Agenda en nieuws

Informatiebronnen over Venezuela

De Islamic Human Rights Commission heeft een webpagina opgezet met informatiebronnen over de situatie in Venezuela. De pagina bevat achtergrondinformatie en analyses over de coup. Ramon Grosfoguel, Sandew Hira, Maz Blumenthal and Ahmed Kabalo rapporteren direct vanuit Venezuela en geven hun analyse van de situatie.

Zie de pagina hier.

Maandag 18 maart: screening en paneldiscussie over de documentaire over Frantz Fanon

 

Op maandag 18 maart organiseert Pakhuis De Zwijger een screening en paneldiscussie van de documentaire Fanon – Yesterday – Today. Het panel bestaat uit documentaire-maker Hassane Mezine, schrijver Djehuti Ankh-Kheru en filosoof en politicoloog Grâce Ndjako. De avond wordt geleid door Sandew Hira. De voertaal is Engels. Het aantal plaatsen is beperkt (85).

Voor meer informatie, klik hier.

Woensdag 27 maart: Project Protest X Venezuela: what is the real story?

Studio-K organiseert met Transnational Institute, Critical Collective, Niet In Mijn Naam and Decolonial International Network een bijeenkomst over de situatie in Venezuela. Sprekers zijn Antonio Carmona Baez (voorzitter van the University of Sint Maarten), Daniel Chavez (Project officer bij het Transnational Institute), Sadet Karabulut (SP Tweede Kamerlid) en Sandew Hira (coördinator Decolonial International Network).

Voor meer informatie, klik hier.

 

Analyse coup in Venezuela

De Westerse media voeren een grote desinformatiecampagne tegen de Bolivariaanse revolutie in Venezuela. Sandew Hira geeft in een televisie interview in Suriname een analyse van de situatie in Venezuela en de media-rapportage.

https://www.youtube.com/embed/0uBJdc76fCQ

Op maandag 11 februari 2019 zal Sandew Hira een lezing houden gevolgd door discussie over het onderwerp: “Venezuela en de wereldpolitiek sinds Trump”.

Wat is er in Venezuela aan de hand? Is er sprake van een coup of van een democratische revolutie? Wat is de rol van de Verenigde Staten en haar bondgenoten onder leiding van president Trump in Venezuela? Wat is de relatie tussen Venezuela, Iran, Syrië, Oekraïne en Noord Korea? Welke gevolgen hebben de ontwikkelingen in Venezuela voor Suriname? Hoe ziet de wereldpolitiek er uit sinds Trump met nieuwe verhoudingen met Rusland en China?

Sandew Hira behandelt deze en andere vragen in een lezing van een uur gevolgd door een discussie met en tussen het publiek onder leiding van Moejinga Linga.

Plaats: Lalla Rookh, gebouw 1, Conference Room

Adres: Lalla Rookweg 54

Aanvang: 19.00 uur, inloop 18.30 uur

Einde: 21.00 uur

Toegang: gratis

Informatie: tel.: 868.28.30

Overpeinzingen bij 100 jaar Vereniging Ons Suriname

Sandew Hira
16 januari 2019

Een mijlpaal

Het is niet niks. Een vereniging, neen, een Surinaamse vereniging bestaat 100 jaar. Welke organisatie kan dat van zichzelf zeggen? Op 18 januari 1919 nam Julius Jacob Gemmel, een Surinaamse onderwijzer die naar Nederland kwam om verder te studeren en in Amsterdam gemeenteambtenaar werd, het initiatief tot de oprichting van de vereniging. Het aantal Surinamers in die periode zal enkele honderden zijn geweest. Nu is het 350.000.

De eerste dertig jaar van de vereniging draait vooral om het bevorderen van sociale contacten tussen Surinamers in Nederland, met name in Amsterdam waar veel ex-zeelieden uit Suriname wonen. Dat was belangrijk toen en in de decennia daarna. Maar wat Ons Suriname zo bijzonder maakt voor onze gemeenschap is haar politieke functie die een historische waarde heeft.

Ik heb persoonlijke herinneringen aan Ons Suriname die me dierbaar zijn omdat het ze plaatst in een traditie van progressieve Surinaamse politiek door de jaren heen.

Nationalisme

Ons Suriname is de plek waar de grondleggers van de nationalistische beweging van Suriname bij elkaar kwamen. Daar werden de discussies gevoerd over de strategie en tactiek over dekolonisatie. De jaren vijftig waren de jaren van internationale dekolonisatie. In verschillende delen van de wereld werd strijd gevoerd voor politieke en economische onafhankelijkheid. Surinaamse studenten onder leiding van Eddy Bruma richtten in 1951 Wie Egie Sanie (onze eigen dingen). Uiteindelijk kwamen ze in het bestuur van de Vereniging.

De principes van het nationalisme werden in 1955 uiteengezet in de Koerier, het orgaan van de vereniging:

  1. Bevrijding van de Nederlands/westerse culturele overheersing
  2. Bevrijding van de Nederlandse etnocentrische beschrijving van de Surinaamse geschiedenis, met het oog op de herschrijving van de geschiedenis
  3. Bevrijding van de buitenlandse economische overheersing
  4. Staatkundige onafhankelijkheid.

In de jaren tachtig heb ik mogen samenwerking met Fred Derby en de vakcentrale C’47. Daar heb ik de persoonlijk kennis gemaakt met de erfenis van Baru, zoals Bruma liefkozend werd genoemd door zijn volgelingen. Het was een erfenis van een beweging die haar wortels had in Wie Egie Sanie, die later opging in Ons Suriname. De zelfbewuste Surinamer die niet steeds achterom keek om te zien of hij/zij de goedkeuring droeg van de witte Nederlander, de strijdbewuste Surinamer die de strijd voor sociale rechtvaardigheid voor de armste delen van de Surinaamse bevolking voorop stelde, de trotse Surinamer die de onafhankelijkheid koestert. Die erfenis heeft haar oorsprong in de beweging die gevormd is in Ons Suriname en uiteindelijk de politieke onafhankelijkheid heeft weten te bewerkstelligen.

De nationalisten in Ons Suriname hadden ook een internationalistische houding. In 1954 schreef Frits Moll in de Koerier: “De verbondenheid met het koningshuis betekent voor ons net zo iets als bijvoorbeeld verknochtheid aan het Gemeentebestuur van Amsterdam. Wij wensen ons niet te vereenzelvigen met de Nederlandse buitenlandse politiek waarop we geen enkel vat hebben. We voelen ons geen stamverwanten van het Zuid-Afrikaanse volk, dat een misdadige rassenpolitiek bedrijft. We willen geen NAVO-partners zijn van Portugal dat op misdadige wijze de negerbevolking van Angola onder de duim houdt, of van Frankrijk, dat al zeven jaar oorlog voert tegen Algerije… Wij begrijpen heel goed dat ons nationalistisch streven onmiddellijk zal worden vereenzelvigd met communisme, maar wij weigeren te kiezen tussen Oost en West en de verantwoordelijkheid voor dit standpunt ligt niet bij de Nederlandse regering maar bij Suriname zelf.”

Internationalisme is altijd een beginsel geweest van de progressieve krachten in Ons Suriname.

Socialisme

Dat kwam sterker tot uitdrukking in de nieuwe beweging die het nationalisme opvolgde en ook in Ons Suriname een huis vond: de socialistische beweging van de Volkspartij. Eddie Jharap, één van de grondleggers van de VP, over wie ik een boek schreef als grondlegger van Staatsolie, vertelde me over de Surinaamse Studenten Vereniging SSV die nauwe banden had met Ons Suriname: “We namen ook actief deel aan internationale seminars en conferenties met studenten uit Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse landen. Cuba was een referentiepunt. Je voelde je onderdeel van een grote internationale beweging voor sociale rechtvaardigheid en socialisme.

We deden mee aan demonstraties tegen de oorlog in Vietnam. Ik weet nog dat we aan de Vietnamezen die wij op conferenties in het buitenland te­genkwamen, vroegen waarmee wij hun strijd concreet konden steunen. We waren zelf niet erg bemiddeld, maar wij wilden iets doen om onze solidariteit met het Vietnamese volk tot uitdrukking te brengen. ‘Kinine tegen malaria hebben wij nodig in Vietnam,’ zeiden ze. We zijn toen langs diverse apotheken gegaan om kinine in kleine hoeveelheden op te kopen. Dat materiaal werd dan langs een omweg verscheept. Toch viel dat op en de apothekers begonnen vragen te stellen. Wij verklaarden dat de kinine bestemd was voor mensen in het binnenland van Suriname. Ik denk dat we daardoor toch in het vizier zijn gekomen van de Binnenlandse Veilig­heids Dienst, de BVD. Een BVD’er had contact opgenomen met één van onze leden. Hij had met hem afgesproken in een Chinees restaurant, waar hij gegevens zou doorspelen over de leiding van de SSV. Tijdens die bijeen­komst zijn we binnengegaan om hem te fotograferen en eigenlijk om hem te intimideren.”

Ons Suriname was het huis van de Volkspartij en haar jongerenorganisatie het Democratisch Jongeren Front (DJF). Niet nationalisme, maar socialisme was nu het leidende verhaal. Jharap over de rol van Ons Suriname in de opbouw van de Volkspartij in Suriname: De Vereniging Ons Suriname werd een steunpilaar. Frits Moll was onze verbindingsman met Ons Suriname. De steun vanuit Nederland was heel belangrijk.”

Net als de nationalisten wilden ook de socialisten breken met de oude koloniale orde.

In Nederland ontwikkelde zich onder Surinaamse studenten en activisten verschillende socialistische stromingen. Ondanks hun meningsverschillen zijn de meesten nog steeds onderdeel van de anti-imperialistische beweging van Suriname. De LOSON is de enige organisatie die een andere weg is ingeslagen. Aanvankelijk was ze vooral geïnspireerd door het Stalinistisch leiderschap van dicator Enver Hoxha van Albanië. Na de val van het Oostblok schoof ze op naar rechts en zelfs in zo een mate dat haar leider Theo Para (pseudoniem van Henry Does) nu zonder enige schaamte de spreekbuis is van de meest reactionaire krachten in Suriname.

De coup van 25 februari 1980

De coup van 25 februari 1980 heeft voor een enorme discussie gezorgd in de progressieve gemeenschap. Was het een coup? Was het een revolutie? Bood het nieuwe mogelijkheden voor de progressieve beweging die er eerst niet waren? Hoe moest je ertegen aan kijken? Ons Suriname was de plek waar die discussies werd gevoerd, maar waar ook gemobiliseerd werd tegen de Nederlandse bemoeienis daarin. Ik herinner me nog levendig de paneldiscussie (waar ik onderdeel van mocht zijn) met de toenmalige minister Jan de Koning (“Suriname is geen pot met honing”).

