en maakten een roofdruk. Die andere visie op de geschiedenis van Suriname was weer in opmars: die visie van anti-kolonialisme en strijd.

De oppositie tegen de visie van Adek begon heel vroeg, al in 1949 met de dissertatie van Prof. Rudolf van Lier, de grondlegger van het wetenschappelijk kolonialisme in Suriname.

Tegenover de visie van De Kom van slavernij en kolonialisme als een systeem van onderdrukking en uitbuiting poneerde Van Lier de stelling dat Suriname een “samenleving in een grensgebied” was waarbij “mensen gezamenlijk bepaalde doeleinden hebben nagestreefd”.

Verwijzend naar de acties in 1933 tegen het koloniale bestuur stelt van Lier dat het hier niet gaat om een gerechtvaardigde opstand tegen onderdrukking en uitbuiting, maar dat het een kwestie was van “geestelijke labiliteit der massa”.

Hij trok de volgende les uit de opstand: “De politieke leiders zullen het volk moeten leren op democratische wijze zijn krachten in te zetten. Zij zullen het volk moeten doordringen van zin voor orde en verantwoordelijkheidsbesef.”

Over het boek van Adek schrijft hij dat dat “voornamelijk waarde heeft als document om de geestesgesteldheid van de Surinamer uit de lagere middenklasse te leren kennen [SH, hij bedoelt de zwarte Creolen]. In zijn woorden is de herinnering aan het leed dat de voorouders van de slaven ondergingen merkbaar. Maar deze herinnering werd een deel van een pathetische gegriefdheid en rancune die het juiste inzicht in het verleden belemmeren.”

Tenslotte zwaait hij twijfel of Adek wel de auteur is van het boek “Wij Slaven van Suriname”. Het zou door een Nederlandse schrijver, Jef Last, geschreven zijn.

Wat zijn de problemen met de visie van Van Lier?

Zijn theorie klopt van geen kanten en is niet op feiten gebaseerd. Nergens zijn er feiten te vinden die kunnen aantonen dat de Afrikaan en de Europeaan gezamenlijk besloten hebben om het systeem van slavernij in Suriname op te zetten. Dat is professorale onzin!

In diezelfde professorale onzin is het verzet van de Europeanen tegen fascisme een bevrijdingsstrijd en verzet van zwarte volkeren tegen kolonialisme een kwestie van geestelijke labiliteit.

Van Lier roept Adek op om het volk te leren om op democratische wijze te opereren, maar in zijn professorale wijsheid vergeet te vermelden dat het de koloniale macht was die ondemocratisch was. In de jaren dertig kende Suriname geen democratie. Het algemeen kiesrecht werd pas in 1948 ingevoerd! Mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van organisatie waren door de koloniale macht aan banden gelegd!

Slavenhandel en slavernij zijn nu officieel tot misdaad tegen de menselijkheid verklaard door de Verenigde Naties. Alleen professor Van Lier en zijn aanhangers denken dat dit het “juiste inzicht” in het verleden belemmert.

De zware beschuldiging dat niet Adek, maar Jef last de schrijver is van “Wij Slaven van Suriname” wordt zonder enig bewijs geponeerd. De professor roept maar wat en hoopt dat dat volstaat.

Een nieuwe generatie koloniale intellectuelen hebben de lijn van Van Lier opgepakt.

Ik heb in een eerdere column in Starnieuws de biografie van Rob Woortman en Alice Boots over Adek geanalyseerd en geconcludeerd dat het hier gaat om een mislukte biografie met een koloniale benadering van De Kom. Zijn belangrijkste bijdragen – een nieuwe visie op de geschiedenis en het pleidooi voor onafhankelijkheid – worden ontkend en zijn betekenis gereduceerd tot een mooischrijver.

De journalist John Jansen van Galen treedt in het voorwoord dat hij schreef voor een nieuwe druk van  “Wij Slaven van Suriname” in de voetsporen van Van Lier. Hij schrijft: “Betekenis heeft hij [Adek] vooral als schrijver van dit boek, waarin voor het eerst een nazaat van de Surinaamse slaven hun wrok gestalte geeft door hun geschiedenis te beschrijven, meeslepend en vol nauwelijks ingehouden woede”.

Hij herhaalt de laster van Van Lier over het auteurschap van Wij Slaven van Suriname. Hij schrijft dat de waardering voor Adek “enigszins gedempt wordt door het gerucht dat zijn boek in werkelijkheid geschreven is door Jef Last… nu nog zeggen Nederlanders bij wie je het boek ter sprake brengt: ‘Maar dat heeft Jef Last toch geschreven?’

Hoe komt Van Galen aan dit verhaal? Ik denk dat hij is gaan praten met oude Nederlanders die Adek nog gekend hebben.

“Tante Bep, denk je dat Adek dat boek heeft geschreven?”

“Nou Sjonnie, mijn jong, ik denk: die zwarte kenne niet schrijven hoor.”

En in de traditie van de huis-tuin-en-keuken journalistiek schrijft Sjonnie in het voorwoord van Adek’s boek: “Het is opnieuw een onopgehelderd aspect van De Koms leven”.

Een journalist die deel 1 van de basiscursus “Inleiding in de journalistiek” had gevolgd, was anders te werk gegaan. Die leert namelijk dat je direct naar de bron moet gaan. Sjonnie had naar Ons Suriname moeten gaan waar de manuscripten van Adek lagen. Hij had het handschrift van Adek moeten vergelijken met dat van Jef Last. Hij had de aantekeningen die Adek gemaakt heeft tijdens het schrijven van het boek moeten bestuderen. Dan was hij tot de onomstotelijke conclusie gekomen dat Anton de Kom de auteur is van “Wij slaven van Suriname.” Misschien is het wel een goed advies om die cursus alsnog te volgen.

In de Bijlmermeer staat een standbeeld van De Kom gemaakt door een blanke vrouw, Jikke van der Loon. Zij slaat volledig de plank mis over wat de betekenis van De Kom is geweest. Onlangs is Harry Mulisch overleden, net als Adek een intellectueel van formaat. Geen beeldhouwer zal het in zijn of haar hoofd halen om Mulisch half naakt af te beelden, omdat dat niet de kern is van zijn werk. Een zwarte schrijver, een zwarte intellectueel, ondergaat een ander lot. Het kenmerk van de zwarte intellectueel is bij Jikke van der Loon niet zijn schrijversschap. Hoe moet dat in het hoofd van Van der Loon zijn gegaan, vraag ik me af?

