Lezing Sandew Hira gaat toch door op zaterdag 6 juli

De campagne om Sandew Hira’s vrijheid van meningsvorming te beperken is omgeslagen in haar tegendeel. Hira kreeg allerlei uitnodigingen gekregen om te spreken. Hij mocht praten bij de Elieser herdenking in Ouderkerk aan de Amster op woensday. Zaterdag om 17.00 uur mocht hij spreken in het gebouw van Thuiszorg Zorg en Opvang om hun keti koti lezing te doen en die avond om 19.00 nodigde comité Boni hem uit om te spreken in het monument De Schreew in het Oosterpark over vrijheid van meningsuiting. Daarna was er een spirituele bijeenkomst bij het slavernijmonument in het Oosterpart. Hira kreeg een gouden ketting met een kaart van Suriname als hanger.
Activisten van het eerste uur die aan de wieg stonden van de oprichting van NiNsee en het slavernijmonument in het Oosterpark hebben het initiatief genomen tot de vorming van het Comité voor de Waarheid, die de taak op zich genomen heeft om een manifestatie voor de verdediging van de vrijheid van meningsuiting en diversiteit te organiseren. Op die manifestatie zal Sandew Hira alsnog zijn lezing over zwarte filosofen, spiritualiteit en slavernij houden.
Het Comité bestaat uit: Glenn Codfried (voorzitter), Perez Jong Loi en Martha Koenders.
De manifestatie wordt gehouden in Podium Zuid Oost (Kwakoe gebouw), Frissenstein 78, 1102 AP Amsterdam van 14.00-17.00 uur (inloop 13.30 uur). De toegang is gratis.
Contactpersoon Comité voor de Waarheid: Glenn Codfried, tel: 06-83678022.

 

In  het kader van de criminaliseringscampagne tegen Hira heeft hij de zes meest gestelde vragen op een rijtje gezet.

Veelgestelde vragen aan Sandew Hira

Naar aanleiding van de afzegging van de Keti Koti lezing van Sandew Hira en de aanval die op zijn persoon is geopend, zijn er veel vragen ontstaan over zijn standpunt en aanpak. In deze Veelgestelde vragen  deelt Hira zijn antwoord op veelgestelde vragen.

  1. Ben je pro-Bouterse?

Nee. Ik ben niet voor of tegen personen. Ik ben voor of tegen ideeën. In gevallen van politiek geweld, zoals in Suriname, ben ik voor het idee van dialoog en verzoening als oplossing voor heling van een samenleving.

  1. Word je betaald door Bouterse?

Nee. Hoewel ik werk verricht als wetenschappelijk directeur van Dekosur, het Instituut voor de Dekolonisatie van Suriname, ontvang ik geen salaris. Ik onderschrijf het principe dat als mensen werk verrichten, ze daarvoor betaald moeten worden. De demoniseringscampagne tegen mijn persoon heeft echter een sfeer gecreëerd waarin betaling voor het schrijven van een encyclopedie wordt gepresenteerd als corruptie en een vergoeding voor “steun” aan Bouterse. Om die reden heb ik afgezien van een fee voor mijn werkzaamheden. Het herschrijven van de geschiedenis van Suriname vanuit een dekoloniaal perspectief vind ik te belangrijk om te laten liggen. Overigens wordt Dekosur niet gefinancierd door de overheid. Dekosur is een stichting die gefinancierd wordt door een gift van de Surinaamse Post Spaarbank n.a.v. haar 140-jarig bestaan.

  1. Ben je tegen de 8-December rechtszaak?

Ja, omdat ik de vraag stel of in het geval van politiek geweld, waarbij moorden het gevolg zijn van politieke spanningen, een rechtszaak bijdraagt aan de oplossing van politiek geweld. Een rechtszaak is één manier om gerechtigheid te behalen en de pijn die is veroorzaakt door het onrecht te helen. Er zijn echter situaties, zoals gevallen van politiek geweld, waarbij een rechtszaak de situatie kan verergeren. In zulke gevallen zijn er alternatieve wegen tot heling. In Zuid-Afrika en Columbia heeft men met financiële steun van de Nederlandse regering afgezien van dit soort rechtszaken vanwege het destabiliserend effect. Daar heeft men gekozen voor dialoog en verzoening.

In Suriname zijn 450 mensen omgekomen door politiek geweld, waarvan 15 mensen op 8 December 1982 en de rest vooral in de Binnenlandse Oorlog die woedde van 1986 tot 1992. De Binnenlandse Oorlog werd gesteund door de Bevrijdingsraad van Suriname in Nederland waarin familieleden van de slachtoffers van 8 December zaten. Daarom kan 8 December niet los gezien worden van de Binnenlandse Oorlog.

De 450 doden hebben nabestaanden met emoties van woede en verdriet. Het gaat om duizenden nabestaanden. Als al deze mensen rechtszaken zouden voeren tegen Bouterse, Brunswijk, de families van 8 December en de Nederlandse regering, zou je uitkomen op honderden rechtszaken. Dit zou de hele Surinaamse samenleving destabiliseren. Daarom ben ik een voorstander van een proces van dialoog en verzoening.

  1. Vind je dat Bouterse amnestie moet krijgen voor de 8-Decembermoorden?

Ja, en hetzelfde geldt voor Brunswijk, de families van 8 December en de Nederlandse regering. In 1992 heeft de regering Venetiaan een amnestiewet aangenomen die Brunswijk en medeplichtigen hebben gevrijwaard voor vervolging voor moorden die zijn gepleegd tijdens de Binnenlandse Oorlog. Iedereen heeft gebruik gemaakt van die wet, inclusief Bouterse. Ik vind ook dat amnestie gepaard moet gaan met een proces van waarheidsvinding, dialoog en verzoening.

