Categoriearchief: 2021

Santokhi en Anton de Kom

Het conservatisme van de cancel-culture

Sandew Hira

2-9-2021

Inleiding

President Chan Santhoki van Suriname zal van 8 tot en met 11 september 2021 een werkbezoek brengen aan Nederland. Op vrijdag 10 september om 19.30 uur zal hij de Anton de Kom-lezing houden in het Tropenmuseum in Amsterdam. De jaarlijkse Anton de Kom lezing is een initiatief van het Verzetsmuseum in Amsterdam en Dagblad Trouw.

Een groep Surinamers heeft actie opgezet om te verhinderen dat Santokhi de lezing houdt. Ze hebben een petitie opgezet die betoogt dat Anton de Kom zich in zowel Nederland als Suriname heeft verzet tegen uitbuiting, uitsluiting, racisme en corruptie. Daar de president van Suriname bekend staat om het tegendeel en is hij daarom niet de aangewezen man om een lezing te houden over De Kom. De groep betoogt onder meer dat Santhoki door het etnisch georiënteerde overheidsbeleid in Suriname de vrede tussen de etnische groepen in gevaar brengt. De petitie was op 3 september door 736 mensen ondertekend, waarvan een groot deel anoniem.

Ik ben door verschillende mensen gevraagd om die acte te ondersteunen, maar dat heb ik geweigerd. Ik zal uitleggen waarom ik deze actie niet progressief vind, maar juist schadelijk voor de progressieve beweging. Ik geloof niet in de stelling dat als je tegen rechtse krachten bent, je automatisch progressief bent.

Anton de Kom als een nationale historische figuur

Lange tijd werd Anton de Kom afgeschilderd als een gefrustreerde zwarte man die een boek schreef over de geschiedenis van Suriname dat ver onder de maat was. De toon werd gezet door de koloniale historicus R.A.J. van Lier die over het boek van Adek Wij Slaven van Suriname schreef dat het “voornamelijk waarde heeft als document om de geestesgesteldheid van de Surinamer uit de lagere middenklasse te leren kennen [SH, hij bedoelt de zwarte Afro-Surinamers]. In zijn woorden is de herinnering aan het leed dat de voorouders van de slaven ondergingen merkbaar. Maar deze herinnering werd een deel van een pathetische gegriefdheid en rancune die het juiste inzicht in het verleden belemmeren.”

Anders gezegd, De Kom is niet wetenschappelijk, maar emotioneel. Dat beeld is nu sterk veranderd. Van Lier is intussen in diskrediet geraakt. Anton de Kom is een nationale held geworden. De Universiteit van Suriname is naar hem genoemd. Zijn afbeelding staat op Surinaamse bankbiljetten. Zijn visie op de Surinaamse geschiedenis is gemeengoed geworden in de Surinaamse geschiedschrijving.

Dit is het resultaat van jarenlange strijd van de progressieve beweging in Suriname. Het doel van die strijd is de erkenning van de bijdrage van Anton de Kom aan de strijd tegen het kolonialisme. Die erkenning moet een brede nationale erkenning zijn, niet een erkenning van uitsluitend progressieve mensen. Als dat het doel zou zijn geweest, dan is het een erg smal doel dat niet de moeite waar is om te ondersteunen. De strijd is al die jaren geweest om Anton de Kom door alle Suriname van alle politieke kleuren erkend te laten worden als een nationale figuur.

Nu is er een groep mensen die de klok wil terugdraaien. De Kom mag niet geprezen worden door alle Surinamers. Rechtse Surinamers mogen De Kom niet prijzen en als ze dat wel doen, gaan we hun vrijheid van meningsuiting inperken. Dit is te gek voor woorden en brengt ons jaren terug in de strijd om Anton de Kom te erkennen als een nationale figuur. Hoe kun je zeggen: je mag Anton de Kom niet prijzen, als je rechts bent? Wat is dat voor een onzinnige politiek stellingname. Blinde partijpolitiek en etnische sentimenten worden opgeroepen om iets dat zo klaar is als een klontje te vertroebelen met kwasi progressieve argumenten.

