Categoriearchief: Nieuws

Ons antwoord op etnische spanningen in de Surinaamse gemeenschap

Sandew Hira, 8-10-2021

De laatste tijd zien we in de Surinaamse gemeenschap in en buiten Suriname toenemen spanningen tussen de twee grootste etnische groepen van Suriname: Hindostanen en Afro-Surinamers. Ze komen tot uiting op sociale media, in discussies op straat, in de huiskamer en op het werk. Die spanningen hebben een geschiedenis, die geworteld is in het koloniale verleden.

Van solidariteit …..

Na de afschaffing van slavernij werden Aziatische arbeiders naar Suriname gebracht om het werk van de totslaafgemaakten op de door Nederlanders gecontroleerde plantages te doen. In het anti-koloniale verzet hebben Afro-Surinamers en Aziatische Surinamer samen opgetrokken tegen de kolonisator. In 1911 organiseerde Frans Killinger een groep Surinamers om met een militaire actie het koloniaal bewind omver wilde werpen. Killinger was in Hongarije geboren en in Suriname beland waar hij op 35-jarige leeftijd inspecteur van politie was geworden. Hij had de groep georganiseerd rond een revolutionair programma met o.a. de vervanging van de koloniale staatsvorm door een onafhankelijke republiek met een gekozen president. Naast Killinger zaten in de groep Louis Arduin (politie-agent 2e klasse), Johannes Arduin (opzichter bij een houtzaagmolen), Willem Arduin (schrijnwerker), Emile Sporkslede (kleermaker, later agent 2e klasse), de Guyanees James Hughes en de Hindostaan Jatan, die als contractarbeider had gewerkt en een andere Hindostaan Hosembocus had geworven. De actie werd vroegtijdig ontdekt en de groep werd gearresteerd.

In 1933 kwam Surinaamse arbeiders en kleinlandbouwers in opstand om Anton de Kom te bevrijden die door de koloniale autoriteiten was gearresteerd. Afro-Surinamers en Aziatische Surinamers mobiliseerden massaal om hem vrij te krijgen. Die opstand met in bloed gesmoord. Er vielen twee doden (de Guyanees Cyriel Murray en de Hindostaan Mohabier) en 22 gewonden (8 Afro-Surinamers, 8 Javanen en 6 Hindostanen).

… naar concurrentie

De inter-etnische solidariteit voor de Tweede Wereldoorlog veranderde in etnische competitie na de oorlog. In 1949 werden verkiezingen georganiseerd waarbij politieke partij op etnische grondslag werden geformeerd. De NPS werd gezien als een partij voor Afro-Surinamers, de VHP als een partij voor Hindostaanse Surinamers en de KTPI als een partij voor de Javaanse Surinamers. Bij de eerste verkiezingen krijgen ze respectievelijk 62%, 29% en 9% van de stemmen. Tussen 1949 en 1980 was dat het patroon van de politiekvoering: het was gebaseerd op het mobiliseren van een etnische achterban.

Die mobilisatie had twee kanten. De positieve kant was dat participatie in het politieke proces onderdeel was van de emancipatie van etnische groepen. Politieke macht stelde vertegenwoordigers van achtergestelde etnische groepen om vooruit te komen. De negatieve kant was dat die vooruitgang vooral eindigde in de vooruitgang van de leiders en hun familie- en vriendennetwerken, terwijl de grote massa het met de kruimels van vooruitgang moesten doen. Zij moesten hun emancipatie via andere kanalen realiseren, met name onderwijs en ondernemerschap. In de verkiezingsperiode laaiden de etnische spanningen op, omdat etnische mobilisatie de basis was van politiekvoering.

Eurocentrische visies op natievorming

Suriname heeft lange tijd onder Nederlands koloniaal bestuur geleden waar verdeel-en-heers een belangrijk instrument was om de Nederlandse overheersing in stand te houden. De oude politieke partijen hadden geen conceptie van natievorming, omdat ze zich geen toekomst konden voorstellen zonder Nederlandse overheersing.

De nationalistische beweging, die in de jaren vijftig is ontstaan, had wel een concept van natievorming. Politieke onafhankelijkheid was daarbij het belangrijkste principe. De PNR was in de voorhoede. Zij trok de NPS mee in haar nationalisme. De nationalistische beweging heeft een belangrijke kans laten liggen om aan die verdeel-en-heers een einde te maken door natievorming en de onafhankelijkheidsstrijd te formuleren in Eurocentrische termen. In Europa werd sinds de vrede van Westfalen in 1648 het principe erkend van de natie-staat. Iedere natie (volk) had het recht om een eigen staat te vormen zonder inmenging van derden. Maar daarbij werd uitgegaan van het principe dat één natie (één volk met een eigen taal en cultuur) in één staat leefde. Een multi-etnische staat waarbij verschillende volkeren in één staat leven en evenredige representatie van die verschillende volkeren in het landsbestuur een belangrijk principe is, werd afgewezen. In Suriname heeft de nationalistische beweging die uiteindelijk de onafhankelijkheid heeft gerealiseerd, het principe van de natie-staat gehanteerd in hun politieke ideologie. In die ideologie waren de Afro-Surinamers de dragers van een progressieve politiek die leidde tot de onafhankelijkheid. De Afro-cultuur was de grondslag voor een nationale cultuur: het sranan tongo als voertaal, de erfenis van slavernij als basis voor een nieuwe manier van identiteitsvorming. De PNR had geen notie van natievorming op basis van pluriformiteit zoals bijvoorbeeld in Bolivia: evenredige representatie van verschillende bevolkingsgroepen in het landsbestuur en een nationale cultuur gebaseerd op bijdragen van verschillende etnische groepen.

Een andere Eurocentrische visie kwam vanuit de socialistische beweging. Die beweging kwam in Suriname op aan het begin van de jaren zeventig. Hun ideologie was gebaseerd op klassenstrijd en anti-imperialisme. Ook zij hadden geen visie en beleid geformuleerd over hoe om te gaan met etniciteit in een multiculturele samenleving. Klasse was de basis voor politiekvoering en etniciteit had daarin geen plaats.

Tegenover het concept van de natie-staat bracht de ideoloog van de VHP, Jnan Adhin, een ander concept naar voren: eenheid in verscheidenheid. Het klonk mooi: eenheid in verscheidenheid. In de praktijk betekende het: “Laat me met rust. Jij doet jouw ding. Ik doe mijn ding. En verder vallen we elkaar niet lastig.”

Een dekoloniale visie op etniciteit en natievorming

Een goede illustratie van een dekoloniale visie op etniciteit en natievorming is de ervaring van Bolivia. Dat land is haar onafhankelijkheidsstrijd tegen Spanje in 1809 begonnen en proclameerde haar onafhankelijkheid op 6 augustus 1825. Maar de heersende elite van dat land waren witte afstammelingen van Spanjaarden. De Inheemse volkeren (er zijn verschillende groepen met verschillende talen en sociale structuren) werden buitengesloten van het staatsbestuur, hoewel ze de helft van de bevolking vormen. Na decennialange opbouw van een progressieve inheemse sociale beweging waarbij de verschillende volkeren met elkaar streden tegen imperialisme en voor nationale bevrijding werd op 18 december 2005 Evo Morales van de gekozen als eerste inheemse president in Latijns-Amerika met 54% van de stemmen, een absolute meerderheid. Zijn partij heette MAS (Movimiento al Socialismo – Beweging voor Socialisme). In 2009 werd een referendum gehouden voor een nieuwe grondwet. Die werd aangenomen met 61% van de uitgebrachte stemmen (opkomst 91%). Artikel 9 definieert de functies van de staat: “De constructie van een rechtvaardige en harmonieuze samenleving gebaseerd op dekolonisatie, zonder discriminatie of uitbuiting, met volledige sociale rechtvaardigheid teneinde de pluri-nationale identiteiten te versterken.”

Dit artikel bevat alle belangrijke elementen voor een dekoloniale visie op etniciteit en natie-vorming.

Ten eerste, etnische identiteit wordt erkend als een legitieme bron van identiteit. In Suriname staat deze legitimiteit ter discussie bij sommige groepen. Mag een Hindostaan of een Marron wel president worden van Suriname? Is dat een uiting van “Hindostanisering” of “Maronnisering”, zoals in Nederland representatie van Moslims door extreem-rechts wordt betiteld als “Islamisering”. De discussie over de legitimiteit van etnische identiteit is in Bolivia uitgemond in de wijziging van de grondwet. In Suriname staat die legitimiteit nog ter discussie.

Ten tweede, discriminatie wordt expliciet verboden. Dat betekent dat ieder etnische groep naar evenredigheid vertegenwoordigd mag worden in alle lange van het staatsbestuur en in alle sociale, culturele en economische voorzieningen. Dat komt niet zomaar tot stand. Daar is beleid voor nodig.

Ten derde, de constructie van een pluri-nationale staat betekent dat de harmonie tussen de groepen actief bevorderd moet worden. Daar is beleid nodig om solidariteit te ontwikkelen, elkaars culturen te leren kennen en te respecteren. Dat gebeurt niet vanzelf.

Ten vierde, sociale rechtvaardigheid is de basis voor solidariteit tussen de verschillende etnische groepen. Uitbuiting en sociale ongelijkheid zijn niet acceptabel. In de praktijk betekent het dat sommige etnische groepen in armoede leven. Iedereen heeft recht op een goede bestaanszekerheid. Dat komt niet vanzelf. Daar is beleid voor nodig.

Ten vijfde, discriminatie, uitbuiting, sociale onrechtvaardigheid hebben hun wortels in kolonialisme. Dekolonisatie is een taak van de staat in alle aspecten van de samenleving: economisch, politiek, sociaal en cultureel.

 

In Suriname staat de discussie over etnische identiteit en natievorming nog in haar kinderschoenen vergeleken met Bolivia, waar sociale bewegingen al decennialang hierover discussiëren en beleid ontwikkelen.

Het is tijd dat ook in Suriname deze discussie serieus wordt gevoerd.

Santokhi en Anton de Kom

Het conservatisme van de cancel-culture

Sandew Hira

2-9-2021

Inleiding

President Chan Santhoki van Suriname zal van 8 tot en met 11 september 2021 een werkbezoek brengen aan Nederland. Op vrijdag 10 september om 19.30 uur zal hij de Anton de Kom-lezing houden in het Tropenmuseum in Amsterdam. De jaarlijkse Anton de Kom lezing is een initiatief van het Verzetsmuseum in Amsterdam en Dagblad Trouw.