Vrijwaring van Brunswijk, Bouterse, de Nederlandse regering en de families van 8 December van strafvervolging lost het probleem van politiek geweld echter niet op. Als er geen traject is voor waarheidsvinding, dialoog en verzoening zal er altijd weer een moment komen waarop politieke spanningen kunnen omslaan in politiek geweld. Daarom heb ik het Comité Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld opgezet. Dat comité heeft allerlei activiteiten georganiseerd, zoals een conferentie en jaarlijks de dag van nationale rouw. Het is een manier om als samenleving de geschiedenis te verwerken in navolging van de amnestiewet.

Vrijwaring van Burnswijk, Bouterse, Nederland en de families van 8 December van strafvervolging lost het probleem van politiek geweld echter niet op. Als er geen traject is voor waarheidsvinding, dialoog en verzoening zal er altijd weer een moment komen waarop politieke spanningen kunnen omslaan in politiek geweld. Daarom heb ik het Comité Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld opgezet. Dat comité heeft allerlei activiteiten georganiseerd, zoals een conferentie en jaarlijks de dag van nationale rouw. Het is een manier om als samenleving de geschiedenis te verwerken in navolging van de amnestiewet.

  1. Geloof je dat de mensen die vermoord zijn in 8 December betrokken waren bij een coup?

Helaas wel, maar niet iedereen. Ik baseer mijn conclusie op uitvoerig bronnenonderzoek en gesprekken met verschillende partijen die betrokken waren bij de gebeurtenissen. Ik heb uitvoerig de bronnen bestudeerd: publicaties, archiefonderzoek bij het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, gesprekken met mensen in het leger, de politie en veiligheidsdiensten, het rechtbankdossier van het 8 Decemberproces en interviews met naaste medewerkers van vakbondsleider Fred Derby, die benaderd werd door de CIA om mee te doen met de coup. De methodologie en uitkomsten van dit onderzoek staan beschreven in mijn boek De Getuigenis van president Desi Bouterse.

In het kader van het onderzoek heb ik een CIA-agent gesproken die getuige was van sommige van die gesprekken. Die vertelde mij dat mijn broer aanwezig was bij die gesprekken. Dat heeft mij voor een groot moreel probleem gesteld: moet ik die informatie verhullen omdat het om mijn broer gaat, of moet ik de waarheid vertellen wetende dat het schadelijk is voor mijn broer? Dat is een enorm moreel dilemma. Ik heb ervoor gekozen om de waarheid te vertellen, omdat bij mij integriteit boven persoonlijke of familiebelangen gaat. Met alle gevolgen van dien.

  1. Hoe kan je voor amnestie van Bouterse zijn, als hij betrokken is geweest bij de moord op jouw broer?

Ik baseer mijn standpunt over politiek geweld niet op gevoelens van wraak. Ik heb een moreel uitgangspunt over hoe om te gaan met gevoelens van pijn, verdriet en wraak. In de Bhagvad Gita, een belangrijk geschrift in het Hindoeïsme, staat dat je als je in conflict bent tussen familie en morele en maatschappelijke plicht, je voor die plicht dient te kiezen. Ik ben niet gelovig, maar onderschrijf de waarden die stellen dat je niet moet leven met wraak: verzoening en vergiffenis is ook een optie.

 

Verklaring Sandew Hira inzake afzegging Keti Koti lezing over zwarte filosofen en slavernij

Begin januari ontving ik een uitnodiging van het Nationaal Instituut Nederlands slavernij verleden en erfenis (NiNsee) om de keynote lezing te geven op 29 juni 2019 over zwarte filosofen, spiritualiteit en slavernij in het Scheepvaartmuseum. Ik reageerde positief op de uitnodiging.

Afgelopen weken heeft een groep extremisten onder leiding van Theo Para in de Surinaamse gemeenschap een intimidatiecampagne opgezet om te verhinderen dat ik de lezing over zwarte filosofen en slavernij kon houden. Het Scheepvaartmuseum is onder grote druk gezet om de zaal op te zeggen. NiNsee is daardoor de locatie kwijtgeraakt. Het Scheepvaartmuseum heeft haar besluit genomen zonder het principe van hoor-en-wederhoor toe te passen. Ik ben nooit door haar gehoord. Het bestuur van NiNsee is vervolgens onder enorme druk gezet om de lezing af te zeggen. Op Radio Tamara werden urenlang uitzendingen gewijd aan het demoniseren van mijn persoon en werden bellers toegelaten om op te roepen om de orde te verstoren tijdens de lezing. Het bestuur van NiNsee is onder die druk bezweken en heeft de lezing afgezegd.

Op 6 juni heeft de voorzitter van NiNsee, Linda Nooitmeer, mij in Suriname gebeld om een afspraak te maken om de situatie te spreken. Op 7 juni heb ik een Skype-gesprek gehad met haar en NiNsee bestuurder Martin Verbeet waarin zij aangaven dat zij de lezing wilden afzeggen. Ik gaf aan dat dat zou betekenen dat ze de vrijheid van meninguiting niet meer zouden respecteren. Ik stelde voor dat NiNsee een gesprek zou kunnen organiseren tussen mij en de mensen die kritiek op me hebben, zodat we in een waardige sfeer van dialoog de principes van diversiteit van opvattingen en vrijheid van meningsuiting hoog kunnen houden. Ook hield ik hen voor dat deze groep eerder geprobeerd heeft Pakhuys De Zwijger onder druk te zetten om mij niet te laten spreken op hun evenement, maar dat zij als witte instelling de vrijheid van meningsuiting hoog hebben gehouden en ik had verwacht dat een zwarte organisatie dat ook zou doen, en zeker een organisatie die gebouwd is op het principe van vrijheid. Nooitmeer en Verbeet zagen de redelijkheid van mijn argumentatie in en vroegen uitstel om een definitief besluit te nemen tot woensdag 12 juni. Ze zouden mij dan berichten over de volgende stappen. Woensdag hoorde ik niets. Zaterdagmiddag belde Nooitmeer mij op met de mededeling dat NiNsee heeft afgezien van het organiseren van een dialoogbijeenkomst en de uitnodiging aan mij voor 19 juni intrekt.