“Anton de Kom, zwarte man, tropisch land, sexy man”

“Nee, mevrouw, zwarte intellectueel, denker, filosoof.”

“Zwarte man, lenige man, sexy figuur”

“Nee mevrouw, pen, boekie, boekie, schrijver!”

In de hele fantasie van Van der Loon is het concept van de intellectueel verdwenen en is de halfnaakte zwarte man ervoor in de plaats gekomen als toonbeeld van handwerker. Handwerkers verdienen een standbeeld, maar Mulish is geen handwerker en Adek ook niet. Mulish zou nooit halfnaakt worden uitgebeeld. Adek wel. Holland betaalt het beeld, Holland bepaalt het beeld.

De koloniale visie op De Kom wordt in stand gehouden door een systeem.

De Werkgroep Caraïbische Letteren voert de periodieke herdenkingsmis op waar de heldendaden van Van Lier worden bezongen tijdens de Van Lier lezing. Peter Meel beschrijft in de laatste Van Lier lezing mijn kritiek op de kolonialen als een “dollemansguerrilla” en roept daarmee de herinnering oproept aan Van Lier’s idee van geestelijke labiliteit.

Een veelbeproefde methode van het systeem is elkaar de hemel inprijzen over hoe geweldig ze niet zijn. Gert Oostindie noem Van Lier’s werk “magistraal” en John Jansen van Galen een geweldige journalist. Professor Doeko Bosscher, een nieuwe ster aan het koloniale firmament, schrijft in het Historisch Nieuwsblad over de biografie van Rob Woortman en Alice Boots: “En zo droegen twee Nederlanders weer iets belangwekkends bij aan het inzicht in onze gedeelde geschiedenis. Daar kan als uiting van verantwoordelijkheidsbesef geen slavernijmonument tegenop.”

En dan maar hopen dat niemand hier vraagtekens bij plaatst.

Met Anton de Kom is het gelopen zoals in de beroemde uitspraak van Mahatma Ghandi: “Eerst negeren ze je. Vervolgens maken ze je belachelijk. Daarna gaan ze je bestrijden. Tenslotte win jij.”

In Suriname bestaat een brede consensus bij alle politieke partijen dat de geschiedenis moet worden herschreven vanuit een Surinaams perspectief. Volgend jaar gaat een masteropleiding geschiedenis van start bij de Anton de Kom Universiteit van Suriname. In de wandelgangen hoor ik tot mijn verbazing dat de kolonialen weer komen. Gert Oostindie, Peter Meel en Doeko Bosscher zijn gevraagd om de opleiding mede vorm en inhoud te geven.

Hoe gekoloniseerd kan je geest niet zijn om 35 jaar na de onafhankelijkheid deze heren van stal te halen om de geesten van jonge Surinamers te vullen met hun verlepte verhalen over kolonialisme. Anton de Kom zou zich omdraaien in zijn graf bij de viering van 35 jaar onafhankelijkheid.

Een canon voor Suriname

Mijn laatste column in Starnieuws over Anton de Kom heeft me heel veel hartverwarmende reacties opgeleverd. Daarnaast kreeg ik een reactie van professor Doeke Bosscher die net als Geert Oostindie en Peter Meel geprogrammeerd waren om te doceren op de nieuwe geschiedenisopleiding die volgend jaar van start gaat op de Anton de Kom Universiteit. Zijn reactie leidde tot een mailwisseling met als gevolg dat hij besloten heeft om zich terug te trekken als docent. Dat respecteer ik.

Het is de vraag wat de twee exponenten van het wetenschappelijk kolonialisme, Gert Oostindie en Peter Meel, gaan doen.

De discussie naar aanleiding van Anton de Kom raakt ook het hart van de vraag: hoe wil een volk als het Surinaamse haar geschiedenisonderwijs inrichten?

Anders dan het technisch onderwijs (scheikunde, natuurkunde etc), raakt het geschiedenisonderwijs de ziel van een volk.

Er ontwikkelen zich nu twee stromingen m.b.t. de geschiedschrijving van Suriname. Surinamers in en buiten Suriname gaan naar dezelfde archieven die de kolonialen hebben bestudeerd en halen heel andere informatie uit die archieven. Ze zien in kleuren en geuren beschreven hoe het kolonialisme een systeem van onderdrukking en uitbuiting was en publiceren op basis daarvan hun analyses. Onder andere Waldo Heilbron, Glenn Willemsen, Armand Zunder, mijn persoon en Radjinder Bhagwanbali komen met nieuwe feiten en een fundamentele kritiek op bestaande visies op het kolonialisme. De komende jaren mogen we nog meer auteurs verwelkomen met veel en nieuw materiaal vanuit een anti-koloniaal perspectief: Eric Jagdew over de Marrons en Marten Schalkwijk die al in 1992-1993 een zeer innovatieve sociologische en historische studie heeft gemaakt van de koloniale elites tussen 1650 en 1920.

De stroming van de kolonialen (Van Lier, Oostindie, Meel c.s.) voeren echter nog de boventoon in Surinaamse historiografie.

Vanuit alle politieke partijen in Suriname wordt geroepen om een Surinaams perspectief in de geschiedenis. Ik pleit voor een maatschappelijke discussie over de inrichting van het geschiedenisonderwijs in Suriname zoals die ook in Nederland is gevoerd. Daar heeft de maatschappelijke discussie geresulteerd in de vaststelling van een canon.

Met canon bedoel ik niet een oorlogstuig (dat is een kanón, dit is cánon) maar een verzameling van “verhalen uit de geschiedenis en cultuur van een volk” die vertellen hoe een volk is ontstaan, zich heeft ontwikkeld in de loop der eeuwen, waarom die ontwikkeling heeft plaatsgevonden en welke de cruciale gebeurtenissen zijn geweest die haar identiteit en ontwikkeling hebben bepaald. Die verhalen worden van generatie op generatie doorgegeven waarbij iedere generatie haar eigen inzichten toevoegt aan die verhalen.

“Surinamers en Nederlanders hebben een gemeenschappelijke geschiedenis” Soms wordt deze frase gebruikt als we gezamenlijk vreselijk veel pret hadden met elkaar in het verleden. Maar Surinamers en Nederlanders hebben een gemeenschappelijke geschiedenis, net als de Joden en de Nazi’s dat hebben. Net als bij de Joden en de Nazi’s is die gemeenschappelijkheid een misdaad tegen de menselijkheid.

In de canon van Suriname moet dan ook plaats worden ingeruimd voor de geschiedenis van Nederland en Europa om te kunnen begrijpen waarom Nederlanders en Europeanen die misdaad tegen de menselijkheid hebben begaan. De Nederlandse en Europese geschiedenis zijn deel van de Surinaamse canon.