Een groep Surinamers heeft actie opgezet om te verhinderen dat Santokhi de lezing houdt. Ze hebben een petitie opgezet die betoogt dat Anton de Kom zich in zowel Nederland als Suriname heeft verzet tegen uitbuiting, uitsluiting, racisme en corruptie. Daar de president van Suriname bekend staat om het tegendeel en is hij daarom niet de aangewezen man om een lezing te houden over De Kom. De groep betoogt onder meer dat Santhoki door het etnisch georiënteerde overheidsbeleid in Suriname de vrede tussen de etnische groepen in gevaar brengt. De petitie was op 3 september door 736 mensen ondertekend, waarvan een groot deel anoniem.

Ik ben door verschillende mensen gevraagd om die acte te ondersteunen, maar dat heb ik geweigerd. Ik zal uitleggen waarom ik deze actie niet progressief vind, maar juist schadelijk voor de progressieve beweging. Ik geloof niet in de stelling dat als je tegen rechtse krachten bent, je automatisch progressief bent.

Anton de Kom als een nationale historische figuur

Lange tijd werd Anton de Kom afgeschilderd als een gefrustreerde zwarte man die een boek schreef over de geschiedenis van Suriname dat ver onder de maat was. De toon werd gezet door de koloniale historicus R.A.J. van Lier die over het boek van Adek Wij Slaven van Suriname schreef dat het “voornamelijk waarde heeft als document om de geestesgesteldheid van de Surinamer uit de lagere middenklasse te leren kennen [SH, hij bedoelt de zwarte Afro-Surinamers]. In zijn woorden is de herinnering aan het leed dat de voorouders van de slaven ondergingen merkbaar. Maar deze herinnering werd een deel van een pathetische gegriefdheid en rancune die het juiste inzicht in het verleden belemmeren.”

Anders gezegd, De Kom is niet wetenschappelijk, maar emotioneel. Dat beeld is nu sterk veranderd. Van Lier is intussen in diskrediet geraakt. Anton de Kom is een nationale held geworden. De Universiteit van Suriname is naar hem genoemd. Zijn afbeelding staat op Surinaamse bankbiljetten. Zijn visie op de Surinaamse geschiedenis is gemeengoed geworden in de Surinaamse geschiedschrijving.

Dit is het resultaat van jarenlange strijd van de progressieve beweging in Suriname. Het doel van die strijd is de erkenning van de bijdrage van Anton de Kom aan de strijd tegen het kolonialisme. Die erkenning moet een brede nationale erkenning zijn, niet een erkenning van uitsluitend progressieve mensen. Als dat het doel zou zijn geweest, dan is het een erg smal doel dat niet de moeite waar is om te ondersteunen. De strijd is al die jaren geweest om Anton de Kom door alle Suriname van alle politieke kleuren erkend te laten worden als een nationale figuur.

Nu is er een groep mensen die de klok wil terugdraaien. De Kom mag niet geprezen worden door alle Surinamers. Rechtse Surinamers mogen De Kom niet prijzen en als ze dat wel doen, gaan we hun vrijheid van meningsuiting inperken. Dit is te gek voor woorden en brengt ons jaren terug in de strijd om Anton de Kom te erkennen als een nationale figuur. Hoe kun je zeggen: je mag Anton de Kom niet prijzen, als je rechts bent? Wat is dat voor een onzinnige politiek stellingname. Blinde partijpolitiek en etnische sentimenten worden opgeroepen om iets dat zo klaar is als een klontje te vertroebelen met kwasi progressieve argumenten.

Etniciteit en de Surinaamse politiek

Een drijvende politieke kracht achter het eerherstel van Anton de Kom was Desi Bouterse, de leider van de NDP. Hij heeft ervoor gezorgd dat de universiteit naar De Kom werd genoemd in 1983 en zijn beeltenis op Surinaamse bankbiljetten kwam. De NDP heeft zich in de loop der jaren ontpopt als een leidende kracht in het dekolonisatieproces van Suriname. Zes jaar geleden bereikte haar populariteit een hoogtepunt, toen ze de verkiezingen in 2015 won met een absolute meerderheid: 26 van de 51 zetels. En toen ging het fout. Arrogantie en corruptie verzwakten de NDP. In 2020 ging ze terug van 26 naar 16, een verlies van 40%. Een belangrijk gebrek van de NDP is het gebrek aan een ideologisch kader. De NDP zegt wel voor dekolonisatie te zijn, maar een ideologische onderbouwing van wat dat is en wat dat betekent op het gebied van kadervorming en scholing is er niet. Veel is gebaseerd op de persoonlijke loyaliteit rond de persoon van Bouterse. Het gevolg is dat als de partij in een crisis geraakt – en dat is na de verkiezingsnederlaag het geval – er geen ideologische vangnet is van waaruit je de crisis kunt analyseren en begrijpen en oplossingen kunt bedenken hoe je eruit kunt komen. In dat geval komen oude reflexen terug en je ziet dat nu in de NDP de oude NPS ideologie van etnische strijd in Suriname de kop opduikt. Sommige Afro-Surinaamse NDP’ers presenteren de strijd in Suriname als een strijd van Hindostanen tegen Afro-Surinamers en niet als een strijd waarbij niet etnische competitie maar etnische solidariteit de basis moet vormen voor een strijd voor dekolonisatie. Deze achteruitgang heeft twee belangrijke gevolgen.

Ten eerste, het zal leiden tot een marginalisatie van de NDP op lange termijn net zoals de NPS nu gemarginaliseerd is en steeds onder de drie zetels hangt. Andere etnische groepen deze de NPS-traditie zien opduiken in de NDP, zullen de NDP verlaten waardoor de partij nog meer in de marge gaat opereren.

Ten tweede, een etnische blik verhindert je om te zien wat er daadwerkelijk in Suriname aan de hand is. Je laat je niet meer door feiten, maar door emoties leiden. Laten we naar de feiten kijken.

De Surinaamse politiek was vanaf de eerste verkiezingen in 1949 op etnische leest geschoeid. In 70 jaar is veel veranderd. Kijk naar de demografie (tabel 1). Een aantal zaken vallen op:

  1. Het aandeel van de grootste bevolkingsgroepen (Hindostanen en “Creolen” (Afro-Suriname die niet in stamverband leven)) is relatief gedaald; de grootste daling is onder de “Creolen”, hun aandeel daalde van 36% naar 16%.
  2. De Marrons kennen een spectaculaire groei. Hun aandeel steeg van 10 naar 22%.
  3. Het aandeel van “Gemengd” was in 1950 0% en in 2012 13%. Met andere woorden, er is een groeiende groep Surinamers die ouders hebben uit verschillende etnische groepen. Partijen die op één etnische groep zijn gebaseerd verliezen bij deze groep al gauw zeven zetels.

Dit heeft grote politieke gevolgen. Een partij die op één etnische groep is gebaseerd, zal nooit een meerderheid halen bij de verkiezingen. Het feit dat in 2015 het de NDP wel is gelukt, is omdat zij een nationale en niet een etnische uitstraling had. Afro-Surinamers in de NDP die een draai willen maken naar etnische politiek zijn gedoemd om te mislukken. Ze zullen die partij marginaliseren met hun etnische politiek.

Tabel 1: Etnische samenstelling van de Surinaamse bevolking 1950 en 2021

De “Creoolse” NDP’ers die de partij op etnische leest willen schoeien zijn daardoor blind voor wat zich afspeelt in de samenleving. Ze kijken met de bril van 1950 naar een samenleving van 2021. Ze zien de VHP nog steeds als een Hindostaanse partij en hebben helemaal niet door wat zich daar aan veranderingen voltrekken.

Tabel 2 laat de zetelverdeling zien in 2015 en 2020. Opmerkelijk is de winst van de VHP. Die is spectaculair gestegen van 9 naar 20, en stijging van 122%.

Tabel 2: Zetelverdeling DNA in 2015 en 2020

Combineer de gegevens van tabel 1 en 2, dan kun je uitrekenen wat het maximaal aantal zetels zou zijn per partij als de politievoering in Suriname volledig gebaseerd zou zijn op etniciteit. Zie tabel 3. Welke conclusies kun je hieruit trekken?

  1. De VHP is niet meer de oude VHP uit 1950. Als alle Hindostanen op de VHP zouden hebben gestemd in 2020, dan zouden zij maximaal 14 zetels hebben behaald. Maar er zijn heel wat Hindostanen die niet op de VHP, maar op andere partijen hebben gestemd. Ik schat dat in 2020 de electorale achterban van de VHP voor minstens 50% uit NIET-HINDOSTANEN heeft bestaan. Als je deze verandering niet ziet, en je behandelt de VHP als de oude VHP uit 1950, dan hou je niet alleen jezelf voor de gek (dat is niet zo erg), je houdt de hele gemeenschap voor de gek. En dat is geen goede basis voor een progressieve politiekvoering.
  2. Je kunt betogen dat de VHP de economische crisis heeft gebruikt om de anti-NDP sentimenten te mobiliseren. Dat is juist. In Venezuela hebben de Chavistas 25 verkiezingen in 20 jaar gehouden (nationaal, op staatsniveau, op gemeenteraadsniveau) en ze hebben 23 gewonnen. En dat is dan onder de omstandigheden van een enorme economische boycot van de VS en de EU en een diepe economische crisis. Maar hun jarenlange politieke heeft het politieke bewustzijn van een groot deel van het volk verhoogd. Dat werk heeft de NDP niet gedaan in Suriname en dat moet ze niet de VHP maar zichzelf verwijten. Maar wie de VHP in de afgelopen jaren heeft gevolgd, zal merken dat Santhoki daadwerkelijk pogingen heeft gedaan om de etnische basis van zijn partij te verbreden. Als je dat niet ziet, dan ben je blind. En dat moet je niet de VHP, maar jezelf verwijten. Santhoki heeft de etnische basis van een rechts-liberale partij verbreed. De NDP had de etnische basis van linkse partij verbreed. Maar als de NDP terug gaat naar etnische politiek, dan zal de VHP haar links en rechts voorbijstreven.