De schok van de Decembermoorden en de nasleep daarvan werd gevoeld in Ons Suriname. Suriname bleef altijd mij altijd verbinden met Ons Suriname.

Decolonizing The Mind en slavernij

In 2009 was Ons Suriname met Delano Veira voorop de initiatiefnemer van een debat tussen mij en Gert Oostindie, dat uiteindelijk zou leiden tot een scheiding der geesten in de Surinaamse geschiedschrijving en het ontstaan van de beweging voor Decolonizing The Mind, die haar beslag heeft gekregen in de oprichting in Suriname van een Instituut voor de Dekolonisatie van Suriname. Meer dan ik besefte Delano hoe belangrijk een confrontatie tussen mij en Oostindie kon zijn als een katalysator voor nieuwe impulsen in het dekolonisatieproces. Hij heeft het evenement dan ook heel zorgvuldig voorbereid en uitgevoerd.

Belangrijke discussies over slavernij vonden plaats in Ons Suriname. De mislukte tv-serie De Slavernij was wetenschappelijk begeleid door o.a. Gert Oostindie. Mijn inhoudelijke kritiek op die serie leidde tot een knieval van de begeleiders (Gert Oostindie, Alex van Stipriaan en Aspha Bijnaar) die in een ingezonden stuk in De Volkskrant toegaven dat de serie niet deugde, maar legden de schuld daarvan bij de programmamaker Carl Boos. Naar aanleiding daarvan organiseerde Ons Suriname een debat tussen mij en Boos over de serie.

In Ons Suriname werd de website slavernijonline gelanceerd. Vanaf de nationalistische beweging tot en met de beweging voor Decolonizing The Mind is herschrijving van de geschiedenis van Suriname, waaronder de geschiedenis van slavernij, een belangrijk onderdeel geweest van de vereniging.

De Surinaamse gemeenschap en zeker haar progressieve beweging kan niet anders dan een diepe buiging maken voor deze organisatie die een historische rol heeft gespeeld in het ontwikkelen van een anti-imperialistische en dekoloniale bewustzijn onder ons volk. Namens heb zeg ik: Ons Suriname: dankjewel vanuit het diepste van ons hart. Jouw bijdrage is van onschatbare waarde geweest voor onze ontwikkeling.

En nog een persoonlijke noot: in Ons Suriname heb ik mijn eerste poging gedaan om de liefde van mijn leven aan mijn zijde te krijgen. Het lukte niet gelijk, maar ik leef nu 42 jaar met haar samen en weet het zeker: geluk bestaat en het is heel dichtbij.

Nationalisme, eenheid in verscheidenheid en solidariteit

Sandew Hira, 4 januari 2019

In Suriname is het vraagstuk van nationalisme en culturele diversiteit onderwerp van discussie geweest in de tweede helft van de vorige eeuw. Dit artikel plaatst die discussie in een breder theoretisch kader vanuit het perspectief van Decolonizing The Mind.

Definities

Een belangrijk onderwerp in de theorie van DTM (Decolonizing The Mind) is het vraagstuk van de natie-staat en identiteit. Laat mij beginnen met enkele definities.

Onder staat versta ik het politieke apparaat dat een gemeenschap bestuurt binnen vastgestelde geografische grenzen. De bestuursvorm kan verschillende vormen aannemen zoals een dictatuur of een parlementaire democratie. Een cruciaal onderdeel van dit apparaat is het monopolie op het gebruik van geweld middels leger en politie.

Onder natie of volk versta ik een gemeenschap die gevormd is op basis van een gemeenschappelijke geschiedenis, taal en cultuur. Een gemeenschap kan verspreid leven in verschillende staten. Een staat kan verschillende gemeenschappen besturen.

Onder identiteit versta ik in dit verband de relatie tussen een individu en een gemeenschap met betrekking tot de mate waarin een individu zich deel voelt van een gemeenschap. Die relatie kan tot uitdrukking komen in hoe het individu het gemeenschapsgevoel tot uitdrukking brengt via taal, geschiedenis en cultuur.

Onder klasse versta ik een groep mensen met dezelfde relatie tot arbeid en productiemiddelen. Ik gebruik dus de klassieke Marxistische definitie waarbij in het kapitalisme het proletariaat de klasse is van mensen die geen productiemiddelen in bezit hebben en hun arbeid moeten verkopen, de bourgeoisie de klasse van de eigenaren van productiemiddelen die meerwaarde (arbeid) onttrekken aan het proletariaat en de petit-bourgeouisie die productiemiddelen in bezit hebben, maar zelf ook arbeid verrichten met die productiemiddelen (kleinere boeren). In de westerse sociologie wordt het begrip klasse gebruikt om een groep mensen aan te duiden met dezelfde kenmerken (bijv. inkomen of levensstijl).

Een natie-staat is een staat waarvan de gemeenschap uit één natie bestaat: één staat, één volk met een gemeenschappelijke geschiedenis, één taal, gemeenschappelijke waarden en normen, één cultuur (bijv. religie).

De discussie in Suriname

Zoals in veel gekoloniseerde landen kwam ook in Suriname een anti-koloniale beweging opgang die streed voor politieke onafhankelijkheid. Die beweging begon als een culturele beweging voor herwaardering van de Afro-Surinaamse cultuur en met name het Sranan Tongo, zowel in Nederland als in Suriname. In Nederland was de Vereniging Ons Suriname een belangrijk trefpunt. De onderdrukking van de Afro-cultuur en het racisme van witte Nederlanders en lichtgekleurde Afro’s naar zwarte Afro-Surinamers waren de motor achter de culturele beweging die herwaardering van de eigen taal en cultuur voorop stelde. Het leverde prachtige kunst en literatuur op met schrijvers als Bruma, Dobru, Trefossa en Koenders. Bruma zag in dat de culturele strijd alleen succesvol zou zijn als het gecombineerd werd met een politieke strijd voor onafhankelijkheid en een sociale strijd (vakbondsrechten). De Partij Nationalistische Republiek en de vakcentrale C’47 (PNR) zijn de uitkomst van zijn visie. De PNR was instrumenteel in de totstandkoming van de onafhankelijkheid.

Hoe zou een nieuwe onafhankelijke staat eruit zien? Bruma en de PNR waren anti-koloniaal vanuit de ervaringen van de Afro-Surinaamse gemeenschap. De multiculturele samenleving van Suriname telt meer gemeenschappen. Hoe verhoudt de Afro-gemeenschap zich in een nieuwe onafhankelijke staat tot de andere gemeenschappen?

Surinaamse intellectuelen die in Nederland opgeleid zijn hebben geen theoretische traditie zoals de Engelse en Franse kolonisator die hebben ingevoerd in het onderwijs. Theoretische verhandelingen over de aard van de natie-staat vinden we niet in de nationalistische beweging. Wel is er een praktisch adagium: de nationalisten streven naar de veredeling van de natie. Veredeling betekent verbetering in de mate waarop de samenleving “zuiver” is geworden. Wat betekent die zuiverheid? Dat iedereen zich Surinamer voelt en dus een Surinaamse identiteit koestert.

Wat houdt die Surinaamse identiteit in? Heel eenvoudig: één taal (Sranan Tongo), één cultuur (nationalisme) en één geschiedenis van kolonisatie (met name slavernij geschiedenis). Anders gezegd: de introductie van  het concept van de natie-staat.

Vanuit de Hindostaanse kant kwam er verzet tegen dit nationalisme met Jnan Adhin als intellectuele boegbeeld. Tegen het concept van de natie-staat bracht Adhin het concept van eenheid in verscheidenheid in: “Laat elke groep op de haar karakteristieke wijze, in actieve coöperatie en harmonie met andere groepen, het hare bijdragen tot de culturele en sociale opbouw van Suriname. Laat er geen eenvormigheid en eentonigheid zijn, doch eenheid in verscheidenheid!”

Het klonk mooi: eenheid in verscheidenheid. In de praktijk betekende het: “Laat me met rust. Jij doet jouw ding. Ik doe mijn ding. En verder vallen we elkaar niet lastig.”

Net zo min als het nationalisme geen antwoord had op de problemen met het concept van de natie-staat in een multiculturele samenleving, zo had Adhin ook geen antwoord op het probleem van de gevolgen van het kolonialisme voor de multiculturele samenleving van Suriname. Adhin was niet anti-koloniaal. Integendeel. Hij was uitgesproken pro-koloniaal. Zie mijn analyse van zijn standpunten.

The theoretische concept van de natie-staat

De meeste staten die zijn gevormd in de geschiedenis van de mensheid waren multiculturele staten. Eén staat bestuurde een gebied met meerdere naties. Het concept van de natie-staat is geïntroduceerd in Spanje in 1492 na de val van Granada. Zuid-Spanje met Granada als hoofdstad werd geregeerd door Moslim heersers sinds het begin van de achtste eeuw. In de politieke theorie van de Islam moet een natie die door Moslims werd geregeerd vrijheden garanderen voor niet-Moslims. Die theorie werd uitgewerkt in Verdrag van Medina die in 622 door de profeet Mohammed is opgesteld. Daarin werden voor Christen, Joden en andere geloofsgroepen. Het Verdrag legde vast dat niet-Moslims vrijheid van godsdienst hadden en dezelfde politieke en culturele rechten als Moslims.

Toen het Christelijke vorstenhuis van koning Ferdinand en Isabella op 2 januari 1492 het laatste bolwerk van de Islamitische staat veroverde introduceerden zij het concept van de natie-staat: één staat, één geloof en één cultuur. Jodendom en Islam werden verklaard tot verboden godsdiensten. Andersdenkenden werden gedwongen om zich te bekeren tot het Christendom.

Dat concept van de natie-staat werd overgedragen in de kolonisatie van de Amerika’s. De gekoloniseerde volkeren moesten zich bekeren tot het Christendom en zich de Christelijke cultuur eigen maken. Spaans moest hun taal worden.

Kolonisatie had grote gevolgen voor Europa. Kolonisatie was in het begin vooral een aangelegenheden van particuliere ondernemers met steun van de staat die zij controleerden. Zo was Suriname ruim een eeuw lang bezit van een particulier bedrijf, de Geoctroyeerde Sociëteit van Suriname. De aandelen waren in handen van een ander particulier bedrijf (De West-Indische Compagnie), de familie Sommelsdijck en de stad Amsterdam. Dat bedrijf runde een staat in Suriname van 1683 tot 1795. India was van 1750 tot 1857 in handen van de East India Company, een bedrijf dat o.a. handelde in drugs (opium). Zij inde belastingen, onderhield een leger en runde de staat. India en Suriname waren gedurende ruim een eeuw geen koloniën van een staat, maar van een particulier bedrijf.