Dat is des te meer noodzakelijk omdat die geschiedenis nog springlevend is, wat in deze tijd zo voelbaar is in het Sinterklaasfeest.

Het is voor mij nog altijd onbegrijpelijk hoe ongeciviliseerd een land kan zijn om elk jaar rond Sinterklaas de stereotypen van de domme neger zonder enige schaamte ten toon te stellen: grote lippen, volwassen zwarte geverfde stommelingen die als onderdanige imbecielen rondhuppelen achter de goede blanke man, de boeman waar kinderen bang voor moeten zijn, liedjes met uitgesproken racistische teksten zoals “Al is hij nog zo zwart als roet, hij meent het toch zo goed”.

Waarom is een kinderfeest niet mogelijk zonder dit racisme?

De meeste landen in de wereld kennen een kindervriend als Sinterklaas in de vorm van Santa Claus, de kerstman. Daar is een kinderfeest wel mogelijk zonder een zweem van racisme. Anno 2010 is het mij een raadsel waarom in Nederland miljoenen mensen geen enkele vorm van gêne en schaamtegevoel hebben om het zwarte volk zo stereotypisch uit te beelden. Als er een kinderfeest zou bestaan, waar stereotypen van het Joodse volk zo prominent zouden worden uitgebeeld (de neus, de vrek), hoe groot zou de verontwaardiging in de hele wereld niet zijn geweest?

Een maatschappelijke discussie over een Surinaamse canon zal snel duidelijk maken hoe ongerijmdheid het is om wetenschappelijk werk dat Surinamers hebben geproduceerd vanuit een Surinaamse perspectief terzijde te schuiven in de nieuwe geschiedenisopleiding en de kolonialen alle ruimte geven om hun visie in de geesten van jonge Surinamers te planten.

Het is net alsof na de bevrijding van Nederland een nieuwe geschiedenisopleiding in Nederland vorm gegeven zou worden gegeven door Duitsers en door Duitsers getrainde Nederlanders tegenover visies die Nederlanders ontwikkeld hebben over de bezetting: de bezetting als een misdaad versus de Duitse opvatting dat het allemaal niet zo erg was.

Sweeping Johnny en het puf-parfum complex

Toen ik in 2006-2007 bezig was met het schrijven van de biografie van Eddy Jharap en de geschiedenis van Staatsolie heb ik van meer mensen verhalen gehoord over zijn strengheid. “Als je je werk niet goed deed, stuurde hij je zonder pardon naar je moer.” Bij de eerste verhalen dacht ik: “Deze man, Eddie jongen, kun je niet wat aardiger zijn tegen die lieve arbeiders van je.”

Maar naarmate ik dieper in die verhalen dook, zag ik zijn probleem. Als je die arbeider één keer op een zachtaardige toon zeg: “nee, lieve wrokoman, zo moet je het niet doen boi, maar op deze manier. Zou je – als je het niet erg vindt – de volgende keer het misschien toch op een andere manier willen doen.”

De volgende keer kom je terug en je ziet dat die wrokoman precies dezelfde fouten maakt. Dan wil je nog wel één keer op een lieve toon zeggen dat het anders moet, maar de derde keer roep je toch al gauw: “man, loop naar je moer en donder op”.

Staatsolie staat bekend als een modern technologisch bedrijf waar kwaliteit voorop staat. Dat is niet zomaar gekomen. Kwaliteit is ontstaan vanuit de houding dat je niet met minder genoegen neemt en dat scherpe kritiek de manier is om je werk te verbeteren in plaats van de methode van pappen en nat houden.

Mensen die ondeugdelijk werk afleveren hebben een groot arsenaal aan trucs om hun onvermogen te maskeren. Een van de grappiste trucs is wat ik noem de “Sweeping Johnny” methode.

Johnny Walker, zo noemen we onze niet functionerende medewerker, heeft de opdracht op zich genomen om een huis te bouwen. Na een tijdje gaat zijn team kijken wat hij gepresteerd heeft. Bij de inspectie zien ze dat het huis schots en scheef staat, de elektriciteit het niet doet en de waterleiding niet functioneert; kortom Johnny heeft ondeugdelijk werk afgeleverd. Als ze Johnny hierop aanspreken, zegt hij: “Collega’s, kom mee naar buiten.” Voordat ze aankwamen, had Johnny zijn straatje schoon geveegd. Johnny: “Kijk hier, mijn straatje is helemaal schoon! Er is geen enkel loslopende bananenschil. De hondepoep is weg. Ik heb zelfs dat grote gat gevuld met zand. Hoe kun je zeggen dat ik ondeugdelijk werk aflever!”

Johnny zit hier de boel te belazeren. Met het schoonvegen van zijn straatje, verschuift hij de aandacht van het product dat hij moest afleveren – een goed huis – naar iets heel anders: een schone straat.

Deze methode gebruiken Rob Woortman en Alice Boots in Starnieuws van vorige week om hun ondeugdelijke biografie van Anton de Kom te verdedigen. Ik heb eerder in Starnieuws een bespreking gemaakt van het boek en op basis van citaten uit hun werk aangetoond dat het volstrekt tegen de geest van Anton de Kom inging, een vals portret schetst van het gedachtegoed van De Kom en doorspekt is van een koloniale zienswijze op de geschiedenis van Suriname.

Ik herhaal hier twee citaten uit hun boek die ik in de bespreking Starnieuws heb geanalyseerd:

  1. 122-123: “In De Banier van 25 januari verschijnt een ingezonden stuk waarin de aantrekkingskracht van Anton wordt verklaard door het feit dat Hindostanen en Javanen de meest ´eenvoudigen van geest´ zijn. Heeft Anton zich bewust gewend tot de contractarbeiders om daar zijn succes te behalen zoals vaker wordt beweerd? Was de aandacht van Anton voor deze arbeiders een kwestie van tactiek? Vanuit zijn concept van eenheid en organisatie vond Anton dat alleen een gesloten front tegen het koloniaal bewind uitkomst kon brengen en dat de reden zijn waarom hij zich ingespannen heeft voor de Javanen en de Hindostanen. Maar zijn bedoelingen zijn, zoals wel vaker, door de omstandigheden ingegeven.”

Hier nemen de auteurs het koloniale vooroordeel over m.b.t. de geestelijke capaciteit van Hindostanen en Javanen (de domme Aziaat) en zwaaien ze twijfel over de oprechtheid van de bedoelingen van Anton de Kom om Javanen en Hindostanen te organiseren.