Tabel 3: Zetelverdeling als iedereen etnisch zou stemmen (gebaseerd op volkstelling 2012)

De Cancel culture als obstakel voor dekoloniale strijd

Ik heb twee redenen genoemd om de petitie tegen Santhoki niet te steunen:

  1. Het brengt de strijd voor nationale erkenning van Anton de Kom jaren terug. In plaats van toe te juichen dat een rechtse president van Suriname de linkse Anton de Kom gaat prijzen, ga je een actie voeren om te verhinderen dat hij De Kom prijst. Hoe conservatief kun je zijn?
  2. Het kijkt met de bril van 1950 naar de politiek van 2021 in Suriname. Dat is geen progressieve actie. Dat is teruggaan in de tijd.

Er is derde reden waarom ik tegen deze actie ben, en dat heeft niet met Santhoki te maken, maar met het instrument van “cancel-culture” in de strijd voor dekolonisatie. Eeuwenlang is progressieve sociale strijd geassocieerd met debat en discussie. Progressieve mensen dagen rechtse mensen uit voor discussie en debat. Dat is het instrument voor politieke educatie. Activisten van nu gebruiken een instrument van rechtse politieke krachten om hun strijd te voeren: cancel culture. Je hoeft niet in de arena te stappen om met je argumenten de andere partij te vloeren. Je bent buiten de arena en roept mensen op om niet de publieke discussie te voeren. Wie is daarbij gebaat? Dat zijn mensen die zwakke argumenten hebben, die niet overtuigd zijn van hun gelijk, die zich angstig verbergen voor het publieke debat. Dat zijn geen progressieve mensen.

Als je tegen Santhoki bent, dan kom je met argumenten (met feiten en niet met emoties) om aan te tonen waarin hij faalt. En dat moet niet moeilijk zijn voor progressieve mensen. Maar als Santhoki een podium betreedt waarin hij correcte standpunten verkondig (het prijzen van Anton de Kom), dan ben je toch niet goed wijs om dat te willen verhinderen. Dat is niet progressief. Dat is aartsconservatief.

Naschrift

De NDP moet uitkijken met een etnische basis te geven aan haar politiek. Wat het kan terugkaatsen met het verwijt: de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.

Tabel 4: De etnische samenstelling van de ministerraad tijdens kabinet Bouterse I 2010-2015

Het aandeel van “Creolen” is 45%.

Tabel 5: De etnische samenstelling van de ministerraad tijdens kabinet Bouterse II in 2015 -2010

Het aandeel van “Creolen”stijgt in 2015-2020 van 45% naar 55%.

Tabel 6: De etnische samenstelling van de ministerraad tijdens kabinet Santhoki in 2020

Het aandeel van Hindostanen is 47%; dat is minder dan het aandeel van “Creolen” van 55% in kabinet Bouterse II.

Als je politiek met een etnische in plaats van met een dekoloniale bril analyseert, dan kom je tot de conclusie dat de NDP etnischer is dan de VHP in haar uitstraling.

Pan-dekoloniaal collectief Aralez

Pan-dekoloniaal collectief Aralez, een grassroots organisatie gebaseerd in Amsterdam, organiseert maandelijkse Decolonial Learning Sessions. In online sessies van 1,5 uur biedt Aralez dekoloniale perspectieven op een verscheidenheid aan thema’s. Van ‘decolonizing the university’ tot ‘Climate justice reparations’ tot ‘Inheemse cosmovisies op autonomie’, tijdens deze learning sessions wordt het publiek meegenomen in zowel theoretische kaders als praktische ervaringen. De sessies worden gehost door kernleden van Aralez: Max de Ploeg, Chris de Ploeg, Chihiro Geuzebroek,  Chautuileo Kun en Pravini Baboeram. Naast het delen van hun eigen kennis en ervaring nodigt Aralez ook gastsprekers uit om specifieke thema’s uit te lichten, zoals ‘Energy sovereignty and solidarity’ en ‘Westers imperialisme en de War on  Terror’. Alle sessies worden opgenomen en beschikbaar gesteld in de Aralez blog. Wil je meer weten over Aralez of de Decolonial Learning Sessions? Klik hier voor meer info.

Dekoloniseer de 1 juli viering: de ketenen werden niet verbroken maar overgedragen

Sandew Hira
Den Haag 27-6-2021

Slechts één visie mogelijk op 1 juli?

Een wind van verandering waait door Nederland. In de nasleep van de anti Zwarte Piet beweging en Black Lives Matters, maar ook in de context van een radicale milieubeweging en de anti-imperialistische beweging rond de bevrijding van Palestina, ontwikkelt zich een klimaat waarin zaken die vroeger onbespreekbaar waren nu onderdeel zijn geworden van een brede maatschappelijke discussie. De kwestie van het uitroepen van 1 Juli tot een nationale feest- en herdenkingsdag is deel van die discussie in de vorm van een petitie aan de Tweede Kamer. En zoals ieder onderwerp m.b.t. koloniale geschiedenis zijn er twee hoofdstromingen: een dominante koloniale stroming die vanuit de akademia wordt geleid en een dekoloniale die vanuit sociale bewegingen wordt gepromoot. Dit artikel presenteert een dekoloniale analyse van de 1 Juli viering en herdenking.

Mitchell Esajas, een van de initiatiefnemers van de petitie, heeft een Facebook post geplaatst met de volgende tekst: “Je kan niet pro #BlackLivesMatter zijn en de petitie voor ‘Maak 1 Juli/Keti Koti een nationale vrije dag’ NIET tekenen.” Dit is een problematische post. Het stelt dat er vanuit de BLM sociale beweging maar één correcte visie is op 1 juli, de zijne. Laten we de visie van Dr. Glenn Willemsen, de veel te vroeg overleden eerste directeur van NiNsee en schrijver van het boek Dagen van Gejuich en Gejoebel ernaast leggen.[1] Het boek van Willemsen is de meest uitgebreide en diepgaande standaardwerk over de dag van de afschaffing van slavernij. Willemsen: Op Curaçao werd deze dag aanvankelijk wel herdacht, maar dat raakte al spoedig in de vergetelheid. 1 juli 1968 was de laatste keer dat op Curaçao emancipatiedag officieel werd herdacht. De jonge generatie ervaart de afschaffing van de slavernij als een daad van Nederlandse koloniale wetgeving die geen betekenis heeft voor de huidige Curaçaose samenleving. Veel meer belang wordt gehecht aan de herdenking van de grote slavenopstand die onder leiding van Tula op 17 augustus 1795 uitbrak. Met de leuze `overwinnen of sterven’, streden de slaafgemaakten voor hun vrijheid. Op Curaçao wordt 17 augustus officieel als Dag van de Vrijheidstrijd erkend.” De gedachte achter deze redenering is dat je niet de dag kiest die de kolonisator heeft ingesteld, maar een dag die de vrijheidsstrijd van de totslaafgemaakten herdenkt. Die vrijheid is belangrijker dan de vrijheid die de kolonisator heeft bedacht. Is dat een rare gedachte?

In Brazilië, het land waar 40%van alle gekidnapte Afrikanen zijn gebracht, werd slavernij op 13 mei 1888 afgeschaft. Die dag werd lange tijd gevierd door de bevolking en met name de zwarte gemeenschap. Door de opkomst van de Black Power beweging in de jaren zestig heeft de zwarte gemeenschap gekozen om een andere dag, 20 november, te vieren als de dag van het Zwarte Bewustzijn. Op 20 november 1695 werd Zumbi, de leider van de gemeenschap van vrije Afrikanen die ontsnapt waren uit slavernij, vermoord. De strijd van Zumbi werd gezien als deel van een lange strijd voor de bevrijding van zwarte mensen in Brazilië. Is dat een rare gedachte? Nee, er zijn goede argumenten te bedenken voor de keuze van een andere dag om de afschaffing van slavernij te vieren en herdenken.

Toch steun ik het initiatief van de petitie en wel op basis van tactische en niet op basis van principiële gronden. De eerste grond is dat het concept van 1 juli als een dag van Keti Koti, de dag waarop de ketenen van de totslaafgemaakten zijn verbroken, diep geworteld is in de Surinaamse gemeenschap (niet in de Antilliaanse). De Surinaamse gemeenschap is de grootste zwarte gemeenschap in Nederland en daar moet je rekening mee houden. De tweede grond is dat een dag van nationale viering niet het eindpunt, maar nieuw startpunt is om de sociale beweging tegen racisme te versterken. Het gaat namelijk gepaard met enorm veel educatie over koloniale geschiedenis. Daarom is het een goede zaak. Als je het tot een principieel punt in plaats van een taktische, dan kom je al gauw in de problemen. Want hoe reageer je hierop: “Je kan niet oproepen om de petitie voor ‘Maak 1 Juli/Keti Koti een nationale vrije dag’ tekenen en daarbij zwijgen over herstelbetalingen.”

Als je principieel bent, dan kun je niet zwijgen over herstelbetalingen. Als je tactisch bent, dan is het goed mogelijk om te stellen dat het opnemen van herstelbetalingen nu, de basis versmalt om te komen tot een nationale vrije dag en dus tot een bredere maatschappelijk discussie waarin later het onderwerp herstelbetalingen wordt ingebracht.

Laten we nu dieper ingaan op de twee benaderingen van 1 juli.