Etniciteit en de Surinaamse politiek

Een drijvende politieke kracht achter het eerherstel van Anton de Kom was Desi Bouterse, de leider van de NDP. Hij heeft ervoor gezorgd dat de universiteit naar De Kom werd genoemd in 1983 en zijn beeltenis op Surinaamse bankbiljetten kwam. De NDP heeft zich in de loop der jaren ontpopt als een leidende kracht in het dekolonisatieproces van Suriname. Zes jaar geleden bereikte haar populariteit een hoogtepunt, toen ze de verkiezingen in 2015 won met een absolute meerderheid: 26 van de 51 zetels. En toen ging het fout. Arrogantie en corruptie verzwakten de NDP. In 2020 ging ze terug van 26 naar 16, een verlies van 40%. Een belangrijk gebrek van de NDP is het gebrek aan een ideologisch kader. De NDP zegt wel voor dekolonisatie te zijn, maar een ideologische onderbouwing van wat dat is en wat dat betekent op het gebied van kadervorming en scholing is er niet. Veel is gebaseerd op de persoonlijke loyaliteit rond de persoon van Bouterse. Het gevolg is dat als de partij in een crisis geraakt – en dat is na de verkiezingsnederlaag het geval – er geen ideologische vangnet is van waaruit je de crisis kunt analyseren en begrijpen en oplossingen kunt bedenken hoe je eruit kunt komen. In dat geval komen oude reflexen terug en je ziet dat nu in de NDP de oude NPS ideologie van etnische strijd in Suriname de kop opduikt. Sommige Afro-Surinaamse NDP’ers presenteren de strijd in Suriname als een strijd van Hindostanen tegen Afro-Surinamers en niet als een strijd waarbij niet etnische competitie maar etnische solidariteit de basis moet vormen voor een strijd voor dekolonisatie. Deze achteruitgang heeft twee belangrijke gevolgen.

Ten eerste, het zal leiden tot een marginalisatie van de NDP op lange termijn net zoals de NPS nu gemarginaliseerd is en steeds onder de drie zetels hangt. Andere etnische groepen deze de NPS-traditie zien opduiken in de NDP, zullen de NDP verlaten waardoor de partij nog meer in de marge gaat opereren.

Ten tweede, een etnische blik verhindert je om te zien wat er daadwerkelijk in Suriname aan de hand is. Je laat je niet meer door feiten, maar door emoties leiden. Laten we naar de feiten kijken.

De Surinaamse politiek was vanaf de eerste verkiezingen in 1949 op etnische leest geschoeid. In 70 jaar is veel veranderd. Kijk naar de demografie (tabel 1). Een aantal zaken vallen op:

  1. Het aandeel van de grootste bevolkingsgroepen (Hindostanen en “Creolen” (Afro-Suriname die niet in stamverband leven)) is relatief gedaald; de grootste daling is onder de “Creolen”, hun aandeel daalde van 36% naar 16%.
  2. De Marrons kennen een spectaculaire groei. Hun aandeel steeg van 10 naar 22%.
  3. Het aandeel van “Gemengd” was in 1950 0% en in 2012 13%. Met andere woorden, er is een groeiende groep Surinamers die ouders hebben uit verschillende etnische groepen. Partijen die op één etnische groep zijn gebaseerd verliezen bij deze groep al gauw zeven zetels.

Dit heeft grote politieke gevolgen. Een partij die op één etnische groep is gebaseerd, zal nooit een meerderheid halen bij de verkiezingen. Het feit dat in 2015 het de NDP wel is gelukt, is omdat zij een nationale en niet een etnische uitstraling had. Afro-Surinamers in de NDP die een draai willen maken naar etnische politiek zijn gedoemd om te mislukken. Ze zullen die partij marginaliseren met hun etnische politiek.

Tabel 1: Etnische samenstelling van de Surinaamse bevolking 1950 en 2021

De “Creoolse” NDP’ers die de partij op etnische leest willen schoeien zijn daardoor blind voor wat zich afspeelt in de samenleving. Ze kijken met de bril van 1950 naar een samenleving van 2021. Ze zien de VHP nog steeds als een Hindostaanse partij en hebben helemaal niet door wat zich daar aan veranderingen voltrekken.