  1. 190: “Anton mag zijn gepassioneerde lezingen in het communistisch circuit dan beëindigen met de leuze die hij overneemt van de CPH: ‘Indonesië, Curaçao en Suriname los van Holland, NU!’, het is in wezen niet het pleidooi dat hij in zijn boek Wij slaven van Suriname houdt… Intelligent als Anton is, beseft hij heel goed dat er meer verschillen zijn tussen Nederlands-Indië en Suriname, dan alleen de omvang van land en bevolking. Indië heeft een eigen oude cultuur en een eigen bestuurselite. Suriname kent maar weinig intellectuelen en de enkeling die zich roert, zoals Doedel is van gemengde afkomst. De voormalige slaven krijgen nauwelijks een kans zich te ontwikkelen en de contractarbeiders komen uit de armste lagen van de bevolking in hun thuislanden. Het ontbreekt de Surinaamse bevolking aan een bestuurlijke elite, een basis waarop de onafhankelijkheid kan drijven. Omdat Anton zich nergens uitspreekt over de aard van een zelfstandig Suriname, blijft het moeilijk na te gaan wat zijn exacte ideeën daarover waren. Het is zeker dat hij autonomie voor het Surinaamse volk opeiste, maar de vorm die deze moest aannemen, blijft onduidelijk

Deze passage is de kern van het verhaal van Anton de Kom. De Kom was een felle criticus van het Nederlands kolonialisme en pleitte onomwonden voor onafhankelijkheid.

Woortman en Boots schetsen een vals beeld van zijn gedachtegoed. Ze maken hun eigen analyse over de verschillen tussen Indonesië en Suriname waaruit ze de conclusie trekken dat het Nederlands kolonialisme het beste was voor Suriname en dat Suriname niet rijp was voor onafhankelijkheid. Vervolgens schuiven ze die conclusie in de schoenen van De Kom. Als De Kom intelligent was geweest, dan had hij deze analyse gemaakt. De Kom was intelligent, dus heeft hij deze analyse gemaakt.

Nergens noemen ze paginanummer uit “Wij Slaven van Suriname” waarin De Kom deze vergelijkende analyse tussen Indonesië en Suriname presenteert en daarmee zijn eigen leuze (“Suriname los van Holland NU!”) tegenspreekt. Die analyse bestaat alleen in hun koloniale fantasie. Ze schrijven hun eigen analyse van de verschillen tussen Indonesië en Suriname toe aan De Kom. Dat is een vervalsing van de opvattingen van De Kom.

Ik kan zo een tijdje doorgaan met citeren en analyseren, maar de bespreking is gewoon te raadplegen in mijn Starnieuws column van 3 mei 2010.

In hun bijdrage van vorige week slaan Woortman en Boots een compleet andere toon: “Anton gelooft … in de macht van het verenigde volk”.  “Nadat Anton uit Suriname is verbannen, zet hij zijn strijd tegen het kolonialisme en voor een zelfstandig Suriname voort.”

Hun Starnieuws bijdrage is doorspekt met een anti-koloniale visie op De Kom. De Kom als revolutionair en communist. De Kom die voor onafhankelijkheid pleit. Dat is een heel andere De Kom dan de persoon die ze in hun biografie hebben neergezet.

Geheel in de geest van “Sweeping Johnny” vragen ze zich boos af: “Toen wij lazen dat onze biografie over Anton de Kom gezien moest worden als een product van koloniaal denken, waren we meer dan onaangenaam verrast. Door wat voor gekleurde of slecht geslepen bril moest iemand ons boek gelezen hebben? Alsof wij Anton alleen maar zien als een ‘mooischrijver’.”

Beste Woortman en Boots, ik had geen gekleurde of slecht geslepen bril nodig. Het staat zwart op wit gedrukt in jullie boek! En dat boek heb ik gebruikt met letterlijke citaten en controleerbare paginanummers, niet jullie bijdrage van vorige week waarin jullie het tegenovergestelde beweren van wat jullie in het boek over De Kom hebben geschreven!

Er zijn drie manieren waarop iemand kan reageren op kritiek. Twee manieren dwingen bij mij respect af.

De eerste manier is in de trant van: “Die ellendeling van een Sandew Hira heeft ons verkeerd geciteerd. De citaten kloppen niet. Of de citaten kloppen wel, maar hij heeft het in een verkeerde context geplaatst, want die context moet zus en zo zijn.”

Deze manier heet “argumenteren”. Je probeert met argumenten het ongelijk van je criticaster aan te tonen. Ook al ben ik het niet met je eens, ik heb wel respect voor het feit dat je argumenten aandraagt om mijn ongelijk te bewijzen.

De tweede manier is in de trant van: “De citaten zijn correct. We hebben fouten gemaakt. Excuus, maar we hadden ons beter moeten verdiepen in de materie en de zaak beter moeten analyseren.”

Deze manier heeft “corrigeren”. Je erkent dat je een fout hebt gemaakt en corrigeert die. Mijn reactie is: “Kan gebeuren, no span. Iedereen maakt fouten en van je fouten moet je leren.”

Maar de methode van Woortman en Boots is die van “Sweeping Johnny”. Ze zijn niet integer. Met hun bijdrage aan Starnieuws lopen ze de boel te bedonderen.

Ze hebben een volstrekt inferieur product afgeleverd. Hun beeld van De Kom in de biografie is geheel tegen de geest van Anton de Kom. Ze schetsen een vals portret van zijn gedachtegoed en ze presenteren een koloniale zienswijze op de geschiedenis van Suriname. Vervolgens introduceren ze in hun Starnieuws-bijdrage het anti-koloniale beeld van De Kom dat intussen gangbaar is in de Surinaamse gemeenschap en roepen: “Hoe kun je zeggen dat we een slecht product hebben afgeleverd!”

Sommige Nederlanders en Surinamers, bij wie mental colonialism nog diep in hun geest zit, hebben last van het puf-parfum complex.

Als de koloniaal een grote stinkende puf laat, zegt de gekoloniseerde geest: “Meester, het ruikt naar parfum.”

We hebben kwaliteit nodig in de Surinaamse geschiedschrijving. Sommige Surinamers veronderstellen dat die kwaliteit sowieso aanwezig is bij alles wat uit Nederland komt. Woortman en Boots hebben met hun biografie een stinkende puf gelaten en als ik roep: “Mi Gado, het stinkt naar puf”, raken ze geëmotioneerd en roepen: “Er is iets mis met je neus!”