De dominante koloniale benadering

De koloniale benadering wordt het beste verwoord door de racist Pieter Emmer. Volgens hem hadden zwarte mensen geen notie van vrijheid. Emmer: “There is no indication that either the insurgent slaves or the maroons ever had the intention to abolish slavery and to strive towards general slave emancipation.”[2] Sterker nog, ze wilden helemaal geen afschaffing. Wat wilden ze wel? Zijn antwoord: “The fact that the slaves did not strive to abolish slavery does not indicate that the slaves in the Dutch Caribbean were not interested in more freedom to manage their own time. They wanted time to tend their own gardens, to sell their produce at other plantations or at slave markets, to go fishing and hunting and to own guns, to visit relations at other plantations and to stay away from their plantation from time to time. And in many ways, the slaves had their way.”[3]

Als zwarte mensen slavernij niet wilde afschaffen, waarom is het dan toch gebeurd? Emmer: “Who abolished the slave trade and slavery? For a long time the answer seemed simple: the governments in Europe, and the USA, Cuba and Brazil. The abolition of slavery was a typical feature of Western civilization.”[4] En dit is het leidende verhaal in van historici uit de koloniale stroming: de afschaffing van slavernij was het product van de Europese beschaving die het vrijheidsideaal had ontwikkeld, dat geen enkel andere beschaving heeft ontwikkeld. De helden in het verhaal van de afschaffing zijn witte mensen. Witte historicus Simon Drescher is lyrisch over die heiligen (saints) met William Wilberforce als de ultime Engelse held: “Abolitionism was part of Britain’s unchallenged status as the center of the movement to eliminate slavery from the world…  Symptomatic was the centenary of British colonial slave emancipation, in 1933… The national memory was refreshed by a roll call of the gallant band of Saints led by their English hero.”[5]

In Engeland was er een breder abolitionistische sociale beweging met vele petities en bijeenkomsten die druk uitoefenden op politici. Dat was het bewijs dat de afschaffing het resultaat was van oprechte humanistische gevoelens en niet het gevolg van economische, dus zelfzuchtige, motieven. Zwarte historici hebben als weerwoord: waarom heeft deze beweging dan de daders van de misdaad gecompenseerd in plaats van de slachtoffers? Hoe humanistisch is dat?

Op de vraag “Wat vier je op 1 juli?” is het antwoord vanuit de koloniale stroming: “We vieren een heldendaad van de Europese beschaving: de afschaffing van slavernij.” Voor een anti-racistische sociale beweging is dit een problematisch antwoord, want nu moet je de kolonisator prijzen voor deze daad van beschaving. Dat probleem doet zich niet voor als je een andere datum neemt dan 1 juli, namelijk een datum van het verzet door de totslaafgemaakten zelf, bijvoorbeeld de eerste opstand.

De koloniale benadering van de afschaffing van slavernij bestaat uit twee hoofdpunten:

  1. Slavernij wordt gezien als een systeem met één hoofdkenmerk: de mens als bezit van een ander mens.
  2. Slavernij wordt losgekoppeld van kolonialisme.

Een dekoloniale benadering

Wie viert wat op 1 juli?

De vraag “Wat vieren we op 1 Juli?” begint met de vaststelling dat er twee groepen feest vierden. De eerste groep bestond uit de totslaafgemaakten die vierden dat hun fysieke kettingen die hen tot bezit van de witte mensen maakten waren verbroken. Ze waren niet meer het eigendom van deze mensen. Maar er was een tweede groep die ook feest vierde en met goede redenen. Die bestond uit de eigenaren van de totslaafgemaakten die een flinke financiële compensatie kregen voor het “verlies” van hun bezit. Willemsen: De tegemoetkoming aan de slaveneigenaren kwam in totaal te staan op 11.876.260 gulden, waarvan 9.864.360 gulden voor Suriname en 2.011.900 gulden voor de zes eilanden die de Nederlandse Antillen vormden. Slechts ongeveer een kwart van het bedrag dat aan de slaveneigenaren in Suriname werd uitgekeerd, is in Suriname uitbetaald. Het overige deel ging naar in Nederland wonende eigenaren, van wie velen na ontvangst van de betaling hun onderneming in Suriname sloten.”[6] Willemsen legt het verband uit met de uitbuiting van Indonesië. Want wie draaide op voor de kosten van de afschaffing van de slavernij in het Caraïbisch gebied? Willemsen: “De West-Indische slavenemancipatie werd uit het surplus van de exploitatie van Java (de zogenaamde ‘Indische baten’) gefinancierd.”[7] De enorme winsten uit de uitbuiting van het Indonesische volk hebben de afschaffing in Suriname en de Antillen gefinancierd.

Waarom is de slavernij afgeschaft?

Hierboven is de koloniale analyse van de afschaffing van slavernij uitgelegd: het was het resultaat van de Europese beschaving. In Nederland was er een probleem. Er was geen abolitionistische beweging van betekenis? Waarom is de slavernij dan in de Nederlandse koloniën afgeschaft. Gert Oostindie, die samen met Alex van Stipriaan tot de leiding van de koloniale stroming van historici in Nederland behoort, geeft als antwoord: “Desinteresse!” Oostindie, die uit jaloezie het meesterwerk van Willemsen “gemakzuchtige bladvulling” noemt, heeft hiermee een probleem voor zichzelf geschapen. Humanisme of egoïsme zijn motieven om handelingen te plegen, maar desinteresse is geen motief, maar een state of mind. Ik leg dat in detail uit in mijn kritiek op Oostindie in de essay Decolonizing The Mind.[8] Willemsen heeft de discussie over de redenen voor de afschaffing van de slavernij heel nuchter en wetenschappelijk aangepakt. Hij is gaan kijken welke redenen de beleidsmakers uit die tijd als argumenten hebben gebruikt.

Op 29 november 1853 stelde de regering een commissie onder voorzitterschap van de ex-minister van Koloniën J.C. Baud om te onderzoeken waarom, of en hoe de slavernij zou moeten worden afgeschaft. De voorbereiding voor de daadwerkelijke afschaffing heeft dus tien jaar geduurd. Willemsen geeft het belangrijkste argument van de commissie Baud weer om de slavernij af te schaffen: ‘De emancipatie is […] een maatregel van materiële noodzakelijkheid, zonder welken Suriname onmisbaar te gronde gaat, door het wegsterven zijner landbouwers. Met de emancipatie zal Suriname wel minder opleveren dan thans, maar zal voor algeheele vernietiging behoed blijven. Kortom, voor Suriname schijnt de emancipatie het eenig middel van behoud.’[9]

Hoe was Baud tot dit standpunt gekomen? Hij had op basis van statistieken van het ministerie van Koloniën vastgesteld dat de slavenbevolking sterk terugliep: van 42.272 personen in 1833 tot 34.773 in 1841. Dat was een daling van 18%, wat neerkomt op een jaarlijks gemiddelde van 2¼%. Willemsen licht het motief verder toe: Het zwaarst wegende belang – daarover laat de tekst geen misverstand bestaan – was het behoud van Suriname als exploitatiekolonie voor Nederland. De toelichting stelt dat Suriname als suikerproducerende kolonie in verval verkeerde. De reden daarvoor lag in de krimp van de slavenbevolking. Door het uitzonderlijk lage geboortecijfer en het buitengewoon hoge sterftecijfer van de slavenbevolking was er geen sprake van natuurlijke aanwas. Met name de suikerproductie was (en daar was ook de koloniale overheid zich van bewust) een afmattende, slopende en gevaarlijke bezigheid die door de slavenbevolking werd gehaat omdat ze vele levens eiste. Suriname was, net als de andere plantage economieën in het Caraïbisch gebied, wat dit betreft een abattoir. De plantagebezitters waren dus afhankelijk van een constante import van nieuwe slaven, maar sinds de slavenhandel was afgeschaft kon de populatie niet meer worden aangevuld.”[10]

Hoe werd de slavernij afgeschaft?

Toen de regering zover om over te gaan tot daadwerkelijke afschaffing, formuleerde ze een beleid dat gebaseerd was op drie overwegingen. Willemsen:

  1. De emancipatie moest door de staat geleid worden.
  2. De planters moesten gecompenseerd worden voor hun verlies aan eigendom.
  3. Een nieuw systeem van dwangarbeid moest worden opgezet: contractarbeid.

Een belangrijk principe was: “No emancipation without reparations!” Dit zou een slogan kunnen zijn van de anti-racistische beweging, maar het was een slogan van de koloniale planters die verwoord werd in het rapport van de Commissie Baud: “Geen Emancipatie van staatswege zonder voorafgaande schadeloosstelling aan de slavenhouders.”[11] Dus geen emancipatie van zwarte slachtoffers zonder compensatie van witte daders. De commissie Baud had voorgesteld dat de vrijgemaakten zelf moesten opdraaien “voor de kosten van hun vrijmaking en die zoveel mogelijk terugbetalen aan de staat.” Maar dit bleek niet haalbaar, dus kwam de regering met het voorstel dat de staat dit zou moeten doen uit de winsten van de uitbuiting van Indonesië (die waren geoormerkt in het overheidsbudget als zijnde afkomstig uit Oostindië, de Oostindische baten).

Slavernij kon niet direct worden afgeschaft, betoogde de commissie. Willemsen: Omdat slaven volgens de commissie op een lage trede stonden op de trap van beschaving en zedelijkheid – zelfs diegenen die christen genoemd konden worden, maakten zich schuldig aan ‘veelwijverij en veelmannerij’ – diende de staat, als zij de opheffing van de slavernij beval, dit te doen in het belang van godsdienst, beschaving en welzijn. Aan de geëmancipeerde behoorde voorts de verplichting te worden opgelegd tot arbeid. Dit kon door het meesterschap van de planters te vervangen door het gezag van de staat.”[12]

De beschuldiging van veelwijverij zedelijk verval was komisch gegeven het gedrag van Koning Willem III die verantwoordelijk wordt gehouden voor de afschaffing van de slavernij. De biografen van het koningshuis schrijven: Zo waren er flink wat bastaardkinderen. Zowel Willem I als Willem III gingen vreemd en beiden hadden kinderen bij andere vrouwen. Willem I had vier kinderen met de gouvernante van zijn overleden dochter Paulina… Een affaire van Willem III leidde zelfs bijna tot troonsafstand. Hij had zijn maîtresse zwanger gemaakt en wilde met haar op het platteland gaan wonen… Willem II had een ander ‘probleem’: hij was biseksueel (in die tijd een misdaad) en werd gechanteerd door ene Petrus Janssen. Die beweerde dat de koning hem had aangerand. Als de koning hem zou betalen, zou Janssen niets zeggen over zijn biseksualiteit. De koning zette Janssen in de gevangenis, maar daar ging de chantage gewoon door. Alles bij elkaar betaalde Willem II hem, en mensen om hem heen, jarenlang omgerekend honderdduizenden euro’s.”

De eerste dag van 1 juli

Hoe werd de eerste viering van 1 juli ingericht? Willemsen legt dat in details uit.