De concurrentie tussen deze ondernemingen en de door hen gecontroleerde staten leidde veelvuldig tot oorlogen in Europa die ook in de koloniën werden uitgevochten. In dat proces vormden zich in Europa staten met één dominante taal en cultuur. Een dominante taal en cultuur betekende dat er wel andere talen en gemeenschappen waren, maar er één leidend was in de vorming van de identiteit en geschiedenis van een staat.

De PNR nam in haar anti-kolonialisme een Eurocentrisch concept over van de natie-staat en was daardoor gedoemd om te mislukken in het ontwikkeling van een beleid over hoe om te gaan met de verhouding tussen natie en staat in een multiculturele samenleving. Adhin kon geen alternatief bieden omdat hij vastgeroest zat in datzelfde Eurocentrisme en het concept van eenheid in verscheidenheid niet wist te koppelen met anti-kolonialisme.

Een DTM concept van de natie-staat

Verschillende denkers uit de niet-Westerse wereld hebben concepten ontwikkeld over de verhouding natie en staat. In zijn boek “How to read Confucius and other Chinese classical thinkers” legt de Chinese president Xi Jinping uit hoe hij de oude Chinese filosofen raadpleegt om het vraagstuk van natie-staat aan te pakken: “The Chinese understood the idea of ‘harmony in diversity’ long ago. Zuo Qiuming, a Chinese historian who lived 2500 years ago, recorded a few sentences about ‘harmony’ by Yanzi, a senior official of the State of Qi: ‘Harmony may be illustrated by soup. You have the water and fire, vinegar, pickle, salt, and plums with which to cook fish.’ ‘There is an analogy between sounds and flavors. There are the breath, the two classes of dances, the three subjects, the materials from the fourth quarters, the five notes, the six pitch pipes, the seven sounds, the eight winds, the nine songs; (by these nine components] harmony is derived.’ ‘Who would eat the soup if we used only water to bring flavor? Who would listen if we played music with only one tune?'”

De essentie is dat als je verschillende naties (volkeren) onder bestuur van één staat brengt, dat niet automatisch zal leiden tot iets goeds. Eenheid in Verscheidenheid is iets anders dan Harmonie in Verscheidenheid. Eenheid betekent “Je vecht niet met elkaar” en Harmonie betekent “Je werkt samen om gezamenlijk iets beters tot stand te brengen”. China heeft 56 officieel erkende etnische groepen met hun eigen talen. Eenheid in Verscheidenheid is passief. Je hoeft niets te doen als je elkaar met rust laat. Harmonie in Verscheidenheid is actief. Je moet iets doen om harmonie tot stand te brengen, bijvoorbeeld solidariteit tussen de groepen promoten en actief samenwerking tot stand brengen. Xi Jinping heeft het concept van de Chinese droom als bindmiddel gepresenteerd: “The over 1.3 billion and more Chinese people are endeavoring to realize the Chinese dream of great national renewal. The dream of the Chinese people is closely connected with the dreams of other peoples of the world. We cannot realize the Chinese dream without a peaceful international environment, a stable international order and the understanding, support and help from the rest of the world. The realization of the Chinese dream will bring more opportunities to other countries and contribute to global peace and development.” Solidariteit is niet beperkt tot China, maar strekt zich uit tot de rest van de wereld.

In Bolivia onder leiding van de Inheemse president Evo Morales is het concept van verscheidenheid opgenomen in de grondwet en in de officiële naam van de republiek: De Plurinationale Staat Bolivia. De preambule van de grondwet meldt: “In ancient times mountains arose, rivers moved, and lakes were formed. Our Amazonia, our swamps, our highlands, and our plains and valleys were covered with greenery and flowers. We populated this sacred Mother Earth with different faces, and since that time we have understood the plurality that exists in all things and in our diversity as human beings and cultures. Thus, our peoples were formed, and we never knew racism until we were subjected to it during the terrible times of colonialism.”

De verscheidenheid heeft dus niet alleen betrekking op volkeren, maar ook op de relatie tussen mens en natuur.

Artikel 9.1 koppelt de versterking van pluri-nationale identiteiten aan het proces van dekolonisatie. Eén doel van de staat is “To construct a just and harmonious society, built on decolonization, without discrimination or exploitation, with full social justice, in order to strengthen the Pluri-National identities.”

Een pluri-nationale staat is gekoppeld aan meervoudige identiteiten. Je kunt deel zijn van de staat Bolivia en tegelijkertijd deel van een specifieke natie. De kunst is om de harmonie te bewerkstelligen tussen de verschillende identiteiten.

Een DTM concept van de natie-staat is niet Eenheid in verscheidenheid, maar Harmonie in verscheidenheid. En harmonie vereist een actief beleid om mensen met en tot elkaar te brengen, solidariteit te versterken om in saamhorigheid een vreedzame en welvarende samenleving te bouwen. Suriname kan veel leren van dit concept.

De koloniale geest van Hans Ramsoedh

Sandew Hira 7-12-2018

Historicus Hans Ramsoedh zit met veel onbehagen, zeg maar gerust, veel frustraties. Zijn boek Surinaams onbehagen[1] is geen wetenschappelijke studie over de geschiedenis van Suriname, maar een groot brok onbehagen en frustraties, over het proces van dekolonisatie.

Het boek is niet gebaseerd op originele bronnenmateriaal. Ramsoedh heeft geen archieven geraadpleegd die tot nu toe onbekend waren. Dat hoeft ook niet. Hij kan uit de bestaande bronnen misschien iets nieuws gevonden hebben, waar anderen niet op hebben gewezen. Maar ook dat is niet het geval. Of als hij geen nieuwe feiten naar boven heeft gebracht, zou hij misschien een nieuwe theorie hebben ontwikkeld op basis van bestaande feiten. Ook dat is niet het geval.

Wat is het boek dan wel?

Het is vooral een ode aan het Nederlands kolonialisme. Ramsoedh doet alle mogelijke moeite om het kolonialisme in een gunstig daglicht te stellen en de beweging voor dekolonisatie te criminaliseren.

Het begint al heel vroeg. Nederland is de gulle gever aan ontwikkelingshulp en ondanks hun rijkdom hebben de Surinamers een potje ervan gemaakt. Ramsoedh: “Zo is ondanks miljarden aan Nederlandse ontwikkelingshulp en de rijkdom aan grondstoffen als bauxiet, olie en goud nauwelijks een sociaaleconomische vooruitgang gerealiseerd.”[2]

Niet ondanks, maar dankzij Nederlandse ontwikkelingshulp is Suriname nooit tot ontwikkeling gekomen. Ramsoedh kent de studies over hoe ontwikkelingshulp leidt tot verarming van de bevolking en verrijking van multinationals. Hij heeft ze in zijn literatuurlijst, maar die gegevens komen niet terug in zijn conclusie, omdat hij maar één doel heeft: het Nederlands kolonialisme verheerlijken. Zo haalt hij gegevens aan over de rol van buitenlandse investeringen in Suriname: “In de periode 1955-1975 bedroegen de buitenlands investeringen Sf 460 miljoen, terwijl de buitenlandse overmakingen in diezelfde periode Sf 950 miljoen bedroegen.”[3] Is dit een inconsistentie in zijn verhaal? Ja, maar dan op de manier waarop een bakba wenkri wordt gerund. Een beetje met de Franse slag noem je wat feiten, zet je daar wat bananen, maar er is geen samenhang in het verhaal. Er is geen systematische analyses die conclusies onderbouwt. Het is een allegaartje van vertellingen die vooral de misdaden van het Nederlands kolonialisme moet verhullen.

Kijk naar de terminologie die hij hanteert. Ramsoedh: “Hoewel Suriname al in 1667 in Nederlandse handen kwam, laat ik de koloniale periode in 1865 beginnen.”[4]

Niks militaire campagne van Nederland om land dat niet van hen is te bezetten. Het kwam in hun handen alsof het uit de lucht is komen vallen. Stel je voor dat de Duitse bezetting van Nederland zo worden omschreven: Nederland kwam in Duitse handen in plaats van Duitsland bezette Nederland. De bakba wenkri stijl is overduidelijk in het tweede deel van de zin. Hij laat de koloniale periode in 1865 beginnen? Waarom? Zomaar. Er is geen discussie met andere auteurs die kolonialisme dateren vanaf het begin waarop de kolonisatie land bezette in de koloniën. Er zijn geen argumenten waarom je niet in 1667 moet beginnen. Het is net al in de Surinaamse bananenwinkel: er is geen systeem, gewoon willekeur afhankelijk van hoe de eigenaar de vorige avond heeft geslapen. Stel je voor: iemand zegt over de Duitse bezetting van Nederland die in 1940: “Ach, laten we de bezetting vanaf 1944 beginnen, zomaar omdat ik het leuk vind.” Hoe serieus neem je iemand, die zich als historicus profileert?

Ramsoedh vindt het problematisch om de misdaden van het Nederlands kolonialisme te beschrijven. De moorden die Nederlanders plegen bij de opstanden op de plantages Zoelen en Zorg en Hoop worden niet als moorden aangeduid. Deze opstanden werden “bedwongen, waarbij op de laatst genoemde plantage zeven doden vielen.”[5]

De Nederlandse moordpartij op Mariënburg in 1902 werd zo beschreven: “Met inzet van een detachement militairen kon de rust op Mariënburg worden hersteld waarbij vierentwintig Brits-Indische contractarbeiders de dood vonden.”[6]

De arbeiders zochten en vonden de dood. De militairen brachten rust voor de kolonisator en onrust voor de arbeiders. Dat laatste laat hij achterwege.

Surinamers houden van de Nederlandse kolonisator, is zijn boodschap. Verzet wordt aangeduid als “onbehagen”. Ramsoedh: “In deze publicatie wordt onbehagen gedefinieerd als een moment binnen een proces van politisering waarbij door (een deel van) de bevolking sluimerende onvrede over maatschappelijke thema’s wordt geuit al dan niet resulterend in acties of verzet.”[7]

Onderdrukking, uitbuiting, racisme, moord, vernedering is verdwenen achter een psychologische term “onbehagen”. Hij vervolgt: “Problematisch aan onbehagen is dat het gepaard kan gaan met gevoelens van onmacht bij groepen in de samenleving. Die gevoelens zijn niet zonder risico’s. Het kan sociale relaties in de samenleving onder druk zetten bijvoorbeeld door een denken in wij-zij tegenstellingen en het ontstaan van een sfeer van achterdocht en argwaan, en leiden tot (etnische) strijd, volksverzet, stakingen en opstand.”[8]

Ramsoedh wil niet dat de gekoloniseerde denkt in termen van wij-zij. We moeten denken in termen van solidariteit met de kolonisator.