De tijden zijn voorbij waarin iedere scheet uit Nederland als parfum wordt gepresenteerd. In de 21ste eeuw wordt kwaliteit niet verondersteld, maar gemeten.

Henk den Heijer: de nieuwe ideoloog van het kolonialisme

<I>“Het was zeker niet prettig aan boord van slavenschepen, maar vaak stierven er procentueel gezien meer bemanningsleden dan slaven”,</I> schrijft de NRC naar aanleiding van een oratie van Prof. Dr. Henk Den Heijer. <I>“Nederlandse slavenhandel minder wreed dan gedacht”</I> kopt de website van Radio Nederland Wereldomroep.

<I>“Zie je wel!”</I> moet menig gekoloniseerde geest gedacht hebben. <I>“Het was toch niet zo erg met slavernij, zoals die ellendige zwarte schreeuwers beweren. Nu heeft een wetenschapper, een professor, met harde feiten laten zien hoe het werkelijk was.”</I>

En het mooiste is als een zwarte deskundige de blanke professor bijvalt. Aspha Bijnaar, onderzoeker bij het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en –Erfenis wordt bij de Wereldomroep geciteerd: <I>“Het is heel makkelijk om te zeggen hij bagatelliseert maar wat, of het is maar zijn eigen visie. Ik kan zelf niet nagaan of het klopt, maar hij is een historicus en ik neem aan dat hij er zijn argumenten voor heeft. Dus ik gooi het niet meteen weg. Het is een nuance op het onderwerp en daar moet de wetenschap voor zijn.”</I>

Zo, die hebben ze in ieder geval in hun zak.

Ik heb de oratie van Den Heijer gelezen. Het is lachwekkend: de ideologische nonsens die als wetenschap gepresenteerd wordt.

Den Heijer maakt een grote wetenschappelijke fout in zijn redenering, namelijk het verschijnsel slavernij als misdaad tegen de menselijkheid karakteriseren met kenmerken die er helemaal niet aan toe doen. Dat zal ik demonstreren met een voorbeeld.

Wat is het verschil tussen een ezel en een mens? Een normale wetenschappelijke benadering van die vraag komt neer op het formuleren van de criteria die de wezenlijke verschillen aanduiden tussen een ezel en een mens, en meer in het algemeen tussen een dier en een mens. Discussie tussen wetenschappers leveren dan criteria op zoals het denkvermogen, het vermogen om te communiceren etc. Hoe groter het denkvermogen, hoe ontwikkelder het dier. Hoe groter het vermogen om te communiceren, hoe ontwikkelder het dier.

Stel nu dat iemand zou zeggen: het onderscheidend criterium tussen het denkvermogen van mens en dier is het aantal poten dat ze hebben. Hoe meer poten, hoe intelligenter het dier? Dat zou betekenen dat een ezel ontwikkelder is dan een mens en een duizendpoot intelligenter dan een ezel. Die persoon zou uitgelachen worden. Waarom? Omdat het aantal poten niet het onderscheidende criterium is voor intelligentie. Dat criterium doet er niet aan toe om het karakter te bepalen van de intelligentie van een dier.

Dit is basiskennis uit het eerstejaarscollege methodologie in de wetenschap.

Wat is nou het onderscheid kenmerk van de transatlantische slavernij? Waarom is dat systeem door de VN uitgeroepen tot een misdaad tegen de menselijkheid? Omdat er een systematisch beleid van regeringen was om grote aantallen mensen te brengen in mensonwaardige omstandigheden van onderdrukking en uitbuiting. Miljoenen mensen zijn geroofd uit Afrika. Ze zijn tegen hun wil overgebracht naar een ander continent om onder permanente angst voor marteling en mishandeling gratis te werken voor Europeanen, die er ook rijk van geworden zijn. Ze hebben gedurende 250 jaar tientallen miljoenen kinderen gekregen die onder het hetzelfde systeem hebben moeten leven, werken en sterven. Hoe ze vervoerd zijn, is niet het wezenlijke kenmerk van deze misdaad tegen de menselijkheid. Hoe ze geroofd, onderdrukt en uitgebuit zijn, zijn de wezenskenmerken van het systeem.

Dat is basiskennis voor de eerstejaars student van de geschiedenis van slavernij en zou dat zeker moeten zijn voor Aspha Bijnaar die werkt bij een kennisinstituut over het slavernijverleden.

Wat zegt Den Heijer? Hij betoogt dat slavernij geen misdaad tegen de menselijkheid is. Hij citeert met instemming historici als Robin Law die pleiten tegen het concept van slavernij als een misdaad tegen de menselijkheid. Maar zijn kernargument is: als er artsen aanwezig waren op de schepen, als er weinig vrouwen zijn verkracht, als er niet veel opstanden zijn geweest op de schepen, dan was er geen misdaad tegen de menselijkheid. De mensen zijn “normaal” behandeld zoals andere goederen die je moet verkopen. En “normaal” duidt op wat de onderdrukkers in die tijd normaal vonden, niet wat de tot slaaf gemaakte Afrikaan normaal vond. Zijn begrip van wat “normaal” is, tekent ook de ideologische vooringenomenheid van Den Heijer. Hoe normaler de scheepsreis volgens de normen van de onderdrukker, hoe minder erg slavernij was. Hoe meer poten een dier heeft, hoe slimmer hij is.

Den Heijer citeert de Amerikaanse historicus Robert Harms die een scheepsjournaal beschrijft. Den Heijer: <I>”Tijdens die reis deed zich niets bijzonders voor: geen slavenopstand, geen buitensporig geweld of seksueel misbruik van slaven, geen grote sterfte en geen extreme weersomstandigheden. Het was een routinereis zoals er eeuwenlang velen zijn gemaakt. Tussen de microgeschiedenis van het journaal weeft de auteur het grotere verhaal van de trans-Atlantische slavenhandel, waarin hij naast het gewone ook de excessen belicht. Harms doet dat op een bewonderenswaardige manier zonder een eenzijdig beeld te schetsen of een moraliserende vinger te heffen. Tegelijkertijd toont hij empathie met de slachtoffers door het onkenbare te benoemen. ‘We can never know what thoughts formed in their minds, what feelings welled up in their breasts, or what images of home and family passed before them in kaleidoscopes of memory, but it was a moment they never forget’.</I> Den Heijer voegt eraan toe: <I>“Ik denk dat niemand dat laatste zou willen betwisten.”</I>

Dat, heer Den Heijer, is nou precies wat wíj betwisten! Die zwarte wezens in dat schip waren mensen, geen beesten van wie niemand weet wat zij zouden kunnen voelen en denken. Het is onzin om te stellen dat we niet kunnen weten wat zwarte mensen voelen en denken toen ze geroofd werden uit hun hutten, geketend werden in de havens van vertrek, gebrandmerkt werden en op schepen gevangen zijn gezet om naar een ander continent vervoerd te worden.