Ten eerste de informatievoorziening. De Nederlandse regering misleidde de Afro-bevolking over de afschaffing. De informatievoorziening was ook in het Sranan Tongo. Willemsen: “De koloniale overheid ging bij haar vertalingen echter vrij selectief te werk: van de nieuwe wetten werden niet alle artikelen vertaald. Wij hebben vastgesteld dat wetten en of bepalingen die betrekking hadden op de slaveneigenaren vaak niet werden vertaald, waardoor de vrijgemaakten geen kennis droegen van die bepalingen. Zo werd een van de meest belangrijke bepalingen uit de wet die de opheffing van de slavernij regelt niet aan de vrijgemaakte bevolking bekend gemaakt. Het gaat om artikel 2 van de wet van 8 augustus 1862 houdende de opheffing van de slavernij in de West-Indische koloniën, waarin wordt bepaald dat de slavenhouders in Suriname voor elke nog in leven zijnde slaaf een bedrag van f 300, – als schadeloosstelling zouden krijgen. In de in het Sranan vertaalde tekst van deze wet, werd dit belangrijke artikel weggelaten.”[13]

Ten tweede, de keuze voor de dag van 1 juli. Willemsen: Waarom had de Nederlandse regering de datum van 1 juli 1863 aangewezen als de dag waarop de tot slaaf gemaakten hun vrijheid mochten verkrijgen en niet een ander tijdstip? Volgens de Memorie van Toelichting op de wet tot afschaffing van de slavernij is deze datum niet willekeurig gekozen, maar met het plantersbelang voor ogen. Destijds viel 1 juli in Suriname in de grote regentijd, een periode waarin de productie van suiker twee tot drie maanden bijna geheel stil lag. Dan was er weinig arbeid nodig op de plantages, ‘weshalve alsdan een tijdelijke stilstand van arbeid – zoo als bij de emancipatie aanvankelijk kan worden verwacht – het minst nadeelig zal zijn’. Omdat men dacht dat de vrijgemaakten de eerste tijd zouden willen genieten van hun pas verkregen vrijheid en niet op de plantages zouden willen werken, werd de datum van 1 juli voor de planters het minst nadelig geacht. Een andere verwachting was dat de vrijgemaakten door de vele en zware regens niet zouden gaan ‘rondzwerven’ en daardoor eerder geneigd zouden zijn arbeidsovereenkomsten te sluiten met hun voormalige overheersers. Dit zou volgens de regering orde en rust bevorderen.  Samengevat wilde de regering dat de Emancipatie plaats vond in een periode waarin weinig werk was op de plantages ‘opdat de arbeid zoo min mogelijk moge worden verstoord’.

De orale geschiedenis van Suriname geeft een geheel andere verklaring voor de keuze van 1 juli als emancipatiedag. In de slaventijd was het gebruikelijk om jaarlijks, met nieuwjaar en/of halfjaarlijks, op 1 juli, uitdelingen te houden van kleding en levensmiddelen. Bij deze wettelijk voorgeschreven verstrekkingen kregen de slaafgemaakten vrij en het geheel ging met zang, dans en feestvieren gepaard. Bekend waren de zogenaamde `Nieuwjaarsspelen’, waarbij er volgens de Hernhutter zendelingen “somtijds zes dagen achter elkander gedanst, gezongen, geraasd en gedronken wordt”. Door de vrijmaking te laten samenvallen met een van deze `volksfeesten’ dacht de koloniale overheid twee vliegen in een klap te slaan.”

Ten derde, de voorbereidingen om een eventuele te uitbundige viering van vrijheid die tot een opstand kon leiden gewelddadig de kop in te drukken. Willemsen: “De politiemacht werd gereorganiseerd en met vijftig manschappen versterkt. Er werd een korps marechaussees opgericht met een sterkte van 122 onderofficieren en manschappen dat nog voor 1 juli 1863 op sterkte werd gebracht. Op de avonden van 1 en 2 juli liepen patrouilles van de politie uit voorzorg door de stad. Zij konden echter ongestoord door de lege straten marcheren. De Surinaamse legermacht van ruim achthonderd manschappen werd uitgebreid met een compagnie van tweehonderd mariniers en 144 manschappen bestemd voor het bataljon jagers… Al op 10 februari 1863 arriveerden de tweehonderd mariniers met het fregatschip Landbouw, dat aan boord ook een grote hoeveelheid ammunitie had. De overige manschappen arriveerden in de loop van de maanden daarna vanuit Nederland aan boord van de militaire zeeschepen Cornelis Dirks, Stavoren, Delfzijl en Dommel. De zeemacht werd bovendien versterkt met een korvet met stoomvermogen, vier stoomflottille vaartuigen en een schoener.”[14]

Ten vierde: de kolonisatie van de geest. De nieuwe burgers moeten geestelijk gevormd worden in de tradiei van gehoorzaamheid, onderdanigheid en het ontnemen van zelfrespect. Willemsen: “Vooral de vraag welke familienamen de geëmancipeerden zouden aannemen, stond hoog op de agenda bij de machthebbers. Bij de behandeling in de Staten-Generaal van het wetsontwerp tot opheffing van de slavernij had een afgevaardigde de minister van Koloniën erop geattendeerd dat erop moest worden toegezien dat de slaven niet de geslachtsnamen aannamen van hun oude meesters. Er zou namelijk verwarring kunnen ontstaan, ‘om van zwarte Vondels en andere beroemde personen [maar] te zwijgen’. Om dit probleem op te lossen, stonden de slavenhouders voor de taak om in de laatste maanden voor 1 juli 1863 meer dan 30.000 nieuwe namen te bedenken.20 Anders dan in de Verenigde Staten van Amerika, waar de vrijgemaakten zelf nieuwe namen mochten kiezen, kregen de vrijgemaakten in Suriname hun familienaam van de koloniale overheid of de planters.”[15]

Een andere manier van het koloniseren van de geest was het inzetten van de kerk om een attitude van onderworpenheid te kweken. Willemsen: “Al lang voor de ‘grote dag’ trachtten de zendelingen de gedoopte slaven dus al in spirituele zin voor te bereiden op hun aanstaande vrijheid. Deze spirituele controle, in de Koloniale Verslagen ook wel het ‘gunstig stemmen van de slaven’ genoemd, was vooral het werk van de Moravische Broeders (ook bekend als Hernhutters); in iets mindere mate was het ook het werk van de katholieke missionarissen. Volgens Helman werd het christendom door de Hernhutters (en de katholieken) overgedragen op de slaven met een ‘geloofsleer die de nadruk legde op genade en verlossing, lijden en medelijden. Het leidde tot een “levenskunst” die deemoed, geduld, berusting en onderdanigheid ten opzichte van de machthebbers ten toon spreidde.’”[16]

En tenslotte was daar de ultieme daad van dank. Er werd een lied gecomponeerd “Gi Koning Willem III” (“Voor Koning Willem III) die in alle kerken werd gezongen en waarin de koning wordt geprezen en bedankt voor zijn weldaad.

De ketenen werden niet verbroken maar overgedragen

Mijn dochter Pravini reikte mij dit concept aan: op 1 juli de ketenen werden niet verbroken, maar overgedragen. Zonder de inrichting van een nieuw systeem van dwangarbeid, zou het oude systeem niet afgeschaft kunnen worden. Toen de regering het wetsontwerp in tot opheffing van de slavernij indiende bij het parlement stond deze eis dan ook centraal: “dat de vrijverklaring dient gepaard te gaan van de invoering van nieuwe werkkrachten.”[17] Zonder Aziatische contractarbeid, geen zwarte emancipatie! Dit aspect wordt in de Afro-gemeenschap bij de herdenking en viering van 1 juli volledig over het hoofd gezien. Perez Jong Loi heeft een stap in die richting gezet door erop te wijzen dat 1873 moet worden aangehouden als het jaar van emancipatie, en niet 1863. De periode van staatstoezicht (1863-1873) was een periode van dwangarbeid voor Afro-Surinamers. De gedachte dat de afschaffing van slavernij mogelijk was door de invoering van contractarbeid als een nieuw vorm van dwangarbeid is duidelijk aanwezig bij Anton de Kom. Hij legt het verband uit tussen emancipatie en contractarbeid door de contracten die tijdens het staatstoezicht werden afgesloten “koeliecontracten” te noemen. De Kom: “De heele emancipatie der slaven werd zoo ingericht dat de vrijgelatenen geen andere keus zouden hebben dan het vrijwillig weder opnemen der slavernij die men zoo juist wettelijk afgeschaft had. Terwijl de kolonisten driehonderd gulden per slaaf ontvingen, konden de vrijgelaten slaven zelfs geen rooie cent hun eigendom noemen. Zij waren vrij, doch zonder de middelen om ook maar een enkelen dag voor zich zelf te kunnen zorgen. Zij ontvingen geen land, zooals vroeger de Europeesche kolonisten. Zij ontvingen geen landbouwonderwijs om later op de kostgronden voor zichzelf te kunnen zorgen. Zij kregen geen crediet om zich op gepacht land de gereedschappen te kunnen verschaffen die voor het bewerken van de akkers noodig waren. Het eenige wat zij ontvingen, was de mededeeling dat alle plantageslaven van 15 tot 60 jaar verplicht waren om koeliecontracten [mijn nadruk] te sluiten tot het verrichten van plantagearbeid. Ook zij die in de stad woonden (stadsslaven) moesten contracten sluiten voor het verrichten van huisarbeid. Het loon werd natuurlijk voor, bij en buiten hen om vastgesteld. Zoo zag de ‘vrijheid’ er uit onder het z.g. ‘staatstoezicht’. “[18]

Hij gaat dieper in op het verband tussen emancipatie en contractarbeid: “In 1858 werden op aandringen van een aantal planters, die van oordeel waren, dat immigratie noodig was vóór tot afschaffing der slavernij kon worden overgegaan, door bemiddeling van den Nederlandschen Consul in Macao een 500 Chineesche koelies geronseld… De Chineezen werden volkomen als slaven behandeld. Toen zij hiertegen in verzet kwamen, werden zij zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen, door de politie met rietslagen gestraft, een onwettige handeling die telkens en telkens herhaald is.”[19]

Zonder Aziatische contractarbeid, geen zwarte emancipatie. Contractarbeid was niet alleen vervangende dwangarbeid. Het had ook een ander doel: zorgen dat de lonen van de Afro-Surinamers die gedwongen waren om loonarbeid te verrichten op de plantages om in hun levensonderhoud te voorzien, naar beneden werden gedrukt. Volgens De Kom liet men Aziaten “onder valsche voorspiegelingen, contracten […] teekenen waardoor loon en arbeidsvoorwaarden in Suriname omlaag gedrukt worden.”[20]

Welke ketenen werden verbroken?