Om dat te benadrukken schetst hij een beeld alsof er tijdens het kolonialisme nooit echt verzet is geweest. De gekoloniseerde was blij met de kolonisator en werd gemanipuleerd door anderen.

Ramsoedh: “Ondanks de weinig rooskleurige situatie van de stedelijke bevolking was van verzet geen sprake.”[9]

Waar hij verzet bespreekt, haalt hij de verzetstrijders neer. Verzet is het werk van gefrustreerde labiele mensen. Dat is conform de lijn van zijn grote intellectuele held, de house-negro Rudolf van Lier. De onzin die Van Lier verkondigt onder de naam van wetenschap heb ik hier uitgebreid geanalyseerd. Zijn racistische stereotypering van zwarte mensen als irrationele mensen wier handelen gericht is op onmiddellijke behoeftebevrediging tegenover de rationele witte westerse mens alsmede zijn beledigingen aan het adres van Anton de Kom en andere verzetstrijders als labiele figuren zijn daarin geanalyseerd. De Surinaamse bewonderaars van Van Lier waaronder Ruben Gowricharn, Maurits Hassankhan, Anil Ramdas en Hans Breeveld komen niet verder dan te herhalen hoe geweldig hun intellectuele held is zonder een degelijk antwoord te kunnen geven op de kritiek. Ramsoedh en Maurits Hassankhan hebben een poging gewaagd, maar mijn weerwoord op hun koeterwaals heeft ze tot zwijgen gebracht.

Ramsoedh brengt zijn frustraties over dekoloniale geschiedschrijving naar voren in zijn behandeling van het Killinger complot. Killinger was een revolutionair die met een militaire actie het koloniaal bewind omver wilde werpen in 1911. Dit is wat Ramsoedh over hem schrijft: “Van enige motivering in revolutionaire of anti-koloniale zin was bij Killinger geen sprake. Om die reden was zijn coup d’état beslist geen revolutionaire of anti-koloniale actie. Hij was een in financiële nood verkerende geestelijk labiele en gefrustreerde man die gebruik wilde maken van de heersende onvrede onder de bevolking en op nogal amateuristische wijze een greep naar de macht wilde doen.”[10]

Dit is geschiedvervalsing en Ramsoedh weet het, want in zijn literatuurlijst is mijn boek Van Priary tot en met De Kom opgenomen waarin ik het politieke programma van Killinger uitgebreid heb behandeld. [11]  Killinger had namelijk wel degelijk een politiek programma. Je mag dat programma maar niks vinden, maar je kunt niet verzwijgen dat hij een politiek programma had.

Wat waren de programmapunten van Killinger?

  1. De vervanging van de koloniale staatsvorm door een onafhankelijke republiek met een gekozen president.
  2. De vervanging van de Koloniale Staten door twee kamers van afgevaardigden zoals veel democratische landen die kennen.
  3. De gouverneur en enkele hoge ambtenaren zouden teruggestuurd worden naar Nederland.
  4. Er moest een grote elektriciteitscentrale komen die het land zou voorzien van goedkope energie.
  5. Er moest een programma komen voor de opvang van verwaarloosde jongeren met kleding, voedsel (er heerste hongersnood) en scholing.
  6. Er moest een ontwikkelingsprogramma worden uitgevoerd met leningen op de internationale kapitaalmarkt voor investeringen in de landbouw, handel en industrie.
  7. De corruptie van het overheidsapparaat dat bestond uit Hollanders en lichtgekleurde Afro-Surinamers moest worden aangepakt door hen te ontslaan en te vervangen door integere mensen.
  8. De inperkingen op de persvrijheid moest worden opgeheven. De overheid oefenende censuur uit.
  9. De Aziatische contactarbeiders die in 1902 in opstand waren gekomen die bloedig werd neergeslagen, moesten met respect behandeld worden.

Al in 1910 was er een groep Surinamers die onafhankelijkheid nastreefden met felle kritiek op het Nederlands kolonialisme. Die mensen zijn niet goed bij hun hoofd, wil Ramsoedh ons doen geloven. Maar een ooggetuige uit die tijd schetst een heel ander beeld. Ramsoedh kent zijn verhaal, want het is ook opgetekend in Van Priary tot en met De Kom. Het is de observatie van dominee A.E. Boers, een predikant die zich veelvuldig onder de werkende en werkloze klassen bewoog. Boers schreef rond 1911 n.a.v. de uitingen van sympathie voor Killinger onder het volk: “Men haat de regering. ’t Nederlandsche in de regering haat men. De Nederlander heeft ’t gedaan. Men verdraagt hem in de kolonie niet. Ik hoor zeggen, de Surinamer heeft geen deel in de regering. Alleen de ondergeschikte positie is voor hem. Ik voor mij zie geen heil in een suggereeren dat deze bevolking Nederlandsch en Oranje lievend is. De kleurling in deze dagen, wil den Nederlanders niet. De zwarte populatie wil den kleurling niet. Onder de bovenkant en den schijn van vriendelijkheid en onderwerping aan ’t gezag is iets anders. Haat is een woord dat te groot is. ’t Juiste woord heb ik niet. Maar een gevoel dat men wel opstaan wou. Wij zijn uit den vreemde. En wij komen voor geld en pensioen. En ’t wordt onder ’t volk en in de straten beredeneerd, wat wij voor arbeid doen. En of voor zoo luttel arbeid zooveel geld betaald moet worden. De menschen hier voelen ’t op hun manier. De Hollander heeft een groot salaris en hij doet weinig werk. En daarmee is een verandering gekomen in de gedachten der bevolking. Men gaat de beteekenis van ’t Hollandsche werk taxeeren. De arbeid – de geestelijke arbeid der Hollanders – wordt niet zoo hoog meer geschat. Men denkt de gedachte uit: men zou zelf ’t zelfde kunnen doen. En hier is men genaderd – aan ’t geen ik al heb genoemd – de onafhankelijkheidsgedachte.”[12]

Dit verhaal kent Ramsoedh, maar hij verzwijgt het omdat het niet past in de lofzang op zijn witte meesters. Hoever hij daarin gaat, blijkt uit zijn schets van het verhaal van de verzetsheldin Janey Tetary. Dit verhaal heeft jonge Hindostaanse vrouwen geïnspireerd om een campagne op te zetten om het standbeeld van haar moordenaar – de Hollander Barnet Lyon – te vervangen door een standbeeld van haar. De campagne was succesvol. Zeer tegen de zin van Ramsoedh en de zijnen werd Barnet Lyon neergehaald en rees Tetary uit haar anonimiteit. Ramsoedh doet nu voorkomen als het hele verhaal van Tetary een verzonnen verhaal is. Uit zijn literatuurlijst blijkt dat hij de bronnen van het verhaal wel degelijk kent (de studie van Radjinder Bhagwanbali), maar toch doet hij het verhaal van Tetary af als een verzinsel: “Tetary was een contractarbeidster die een ‘heldenrol’ zou hebben vervuld bij de opstand van plantage Zorg en Hoop (Commewijne) in september 1884 en bij het neerslaan van de opstand door de militairen werd doodgeschoten. Zij was tot voor kort een tamelijk onbekende persoon, niet alleen in de (koloniale) bronnen, maar ook in de orale overleveringen.”[13]

De koloniale bronnen kennen geen Tetary volgens Ramsoedh, terwijl die bronnen controleerbaar zijn. Zover gaat Ramsoedh in de verdediging van het Nederlands kolonialisme: moedwillig verdraaien van de feiten.

Het grootste probleem heeft Ramsoedh met de dekoloniale beweging is de moderne tijd. De coup van 25 februari 1980 en de politieke tegenstellingen die dat met zich meebrachten, hebben geleid tot een periode van politiek geweld waarin minimaal 450 doden zijn gevallen. De 15 doden van 8 December 1982 hebben in Nederland de meeste aandacht gehad. De overige 435 doden die tijdens de Binnenlandse Oorlog zijn gevallen zijn grotendeels verzwegen. De Binnenlandse Oorlog werd met NF 31 miljoen gefinancierd door Nederland en gesteund door witte huurlingen. Het was een wrede oorlog waarin het Nationaal Leger en het leger van Brunswijk gruweldaden hebben gepleegd. Die misdaden heb ik uitvoerig gedocumenteerd. Daaronder zijn ook de misdaden van het Jungle Commando waaronder een onthoofding, het in stukjes kappen van een jonge soldaat en de aanval op het dorp Pokigron waar de bevolking onder mitrailleur bedreigen verzameld werden op een voetbalveld om te worden vermoord. Ramsoedh kent die verhalen want mijn boek hierover heeft hij opgenomen in zijn literatuurlijst. Maar hij verzwijgt de feiten. De gruwelijke misdaden van witte huurlingen en het Jungle Commando van Brunswijk gesteund door Nederland met miljoenen guldens wordt gebagatelliseerd. Ramoedh spreekt over plaagstootjes en speldenprikken van Brunswijk: “Veel stedelijke Surinamers waardeerden de plaagstootjes van de rebellenleider maar leefden niet op bij de gedachte van een machtsovername door hem. Door de gebrekkige bewapening was het Jungle Commando niet tot meer in staat dan het uitdelen van tartende speldenprikken.”[14]

Voor Ramsoedh zijn de 8 Decembermoorden de enige gebeurtenis van politiek geweld die telt. De andere gebeurtenissen en hun slachtoffers tellen niet. Zijn boek is geen historische analyse van de periode, maar een emotionele herhaling van de propaganda van de 8 Decembergroep over politiek geweld. Het traject dat ik in 2015 ben gestart naar politieke geweld, waaronder een interview met president Bouterse, wordt niet geanalyseerd zoals een historicus dat zou doen, maar gedemoniseerd zoals propagandisten dat doen. Ramsoedh noemt mij een “ideologische hofnar” en een “pajongwaaier”. Het traject zou gestart zijn “in opdracht” van Bouterse. Zijn bewijsvoering? Niets. Van een historicus zou je verwachten dat hij of zij wetenschappelijk onderzoek doet naar de feiten, met alle betrokkenen praat en vervolgens met een onderbouwde conclusie komt. Niet bakba wenkri historicus Ramsoedh. Niks onderzoek. Niks feiten. Gewoon presenteren wat de propagandisten van de 8 December beweging aan leugens, verdraaiingen en scheldpartijen produceren.