Iedereen kan weten dat de zwarte mensen op de schepen gevoelens hadden van wanhoop, verdriet, ellende en onrecht. Het is basiskennis over het wezen van de mens. Als je eerst een schriftelijk getuigenis nodig heb van een tot slaaf gemaakte Afrikaan op een slavenschip om daarvan overtuigd te raken, dan ben je een racist. En de zwarte Afrikaan, hoe moeilijk ook te begrijpen door Harms en Den Heijer, is een mens. De basiskennis over wat een mens is, ontbreekt bij de professor.

Den Heijer geeft ook een volstrekt vals beeld van het slavenschip. Zijn vergelijking van de sterftecijfers van de bemanningsleden en de tot slaaf gemaakte Afrikanen wekt de suggestie alsof het om gelijkwaardige personen gaat, waarbij de bemanningsleden er vanwege de hogere sterftecijfers slechter aan toe waren dan de Afrikanen.

Maar de slavenschepen waren geen passagiersschepen, maar drijvende gevangenissen die mensen vervoerden die gevangen genomen waren. De zwarten waren geen passagiers op weg naar een normale bestemming, ze waren gevangenen op weg naar de hel! De bemanningsleden waren niet hun medepassagiers, maar hun gevangenenbewakers! En of er nou meer of minder bemanningsleden stierven als gevolg van ziekte en of er meer of minder vrouwen werden verkracht, verandert geen jota aan die verhouding.

Het belachelijke karakter van Den Heijers oratie wordt duidelijk als we zijn methode toepassen op een andere misdaad tegen de menselijkheid: de Joodse holocaust.

Er zijn studies verschenen over treinen die Joden vervoerden naar de vernietigingskampen. In die studies is duidelijk geworden dat zonder het vervoermiddel de trein de enorme schaal van de massamoorden onmogelijk zou zijn geweest. De organisatie van het vervoer van de Joden was opgezet als een “normaal” vervoer van massagoederen. De nazi’s hadden het efficiënt opgezet. De logistiek was perfect. Geen historicus zou het in zijn hoofd halen om de studie van de trein los te koppelen van het grotere plaatje: de vernietiging van de joden in de gaskamers. En helemaal niemand zou durven beweren: als er weinig opstanden en mishandelingen waren tijdens de treinreis (en er waren weinig opstanden en mishandelingen), dan was de holocaust toch minder erg dan we tot nu toe dachten. Want iedereen ziet dat niet het transport van de Joden het wezenlijke kenmerk is van de holocaust, maar hun vernietiging. Die redenering zou niet eens serieus genomen worden in het geval van de Joodse holocaust. In het geval van de zwarte holocaust is dat anders. Dan kan Aspha Bijnaar zeggen: “Dus ik gooi het niet meteen weg. Het is een nuance op het onderwerp en daar moet de wetenschap voor zijn.”

Het idee dat het transport van tot slaaf gemaakte Afrikanen een wezenlijk criterium is om te bepalen of slavernij een misdaad tegen de menselijkheid is, komt niet van de wetenschap maar van een politieke ideologie, die van het wetenschappelijk kolonialisme. Wetenschappers zoeken de waarheid, een ideoloog als Den Heijer zoekt een rechtvaardiging voor het kolonialisme van zijn voorouders. Dat verschil kent Bijnaar blijkbaar niet.

Hoe komt dat? Dat heeft alles te maken met de kolonisatie van de geest. Sommige zwarte wetenschappers zijn getraind in de mentaliteit van sakafasi, van nederigheid en onderdanigheid tegenover blanke vertegenwoordigers van het kolonialisme. Hun kritische denkvermogen wordt systematisch onderdrukt op de Nederlandse universiteiten.

Tot mijn verdriet geldt dat ook voor de nieuwe mastersopleiding geschiedenis van de Anton de Kom Universiteit van Suriname. Ik kreeg onlangs een mail van de voorbereidingsgroep bestaande uit Maurits Hassankhan, Eric Jagdew en Jerry Egger gericht aan mij en o.a. Gert Oostindie en Alex van Stipriaan. De heren willen in februari 2012 een conferentie organiseren over de geschiedschrijving van Suriname. <I>“Het ligt niet in de bedoeling om debatten te organiseren tussen aanhangers van verschillende stromingen die er (zouden) zijn,”</I> schrijven ze. <I>“Wij hopen en verwachten dat wij op rationele en correcte wijze over het onderwerp kunnen discussiëren.”</I> God en de voorbereidingsgroep weten wat “rationele en correcte” discussies zijn, ik niet. Op mijn vraag om de criteria te definiëren voor wat “rationeel en correct” is het ijzingwekkend stil gebleven.

Dit is nog eens een vernieuwing in de wetenschap. Alle wetenschappelijke conferenties die ik tot nu toe heb bijgewoond, hebben als doel om wetenschappers met elkaar in debat te laten gaan en zonder enige beperking meningen te laten uitwisselen. De deelnemers hoeven het niet met elkaar eens te zijn, maar ze moeten de vrijheid hebben om hun kritiek te kunnen uiten. De historici van de Universiteit van Suriname kijken met een onderdanige blik naar hun professoren in Nederland, die het debat vrezen, en laten hen weten: <I>‘Ija meester, we gaan echt ervoor zorgen dat die Sandew Hira jullie niet gaat bekritiseren op onze conferentie hôr.’</I> Ze willen een conferentie waar geapplaudisseerd wordt voor deze lieden, niet waar met ze wordt gedebatteerd. Die werkwijze haalt het niveau van de universiteit omlaag.

Ik vertelde een vriend van mij, die een studie maakt naar autoritaire regimes in Latijns-Amerika, over deze conferentie en de regel dat er niet gedebatteerd mag worden en slechts op een “correcte” manier mag worden gediscussieerd.

Hij vroeg me: <I>“Hebben jullie een militaire dictatuur in Suriname?”</I>

<I>“Nee”</I>, antwoordde ik. <I>“We hebben Hassankhan, Jagdew en Egger.”</I>

Wees gerust heren, zulke conferenties kan ik missen als kiespijn. Het zijn geen hoogstandjes van de wetenschap, maar het verklaart wel waarom Den Heijer de groots mogelijke ideologische onzin kan verkopen zonder dat dit soort Surinaamse historici hem van repliek dienen.