In de koloniale benadering is slavernij een systeem met één hoofdkenmerk: de mens als bezit van een ander mens. In de dekoloniale benadering is de trans-Atlantische slavernij een wereldsysteem gebaseerd op vijf kenmerken:

  • Een economisch systeem waarbij Westerse particuliere bedrijven mensen lieten kidnappen om als werkvee en eigendom van die bedrijven te beschouwen (eerst de Inheemse bevolking en later Afrikanen) zodat ze hun leven lang onder dwang gratis arbeid kunnen verrichten. De afschaffing van slavernij verbrak een deel van de economische ketenen: de zwarte mens was geen eigendom. De particuliere bedrijven gingen door met andere vormen van arbeid (dwangarbeid, loonarbeid).
  • Een sociaal systeem waarin sociale verhoudingen op basis van raskenmerken werden georganiseerd. De witte mens was superieur en stond aan de top van de samenleving. De zwarte mens was inferieur en stond aan onderaan. De afschaffing van de slavernij heeft dat niet veranderd.
  • Een politiek systeem waarin de witte kolonisator de zwarte bevolking bestuurde met harde hand. De inzet van leger, politie en veiligheidsdiensten zorgen voor een systematische controle op de bewegingsvrijheid van de zwarte bevolking. De afschaffing van de slavernij heeft dat niet veranderd.
  • Een cultureel systeem waarin de geest van de zwarte mens werd gekoloniseerd en minderwaardigheid en het ontnemen van zelfrespect werd bevorderd. De afschaffing van slavernij heeft niet geleid tot de afschaffing van mental slavery.
  • Een geografische systeem waarin de kolonie een wingewest was om de welvaart van Europa te bevorderen. De uitbuiting van de kolonie was een belangrijke basis voor rijkdom van Nederland. Koloniale historici proberen het tegendeel te bewijzen door te verzwijgen hoe arm Nederland zou zijn geworden als ze honderden jaren lang gewoon een normaal loon had betaald aan de zwarte arbeider. Er is geografisch wel wat veranderd, maar de basisverhouding van het machtige Noorden dat het rijke Zuiden wil beroven van haar natuurlijke hulpbronnen bestaat nog steeds.

Als je pleit voor een nationale viering en herdenking van het verbreken van de ketenen (Keti Koti) moet je de vraag stellen: over welke ketenen praat je?

Aan wie werden de ketenen overgedragen?

Mijn goede vriend Prof. Stephen Small van de University of California Berkeley die samen met mij veel werk verzet op het gebied van slavernijgeschiedenis, zegt: “For every act of oppression, there was act of resistance.” Na de afschaffing slavernij werden economische, sociale, culturele en politieke ketenen overgedragen aan Afro-Surinamers. En zij kwamen in verzet daartegen. Veertig jaar geleden publiceerde ik mijn eerste boek: Van Priary tot en met De Kom – de geschiedenis van het verzet in Suriname 1630-1940.[21] Daarin behandel ik het verzet tegen het kolonialisme in Suriname vanaf het begin van de kolonisatie. Al vrij snel na de afschaffing van slavernij, tijdens het staatstoezicht, begon het verzet van Afro-Surinamers. In 1889 kwamen de zwarte kleine boeren in Para in opstand tegen het koloniaal bewind naar aanleiding hoge belastingen. In 1910 was Suriname in rep en roer toen een groep mensen onder leiding van Frans Killinger werd gearresteerd omdat ze plannen hadden om het koloniaal bewind omver te werpen en een democratische vrije republiek te vestigen. In 1921 lieten de Marrons van zich horen met een drie maanden lange staking van Marron vrachtvaarders die een belangrijk rol speelden in de goudindustrie als transporteurs op de rivieren. In de jaren dertig kwam de arbeidersbeweging op die in 1931 de hongeroproer organiseerde en in 1933 de protesten tegen de arrestatie van Anton de Kom. In 1863 werden de ketenen niet verbroken, maar overgedragen aan nieuwe generaties Afro-Surinamers.

Met de invoer van het systeem van Aziatische contractarbeid, die de noodzakelijke voorwaarde was voor het verbreken van de ketenen van de zwarte bevolking, werden de ketenen overgedragen aan een nieuwe groep Surinamers: Aziaten van China, India en Indonesië. Voor de Tweede Wereldoorlog was er solidariteit onder de onderdrukte geketende bevolkingsgroepen van Suriname. Na de Tweede Wereldoorlog werd met de invoering van het algemeen kiesrecht en de introductie van politieke partijvoering op basis van etniciteit een systeem van verdeel-en-heers doorgevoerd. Tijdens de opstand bij de arrestatie van De Kom in 1933 vielen er twee doden: de Hindostaan Mohabier en de Afro-Guyanees Cyriel Murray.[22] Toen de fysieke ketenen van de Afro-Surinamers op 1 juli 1863 werden verbroken heeft het gekoloniseerde volk van Suriname nieuwe manieren gevonden om de ketenen die overgedragen werd te verbreken in een continu proces van verzet. Wij moeten daaruit lessen trekken over hoe we hun offers gaan herdenken.

Hoe zou je een nationale viering en herdenking kunnen inrichten?

De kolonisator heeft Hindostanen en Afro-Surinamers geleerd om elkaar te haten. Wij moeten onze generatie leren om elkaar lief te hebben. De kolonisator heeft ons geleerd om elkaar als concurrent te zien. Wij moeten onze kinderen leren om elkaar als partners te zien in een strijd om emancipatie en bevrijding. De kolonisator heeft ons geleerd dat de vooruitgang van de ene groep ten koste gaat van de vooruitgang van de andere groep. Wij moeten onze generatie leren dat de vooruitgang van de ene groep een inspiratiebron moet zijn voor de vooruitgang van de andere groep. De kolonisator heeft ons geleerd om neer te kijken op elkaar. Wij moeten onze generatie leren om elkaar met respect te behandelen.

Het wordt tijd dat we onze herdenkingen gaan verbinden met elkaar. Op 1 juli zou het Sarnámihuis als vertegenwoordiger van een online community van Hindostanen in Nederland een boodschap van liefde en solidariteit moeten sturen naar de Afro gemeenschap, ongeacht of die boodschap wel of niet wordt beantwoord, gewoon als principe en niet als onderhandeling. Afro-Surinaamse organisaties zouden moeten leren om op 5 juni zulke boodschappen te sturen naar de Hindostaanse gemeenschap.

Op 5 juni 2023 wordt in de Hindostaanse gemeenschap 150 jaar Hindostaanse immigratie herdacht. Op 1 juli 2023 wordt in de Afro-gemeenschap 160 jaar Keti Koti herdacht. Hoe mooi zou het zijn als in dat jaar een gemeenschappelijke boodschap van Hindostaanse en Afro-Surinaamse organisatie zou worden uitgegeven naar de hele gemeenschap dat de ketenen zijn overgedragen en het een gezamenlijke strijd om die te verbreken. Hoe mooi zou het zijn als op 1 juli 2023 eindelijk een standbeeld van Flora en Sery naast het standbeeld van Tetary bij het presidentieel paleis in Paramaribo zou worden onthuld. Een standbeeld van krachtige vrouwen. Flora en Sery zijn twee dappere Marron vrouwen die weigerden om het kamp van hun gemeenschap te verraden en dat met de dood hebben moeten bekopen. Anton de Kom deed hen een belofte: “Dappere Séry. Dappere Flora. Wij zullen uw namen steeds in eerbied gedenken.”[23] Hoe mooi zou het zijn als we in 2023 zijn belofte konden nakomen met het standbeeld van Flora en Sery naast die van Tetary. De Kom kendehet verhaal van Tetary, maar haar naam niet. Hij schrijft over de opstand op plantage Zorg en Hoop dat in September 1884 … er een groote opstand onder de Indische contractkoelies [viel] te vermelden. Dadelijk werden de troepen opgecommandeerd, de ‘extremisten’ aangevallen en zeven ‘belhamels neergelegd’. Zoo slaagde gouverneur van Heerdt tot Eversberg er in, met bloedig geweld den opstand in korten tijd te dempen.”[24] Het ging om de opstand waar Tetary werd vermoord. Laten we Anton de Kom in 2023 trots laten zijn op de hele Surinaamse gemeenschap door in dat jaar samen op te trekken in de herdenking van het verzet tegen het kolonialisme.

Leeswijzer

Wie meer wil lezen over de discussie over slavernij kan de volgende stukken raadplegen:

  1. Hira, S. (1984): Van Priary tot en met De Kom. De geschiedenis van het verzet in Suriname, 1630-1940. Futile, Rotterdam.
  2. Hira, S. (2009): Decolonizing the mind. Een fundamentele kritiek op het wetenschappelijk kolonialisme. Amrit, Den Haag.
  3. Hira, S. (2014): 20 Questions and Answers on Reparations for Colonialism. Amrit, Den Haag.
  4. Kom, A. de (1934): Wij Slaven van Suriname. Contact, Amsterdam.
  5. Small, S. en Hira, S. (2014): 20 Questions and Answers on 20 Questions and Answers on Dutch Slavery and its Legacy. Amrit, Den Haag.
  6. Willemsen, G. (2006): Dagen van Gejuich en Gejoebel. 1 juli 1863: afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Amrit/Ninsee. Den Haag/Amsterdam 2006.
  7. Website IISR: https://iisr.nl/slavernij/.

 

[1] Willemsen, G. (2006): Dagen van Gejuich en Gejoebel. 1 juli 1863: afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Amrit/Ninsee. Den Haag/Amsterdam 2006.

[2] Emmer, P.C. (2008): Emmer, P.C. (2008): Who abolished slavery?. Resistance and accommodation in the Dutch Caribbean. Paramaribo, p. 15.

[3] Emmer, P.C. (2008), p. 18.

[4] Emmer, P.C. (2008), p. 2.