Ramsoedh wijdt een deel van zijn verhaal(tjes) aan dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. Daarbij gebruikt hij argumenten die ronduit lachwekkend zijn. Hij brengt de racist Pieter Emmer naar voren als autoriteit. Emmer schrijft dat Suriname er trots op zou moeten zijn dat buitenlanders haar geschiedenis interessant vinden.[15] Diezelfde Emmer schrijft dat Afrikanen van slavernij hielden. Ze hadden geen belangstelling voor vrijheid. Ze wilden graag onder slavernij leven met wat meer bewegingsvrijheid, die ze ook kregen.[16]

Over het brandmerken van de totslaafgemaakten schrijft Emmer dat het twee keer werd uitgevoerd: “Een keer als ze aan boord van het Europese slavenschip kwamen en een keer als ze aan het einde van de reis op de plantage arriveerden.” Volgens de racist werd dat als positief ervaren: “Ze zagen het als bewijs dat hun nieuwe eigenaar voor hen zou zorgen.”[17]

Deze beledigingen worden door Ramsoedh gezien als een bewijs dat “buitenlanders” (zeg maar de historici van de kolonisator) belangstelling hebben voor de Surinaamse geschiedenis en Surinamers daar heel blij mee moeten zijn.

Ramsoedh heeft zich met zijn verdediging van het Nederlands kolonialisme neergezet als een typische house negro, in zijn geval een house coolie. En hoe ze tewerk gaan is het beste uiteengezet door Malcolm X.


Hans Ramsoedh: Surinaams onbehagen. Een sociale en politieke geschiedenis van Suriname 1865-2015. 376 blz. ISBN: 978 90 8704 781 1. Prijs € 29,-.

Referenties

[1] Hans Ramsoedh: Surinaams onbehagen. Een sociale en politieke geschiedenis van Suriname 1865-2015. Verloren. Hilversum 2018.

[2] Idem, p. 7.

[3] Idem, p. 103.

[4] Idem, p. 11.

[5] Idem, p. 42.

[6] Idem.

[7] Idem, p. 8.

[8] Idem, p. 9.

[9] Idem, p. 41.

[10] Idem, p. 41-42.

[11] S. Hira: Van Priary tot en met De Kom. Futile, Rotterdam 1982, p. 246 e.v..

[12] Idem, p. 254-255.

[13] H. Ramsoedh, idem, p. 282-283.

[14] Idem, p. 175.

[15] Idem, p. 278.

[16] Emmer, P.C. (2008): Who abolished slavery?. Resistance and accommodation in the Dutch Caribbean. Paramaribo.

[17] P.C. Emmer: De Nederlandse slavenhandel 1500-1850. De Arbeiderspers. Amsterdam/Antwerpen 2003, p. 250-252.

Marxisme en de dekoloniale beweging: deel 2: Godsdienst en ethiek

Sandew Hira, 2-11-2018

Inleiding

In de serie “Marxisme en de dekoloniale beweging” zal ik Marxistische theorieën vanuit een dekoloniale bril bekijken. In deel 2 ga ik in op Marxisme en godsdienst.

Godsdienst is opium voor het volk

Een visie van Marx op godsdienst is verwoord in zijn essay Critique of Hegel’s Philosophy of Right. Hij schrijft: “Man makes religion, religion does not make man.”[1] Godsdienst is het product van een fantasie van de mens. Hij vervolgt: “This state and this society produce religion.” Marx observeerde hoe de Christelijke kerk – en godsdienst in het algemeen – door de heersende macht werd gebruikt om het volk in het gareel te houden. De arme onderdrukte klasse zoekt in religie een bevrijding van de zorgen en problemen van alledag, maar net als opium is het verdovingsmiddel om de geest lam te leggen: Marx: “Religious suffering is, at one and the same time, the expression of real suffering and a protest against real suffering. Religion is the sigh of the oppressed creature, the heart of a heartless world, and the soul of soulless conditions. It is the opium of the people.”[2]

Kennis en ethiek

Marx moet geplaatst worden in de traditie van de Europese Verlichting waar een scheiding plaatsvond in kennisproductie tussen kennis en ethiek. Kennis gaat over de vraag: is iets waar of niet waar. Ethiek gaat over de vraag: is iets goed of fout. Die scheiding kwam door de opkomst en doorbraak van de natuurwetenschappen, die tot veel technische uitvindingen leidde en het gevoel schiep dat de mens de natuur kon beheersen door de wetten van de natuur te leren kennen.

In Europa kwam in de negentiende eeuw de sociale wetenschappen op (economie, sociologie, politieke wetenschappen, culturele studies), die zich in hun methoden gingen spiegelen aan de natuurwetenschappen. Waar de scheiding tussen kennis en ethiek in de natuurwetenschappen enigszins begrijpelijk is (dat de maan rond is heeft niets te maken met goed of fout, maar met waar en niet waar), ligt dat bij de sociale wetenschappen een stuk moeilijker. De mens produceert kennis over zichzelf. Het wordt lastiger om een scheiding te maken tussen subject (de onderzoeker) en object (datgene dat onderzocht worden, in dit geval de mens). Een witte man die schrijft over kolonialisme heeft meer moeite om het verschijnsel te begrijpen vanwege zijn vorming door het koloniale systeem. Er treed een bias (misvorming) op in zijn kennisproductie.

Bevrijdingstheologie

Vanuit de heersende religieuze instituten, zoals de Christelijke kerk, was de afwijzing van het Marxisme ingegeven door haar rol als hoeder van het establishment. Maar er waren ook religieuze mensen die de rol van het Marxisme als een theorie van bevrijding erkennen en ook tegen het establishment zijn. Daarin zitten grofweg twee stromingen. Een stroming, die vooral vertegenwoordigd is in de Christelijke bevrijdingstheologie, zoekt naar de overeenkomsten tussen Marxisme en Christelijke theologie als theorieën van bevrijding. In tweede helft van de 20ste eeuw hebben Latijn-Amerikaanse theologen zoals de Peruaan Gustavo Gutiérrez en de Braziliaan Leonardo Bof het vraagstuk van armoede en sociale strijd in Latijns Amerika opgepakt en verbonden aan een theorie over godsdienst niet als opium voor het volk, maar als instrument van bevrijding. Die stroming is niet beperkt gebleven tot theologen in Latijns Amerika, maar strekt zich uit tot Afrika, het Midden-Oosten en Azië.

Een tweede stroming van theologen ondernam vanuit een bevrijdingstheologie een kritiek op het Marxisme. Ze wijzen het Marxisme niet af, omdat het een gevaar is voor de heersende orde (waar zij ook tegen zijn), maar omdat het geen oplossing biedt voor het vraagstuk van ethiek: wat is goed of fout.

Een mooi voorbeeld is de Iraanse revolutionair Ali Shari’ati. Shariati was een criticus van het pro-imperialistische regime van de dictator Shah Reza Pahlavi. Hij vertaalde Frantz Fanon in het Perzisch en profileerde zich als een islamitische denker. Hij schreef een interessante kritiek op het Marxisme onder de titel: Marxism and Other Western Fallacies. An Islamic Critique.[3]

Shari’ati begint met te wijzen op het verschil tussen wetenschap en religie in het Christendom en de Islam. In de Christelijke theologie werd wetenschap gezien als een concurrent in kennisproductie. De kerk verhinderde de groei van wetenschappelijk kennis, met name door de opkomst van de natuurwetenschappen die uitkomsten leverden die niet strookten met Christelijke opvattingen over de natuur. Maar in de Islam is dat niet het geval. Shari’ati: “God wishes humanity to be free of the great yoke of slavery to nature.”[4] Er is geen enkel verbod in de Islam om de wetten van de natuur te leren kennen. Integendeel. Kennis over de wetten van de natuur zal de mensheid bevrijden.

Maar fundamenteler is zijn kritiek op de verhouding tussen wetenschap en ethiek. Religie is een bron voor ethiek. Het geloof levert de basis voor waarden en normen en voor richtlijnen van ethiek. Waar is de bron van de ethiek in het Marxisme? Shari’ati: “The radicalist – who were amongst the most outstanding exponents and intellectuals of the new ‘humanism’ of eighteenth- and early nineteenth-century Europe – proclaimed in a manifesto they published in 1800: ‘Set aside God as the basis of morals and replace Him with Conscience.’ They held that man is a being that in and of himself possess a moral conscience, which in their view springs from his original and essential character, and which his human nature requires.”[5]

Shari’atie wijst op de fundamentele verschillen tussen Marxisme en Islam, hoewel ze beide vanuit een bevrijdingsfilosofie naar de wereld kijken: “Islam and Marxism  completely contradict each other in their ontologies and cosmologies. Briefly, Marxism is based on materialism and derives its sociology, anthropology, ethics and philosophy of life from materialism. The Marxist cosmos, i.e. the materialist cosmos, is, as Marx puts it, a ‘heartless and dispirited world’  where man lacks a ‘ real’  destiny. By contrast, the cosmology of Islam rests upon faith in the unseen – the unseen (ghayb) being, definable as the unknown actuality that exists beyond the material and natural phenomena that are accessible to the senses and to our intellectual, scientific, and empirical perception, and which constitutes a higher order of reality and the central focus of all movements, laws, and phenomena in the world.[6]

In de dekoloniale theorie grijpt mijn kritiek op het Marxisme terug op filosofen als Shari’ati. Het is niet een simpele kritiek op Marx die godsdienst afwijst als opium voor het volk. Het gaat dieper en grijpt in op de relatie tussen kennis en ethiek.

 

[1] Marx, K. (1844): Critique of Hegel’s Philosophy of Right. Oxford University Press. Original 1844.. Oxford, p. 3.

[2] Idem.

[3] Shari’ati, A. (1980): Marxism and Other Western Fallacies. An Islamic Critique. Mizan Press. North Haledon, New Jersey.

[4] Idem, p. 19.

[5] Idem, p. p. 22.

[6] Idem, p. 65-66.

Marxisme en de dekoloniale beweging. Deel 1: zwarte Marxisten en ondernemerschap

Sandew Hira, 5-10-2018

Inleiding

In de serie “Marxisme en de dekoloniale beweging” zal ik Marxistische theorieën vanuit een dekoloniale bril bekijken. In deel 1 ga ik na een algemene inleiding in op de visies op ondernemerschap en zwarte Marxisten.

Marxisme als inspiratie voor anti-kolonialisme

De strijd tegen kolonialisme heeft in delen van de socialistische beweging belangrijke bondgenoten gevonden. De houding ten aanzien van het kolonialisme was een breekpunt tussen communisten en sociaal-democraten. Communisten zagen zichzelf als de ware erfgenamen van het gedachtegoed van Marx en Engels. Zij eisten een breuk met het kolonialisme als onderdeel van de strijd tegen het wereldwijde kapitalisme en steunden anti-koloniale bewegingen in de gekoloniseerde gebieden. Sociaal-democraten vochten niet voor een wereldwijde revolutie, maar verdedigden vooral de eigen landen die koloniën hadden en waar ze via het parlement regeermacht wilden verwerven. Voor veel anti-koloniale activisten vormde het Marxisme daarom een aantrekkelijke inspiratiebron. Dat was ook in Nederland zo.

De Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP), de voorganger van de PvdA, was tegen de onafhankelijkheid van Indonesië omdat de “Indonesische bevolking ‘physiek, verstandelijk en moreel’ nog niet voldoende ontwikkeld was voor onafhankelijkheid.”[1] De communisten daarentegen waren voor een onmiddellijke onafhankelijkheid, zowel van Indonesië als van Suriname.

Anton de Kom was de leidende anti-koloniale activist van Suriname in de jaren dertig. Hij pleitte voor onmiddellijke onafhankelijkheid van Suriname. Hij werd na de opstand van 1933 in Suriname, waarin hij een leidende rol speelde, verbannen naar Nederland. Hij werd veelvuldig gevraagd door communisten om te spreken op hun bijeenkomsten. Veel anti-koloniale activisten voelde zich aangetrokken tot het Marxisme vanwege dat sterke anti-kolonialisme, zoals Otto Huiswoud. Huiswoud heeft in de jaren zestig invloed gehad op jonge studenten en arbeiders die anti-imperialisme combineerden met Marxisme.

Zwarte Marxisten

Binnen het Marxisme was een stroming van zwarte activisten en denkers die het vraagstuk van ras en klasse aanpakten. Deze zwarte Marxisten hadden hun vertrekpunt in de basisbeginselen van het Marxisme:

  • De filosofie van het dialectisch materialisme, die toegepast op de wereldgeschiedenis leidde naar de theorie van het historisch materialisme. Dialectiek is een filosofische methode die de motor voor ontwikkeling en verandering zien in tegengestelde krachten die met elkaar in conflict zijn. De tegenstellingen tussen onderdrukte en onderdrukkende klasse leiden tot verandering en vooruitgang. De theorie van het historisch materialisme verklaart sociale en culturele veranderingen (de bovenbouw van de samenleving) uit veranderingen in de economie, techniek en natuur (de onderbouw).
  • De economische theorie van de meerwaarde. Marx definieert meerwaarde als de waarde van goederen en diensten die een arbeider produceert minus de kosten van haar levensonderhoud. De kapitalist eigent zich deze meerwaarde toe, omdat hij eigenaar is van de productiemiddelen waarmee de arbeiders de goederen en diensten produceert. Particulier eigendom van produktiemiddelen gekoppeld aan loonarbeid is daarom per definitie uitbuiting.
  • De klassentheorie. De sociale verhoudingen in iedere samenleving is gebaseerd op het begrip klasse. De samenlevingen die zijn ontstaan in de afgelopen eeuwen, zijn klassensamenlevingen. De klasse van uitbuiters en de klasse van mensen die uitgebuit worden. Sociale strijd is klassenstrijd.
  • De culturele theorie van basis- en bovenbouw en de plaats van de Europese Verlichting in de wereldcultuur. De cultuur van een samenleving wordt bepaald door de economische en technische basis. De Europese Verlichting was een hoogtepunt in de culturele ontwikkeling van de mensheid omdat het een scheiding bracht tussen wetenschap en geloof.
  • De politieke theorie van de socialistische wereldrevolutie geleid door een communistische voorhoedepartij, die een einde moet maken aan het kapitalisme.

Dit is het kader waarbinnen veel zwarte Marxisten opereerden. Cedric Robinson heeft het werk van een aantal van hen beschreven in zijn boek Black Marxism – the making of the black radical tradition[2]. Sommigen, zoals W.E.B. Du Bois, C.L.R. James en Oliver Cox, hebben baanbrekend werk verricht op het gebied van de beschrijving en analyse van de ervaringen van zwarte mensen. Maar in essentie beschouwden ze racisme als een instrument van verdeel-en-heers van de heersende klasse.

Marcus Garvey

De grootste uitdager van de zwarte Marxisten was Marcus Garvey. Garvey zag particulier bezit van productiemiddelen niet als een instrument van uitbuiting, maar een instrument van bevrijding van de zwarte gemeenschap. Hij baseerde zich daarbij op de filosofie van Booker T. Washington, een belangrijke leider van Amerikaanse zwarten na de afschaffing van slavernij, die economische zelfstandigheid als een basis voor de algehele bevrijding van zwarte Amerikanen beschouwde.

Die filosofie zette Garvey om in daden. Hij bouwde de grootste zwarte organisatie op in de geschiedenis met meer dan een miljoen leden en een netwerk van bedrijven die zijn activisme ondersteunde. Garvey introduceerde het concept van mental slavery en decolonizing the mind. Zijn nadruk op geestelijke bevrijding werd echter niet gecombineerd met het uitdagen van de heersende politieke macht, zoals later zou gebeuren door Malcolm X.

Voor Marxisten is het idee van particulier eigendom van productiemiddelen als een instrument van bevrijding absoluut onacceptabel. Waar Garvey in navolging van Washington ondernemerschap zag als creativiteit, zelfstandigheid en trots, zagen de Marxisten op basis van de meeraarde theorie alleen maar uitbuiting.

C.L.R. James was heel hard over Garvey. Hij noemde hem “a reactionary”, een “born demagogue”, een “Adolph Hitler”, “Everything that Hitler was to do afterwards in the way of psychological appeal, Garvey was doing in 1921”.[3]

Miljoenen zwarten zagen dat anders. Garvey zag niet alleen een economische functie in arbeid (het produceren van goederen en diensten), maar ook een sociale, culturele en  mentale functie. Het verdienen van een eigen inkomen als zelfstandige ondernemer versterkt het zelfvertrouwen van mensen die eeuwenlang hebben moeten meemaken hoe hun zelfvertrouwen werd neergehaald. Zwarte bedrijven kunnen een sociale functie vervullen en de economische basis vormen voor een onafhankelijke sociale beweging van zwarte mensen. Daardoor krijgt ondernemerschap ook een politieke functie.

Dit zijn overwegingen die Marxisten niet kunnen accepteren, omdat hun theorie over de meerwaarde alleen maar één aspect zien van ondernemerschap, namelijk mogelijke uitbuiting. Daardoor hebben zij hun aantrekkingskracht verloren op zwarte activisten die de andere dimensies van ondernemerschap hebben ervaren.

[1] https://www.sp.nl/spanning/2010/spanning-november-2010-muiterij-op-zeven-provincien.

[2] Cedric Robinson: Black Marxism – the making of the black radical tradition. The University of North Carolina Press. 2000.

[3] Citaten uit: https://www.marxists.org/archive/james-clr/works/1940/06/garvey.html. Hij publiceerde het artikel onder zijn pseudoniem J.R. Johnson: Marcus Garvey. (1940).

 

Kleurenblindheid en racisme

Sandew Hira 7-9-2018

“We zien geen kleur. We zijn kleurenblind.” Dit argument wordt in de discussie over racisme door vooral witte mensen opgevoerd als een teken van progressiviteit, als een blijk dat ze niet racistisch zijn.

Laten we dit argument vanuit een DTM-perspectief analyseren (DTM=Decolonizing The Mind).

In de DTM theorie over kennis is gezond verstand een bron van kennis, die in de Westerse wetenschap wordt genegeerd. Als we gezond verstand toepassen op het argument dan vraag je af: blindheid is toch een handicap in plaats van een deugd?

Maar het argument wordt gebruikt in de zin van “wij witte mensen discrimineren niet, want kleur speelt geen rol in onze besluitvorming.” Mooi, als je zo expliciet bent en dan moet het geen probleem zijn om je argument te toetsen aan de praktijk. Neem de arbeidersmarkt.

Als een HR-manager in een onderneming zegt: “Kleur speelt geen rol bij het aannemen van personeel”, dan moet het geen probleem zijn om die stelling te toetsen en de vraag te stellen: hoeveel mensen van kleur werken in je onderneming? Stel dat het antwoord is: wat kunnen we niet zeggen, omdat de geen registratie op etniciteit hebben. Dan is de wedervraag natuurlijk: hoe weet je dan dat kleur geen rol speelt in het wervingsbeleid? Je kunt dan niet zeggen: “Kleur speelt geen rol bij het aannemen van personeel”. Je zou moeten zeggen: “Ik weet niet of kleur geen rol speelt bij het aannemen van personeel, want ik heb geen mogelijkheid om dat te controleren.”

Dat is een correctere uitspraak. Het betekent dat kleurenblindheid leidt tot een situatie waarbij je niet weet of er gediscrimineerd wordt bij de werving en selectie. Is dat geen reden om ongerust te zijn als je tegen racisme bent in je onderneming?

De beleidsimplicatie van het argument van kleurenblindheid is dus dat je je afsluit voor informatievoorziening over wat er werkelijk gebeurt in je onderneming.

Voor mensen van kleur het simpel: als je wilt vaststellen hoeveel mensen er in een onderneming werken, begin je gewoon waar je zelf werkt en doe je ogen open. Je kijkt rond, telt hoeveel mensen er op een afdeling werken en hoeveel mensen van kleur er werkzaam zijn. Dan kun je zonder enquêtes en administratie maar met gezond verstand en stellen vaststellen of er sprake is van statistische discriminatie, dus of de afdeling een afspiegeling is van de samenleving.

Je moet dus juist niet blind zijn, maar je ogen open doen.

Als er dan sprake is van statistische discriminatie, kun je de werkelijke vragen op tafel leggen: hoe komt het, hoe werken de instituties voor werving en selectie, hoe zit het met instroming, uitstroming en doorstroming. Door niet meer blind te zijn (kleurenblind in dit geval), kunnen je ogen de deur open naar je verstand als je werkelijk tegen racisme bent.

 

Donald Trump en de val van het Amerikaans imperialisme

Sandew Hira
3-8-2018

Donald Trump is ongetwijfeld de meest racistische president van Amerika van de afgelopen decennia. Zijn uitspraken en beleid hebben fascistische trekken. Het immigratiebeleid t.a.v. Latino’s en moslims zijn uitgesproken racistisch en islamofobisch. De verplaatsing van de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jerusalem, het vuren van een raket op Syrië n.a.v. een zogenaamde gifgas aanval, de continue dreiging met oorlog tegen alles en iedereen. Dit alles lijkt het beeld te bevestigen van een man die de Derde Wereldoorlog kan inleiden. Tegelijkertijd zien we verwoede pogingen van Trump om vrede te sluiten met Noord Korea en de verstandhouding met Rusland te verbeteren. In Amerika is met name vanuit de Democraten een enorme campagne om dat tegen te gaan. Om deze ontwikkeling te begrijpen moeten we de val van het Amerikaans imperialisme analyseren.