Het persbericht van NiNsee stelt het volgende:

Het NiNsee bestuur heeft in goed overleg met het Scheepvaartmuseum besloten de Keti-Koti lezing 2019 geen voortgang te laten vinden.

Dit besluit is ingegeven door de onrust die binnen de gemeenschap ontstaan is n.a.v. de geplande Keti-Koti lezing met Sandew Hira als keynote spreker. Door deze onrust lijkt de wens van het NiNsee om ook in 2019 een waardige Keti-Koti lezing – die bijdraagt aan de harmonie en verbondenheid binnen en buiten de gemeenschap – te organiseren niet haalbaar.

Het NiNsee heeft de ambitie om met een ieder die een positieve bijdrage levert aan haar missie samen te werken. Nu de uitvoering van deze ambitie echter heeft geleid tot een escalatie tussen voor- en tegenstanders van het spreken van Sandew Hira, kan het NiNsee niet anders dan een pas op de plaats te maken.

De extremisten hebben hun zin gekregen. De groep van Theo Para heeft zitten bellen, mailen en spreken om organisatoren en verhuurders onder druk te zetten om zaalruimtes op te zeggen of lezingen waarbij ik betrokken ben af te zeggen. In Suriname is Hugo Essed hun counterpart en voert in de Surinaamse media een demoniseringscampagne tegen mij waarbij mijn integriteit ter discussie wordt gesteld.

Dezelfde groep heeft eerder geprobeerd om mij het zwijgen op te leggen in het debatcentrum Pakhuis De Zwijger in Amsterdam. Op 18 maart was ik uitgenodigd om een presentatie te leiden van een documentaire over Frantz Fanon. Ik was niet eens een spreker, maar een voorzitter van de sessie. De directie en programmaleiders zijn enorm onder druk gezet om mij uit het programma te halen, maar ze hebben hun rug recht gehouden en zijn niet bezweken. Het thema maakt voor de extremisten niets uit. Al zou ik spreken over het weer, dan nog zouden ze een campagne om hem het spreken onmogelijk te maken.

Zaterdagmiddag 15 juni om 12.00 uur had Glen Codfried van Radio Mart me uitgenodigd om in gesprek met me te gaan over deze ontwikkelingen. Radio Mart heeft dat vrijdag aangekondigd. Toen ik zaterdag om 10.30 uur bij de studio kwam, bleek de ruit van de voordeur te zijn ingeslagen en zijn microfoon en de uitzendmodem te zijn gestolen, waardoor de uitzending geen doorgang kon vinden,

Dit zijn zorgelijke ontwikkelingen. In het kielzog van het aantasten van de vrijheid van meningsuiting wordt ook het principe van diversiteit van opvattingen aangevallen. De extremisten menen dat er maar één visie mogelijk is in maatschappelijke discussies en diversiteit aan visies niet acceptabel is en andere visies dus ook niet gehoord mogen worden.

Het thema van mijn lezing van was een dekoloniale visie op de geschiedschrijving van slavernij. Nederlandse historici en de door hen getrainde gekleurde volgelingen hebben slavernij steeds beschreven vanuit de optiek van de kolonisator. Ik leg in mijn geschriften en lezingen uit dat zwarte denkers tijdens slavernij en daarna analyses hebben gemaakt die fundamenteel verschillen van die van de slavenmakers en hun ideologen. De extremisten willen verhinderen dat dekoloniale theorieën een podium krijgen.

Dit is een zeer verontrustende ontwikkeling in de Surinaamse gemeenschap. De vrijheid van meningsuiting is een belangrijke verworvenheid die tot stand is gekomen door harde strijd waarvoor veel mensen hun leven hebben opgeofferd. De kern van de vrijheid van meningsuiting is dat iedereen het recht heeft om zijn of haar mening te verkondigen, ongeacht de vraag of je het met de persoon eens bent of oneens. Ook mensen die het niet me je eens zijn, moeten het recht hebben om hun mening te uiten.

Diversiteit van opvattingen is een cruciaal onderdeel van een democratische samenleving. De dominante koloniale geschiedschrijving mag uitgedaagd worden door dekoloniale en andere alternatieven. Dat is deel van het proces van kennisproductie in een pluriforme samenleving.

Discussie en debat zijn de fundamenten van een democratische samenleving. Daarom daag ik Theo Para en Hugo Essed uit voor face-to-face debatten over vraagstukken waarin zij een andere mening hebben dan mij. Dit soort debatten zijn een uitbreiding van de vrijheid van meningsuiting. Daar zou iedere Surinamers een voorstander van moeten zijn, ook Para en Essed.

Ik doe een oproep aan de Surinaamse gemeenschap in Nederland om als protest tegen de aantasting van de vrijheid van meningsuiting alsnog een bijeenkomst te organiseren waar ik de keti koti lezing kan houden.

 

Sandew Hira

15-6-2019

Sandew Hira in Venezuela

Van 12-18 mei zal Sandew Hira in Venezuela zijn voor twee workshops: één over herstelbetalingen voor kolonialisme en de ander over Decolonizing the Mind. Hira zal ook de relaties versterken tussen het Nationaal Instituut voor de Dekolonisatie van Venezuela en het Instituut voor de Dekolonisatie van Suriname (DEKOSUR).

Hij zal dagelijks een video-blog posten op de website van Islamic Human Rights Commission over zijn ervaringen in Venezuela en zijn analyse van de situatie daar.