[5] Drescher, S. (2010): British abolitionism and imperialism. in: Peterson (2010), pp. 129-149. Peterson, D.R.(ed.) (2010): Abolitionism and imperialism in Britain, Africa, and the Atlantic. Cambridge Centre of African Studies Series. Ohio University Press. Athene, p. 130.

[6] Willemsen, G. (2006): p. 139.

[7] Idem, p. 138.

[8] Hira, S. (2009): Decolonizing the mind. Een fundamentele kritiek op het wetenschappelijk kolonialisme. Amrit, Den Haag, p. 30 e.v.

[9] Willemsen, G. (2006): p. 89.

[10] Idem, p. 83-84.

[11] Idem, p. p. 79-80

[12] Idem.

[13] Idem, p. 116-117.

[14] Idem, p. 136-137.

[15] Idem, p. 142-143.

[16] Idem, p. 142.

[17] Idem, p. 89.

[18] Kom, A. de (1934): Wij Slaven van Suriname. Contact, Amsterdam, p. 135-136.

[19] Idem, p. 127-128.

[20] Idem, p. 161.

[21] Hira, S. (1982): Van Priary tot en met De Kom. De geschiedenis van het verzet in Suriname, 1630-1940. Futile, Rotterdam.

[22] Hira (1982), p. 316.

[23] Kom, A. de (1934), p. 74.

[24] Idem, p. 158.

Kolonialisme en de Indiase dans

Wat is de relatie tussen kolonialisme en dans. Poernima Gobardhan is een Hindostaanse danseres getraind in Indiase klassieke dansen. Ze is afgestudeerd als Master Of Arts And Culture in Theatre Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Ze produceert een dansvoorstelling waarin de invloed van de voorouders van Hindostanen op de gemeenscap wordt uitgebeeld. Hiervoor ging ze in gesprek met Sandew Hira over kolonialisatie van de geest en kunst.

Lees hier meer over Poernima.

Volg hier het interview met Poernima. De laatste vijf minuten is het gesprek met Sandew Hira.

Op 5 mei presenteert ze de solovoorstelling My Pitṛs in combinatie met Elly & Me op het India Dans Festival 2021! via een digitale stream. presenteer ik de solovoorstelling My Pitṛs in combinatie met Elly & Me. Een inspirerende double-bill waarin elementen uit Bharata Natyam en de Vedische traditie gebruik om te reflecteren op het fenomeen sterfelijkheid.

My Pitṛs

De solo My Pitṛs (mijn voorouders) stelt het lineaire besef van tijd ter discussie. Ons heden kan niet begrepen worden zonder het verleden. Ook in onze individuele tijdslijn speelt het verleden, de geschiedenis van onze voorouders een beslissende rol. De tijd is circulair waarbij het verleden, het heden en de toekomst met elkaar verbonden zijn. Circulair betekent niets minder dan dat je voorouders verbonden zijn met jouw leven. Op die wijze blijft elk leven behouden in de gedachtes van volgende generaties.

Elly & Me

In 2019 maakte ik Elly & me voor het CaDance Festival, gebaseerd op de roman Eline Vere van de Haagse schrijver Louis Couperus. De solo laat zien hoe ik mij verhoudt tot Eline, vrouw die zich niet wil conformeren aan de verwachtingen van de maatschappij. Het 19de-eeuwse personage toont schrijnend veel overeenkomsten met de vrouw van vandaag. Met de torenhoge paradoxale verwachtingen lijkt het zelfs nog makkelijker jezelf te verliezen in de ellende.

Klik hier voor meer informatie.

Een dekoloniale visie op klimaatverandering

Op 22 en 23 april 2021 heeft president Biden een videoconferentie georganiseerd met wereldleiders over klimaatverandering. De Plurinationale Staat Bolivia organiseerde op 23 april 2021 een alternatieve videoconferentie. Sandew Hira werd gevraagd om een bijdrage te leveren. Zie hier de tekst van zijn bijdrage.

De nieuwe Tweede Kamer: Grote kansen voor de anti-racisme beweging

In 2015 kwam de eerste partij van mensen van kleur in de Tweede Kamer: DENK. Daarvoor waren er wel politici van kleur in de Kamer, maar ze vielen onder een partij discipline van hun witte partijen waardoor ze altijd beperkt waren in de wijze waarop ze de belangen van de gemeenschappen van kleur behartigden. DENK heeft laten zien dat het mogelijk is zonder enige terughoudendheid de confrontatie aan te gaan op het belangrijke podium van het land en zich daarbij niet te beperken tot de Moslimgemeenschap, maar de issues uit de Afro-gemeenschap in hun programma en propaganda mee te nemen.

De splitsing tussen Kuzu en Özturk had desastreus kunnen uitpakken. Het had de partij kunnen breken in twee afzonderlijke organisaties die waarschijnlijk geen van beide in de kamer zouden komen. Farid Azarkhan heeft zich ontplooid tot een fantastische leider die met humor en sarcasme die de kar wist te trekken. Kuzu en Özturk zijn verstandig geweest om het niet tot een splitsing te laten komen. Ik had verwacht dat DENK zou terugvallen naar 2 of 1 zetel. Dat is niet het geval. Ze zijn op 3 gebleven. Ze zijn wel teruggelopen in absolute aantal stemmen van 216.147 in 2017 naar 211.237 in 2021, een terugval met 4.910 stemmen. Dat valt heel erg mee.

Opmerkelijk is het hoge aantal stemmen voor Isaura Carillho (5.839) en Natasha Mohamed-Hoessein (3.826), gemeenteraadslid voor DENK in Rotterdam. Beide komen niet uit de traditionele Turkse en Marokkaanse achterban van DENK. Ze hebben meer stemmen behaald dan Stephan van Baarle (2.449), die op nummer 3 stond van de lijst van DENK en nu in de Tweede Kamer zit. Bij de volgende verkiezingen voor de Tweede Kamer moet DENK minimaal één vrouw hebben bij de eerste drie.

Gegeven alle ellende die DENK heeft meegemaakt (te midden van de altijd aanwezige negatieve media-aandacht) is het toch een mooi resultaat.

BIJ1 heeft het fantastisch gedaan. Bij de vorige verkiezingen heeft ze onder de naam Artikel 1 28.700 stemmen behaald. Dat is bij deze verkiezingen gegroeid naar 87.238 en daarmee behaalde ze een zetel.

Met twee partijen uit de gemeenschappen van kleur is de kans aanwezig dat de media ze tegen elkaar zal willen uitspelen en hun verschillen onder een vergrootglas gaan leggen. Ik hoop dat ze verstandig genoeg zijn om dat te doorzien en een strategie weten te ontwikkelen om samen op te trekken. Dat biedt grote kansen voor de anti-racisme beweging want de interactie tussen sociale bewegingen en anti-racistische partijen in de Tweede Kamer is heel belangrijk.

Wie weet dat over tien jaar ze fuseren tot één partij en over 20 jaar met de linkse partij tot één grote linkse partij.

 

Sandew Hira

 

Dekosur en de riooljournalistiek van Starnieuws

Sandew Hira
Den Haag 27-2-2021

Onder de kop Kromosoeto, Sandew Hira en € 850.000 publiceerde Starnieuws op 15 februari 2021 een artikel met de suggestie dat ik via stichting Dekosur betrokken zou zijn bij corruptieve handelingen. Het artikel staat bol van onwaarheden en suggestieve moddergooien. Het artikel is ondertekend door de Stichting 8 december 1982 (Sunil Oemrawsingh, voorzitter). Amper 10 dagen later, op 24 februari 2021, publiceert Starnieuws een artikel met de kop DA’91 wil onderzoek naar besteding gelden Dekosur met de mededeling dat voorzitter Angelic del Castilho en partijraadsvoorzitter Sunil Oemrawsingh van DA’91 een brief hebben geschreven aan minister Armand Achaibersing van Financiën & Planning met de vraag om de Centrale Landsaccountantsdienst (CLAD) in te schakelen voor een onderzoek naar de schenking van 850.000 euro.

In de oude vakjournalistiek is er een check op laster en moddergooien. Ivan Cairo, journalist van De Ware Tijd, laat zien hoe die check in de vakjournalistiek werkt. N.a.v. deze berichtgeving stuurt hij mij een app met vragen, die een journalist van Starnieuws ook had kunnen stellen. Hieronder is onze Whatsapp correspondentie van 25 februari 2021.

Cairo: Goedemiddag hr Hira.

DA’91 heeft naar aanleiding van de schenking van SPSB aan Dekosur voor uitvoering van een project over onderzoek en herschrijving vd Surinaamse geschiedenis een verzoek aan de procureur-generaal gedaan onderzoek te doen in hoeverre er mogelijk sprake is van onrechtmatig gebruik/besteding of corrupte aanwending van staatsgelden.

  1. Wat is uw reactie als betrokkene bij voornoemd project over deze actie van de partij?

Ik: Ik ondersteun het initiatief van DA’91. Ieder onderzoek zal laten zien dat ik gratis heb gewerkt voor Dekosur. Ik ben niet meer betrokken bij Dekosur vanwege meningsverschillen met het bestuur.

Cairo: 2. Welke activiteiten heeft Dekosur in het kader van voornoemd project al uitgevoerd?

Ik verwijs hiervoor naar het bestuur van Dekosur. Ik beschik over uitgebreide documentatie van mijn gratis werkzaamheden om de encyclopedie te produceren. Als de PG daarom vraagt zal ik die ter beschikking stellen.

Cairo: 3. Zijn er inmiddels al gelden voor Dekosur overgemaakt door SPSB? Zo ja, hoe groot is dat bedrag?

Ik verwijs hiervoor naar het bestuur van Dekosur. Ik heb geen inzicht in de financiën.

Cairo: 4. Welke activiteiten moeten nog ontplooid worden om het project af te ronden en in welk stadium van gevorderdheid bevindt de uitvoering zich?

Vanwege meningsverschillen met het bestuur ben ik niet meer betrokken bij het project en ben niet op de hoogte van de voortgang.

In de follow-up van de vragen gaat hij door:

Cairo: Wat was trouwens het specifieke  doel m.b.t. tot de SPSB-schenking?

Ik: De Surinaamse Postspaarbank heeft in verband met haar 140 jarig bestaan gemeend om een bijzonder gebaar te maken naar duurzame intellectuele ontwikkeling in Suriname.