Het Westers kolonialisme is gestart in 1492 met de Spaanse bezetting van Inheems land in Amerika. Verschillende andere Westerse landen hebben de rol van de grootste kolonisator overgenomen: Portugal, Nederland, Frankrijk en Engeland zijn de belangrijkste spelers geweest. Ooit waren Spanje en Portugal het centrum van de wereld. Nu is Amerika het centrum van de wereld. We kunnen ons bijna niet voorstellen dat over 50 jaar Amerika dezelfde status kan hebben als Spanje of Portugal nu. Het Spaans imperium heeft ruim 200 jaar geduurd.

Het Amerikaans imperium dreigt nu in amper 100 jaar haar rol te verliezen als de leider van de oude koloniale machten. Er zijn nu nieuwe spelers op het wereldtoneel die haar macht uitdagen: Rusland en China. Iran, die geen aspiraties heeft om tot een wereldmacht uit te groeien, durft de Amerikaanse macht in de regio wel uit te dagen.

Voor het Amerikaans establishment is de grote vraag hoe om te gaan met de neergang van hun imperium. Er zijn grofweg twee stromingen.

Een stroming die gelooft dat Amerika nog steeds supermachtig is om haar wil op te leggen aan de wereld en dat wil doen met een combinatie van economisch, politieke en militaire middelen. Die stroming is zowel onder Democraten als Republikeinen goed vertegenwoordigd. Hillary Clinton is bij uitstek de vertegenwoordiger van deze stroming. Haar uitspraak over de moord op Ghadaffi in Lybia (“We came, we saw, he died)” is typisch voor de arrogantie van het oude imperium.

Een stroming die meent dat Amerika haar macht in de wereld heeft verloren vanwege kostbare oorlogen en het verwaarlozen van de binnenlandse kracht van het imperium. Deze stroming wil af van dure oorlogen en zich concentreren op de economische opbouw van Amerika. Trump vertegenwoordigt die stroming met zijn slogan “Make America great again” en “America first”. Maar ook een groot gedeelte van de Amerikaanse bevolking is moet geworden van de dure oorlogen en de slechte economische situatie. Die kozen daarom voor Trump.

De Trump stroming heeft een heldere lijn m.b.t. oorlog:

  1. Voorkom een oorlog met de grote machten China en Rusland.
  2. Sluit vrede met Noord Korea zodat dat het Amerikaans leger zich kan terugtrekken uit Korea. De Chinese claims op enkele eilanden in de Zuid-Chinese zee met een dimensie van een mogelijk militaire conflict tussen China en Amerika en de dreiging van een nucleaire oorlog met Noord-Korea waren steeds de rechtvaardiging geweest om de Amerikaanse troepen in Zuid-Korea en Japan te houden.
  3. Verbeter de verstandhouding met Rusland zodanig dat Rusland een bondgenoot in plaats van een vijand is.
  4. Iedereen die profiteert van de Amerikaanse militaire macht moet ervoor betalen in plaats dat Amerika betaalt om haar militaire macht te behouden. De NATO moet betalen. Saoedie Arabië moet betalen. Japan moet betalen. Als dat leidt tot een vermindering van de steun van de bevolking in die landen voor Amerika, dan moet dat maar zo zijn.
  5. Concentreer je op een mogelijke oorlog met Iran. Het Midden-Oosten is de regio waar de Amerikaanse macht in militair opzicht de grootste problemen heeft. Amerika heeft in Syrië samen met Israël ISIS en soortgelijke groepen gesteund. Assad is met steun van Iran, Rusland en Hezbollah erin geslaagd om de oorlog te winnen. Dat is een enorme klap voor Amerika en Israël. Als Rusland een bondgenoot wordt, dan is het mogelijk om de focus te verleggen naar Iran: het steunen van de oppositie tegen het regime en het voorbereiden van een oorlog tegen Iran. Als Iran verslagen wordt, dan wordt de belangrijkste steunpilaar voor het Palestijnse volk verslagen.

 

Een oorlog tegen Iran is geen eenvoudige zaak. Iran is geen Irak. Saddam Hoessein had niet de steun van zijn volk. Ondanks de verschillen in beleid tussen verschillende politieke partijen in Iran is het overgrote deel van het Iraanse volk verenigd tegen Amerika en Israël. De militaire macht en kracht van Iran is vele malen groter dan die van Irak. Een oorlog tegen Iran zou Hezbollah in Libanon onmiddellijk mobiliseren voor een oorlog tegen Israël. Als die oorlog lang duurt, dan zullen de volkeren van de pro-Amerikaanse regimes mogelijk in opstand komen.

Kortom, de enige oorlog die Amerika nog zou willen – een oorlog tegen Iran – is geen eenvoudige optie.

Het is heel goed mogelijk dat Trump blijft zitten met een beleid dat zich uitsluitend richt op economisch herstel en de buitenlandse oorlogen links laat liggen. Met andere woorden: de acceptatie van de militaire neergang van het Amerikaans imperialisme en de hoop dat de economische strijd tegen de nieuwe economische machten (China, Rusland, India etc.) gewonnen kan worden.

De dekoloniale beweging

Sandew Hira 10 juli 2018

 

Inleiding

Wereldwijd is er een enorme opgang van de dekoloniale beweging. Dit artikel bespreekt enkele hoofdlijnen en plaatst de ontwikkelingen in Nederland in een internationaal kader.

Europese kolonisatie en de Verlichting

Om de dekoloniale beweging goed te begrijpen is het van belang om de relatie met Liberalisme en Marxisme te begrijpen. Deze zijn de twee belangrijkste ideologische stromingen uit de Europese Verlichting die een stempel hebben gedrukt op het denken over vooruitgang van de mensheid.

Europese kolonisatie begon met het einde van het Moslimrijk in Zuid Spanje met de val van Granada op 2 januari 1492. Columbus die de koning(in) van Spanje al langer lastig viel met zijn plannen voor een nieuwe zeeroute naar India, vond daarna pas gehoor voor zijn ideeën. Hij vertrok op 3 augustus en zette voet aan land op 12 oktober 1492. Daarmee opende hij de deur naar de kolonisatie van de wereld door Westerse mogendheden.

Anderhalve eeuw lang werd de kolonisatie gerechtvaardigd met de Christelijke theologie. Bernal Díaz del Castillo (1492–1584), één van de militairen die deelname aan de bezettingsoorlogen tegen de volkeren van de Americas gaf dat treffend weer: “We came here to serve God and the king, and also to get rich“.[1]

Rond het midden van de zeventiende eeuw begon in Europa een nieuwe ideologische stroming die zich afzette tegen de Christelijke theologie en de basis zou leggen voor de Europese wetenschap: De Verlichting. De belangrijkste stroming in de Verlichting was het liberalisme met de volgende basisprincipes:

  • Een economische theorie die gebaseerd is op het promoten van het privé-eigendom van productiemiddelen en een vrije markteconomie. Dat zorgt voor optimale welvaart.
  • Een sociale theorie die de relatie tussen individu en samenleving zodanig positioneert dat de individuele vrijheid boven sociale samenhang staat.
  • Een politieke theorie die gebaseerd is op de neutraliteit van de staat, de scheiding der machten (wetgevende, uitvoerende en de rechtssprekende macht) en de parlementaire democratie.
  • Een culturele theorie gebaseerd op rationalisme en de superioriteit van de Westerse cultuur boven niet-Westerse culturen.
  • Een visie op wereldgeschiedenis waarbij het Westers liberalisme wordt gezien als het eindpunt van de geschiedenis. De Duitse filosoof George Hegel (1770-1831) schreef: “World history [moves] from east to west, from southeast to northwest, from rising to setting. World history has arisen in the southeast, and it has subsided into itself to the northwest.“ Naar aanleiding van het einde van de Koude Oorlog stelde de Japans-Amerikaanse neoconservatief Francis Fukuyama: What we may be witnessing is not just the end of the Cold War, or the passing of a particular period of post-war history, but the end of history as such: that is, the end point of mankind’s ideological evolution and the universalization of Western liberal democracy as the final form of human government.”

 

Rond het midden van de negentiende eeuw ontstaat binnen de Europese Verlichting een nieuwe ideologische stroming als oppositie tegen het Liberalisme – het Marxisme – met de volgende basisbeginselen:

  • Een economische theorie die stelt dat privé-eigendom van produktiemiddelen in combinatie met een vrije markt en loonarbeid de basis vormen van het systeem van kapitalisme en per definitie uitbuiting is. Het systeem wordt gekenmerkt door periodieke economische crisissen.
  • Een sociale theorie die gebaseerd is op een klasseanalyse van sociale verhoudingen. Iedere klassensamenleving bestaat uit een klasse van onderdrukkers en onderdrukten. De strijd tussen die klassen bepaalt de ontwikkeling van de samenleving.
  • Een politieke theorie die de staat ziet als instrument van de heersende klasse en de scheiding der machten als onderdeel daarvan. De politieke theorie voorziet in een socialistische revolutie die voortvloeit als een wetmatigheid van de ontwikkeling van het kapitalisme.
  • Een culturele theorie die gebaseerd is op “het wetenschappelijk socialisme” en rationalisme. Godsdienst zal vroeg of laat vervangen worden door wetenschap. Feminisme met het concept van patriarchaat is een uitvloeisel van de Marxistische analyse van het gezin.
  • Een visie op de wereldgeschiedenis waarbij een socialistische wereldrevolutie het kapitalisme omver zal werpen, een planeconomie zal vestigen en een klasseloze wereldsamenleving zal inluiden.

De Europese Verlichting in de koloniën

Beide stromingen uit de Europese Verlichting hadden aanhangers in de koloniën. Het Liberalisme was de ideologie van het kolonialisme. Het vrijheidsdenken was echter gereserveerd voor de kolonisator, niet voor de gekoloniseerde. De collaborateurs van de kolonisator hingen de theorie aan van het Liberalisme. Aangezien het Marxisme de tegenpool was van het Liberalisme is het niet verwonderlijk dat in de koloniën de anti-koloniale beweging snel onder de invloed kwam van het Marxisme, vooral na de succesvolle socialistische revolutie in Rusland in 1917. De leider van de Russische Revolutie, V.I. Lenin, had de voorwaarden geformuleerd voor succes in de strijd tegen kapitalisme: een revolutionaire voorhoedepartij en een alliantie van arbeiders en boeren in samenlevingen waar de arbeidsklasse een minderheid vormde. Het model van de Russische revolutie werd overgenomen door veel bevrijdingsbewegingen in de gekoloniseerde wereld en leidde ook tot een succesvolle bevrijding in veel landen.