Pravini: muzikale documentaire The Uprising

Op 25 april lanceerde artiest en activist Pravini Baboeram “The Uprising”, een muzikale documentaire die het verhaal van hedendaags verzet tegen racisme in Europa vertelt. Met commentaar en ervaringen van academici en activisten brengt de Hindostaanse singer/songwriter een dekoloniaal perspectief op de anti-racisme beweging in Nederland, Engeland en Frankrijk. Hierin biedt ze niet alleen een analyse van de geschiedenis en erfenis van kolonialisme, maar ook een visie op strategie voor de toekomst van de sociale beweging.

In deze muzikale documentaire wordt ingezoomd op gezamenlijke uitdagingen van gemeenschappen van kleur. In 9 zelfgeschreven nummers verbindt Pravini de strijd tegen Zwarte Piet, de strijd voor de erkenning van koloniale misdaden die Nederland heeft begaan in Indonesië, de strijd voor de bevrijding van Palestina en de strijd in het politieke veld voor een inclusieve samenleving. “The Uprising” biedt hiermee een unieke kijk op het verzet tegen racisme in Europa door de ogen van mensen van kleur. Klik hier om de trailer te bekeken.

Pravini deelt waarom ze deze film heeft gemaakt:

“Deze film vertelt het verhaal dat ik zocht, maar niet kon vinden. Talloze films zijn gemaakt over racisme. Maar er zijn er maar heel weinig die de link leggen met het koloniale verleden en de gemeenschappelijke uitdagingen waarmee verschillende gemeenschappen van kleur worden geconfronteerd. En geen van de films die ik tegenkwam, focust zich op de Europese context en de huidige strijd van mensen van kleur.

Ik merkte ook dat veel verhalen bedoeld waren om witte mensen te overtuigen van het probleem. Maar deze films toonden niks wat mensen van kleur niet al weten. Natuurlijk bieden ze een belangrijk platform voor onzichtbare verhalen en ervaringen. Maar waar ik naar op zoek was, was meer dan verhalen vertellen. Ik was op zoek naar analyse van institutioneel racisme. Ik was op zoek naar een taal om mensen uit te dagen die dit systeem in stand houden, of ze zich hiervan bewust zijn of niet. Ik was op zoek naar een verhaal dat de verbanden legt tussen verschillende gemeenschappen die tegen hetzelfde systeem van onderdrukking vechten. Ik was op zoek naar een verhaal dat niet bedoeld was om witte mensen te overtuigen van het probleem, maar om mensen van kleur te empoweren het probleem uit te dagen en te bestrijden.

Toen ik begon met het schrijven van mijn nieuwe album, besefte ik dat dit het verhaal was waar ik naar op zoek was. Elk nummer dat we schreven was een stukje van de puzzel, een groter geheel dat het verhaal van verzet vertelt door de ogen van mensen van kleur. Dit verhaal was niet alleen gebaseerd op muziek, maar de nummers werden vergezeld door beelden in mijn hoofd. Bij elk nummer en elke afbeelding verschenen er mensen die mij iets hadden geleerd over de strijd. Hoe meer het album vorderde, hoe meer ik een fluistering in mijn oor hoorde die me zei die stap te zetten. Om die film te maken waar ik naar zocht. Omdat ik wist dat als ik ernaar op zoek was, vele anderen hetzelfde probeerden te vinden.”

Met The Uprising is een vernieuwend document beschikbaar dat dekoloniale theorie toegankelijk maakt voor een breed publiek. Het biedt een aanzet voor bewustwording over koloniale geschiedenis en strategieën voor de toekomst.

The Uprising is beschikbaar voor screenings. Bekijk voor meer info deze presskit of neem contact op met Pravini Productions: info@pravinimusic.com.

Indisch Made in Holland: Gevolgen van kolonialisme

De Nederlandse overheid is onlangs begonnen aan een vierjarig onderzoek naar de onafhankelijkheidsoorlog van ’45-’49. Echter kwam dit onderzoek al snel voor felle kritieken te staan. Zo kaartte een open brief van 140 wetenschappers, journalisten, studenten en activisten aan dat het onderzoek geleid wordt door drie Nederlandse organisaties – waaronder het Nederlandse Instituut voor Militaire Historie, een organisatie van het ministerie van defensie. In het onderzoek wordt de 350 jaar kolonialisme kort afgedaan als een feit, terwijl het een cruciale invloed heeft gehad op de maatschappelijke en morele context van de oorlog. Welk recht had Nederland om een gebied dat achttienduizend kilometer verderop ligt als bezit te beschouwen? En wat is de impact hiervan geweest? Uiteindelijk is het begrip ‘Indisch’ een koloniale uitvinding: Made in Holland.

In samenwerking met Jeffry Pondaag nodigt Studio/K een aantal betrokken sprekers uit om de dekoloniale perspectieven te bieden op de vrijheidsstrijd van ’45-’49. Niet alleen de Indonesische perspectieven worden aangehaald, ook de koloniale denkbeelden, die vandaag de dag nog altijd de boventoon voeren in Nederland, worden besproken.

Sprekers zijn:

Tickets:

Laag inkomen: €3

Standaard: €5

Solidariteit: €7,50

Sprekers:

Jeffry Pondaag (Voorzitter van de stichting K.U.K.B.) – klaagde met zijn Stichting Comité Nederlandse Ereschulden, meerder malen de Nederlandse staat aan voor oorlogsmisdaden tegen Indonesiërs. Pondaag zal een kritische blik werpen op enkele standpunten die leven binnen de Nederlands-Indische gemeenschap in Nederland.

Francisca Pattipilohy (Ooggetuige) – samen met Jeffry Pondaag mede-initiatiefnemer van de kritische open brief tegen bovengenoemde onderzoek. Ze is 93 jaar oud en ooggetuige van het Nederlandse kolonialisme in Indonesië en zal hier ook uit eigen ervaring over vertellen.