De universiteit is genoemd naar Anton de Kom. En die schreef ooit:

<I>”Want geen volk kan tot volle wasdom komen,

dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft.”</I>

Een glimp van een nieuwe toekomst

<I>“Beste meneer Hira,

Met veel interesse lees ik uw columns op starnieuws.com. Ik studeer geschiedenis aan de universiteit van Groningen. Voor mijn masterscriptie doe ik onderzoek naar de invloed van het koloniale verleden op de relatie tussen Nederland en Suriname, die ik vergelijk met de relatie tussen België en Congo. In uw columns, artikelen en boeken presenteert u een visie op dit koloniale verleden die ik graag in mijn onderzoek zou willen verwerken. Is het mogelijk om met u in contact te komen?”</I>

Dit verzoek kreeg ik begin mei per email van Hanneke Hofman. Ik beschouwde het als een routine verzoek en mailde terug: bel maar op.

Ze wilde niet bellen, maar persoonlijk langskomen. Helemaal uit Groningen, drie uur reizen van Den Haag.

Ze kwam bij me thuis, installeerde zich aan de eettafel met haar notebloc en begon: “Nederland en Suriname hebben een gemeenschappelijk verleden, een gemeenschappelijke band. Hoe kijkt u aan tegen die band?”

Ik: “Slavernij en kolonialisme waren een misdaad tegen de menselijkheid, net als de Joodse holocaust. Onze band is net als de band tussen de Jood en de nazi. Alleen een gekoloniseerde geest meent dat we blij moeten zijn met die gemeenschappelijke geschiedenis en die gemeenschappelijke band, alsof we samen veel plezier en leuke avonturen hebben beleefd tijdens slavernij en kolonialisme. Dekolonisatie van de geest betekent dat we moeten ophouden om dit valse beeld te schetsen van onze geschiedenis en zeggen hoe het werkelijk was: Nederland heeft met slavernij en kolonialisme een historische misdaad gepleegd in Suriname. En dat is niet iets om samen trots op te zijn.”

Zo, dacht ik bij mezelf, dat is nu opgehelderd.

Maar Hanneke ging door: hoe zit het met het Afrikaanse aandeel in de slavernij? Raak je met herstelbetalingen de Nederlanders niet in hun portemonnaie en schep je niet meer tegenstellingen? Sinterklaas is diep geworteld in onze samenleving? Etc. etc.

Ik ging uitvoerig in op haar vragen.

Op enig moment veranderde haar houding. Ze zei: “Onze koloniale geschiedenis is niet iets waar ik trots op ben. Ik weet niet of ik me verantwoordelijk moet voelen voor wat onze Nederlandse voorouders hebben gedaan. Mijn eigen voorouders waren geen slavenhandelaren of bezitters van plantages, maar het is wel deel van onze geschiedenis als natie. Draag ik nu ook persoonlijk verantwoordelijkheid voor ons koloniaal verleden? Hoe moet ik daarmee omgaan?”

Ik raakte van mijn stuk door haar opstelling.

Hanneke is een leuke meid. Een jonge, knappe vrouw van in de twintig. En ze zat er ook echt mee. Ik zag haar worstelen met het Nederlandse koloniale verleden en wist even niet wat ik moest zeggen. Met mijn verstand hield ik het rationele verhaal over de verhouding tussen individuele en collectieve verantwoordelijkheid voor historisch onrecht, met de nodige voorbeelden van hoe in andere landen hiermee wordt omgegaan. Mijn gevoel vroeg zich af: moet ik haar nu geruststellen en voorkomen dat ze opgezadeld wordt met een gevoel van persoonlijke schuld? Hier zat een jonge Nederlandse vrouw voor me die vanuit een integer gevoel voor rechtvaardigheid worstelt met het koloniale verleden van haar land. Dat vind ik op zichzelf al nieuw en hoopvol, maar vooral ook inspirerend. Ze had mijn dochter kunnen zijn. Aan de ene kant wilde ik haar geruststellen en voorkomen dat ze een persoonlijk schuldgevoel ging ontwikkelen. Aan de andere kant zijn daar de harde feiten van de historische misdaad die de Nederlandse natie heeft gepleegd, net als de harde feiten over de Duitse natie die een historische misdaad heeft gepleegd met de holocaust. De verhouding tussen individuele en collectieve verantwoordelijkheid wordt dan plotseling meer dan een wetenschappelijke discussie. Het wordt iets emotioneels.

We eindigden de sessie met een lunch. Mijn vrouw kwam erbij. We spraken over haar studie, ouders, wonen in Groningen etc. Ze vertrok daarna voor een reis van drie uur naar huis.

Mijn vrouw zei: “Wat een leuk meisje! Hoe ging het interview?”

Ik: “Ze vroeg wat ik vond van de gemeenschappelijke band tussen Nederland en Suriname.”

Mijn vrouw: “Oh nee, wat heb je gezegd?”

Ik: “Ik maakte de vergelijking met de band tussen de nazi en de Jood.”

Mijn vrouw: “Jij, altijd met die dingen van je! Zo’n lieve meid, en je zadelt haar op met de last van een koloniaal verleden. Straks wordt ze depressief!”

Ik: “Je onderschat haar. Ze wordt niet zo gauw depressief. Weet je wie haar scriptiebegeleider is?”

Mijn vrouw: “Wie?”

Ik: “Doeko Bosscher.”

Mijn vrouw: “Doeko Bosscher!!??”

Prof. Dr. Doeko Bosscher is hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Groningen. In mijn column over Anton de Kom in Starnieuws bij de viering van 35 jaar onafhankelijkheid had ik kritiek geuit op zijn positieve bespreking van de mislukte biografie van Rob Woortman en Alice Boots over De Kom.

Boscher mailde me naar aanleiding van mijn column: <I>“U lijkt me vol haat en rancune te zitten, ook jegens mij.”</I> Daarmee was de toon gezet voor een scherpe en kribbige correspondentie tussen ons. Ergens in die correspondentie echter feliciteerde hij mij met 35 jaar onafhankelijkheid. Het klonk oprecht. Een uitgestoken hand moet je nooit weigeren, heb ik geleerd. Ik besloot om niet te mailen, maar te bellen om hem persoonlijk te bedanken voor zijn felicitatie.

Bosscher was gevraagd om les te geven aan de nieuwe masteropleiding geschiedenis van de Anton de Kom Universiteit. Naar aanleiding van de correspondentie met mij trok hij zich terug van de opleiding.