Tabel 2 laat de zetelverdeling zien in 2015 en 2020. Opmerkelijk is de winst van de VHP. Die is spectaculair gestegen van 9 naar 20, en stijging van 122%.

Tabel 2: Zetelverdeling DNA in 2015 en 2020

Combineer de gegevens van tabel 1 en 2, dan kun je uitrekenen wat het maximaal aantal zetels zou zijn per partij als de politievoering in Suriname volledig gebaseerd zou zijn op etniciteit. Zie tabel 3. Welke conclusies kun je hieruit trekken?

  1. De VHP is niet meer de oude VHP uit 1950. Als alle Hindostanen op de VHP zouden hebben gestemd in 2020, dan zouden zij maximaal 14 zetels hebben behaald. Maar er zijn heel wat Hindostanen die niet op de VHP, maar op andere partijen hebben gestemd. Ik schat dat in 2020 de electorale achterban van de VHP voor minstens 50% uit NIET-HINDOSTANEN heeft bestaan. Als je deze verandering niet ziet, en je behandelt de VHP als de oude VHP uit 1950, dan hou je niet alleen jezelf voor de gek (dat is niet zo erg), je houdt de hele gemeenschap voor de gek. En dat is geen goede basis voor een progressieve politiekvoering.
  2. Je kunt betogen dat de VHP de economische crisis heeft gebruikt om de anti-NDP sentimenten te mobiliseren. Dat is juist. In Venezuela hebben de Chavistas 25 verkiezingen in 20 jaar gehouden (nationaal, op staatsniveau, op gemeenteraadsniveau) en ze hebben 23 gewonnen. En dat is dan onder de omstandigheden van een enorme economische boycot van de VS en de EU en een diepe economische crisis. Maar hun jarenlange politieke heeft het politieke bewustzijn van een groot deel van het volk verhoogd. Dat werk heeft de NDP niet gedaan in Suriname en dat moet ze niet de VHP maar zichzelf verwijten. Maar wie de VHP in de afgelopen jaren heeft gevolgd, zal merken dat Santhoki daadwerkelijk pogingen heeft gedaan om de etnische basis van zijn partij te verbreden. Als je dat niet ziet, dan ben je blind. En dat moet je niet de VHP, maar jezelf verwijten. Santhoki heeft de etnische basis van een rechts-liberale partij verbreed. De NDP had de etnische basis van linkse partij verbreed. Maar als de NDP terug gaat naar etnische politiek, dan zal de VHP haar links en rechts voorbijstreven.

Tabel 3: Zetelverdeling als iedereen etnisch zou stemmen (gebaseerd op volkstelling 2012)

De Cancel culture als obstakel voor dekoloniale strijd

Ik heb twee redenen genoemd om de petitie tegen Santhoki niet te steunen:

  1. Het brengt de strijd voor nationale erkenning van Anton de Kom jaren terug. In plaats van toe te juichen dat een rechtse president van Suriname de linkse Anton de Kom gaat prijzen, ga je een actie voeren om te verhinderen dat hij De Kom prijst. Hoe conservatief kun je zijn?
  2. Het kijkt met de bril van 1950 naar de politiek van 2021 in Suriname. Dat is geen progressieve actie. Dat is teruggaan in de tijd.

Er is derde reden waarom ik tegen deze actie ben, en dat heeft niet met Santhoki te maken, maar met het instrument van “cancel-culture” in de strijd voor dekolonisatie. Eeuwenlang is progressieve sociale strijd geassocieerd met debat en discussie. Progressieve mensen dagen rechtse mensen uit voor discussie en debat. Dat is het instrument voor politieke educatie. Activisten van nu gebruiken een instrument van rechtse politieke krachten om hun strijd te voeren: cancel culture. Je hoeft niet in de arena te stappen om met je argumenten de andere partij te vloeren. Je bent buiten de arena en roept mensen op om niet de publieke discussie te voeren. Wie is daarbij gebaat? Dat zijn mensen die zwakke argumenten hebben, die niet overtuigd zijn van hun gelijk, die zich angstig verbergen voor het publieke debat. Dat zijn geen progressieve mensen.