Sandew Hira (Wetenschapper) – oprichter van het International Institute for Scientific Research (IISR) en auteur van verscheidene boeken over (de)kolonisatie, vooral met betrekking tot Suriname. Hij zal vertellen over “”decolonizing the mind”” in relatie tot het Nederlandse onderzoek, en over de manier waarop er gesproken wordt over ‘extreem geweld aan beide kanten’.

Marjolein van Pagee (Wetenschapper) – oprichter van Histori Bersama, een initiatief dat dialoog faciliteert tussen Indonesische en Nederlandse perspectieven door artikelen te vertalen. Pagee zal de uitslagen presenteren van haar masteronderzoek over de hardnekkigheid van Nederlandse koloniale percepties richting Indonesische onafhankelijkheidsstrijders.

Aanmelding: https://www.facebook.com/events/264870061083553/

Een exclusief of inclusief museum over slavernij?

Op 11 april 2019 ontving Sandew Hira een email van het Dekolonisatie Netwerk voormalig Nederlands Indië met het verzoek om een open brief te ondertekenen gericht aan het Amsterdams college en raadsleden waarin gevraagd wordt om het initiatief van de gemeente om een museale voorziening te treffen voor de trans-Atlantische slavernij te veranderen naar een museale voorziening voor de slavernij in alle Nederlandse koloniën.

Hij legt uit waarom hij de oproep niet ondersteunt.

Een verder toelichting op de uitlegt volgt hieronder.

De kern van de discussie is de vraag: Heeft een exclusieve museale voorziening voor de trans-Atlantische slavernij recht van bestaan? Een fysieke museale voorziening is een voorziening die bestaat uit een fysieke infrastructuur (gebouw), een organisatie (een bestuur, mensen die in dienst worden genomen, netwerk van vrijwilligers), een budget (financiële middelen), een inhoudelijk verhaal (de historische betekenis en erfenis van de trans-Atlantische slavernij) en activiteiten (tentoonstellingen, lezingen, schoolbezoeken etc.). Een claim op deel van deze voorziening is dus geen abstracte zaak. Het betekent een claim op infrastructuur, organisatie, financiële middelen, inhoudelijk verhaal en activiteiten etc..

Het netwerk vindt dat een museale voorziening niet beperkt mag blijven tot de trans-Atlantische slavernij en inclusief moet zijn en dus als thema moet hebben slavernij in alle Nederlandse koloniën, dus ook in Indonesië. Ze claimen een deel van een voorziening die het resultaat is van decennia-lange strijd van de Surinaamse en Antilliaanse anti-koloniale beweging.

Het netwerk wil meer aandacht voor slavernij in Indonesië. Dat is prima. Dat ze zelf op verschillende manieren vorm en inhoud geven. Voor mij zijn het geen steekhoudende argumenten tegen een exclusief museum over de trans-Atlantische slavernij. Als je voor iets bent, betekent het niet automatisch dat je tegen iets anders moet zijn. Als je voor meer aandacht bent voor slavernij in Indonesië, betekent dat niet dat je tegen een exclusief museum over trans-Atlantische slavernij moet zijn. Als je voor meer aandacht bent voor slavernij in Indonesië, dan hoef je niet te pleiten tegen een exclusieve voorziening en eisen dat die inclusief wordt, zoals jij en het netwerk nu doen. Je kunt allerlei activiteiten organiseren om die aandacht op te eisen. Sterker nog, je zou als Netwerk moeten beginnen om zelf activiteiten te organiseren om meer aandacht te geven aan slavernij in Indonesië in plaats van een claim te leggen op een voorziening van een ander.

Waarom ik de oproep van het Dekolonisatie Netwerk voormalig Nederlands Indië niet heb ondertekend

Op 11 april 2019 ontving ik een email van het Dekolonisatie Netwerk voormalig Nederlands Indië met het verzoek om een open brief te ondertekenen gericht aan het Amsterdams college en raadsleden waarin gevraagd wordt om het initiatief van de gemeente om een museale voorziening te treffen voor de trans-Atlantische slavernij te veranderen naar een museale voorziening voor de slavernij in alle Nederlandse koloniën. De brief was ondertekend door een breed scala van wetenschappers en activisten. De mail kwam met twee pdf bijlagen: de open brief en een toelichting op de open brief.

Ik had al eerder van het initiatief gehoord omdat het openlijk bediscussieerd werd in verschillende kringen.

In dit artikel leg ik uit waarom ik de brief niet heb ondertekend.

Mijn bezwaren zijn drieledig.

  1. De vergelijking tussen slavernij in Indonesië en het Caraïbisch gebied verhult het essentiële karakter van de trans-Atlantische slavernij.
  2. Op basis van mijns inziens een verkeerde analyse wordt een strategische fout gemaakt t.a.v. de museale vertaling van de geschiedenis van de trans-Atlantische slavernij door een onterechte claim te leggen op een voorziening die bevochten is door de Afro-Surinaamse gemeenschap.
  3. De opstelling van het netwerk t.a.v. de strijd van de Afro-gemeenschap is deel van de koloniale politiek van verdeel-en-heers.

1. De aard van de trans-Atlantische slavernij

Ik gebruik de volgende vergelijking om mijn eerste punt duidelijk te maken. Stel dat een groep mensen een museum wil maken over de vliegtuigindustrie. Een vliegtuig is een transportmiddel dat gebaseerd is op een bepaalde technologie (vliegen), een infrastructuur (vliegvelden, luchtverkeersleiders) en een bepaalde organisatie (boekingen, inchecken, veiligheidsmaatregelen etc). Een vliegtuig heeft ook wielen.

Vervolgens komt een andere groep en zegt: een vliegtuig heeft wielen en een auto heeft ook wielen. We willen een inclusief museum over wielen. Hoe moeten de initiatiefnemers van het vliegtuigmuseum reageren? Moeten ze zeggen: goed, een vliegtuig heeft wielen en een auto ook, dus maken we een museum over transportmiddelen met wielen om inclusief te zijn in plaats van een museum over de vliegtuigindustrie?