Om dit doel te bereiken is op 14 april 2019 met Stichting Dekosur het volgende overeengekomen:

  1. Dekosur zal een team van onderzoekers in het leven roepen om wetenschappelijk onderzoek naar de dekolonisatie in Suriname te leiden;
  2. Dekosur zal een trainingsprogramma opzetten voor het team om het onderzoek uit te voeren;
  3. Dekosur zal publieke lezingen verzorgen over dekolonisatie;
  4. Dekosur is verantwoordelijk voor de eindresultaten van het onderzoek te weten:
  • Een zesdelige encyclopedische uitgave over de moderne geschiedenis van Suriname;
  • Overige publicaties het onderzoek rakende;
  1. Dekosur is verantwoordelijk voor de inhoudelijke opzet van conferenties en workshops die zij zal organiseren;
  2. Dekosur is verantwoordelijk voor het doen ontwikkelen van wetenschappelijke databases.

Cairo: Dus vanuit SPSB is het idee gekomen om een project over de geschiedenis uit te voeren?

Ik: Net als vele andere historici heb ik gepleit voor een herschrijving van de geschiedenis vanuit een dekoloniaal optiek. Ook in het DNA is hiervoor gepleit. Ik heb het project ontwikkeld en ben op zoek gegaan naar financiering en die gevonden bij  SPSB toen ik hoorde dat ze op zoek waren naar een project om te financiering in het kader van 14 0 jaar herdenking. Toen het eenmaal was opgezet bleek dat het tussen het bestuur en mij niet goed liep waardoor de relatie snel stuk liep en ik moest afhaken.

Op basis van dit interview heeft Cairo op 26 februari 2021 een artikel gepubliceerd in zijn dagblad De Ware Tijd met een correcte weergave van de informatie zoals een integere vakjournalist hoort te doen, ook al heeft hij geen enkele sympathie voor mij. De titel van zijn artikel is: Hira verwelkomt onderzoek naar Dekosur-project.

De check op laster en moddergooien die een vakjournalistiek hoort te plegen is volledig weg bij Starnieuws, die maar al te graag haatartikelen tegen mij publiceert. In jaar jonge jaren was Starnieuws hoofdredacteur Nita Ramcharan een toonbeeld van een progressieve vakjournalist. Dat is nu volledig veranderd. Starnieuws is een rechts medium dat haar buitenlands nieuws kopieert uit pro-imperialistische media en haar binnenlands nieuws manipuleert onder het mom van “objectieve” berichtgeving. Mensen uit alle politieke kampen kunnen hun stukken toch kwijt in Starnieuws? Niet helemaal.

De 8 December beweging is een rechtse pro-imperialistische beweging die het leed van de slachtoffers van de 8 Decembermoorden heeft gemonopoliseerd en het leed van honderden andere slachtoffers van politiek geweld systematisch heeft weggedrukt. Ramcharan, die zich gelieerd heeft aan de 8 Decemberbeweging, weet wanneer ze alle partijen aan het woord laat en wanneer niet. Op 1 augustus 2016 publiceerde ik een column in Starnieuws over de deelname van Hugo Essed, advokaat van de Stichting 8 December, aan de Volksmilitie na 8 december 1982 en sprak mijn verontwaardiging uit over zijn gebrek aan moraal. Theo Para en Kanta Adhin reageerden daarop. Ik schreef een column met een weerwoord dat op 8 augustus 2016 geplaatst had moeten worden. Tot mijn verbazing weigerde Nita Ramcharan mijn column met een mail van 7 augustus 2016 waarin ze schrijft: “Ik had gehoopt dat je dit achter je zou laten nadat je zei dat je klaar bent met de groep. Eerlijk gezegd vind ik dit gehaal en getrek niet plezierig. Het is wat mij betreft te persoonlijk nu.”

Hoor en wederhoor in Starnieuws? Voor anderen wel, voor mij niet. Starnieuws is verworden tot een medium waar riooljournalistiek wordt bedreven als het om mijn persoon gaat. Starnieuws is een email postbus waar iedereen zijn of haar laster kan publiceren, waarbij Ramcharan dan hoopt dat de mensen naar wie modder gegooid wordt zullen reageren zodat ze kan zeggen dat ze hoor en wederhoor heeft toegepast, tenminste als ze besluit om het te publiceren. Dat is het kenmerk van riooljournalistiek. Van vakjournalisten verwacht je dat er een check is op laster en moddergooien.

De jonge progressieve vakjournalist Nita Ramcharan is nu veranderd in een verbitterde vrouw die riooljournalistiek bedrijft als het om mijn persoon gaat. Het is niet de eerste keer en het zal ook niet de laatste keer zijn.

 

WEBINAR: De aanval op burgerrechten, mensenrechten en politieke rechten voor Moslims in Europa

DONDERDAG 3 DECEMBER 2020

Din Webinar zondag 13 december

18.00-20.15 uur

 

Achtergrond

In 2011 introduceerde de Britse regering de Prevent Policy dat tot doel heeft te voorkomen dat jongeren zich aangetrokken voelen tot radicale ideologieën, met name de radicale islam. Het instrumentarium van de regering is het toezicht op moslimjongeren op scholen, universiteiten, moskeeën en het gezondheidssysteem en repressie (arrestatie, verhoor, opsluiting).

In Frankrijk moeten moslimleiders een verklaring ondertekenen waarin staat dat de islam een ​​religie is en geen politieke beweging. Moslimouders die klagen over Islamofobe karikaturen die in de klas aan hun kinderen worden getoond, begaan een strafbaar feit en kunnen het land uit worden gedeporteerd. Het publiceren van afbeeldingen van politiegeweld is een strafbaar feit.

Oostenrijk wil de politieke islam bij wet verbieden. Mensen die zijn veroordeeld voor het overtreden van deze wet, kunnen levenslang worden opgesloten, of als ze eerder worden vrijgelaten, kunnen ze na hun vrijlating aan elektronisch toezicht worden onderworpen. Verenigingen en moskeeën die ervan worden verdacht de politieke islam aan te hangen, worden gesloten. Er komt een centraal register van imams.

Overal in Europa zijn er steeds meer aanvallen op de burgerrechten en mensenrechten van moslims door regeringen. Dit zijn aanwijzingen voor de opkomst van politiestaten in Europa. Dit zet belangrijke vragen op de agenda:

Op de DIN webinar van 13 december worden twee soorten vragen behandeld:

Blok 1: politieke islam

  • Wat is de politieke islam?
  • Wie definieert het?
  • Is het een enkel monolithisch idee of zijn er meerdere opvattingen?
  • Is de aanval op de politieke islam een ​​middel om afwijkende stemmen onder moslims de kop in te drukken?
  • Wat is de betekenis van de politieke islam in vergelijking met politieke acties die gebaseerd zijn op andere ideologieën zoals Christendom, Jodendom, liberalisme, socialisme?
  • Hoe articuleren islamitische bronnen politieke acties van moslims in vergelijking met de bronnen van andere ideologieën?

Blok 2: burgerrechten, mensenrechten en de opkomst van het fascisme in Europa per land

  • Wat is de rol van het zionisme bij de depolitisering van moslims?
  • Hoe wordt antisemitisme door nationale en EU-regeringen gebruikt om moslims en hun organisaties het zwijgen op te leggen?
  • Wat is de relatie tussen burgerlijke vrijheden zoals vrijheid van meningsuiting en politieke rechten van moslims in Europa?
  • Hoe zal de onderdrukking van burgerlijke vrijheden en mensenrechten in Europa de positie van moslims en niet-moslims beïnvloeden?
  • Hoe kunnen we de opkomst van de politiestaat in Europa bestrijden?

Video’s om te bekijken

Massoud Shadjareh: Is de actie van Oostenrijk tegen moslims iets nieuws: https://www.youtube.com/watch?v=VIiQQAVEGsw&feature=youtu.be

TRT-ronde tafel: wat is de politieke islam die Oostenrijk probeert weg te vagen? https://www.youtube.com/watch?v=7Z5Gs88QgMo&feature=youtu.be

Decolonial Dialogues – Ramon Grosfoguel en Sandew Hira over de opkomst van het fascisme in Europa: https://www.youtube.com/watch?v=JU8A1dcyOd0

In de afgelopen jaren hebben leden van DIN in december conferenties over islamofobie georganiseerd. Vanwege de Covid-19-crisis zijn fysieke ontmoetingen niet mogelijk. In plaats daarvan organiseert DIN een webinar op 13 december van 18.00-20.15 uur.

 

Het webinar bestaat uit:

  • Korte bijdragen
  • Discussies
  • Paneldiscussies

Gespreksleid(st)ers: Sandew Hira en Narges Mobaleghi

Links om de webinar te volgen:

Het programma van het webinar is als volgt:

Bloc 1: Hakimeh Saghaye-Biria en Mohamed Al-Asi

Bloc 2: Abed Choudry (over VK), Massoud Shadjareh (over Oostenrijk), Houria Bouteldja (over Frankrijk), Sheher Khan (over Nederland) en Amanj Aziz (over Zweden

 

Diversiteit en inclusie op de kieslijst

Op woensdag 20 oktober 2020 organiseert het Montesquieu Instituut een paneldiscussie over diversiteit en inclusie op de kieslijst. Hoe wordt diversiteit bijvoorbeeld zichtbaar op de kandidatenlijsten voor de Tweede Kamerverkiezingen van volgend jaar? En welke stappen zetten politieke partijen concreet om inclusief te worden en dat ook te blijven? De politiek – de volksvertegenwoordiging – zou alle burgers moeten representeren, maar voldoet zij daar ook aan op dit gebied? Sandew Hira houdt de inleiding. Daarna volgt een paneldiscussie met Wilma Kieskamp (Trouw), Devika Partiman (oprichter van Stem op een Vrouw) en Imane Nadif (GroenLinks-bestuurslid met de portefeuille Diversiteit, inclusie en externe relaties). Marleen de Rooy (NOS) modereert het debat.

Datum: woensdag 7 oktober 2020 van 17.15 tot ca. 18.30 uur

Locatie: Livestream en Internationaal Perscentrum Nieuwspoort, Lange Poten 10 te Den Haag.