Tot 1989 was de wereld verdeeld in een socialistisch en een kapitalistisch blok. In 1989 viel het socialistisch blok uit elkaar. Landen met een planeconomie gingen over naar een kapitalistische markteconomie: Cambodja, Hongarije, Polen, Roemenië, Benin, Tsjecho-Slowakije, Zuid Jemen, Oost Duitsland, Mozambique, Bulgarije, Somalië, Ethiopië, Sovjet Unie, Mongolië, Congo-Brazzaville, Albanië, Joegoslavië, Afghanistan en Angola. China, Vietnam en Cuba gingen over tot een combinatie van plan- en markteconomie.

Het Marxisme verloor haar aantrekkingskracht als een bevrijdingstheorie. Veel activisten zochten een nieuwe theorie van bevrijding. Anders dan het Liberalisme en het Marxisme is er niet één duidelijk aanwijsbare bron voor dit alternatief, dat zo langzamerhand bekend staat als “dekoloniale theorie”. Er is een breed scala aan bronnen.

De dekoloniale beweging

In de academische wereld zijn er theorieën onder noemers als “postkolonialisme, oriëntalisme, subaltern studies”. Buiten de academische wereld is er een grotere verscheidenheid.

In Afrika en de Afrikaanse diaspora zijn er verschillende stromingen met een dekoloniale ideeën. De eerste stroming wordt gevormd door zwarte Marxisten die een combinatie van klasse-analyse met ras proberen te maken. Ze analyseren de koloniale ervaring met racisme – dat afwezig is in de klassieke Marxistische analyse – en combineren dat met de klasse-analyse. W.E.B. du Bois, C.L.R. James en Walter Rodney zijn hiervan de meest aansprekende voorbeelden. De Black Panther Party paste de Leninistische theorie van de voorhoedepartij op de zwarte gemeenschap vanuit een combinatie van ras en klasse. Zwarte feministen als Angela Davis (een Marxist en latere voorzitter van de Amerikaanse Communistische Partij) maakte een verbinding tussen klasse, ras en gender via het concept van interlocking – het in elkaar grijpen van verschillende vormen van onderdrukking van sociale groepen. Later zou Kimberle Crenshaw dit concept in een liberaal jasje gieten met de term “intersectionaliteit”: een individu dat verschillende vormen van onderdrukking ervaart op een kruispunt van ras, klasse en gender.

Een tweede stroming richt zich op de beeldvorming van Afrika en de zwarte mens als minderwaardig. Ze verrichten onderzoek naar de geschiedenis van zwarte beschavingen van Afrika en corrigeren het westerse beeld van de minderwaarheid van Afrika en de Afrikanen in relatie tot de superioriteit van de witte Westerse beschaving. Deze stroming was vertegenwoordigd in de sociale beweging van de Universal Negro Improvement Association (UNIA) onder leiding van Marcus Garvey in de jaren twintig van de 20ste eeuw en de culturele beweging van zwarte kunstenaars in de Harlem Renaissance. In Europa ontwikkelde zich in de jaren dertig een beweging van zwarte intellectuelen uit de Franse koloniën die voor studie in Europa waren en zich organiseerde in de Negritude beweging met leiders als Aimé Césaire, Leon Damas en Léopold Senghor. In de jaren vijftig en zestig deed Cheik Ante Diop van Senegal baanbrekend onderzoek naar de vergelijking van de Afrikaanse en Europese beschavingen en de betekenis van de Afrikaanse beschaving voor de mensheid.

Een derde stroming ging in op de kolonisatie van de geest. Garvey introduceerde het begrip “mental slavery” en Fanon werkte dat uit in Zwarte Huid, Blanke maskers. In Afrika schreef Ngugi wa Thiong’o over hoe taal werd gebruikt als een instrument in de kolonisatie van de geest. In Zuid-Afrika zou Steve Biko als exponent van de Black Consciousness Movement dit idee in de praktijk uitwerken.

Een vierde stroming richtte zich op de politieke onafhankelijkheid. Kwame Nkrumah analyseerde de relatie tussen economie en politiek en introduceerde het begrip neokolonialisme: “The essence of neocolonialism is that the State which is subject to it is, in theory, independent, and has all the outward trappings of international sovereignty. In reality its economic system and thus its political policy is directed from the outside.”

Een vijfde stroming is geworteld in de islamitische bevrijdingstheologie. Afrika is het continent met verhoudingsgewijs de meeste moslims in de wereld. Azië telt 32% moslims (Pakistan, India en Indonesië hebben de meeste), maar Afrika telt 53%. De landen met meer dan 60% moslims zitten niet alleen in Noord-Afrika (Egypte of Marokko) maar ook in landen als Somalia in Oost Afrika of Nigeria in West-Afrika. In Amerika is er een zwarte maar wel invloedrijke stroming van Black Muslims. De overstap van Malcolm X van de ideologie van de Nation of Islam naar de Sunni versie van de islam in de wereld heeft Moslim theologen geïnspireerd om hem als deel van de zwarte islamitische bevrijdingstheologie te beschouwen. In Afrika bestond al langer een stroming van zwarte en witte Christelijke bevrijdingstheologen maar de laatste decennia kwamen er Moslim denkers zoals Farid Esack van Zuid-Afrika bij die nadrukkelijker praten over Islamitische bevrijdingtheologie in een dekoloniaal kader.

Een zesde stroming is de laatste jaren in opmars met mensen als Sabelo Ndlovu van Zimbabwe die dekoloniale Latijns-Amerikaanse theorieën toepast in intellectuele discussies in Afrika. Die stroming heeft sociale bewegingen als de Rhodes Must Fall beweging beïnvloed.

In Latijn Amerika hadden al sinds de jaren zestig Marxistische economen veel studies gepubliceerd over de economische relaties tussen het centrum (het westen) en de periferie (de vroegere koloniën) met als centrale stelling dat als de band tussen centrum en periferie verzwakte (bijvoorbeeld door oorlog) de periferie zich beter kon ontwikkelen. De Peruviaanse socioloog Anibal Quijano en de Argentijnse filosoof Enrique Dussel wezen op de culturele dimensie van het kolonialisme. Kolonialisme is niet alleen een economisch systeem maar een ook een sociaal en cultureel systeem dat kennis produceert over superioriteit en inferioriteit. Die stroming heeft haar invloed uitgebreide naar sociale bewegingen in Latijns-Amerika (Peru, Bolivia, Equador, Venezuela) waar discussies plaatsvinden over dekolonisatie van de universiteit en de waarde van inheemse kennissystemen. Er zijn zelfs universiteiten opgezet gebaseerd op deze kennis. In Mexico zijn vroegere Marxisten-Leninisten getrokken naar de deelstaat Chiapas om de Maya’s te organiseren tegen het kapitalisme en veranderden in eigen filosofie onder invloed van de Maya’s die ze dan het Zapatismo hebben genoemd.

De Latijns-Amerikanen hebben invloed gehad op veel denkers op Amerikaanse universiteiten met een Latijns-Amerikaanse achtergrond. Er is een groeiende groep van Chicano’s op de Amerikaanse universiteiten en in sociale bewegingen die deze theorieën gebruiken.

In Maleisië organiseert het Multiversity Network sinds 2002 om de twee jaar internationale conferenties in denkers uit Afrika en Azië bij elkaar te brengen om ideeën te ontwikkelingen om het onderwijssysteem te dekoloniseren. Eén van de leidende figuren is C.K. Raju die veel werkt verricht op het gebied van de dekolonisatie van wiskunde.

In het Midden-Oosten is er sinds de tweede helft van de negentiende eeuw onder moslim denkers een pan-Islamitische stroming ontstaan die ideeën formuleerde tegen koloniale bezetting en het kolonialisme vanuit een Islamitisch perspectief. Jamal al-Din al-Afghani (1838-1897) is daar een belangrijke exponent. Zijn debat met de Franse racistische filosoof Ernest Renan in 1883-1884 over de vraag of Islam wetenschappelijke kennis kan produceren is daarin een belangrijke mijlpaal. Die anti-koloniale traditie heeft zich voortgezet naar Iran en Irak waar denkers als Muhammad Baqir as-Sadr (1935-1980) uit Iraq de discussie aangingen met denkers uit de Europese Verlichting zoals Adam Smith en Karl Marx over economie en filosofie en hun basisbeginselen vanuit een islamitische traditie bekritseerden. In Iran ontwikkelde Ali Shariati (1933-1977) anti-koloniale idee:en die teruggrijpen naar de werken van Frantz Fanon waarvan hij delen in het Perzisch vertaalde. Shariati wordt met Khomeiny de ideoloog van de Iraanse revolutie genoemd.

Meer recentelijk zijn er denkers als de Palestijn Hatem Bazian – een van de grondleggers van Zaytuna College een islamitisch instituut voor het hoger onderwijs in Amerika – die nadrukkelijker een dekoloniale theorie verbinden met Islamitische bevrijdingstheologie.

Ramon Grosfoguel van de University of California Berkeley organiseert al tien jaar in Spanje Barcelona Summer Schools over dekoloniale theorieën. Hij is ook de grondlegger van het Dekoloniaal International Network die in Europa activisten en academici met elkaar verbindt.

De situatie in Nederland

Hoewel in Nederland verschillende groepen “dekolonisatie” hoog in het vaandel voeren, is er geen verband tussen de internationale theoretische en praktische discussies over wat het begrip inhoudt. Vaak is de discussie  beperkt tot het gevoel dat er iets gedaan moet worden met de erfenis van het kolonialisme, maar dat gevoel wordt niet verbonden met een verdieping door kennis te nemen van theorieën buiten Nederland en de vertaling daarvan in sociale bewegingen.

Dat is niet verwonderlijk. Nederland heeft net als veel Europese landen een sterke traditie vanuit de socialistische en liberale bewegingen. Veel sociale bewegingen van mensen van kleur worden beïnvloed door deze bewegingen. Op politiek niveau is DENK de enige politieke partij die probeert een verband te leggen met dekoloniaal denken. Je zou verwachten dat Bij1 vanuit haar oorspronkelijke basis in de Afro-gemeenschap de dekoloniale theorie als basis zou trachten te vinden voor haar politiek, maar deze partij is in de praktijk meer gefocust op vraagstukken van LGTB.

Het is belangrijk om het theoretisch isolement van activisten van kleur te doorbreken door de internationale discussies over dekolonisatie naar Nederland te brengen en onderdeel te laten zijn van debat en discussie.

[1] Alle verwijzingen komen uit S. Hira: Decolonizing The Mind (DTM). Imagining a New World Civilization: an introduction to decolonial theory and practice. Amrit Publishers. The Hague, December 2018.

Institute for Decolonizing The Mind (DTM)