Het systeem van de trans-Atlantische slavernij is als de vliegtuigindustrie. Dat systeem is gebaseerd op een wereldsysteem van koloniale productie, waarvan mensenhandel een klein onderdeel is. Het systeem van slavernij in Indonesië is niet de hoeksteen van de koloniale wereldeconomie. In de analyse van het netwerk ligt de focus op mensenhandel i.p.v. op productie.

De analyse van het netwerk over slavernij in Indonesië is als volgt: “Zo heeft de VOC in Mauritius, Madagaskar en Zuid-Afrika een beslissende rol gespeeld in de ontwikkeling van een infrastructuur voor Europese handel in tot slaafgemaakten en goederen, en werden er in Oost- en Zuid-Afrika VOC koloniën gesticht. Daarnaast werden tot slaafgemaakte mensen gedwongen zware arbeid te verrichten ten behoeve van de stichting, onderhoud en uitbreiding van VOC-vestigingen op Papoea, de Molukken en Indonesië. Medewerkers van de VOC handelden zelf veelvuldig in tot slaaf gemaakte mensen en zetten hen aan het werk voor hun eigen doeleinden…. Hoewel de slavernij formeel op 1 januari 1860 werd afgeschaft, bleef het overgrote deel van tot slaafgemaakten buiten Java in het bezit van hun eigenaren. Slavernij heeft in voormalig Nederlands-Indië uiteindelijk nog tot halverwege de 20e eeuw bestaan.”[1]

Acta Historica, een platform voor beginnende historici van de Universiteit Leiden, heeft in 2014 een heel nummer gewijd van de Indonesische slavernij. Matthias van Rossum en Merit Guldemond kaderen de Indonesische slavernij als volgt in: “Slavernij is een eeuwenoud fenomeen. Al in de vroegste complexe samenlevingen werden mensen tot slaaf gemaakt, verkocht of gebruikt voor werk. Ook tegenwoordig leven en werken nog altijd miljoenen mensen in slavernij. Volgens de Global Slavery Index verkeerden in 2013 maar liefst 30 miljoen mensen wereldwijd in een situatie die als slavernij geduid zou moeten worden.”[2]

Ze vervolgen: “Slavernij kan gedefinieerd worden als een onvrije bezits- en arbeidsverhouding waarbij een mens het bezit is van een mens of organisatie, zodat de betreffende persoon en zijn of haar arbeidskracht ten dienste staat van de bezittende partij. Slavernij kent verschillende gedaanten, variërend van levenslange slavernij of juist schuldslavernij of andere tijdelijke onvrije verhoudingen. Mensen kunnen dus op verschillende manieren in slavernij terechtkomen – door geboorte, overerving, krijgsgevangenschap, schuld, verbanning, straf. Sommige vormen van slavernij kennen tijdens het leven van de onvrije mens geen einde; in andere vormen is het mogelijk om vrij te worden na een aantal jaren dienst, om vrijgekocht te worden of om jezelf vrij te kopen… Een cruciaal onderscheid bestaat tussen vormen waarin slaven verkoopbaar zijn ten opzichte van vormen waarin slaven dat niet zijn. In de laatste vorm gaat het vaak om onvrije verhoudingen binnen een gemeenschap, soms gepaard gaande met directe, persoonlijke banden, bijvoorbeeld bij het aflossen van financiële schulden, bij persoonlijke genoegdoening voor een bepaalde daad, bij veroordeling of iets anders. In de verkoopbare vorm is een slaaf niet alleen onvrij als eigendom of door (tijdelijke) verplichtingen, maar is een slaaf ook overdraagbaar eigendom. Deze vorm was dominant in de hoog ontwikkelde samenlevingen van vroegmodern Azië, waar zich al ruim voor de komst van Europeanen markteconomieën hadden ontwikkeld. De slavernij in en rond de gebieden die deel uitmaakten van de Europese handelsrijken in Azië was in dat opzicht vergelijkbaar met de slavernij in de Aziatische en Atlantische wereld. Zoals duidelijk mag zijn bestond in Azië al een uitgebreide slavenhandel toen de Portugezen en later de Nederlanders arriveerde.”[3]

Deze analyse komt neer op het volgende:

  1. Slavernij wordt gedefinieerd op basis van individuele relaties tussen een slavendrijver en een persoon die tot slaaf wordt gemaakt en niet op basis van institutionele structuren waarin een mondiaal systeem wordt opgezet met dwangarbeid waarbij slavernij één specifieke vorm was.
  2. De geschiedschrijving van slavernij in Indonesië concentreert zich op mensenhandel. Er is amper aandacht voor slavernij als een systeem van productie.
  3. De oorsprong van het tot slaaf maken van mensen wordt beperkt tot geboorte, overerving, krijgsgevangenschap, schuld, verbanning en straf. Het systeem van georganiseerde kidnapping t.b.v. een productiesysteem valt daarbuiten. Ze volgen daarmee internationale auteurs als Keith Ward over slavernij in Zuidoost Azië.[4]
  4. Slavernij in Indonesië en de trans-Atlantische slavernij zijn twee vormen van mensenhandel.

 

De dekoloniale benadering die ik voorsta is gebaseerd op de volgende analyse.