Hanneke wordt opgeleid door Bosscher. Toen ik haar worsteling met het koloniale verleden observeerde, bedacht ik me dat haar begeleider geweldig werk doet. Ik besloot Bosscher te mailen en hem te complimenteren met zijn werk.

Een nieuwe mailcorrespondentie ontstond tussen ons in een geheel andere sfeer en op een geheel andere toon. Doeko stelde voor om in Amsterdam een discussie te houden met zijn studenten over mijn visie op het kolonialisme.

Afgelopen week waren ze in NiNsee om met mij en directeur Artwell Caine in gesprek te gaan.

Dezelfde worsteling die ik bij Hanneke zag, zag ik bij Doeko en zijn studenten. Zij stelden hun vragen. Artwell en ik gaven onze antwoorden. Dat ging in een kritische sfeer van openheid en debat.

Op enig moment vertelt Doeko over zijn dochter die met een Surinamer is getrouwd en in Suriname woont. Hij gaf uiting aan zijn diepe afkeer van de PVV. In zijn verhaal herkende ik wat alle vaders voelen voor hun kinderen en hun zorgen voor de toekomst. Net als Hanneke heeft Doeko me met zijn verhaal emotioneel geraakt.

Het is niet gemakkelijk: aardige integere mensen wier land zich schuldig heeft gemaakt aan een misdaad tegen de menselijkheid voorhouden dat er zoiets is als een collectieve verantwoordelijkheid voor historisch onrecht en tegelijkertijd sympathie voelen voor hun worsteling en diep in je hart hen toewensen dat ze er zonder kleerscheuren uit kunnen komen.

In de bijeenkomst bij NiNsee zag ik een flits van een hoopvolle toekomst temidden van een harde realiteit waarin we vandaag leven. In die week hoorde NiNsee dat de VVD-CDA-PVV regering had besloten om per 31 december 2012 de subsidie aan NiNsee stop te zetten (een handtekeningenactie is aan gang via <A href=http://www.ninsee.nl target=”_blank”>www.ninsee.nl</A>).

In diezelfde week besloot Roy Groenberg, alias Kaikusi, om in Amsterdam het boek van Lawrence Hill getiteld <I>Het Negerboek</I> te verbranden vanwege het gebruik van de term <I>Neger</I>. Kaikusi is, net als ik, een anti-kolonialist, maar deze actie keur ik ten stelligste af. Waarom? Omdat het verbranden van boeken komt uit een traditie waar wij ons ver van zouden moeten houden, namelijk die van de nazi’s, die op grote schaal boeken verbranden als teken dat de vrijheid van meningsuiting definitief ten einde was gekomen. Die vrijheid is iets waar we voor zouden moeten vechten. Lawrence Hill moet je met argumenten bestrijden en niet met een boekverbranding als je het niet met hem eens bent.

Afgelopen week kreeg ik een andere realiteit onder ogen: de correspondentie van de werkgroep bestaande uit Maurits Hassankhan, Eric Jagdew en Jerry Egger, die in februari volgend jaar een conferentie voorbereiden over geschiedschrijving op de Anton de Kom Universiteit. De heren hadden me gemaild en verteld dat ik alleen welkom was als ik op “rationele en correcte wijze” wilde mee discussiëren. Maar ze weigerden om mij te vertellen wat “rationeel en correct” is, zodat je het risico moet nemen dat je ter plekke moet horen wat je niet mag zeggen. Exit Sandew Hira.

Armand Zunder, die later ook een uitnodiging ontving, stelde dezelfde vraag en hij kreeg het volgende antwoord van Hassankhan mede namens Jagdew en Egger: <I>“De regels en normen die doorgaans in de geschiedwetenschap gelden. Wat die regels zijn, zullen de deelnemers uit de historisch wetenschappelijk literatuur moeten halen.”</I>

Dit antwoord is typerend voor het bedenkelijke niveau van de werkgroep. Het wekt de indruk alsof er een wetenschappelijke discussie aan de gang is over wat “rationeel en correct” is en daar ook overeenstemming over zou bestaan. Maar ze hebben die onzin ter plekke verzonnen om mij uit de conferentie te weren. Er bestaat helemaal geen algemeen geaccepteerde stelling in de geschiedwetenschappen over wat “rationeel en correct” is. Ze kunnen geen enkele bron aanwijzen waaruit blijkt dat die overeenstemming wel bestaat. Het is je reinste boerenbedrog.

Ze denken: In het land der blinden is éénoog koning; niemand weet dat we het verzonnen hebben en niemand gaat het controleren.

Mijn oproep dat wetenschappelijke conferenties geen beperkingen zouden moeten leggen op de vrijheid van meningsuiting, werd beantwoord met stilzwijgen. Ik werd uitgesloten van de maildiscussie over de conferentie, die gewoon doorging. Alex van Stipriaan stuurde een mail rond waarin hij mijn opstelling karakteriseert als een <I>“kruistocht tegen een aantal van ons”</I> en pleit tegen <I>“een te openbare bijeenkomst”</I>. Ook die mail werd niet naar mij gestuurd. Zo werd voorkomen dat ik een weerwoord kon formuleren: het principe van hoor en wederhoor is onbekend in dit gezelschap. Ik ontving de mail via via.

In een andere mail schrijven ze dat ze niet alleen “rationeel en correct” willen discussiëren. Ze willen uitsluitend “positieve krachten” hebben op de conferentie. En daar hoor ik volgens hen niet bij. Double exit Sandew Hira.

Het is net als in die oude dagen op de plantage. De blanke meester roept: “Houdt die opstandige marrons weg van de plantage!” En de basja’s Hassankhan, Jagdew en Egger reageren gezagsgetrouw. Ze sluiten de poorten van de plantage en houden de wacht voor de meester.

Zo te zien wordt deze conferentie van de Anton de Kom Universiteit een vergadering van braverikken, van wie verwacht wordt dat ze in nederigheid en onderdanigheid applaudisseren als de meester aantreedt.

In november 2010 was mijn waardering voor Doeko Bosscher ver beneden nul. Ruim een half jaar later is mijn respect voor hem torenhoog gestegen nu ik hem beter leer kennen. We zijn het niet altijd met elkaar eens, maar zijn integriteit en intellectuele moed om samen met zijn studenten het debat met mij aan te gaan, hebben dat respect bij mij doen groeien.

Hanneke en Doeko hebben me een glimp van een nieuwe toekomst laten zien, die helaas nog ver weg is voor Suriname.