  1. Stephen Small en ik laten in ons boek 20 Questions and Answers on Dutch Slavery and its Legacy zien dat slavernij niet een systeem was van de individuele relatie tussen slavendrijver en totslaafgemaakte, maar een institutioneel systeem op wereldniveau waarbij een productie-systeem in de Amerika’s werd opgezet om goederen te produceren voor verwerking in Europa. [5]
  2. De trans-Atlantische slavernij was de hoeksteen voor het ontstaan van een wereldeconomie waarin verschillende vormen van dwangarbeid gecombineerd werden in een systeem van productie van goederen in de kolonies met behulp van arbeid van gekidnapte Afrikanen. Die goederen werden vervolgens verwerkt in Europa. De suikerindustrie is hiervan een belangrijk voorbeeld. De wereldeconomie ontstond uit een globaal netwerk waarbij productie, transport (scheepvaart) en bank- en verzekeringswezen gekoppeld werden aan de organisatie van de levering van arbeid via systematische kidnapping in Afrika. Die organisatie bestond uit een managementteam van Europeanen die aan de westkust van Afrika een serie forten had gezet van waaruit de kidnapping werd georganiseerd met geld, wapens en Afrikaanse collaborateurs. De driehoekshandel legde de fundamenten voor de opkomst van een wereldeconomie: de opkomst van de scheepvaart, internationaal bank- en verzekeringswezen, gedwongen massa-migratie van Afrika naar de Amerikas, de productiecentra met landbouwproducten in de koloniën en de verwerking van deze productie in fabrieken in Europa. Dat is een heel ander beeld dan die van Indonesië waar slavernij vooral beschreven wordt in termen van dienstbaarheid in de lokale economie.
  3. De trans-Atlantische slavernij was nauw verbonden met het scheppen van compleet nieuwe samenlevingen in de Amerikas die eerst niet bestonden. De Europese genocide van de Inheemsen heeft die samenlevingen vernietigd. In Indonesië bleven de samenlevingen in tact waarbij lokale elites een belangrijke rol speelde in het bestuur van de kolonie. In landen als Suriname was er middels wetgeving slavernij geïnstitutionaliseerd als een legitieme vorm van arbeidsorganisatie en een scherpe scheiding aangebracht tussen zwart en wit waarbij wit de eigenaar was van zwart. In Indonesië waren de lokale elites niet bij wet eigendom van de kolonisator. Daarom kun je in Suriname spreken van de afschaffing van slavernij in 1863 waarbij die wet buiten werking werd gesteld en zwarte mensen voor de wet vrij waren.
  4. De trans-Atlantische slavernij speelde een belangrijk rol in de Europese verlichting waarbij wetenschap werd gebruikt om die slavernij te rechtvaardigen middel biologisch racisme en genetica. Zwart was minderwaardig op grond van biologische kenmerken. Afrika werd beschouw als een continent zonder geschiedenis. Het Aziatische kolonialisme heeft een andere rol gespeeld, met name na de afschaffing van slavernij. In de Verlichting werd biologisch racisme vervangen door cultureel racisme, waarbij superioriteit/inferioriteit werd beargumenteerd op grond van cultuur i.p.v. biologie. De ideologische component van slavernij was nadrukkelijk onderdeel van het globaal systeem van slavernij.

 

Deze analyse is veel uitgebreider, maar geeft de kernverschillen weer tussen de benadering van het netwerk en de mijne. De benadering van de trans-Atlantische slavernij vanuit het concept van mensenhandel i.p.v. het concept van de hoeksteen van het ontstaan van de wereldeconomie is een typisch Eurocentrische benadering. Het bagatelliseert de aard van de trans-Atlantische slavernij. De erfenis van de trans-Atlantische slavernij is ook anders dan die van de Indonesische. Zo heeft de trans-Atlantische slavernij een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van Eurocentrische wetenschap waarbij racisme en het concept van superioriteit/inferioriteit werd gebaseerd op biologie (biologisch racisme). In de Europese Verlichting werd biologisch racisme ontwikkeld door te verwijzen naar Afrika en de slavernij van Afrikanen in de Amerikas. Er zijn geen verwijzingen naar Indonesië als het om biologisch racisme gaat. Een belangrijke strategische implicatie van deze benadering is de hele kwestie rond herstelbetalingen. Een deel van die strijd is om herstelbetalingen op de agenda te zetten. Museale voorzieningen worden dan gezien als onderdeel van het proces van herstelbetalingen. Zie voor de uitwerking hiervan mijn boek over herstelbetalingen.[6]

 

2. De strategische fout in de museale invulling

Op basis van een mijns inziens verkeerde analyse van de trans-Atlantische slavernij heeft het netwerk onder de noemer van inclusiviteit en meervoudigheid een museale invulling gemaakt van de trans-Atlantische slavernij waarbij de essentie van het systeem van trans-Atlantische slavernij verloren is gegaan: het gaat niet primair om mensenhandel maar om koloniale productie.

Het is alsof de vliegtuigindustrie wordt gereduceerd tot de wielen van een vliegtuig. De museale vertaling is dan een museum dat de verschillende vormen van wielen (de meervoudige en inclusieve benadering) laat zien. Kun je voorstellen dat de mensen die een museum over vliegtuigen willen bouwen daar niet erg blij mee zullen zijn?

3. Verdeel-en-heers

De Afro-gemeenschap heeft decennia-lang gestreden voor de erkenning van de trans-Atlantische slavernij als een misdaad tegen de menselijkheid en de vertaling daarvan in geschiedenisonderwijs en educatie. De museale vertaling is een onderdeel van educatie. Deze strijd heeft twee componenten: de organisatie en mobilisatie van de Afro-gemeenschap en het uitdagen van de politieke macht. Het proces van organisatie en mobilisatie bestond uit bijeenkomsten, onderzoek, organisatie-opbouw, publicaties, discussies, events zoals de 1-Juli herdenking en viering etc. De strijd is in een fase gekomen waarbij de Afro-gemeenschap de politieke macht kon uitdagen en de eis voor voorzieningen m.b.t. de geschiedenis educatie op tafel kon leggen: de oprichting van een instituut (NiNsee) en nu een museale voorziening. Het feit dat die eisen zijn ingewilligd geeft de mate van succes aan van deze strijd.

Nu komt het netwerk en claimt een deel van die voorziening zonder dat ze onderdeel was van die decennia-lange strijd, nota bene op basis van een mijns inziens verkeerde analyse van de trans-Atlantische slavernij. Die claim legt ze neer bij de politieke macht. En zo werkt verdeel-en-heers. Een deel van de gemeenschap van kleur saboteert het succes van een andere deel in de strijd tegen dekolonisatie en richt zich daarbij op de politieke macht voor steun van een onterechte claim.

Had het netwerk zich anders kunnen opstellen? Zeker, als ze een dekoloniale benadering had over hoe de strijd van de verschillende gemeenschappen met elkaar te verbinden. Wat houdt die benadering in?

Het begin met respect te tonen voor de strijd van de Afro-gemeenschap in de afgelopen decennia. Dat respect wordt getoond door te zeggen: broeders en zusters, we feliciteren jullie met dit succes en gaan daar geen claim op leggen door te eisen dat een voorziening waar jullie zo lang voor gestreden hebben ook ingevuld wordt door ons. Wij gaan jullie niet vertellen over hoe jullie die voorziening moeten inrichten. Het is aan jullie om daar vorm en inhoud aan te geven. En we gaan zeker geen druk op jullie leggen door onze gemeenschappelijke kolonisator en haar politieke macht te vragen om ons te steunen in onze claim tegen jullie.

Vervolgens doe je dit aanbod: broeders en zusters, wij willen graag aandacht voor de rol van onze gemeenschappelijke kolonisator in de mensenhandel in Indonesië. Hoe hebben jullie je strijd gevoerd en wat kunnen wij daarvan leren? Hoe kunnen we samen optrekken in het proces van educatie en mogelijk meer voorzieningen eisen van de kolonisator? Wij gaan zelf een traject opzetten van educatie, organisatie en mobilisatie middels lezingen, workshop, conferenties, onderzoek, publicaties etc. We willen graag zien hoe dat bij jullie is gegaan. Eventueel kunnen we samenwerken aan de oprichting van een digitaal museum die de verschillen en overeenkomsten tussen de verschillende vormen van slavernij behandelt. Een digitaal museum is gemakkelijker te realiseren van een fysiek museum.

Als het netwerk dit had gedaan, was iedereen veel sterker geworden. Zij had meer aandacht gekregen over de rol van Nederland in de mensenhandel in Indonesië. Mogelijk zouden nieuwe initiatieven en projecten ontstaan vanuit het proces van leren van de strijd van de Afro-gemeenschap. Nu werkt de oproep van het netwerk aan de politiek macht als een instrument van verdeel-en-heers. Daarom heb ik de brief niet ondertekend.

Maar het is niet te laat. Het netwerk kan alsnog de oproep intrekken en een traject opzetten van onderzoek, educatie en organisatie en daarmee een samenwerkingsbasis ontwikkelen met de Afro-gemeenschap. Iedereen zal daarbij winnen.

 

Sandew Hira

 

[1] Oproep tot een inclusief nationaal slavernijmuseum Amsterdam, p. 2.

[2] Matthias van Rossum & Merit Guldemond: Slavernij, geweld en recht onder de VOC. Een inleiding op nieuwe verkenningen. Acta Historica jaargang 3 nummer 4 – 2014, p. 5.

[3] Idem, p. 7

[4] Zie Ward, K.: Slavery in Southast Asia, 1420-1804, in: Eltis, D. en Engerman, S. (red.): Volume 3 – AD 1420 – AD 1804. Cambridge University Press. New York, 2011, p. 163-185.

[5] Small, S. en Hira, S.: 20 Questions and Answers on Dutch Slavery and its Legacy. Amrit. Den Haag, 2014.

[6] Hira, S.: 20 Questions and Answers on Reparations for Colonialism. Amrit. Den Haag, 2014.

25 april: film première The Uprising

Muzikant en activist Pravini Baboeram lanceert op 25 april “The Uprising”, een muzikale documentaire die het verhaal van hedendaags verzet tegen racisme in Europa vertelt. Met commentaar en ervaringen van academici en activisten brengt de Hindostaanse singer/songwriter een dekoloniaal perspectief op de anti-racisme beweging in Nederland, Engeland en Frankrijk. Hierin biedt ze niet alleen een analyse van de geschiedenis en erfenis van kolonialisme, maar ook een visie op strategie voor de toekomst van de sociale beweging. In deze muzikale documentaire wordt ingezoomd op gezamenlijke uitdagingen van gemeenschappen van kleur. In 9 zelfgeschreven nummers verbindt Pravini de strijd tegen Zwarte Piet, de strijd voor de erkenning van koloniale misdaden die Nederland heeft begaan in Indonesië, de strijd voor de bevrijding van Palestina en de strijd in het politieke veld voor een inclusieve samenleving. “The Uprising” biedt hiermee een unieke kijk op het verzet tegen racisme in Europa door de ogen van mensen van kleur. Na de vertoning van de film is er een Q&A met de filmmaker. Vervolgens delen gastsprekers Jerry Afriyie, Sameha Bouhalhoul en Kevin Roberson hun perspectief op de rol van kunstenaars in het teweeg brengen van sociale verandering. Klik hier voor meer informatie en aanmelding voor het evenement.

 

16 april: launch Instituut voor de Dekolonisatie van Suriname

Op 16 april vindt de launch plaats in Suriname van het Instituut voor de Dekolonisatie van Suriname (Dekosur). Dekosur zal haar werk, bestuur en staf presenteren. Sprekers zijn o.a. Minister Hoefdraad, Ellen Naarendorp (voorzitter Dekosur) en Sandew Hira (wetenschappelijk directeur).

De launch is open voor het publiek, maar vanwege het beperkt aantal plaatsen wordt u verzocht om u aan te melden via deze link.

Institute for Decolonizing The Mind (DTM)