Als je tegen Santhoki bent, dan kom je met argumenten (met feiten en niet met emoties) om aan te tonen waarin hij faalt. En dat moet niet moeilijk zijn voor progressieve mensen. Maar als Santhoki een podium betreedt waarin hij correcte standpunten verkondig (het prijzen van Anton de Kom), dan ben je toch niet goed wijs om dat te willen verhinderen. Dat is niet progressief. Dat is aartsconservatief.

Naschrift

De NDP moet uitkijken met een etnische basis te geven aan haar politiek. Wat het kan terugkaatsen met het verwijt: de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.

Tabel 4: De etnische samenstelling van de ministerraad tijdens kabinet Bouterse I 2010-2015

Het aandeel van “Creolen” is 45%.

Tabel 5: De etnische samenstelling van de ministerraad tijdens kabinet Bouterse II in 2015 -2010

Het aandeel van “Creolen”stijgt in 2015-2020 van 45% naar 55%.

Tabel 6: De etnische samenstelling van de ministerraad tijdens kabinet Santhoki in 2020

Het aandeel van Hindostanen is 47%; dat is minder dan het aandeel van “Creolen” van 55% in kabinet Bouterse II.

Als je politiek met een etnische in plaats van met een dekoloniale bril analyseert, dan kom je tot de conclusie dat de NDP etnischer is dan de VHP in haar uitstraling.

Juristen en sociale strijd

Jeffry Pondaag van de stichting KUKB vroeg mij om een reactie die ik hem mondelijk gaf op de breuk tussen KUKB en Liesbeth Zegveld op schrift te stellen. Dat gebeurt bij deze.

Den Haag 16 augustus 2021

Beste Jeffry,

Naar aanleiding van de  breuk tussen KUKB en het advocatenkantoor van Liesbeth Zegveld geef ik je mijn schriftelijke reactie, waar je om gevraagd hebt.
De rechtszaken die Liesbeth gevoerd heeft, zijn ongetwijfeld van groot historisch belang, omdat het laat zien dat een specifiek middel in sociale strijd – rechtsprocessen – wel degelijk tot een specifieke overwinning kan leiden (een uitspraak van de rechter die voorvechters van sociale bewegingen in het gelijk stelt). Liesbeth heeft daarin een cruciale rol gespeeld en sociale bewegingen moet daar ook erkentelijk voor zijn.
Tegelijkertijd laat haar benadering ook de beperkingen zien van die strategie.
Juristen hebben vaak een tunnelvisie als het gaat om sociale strijd. Ze beschouwen een rechtszaak puur en uitsluitend als een juridische strijd, niet als onderdeel van een sociale strijd. Er zijn twee visies om naar een rechtszaak en sociale strijd te kijken:
1. de rechtszaak als een proces dat uitsluitend opereert binnen de bestaande juridische kaders (de begrippen die gehanteerd worden, de framing die wordt gebruikt, de argumenten die worden aangevoerd). Veel juristen in Nederland zijn daarin getraind en kunnen niet op een andere manier naar een rechtszaak kijken.
2. de rechtszaak als onderdeel van een strategie voor sociale strijd en die dan ondergeschikt is aan de doelen van die sociale strijd. Juristen hebben geen “eigen strategie”, maar volgen een strategie die vanuit sociale bewegingen worden geformuleerd. In het geval van KUKB is de strategie die je vaak zo pregnant heb geformuleerd heel helder: stel Nederland aansprakelijk voor de misdaden van de koloniale bezetting van Indonesië: toe-eigenen van land van andere volkeren, onderdrukking, uitbuiting, moord, apartheid etc. Dit zijn misdaden tegen de menselijkheid, zoals de UN World Conference against Racism, Racial Discrimination, Xenophobia and Related Intolerance in 2001 in Durban heeft vastgesteld. Een jurist die vanuit deze strategie werkt gebruikt specifieke cases (de moord op individuele slachtoffers tijdens de Nederlandse vuile oorlog in Indonesië) om specifieke eisen te stellen die mogelijk zijn binnen de bestaat juridische kaders, maar gebruikt het rechtspodium ook om verbindingen te leggen met het algemenere probleem van kolonialisme als een misdaad tegen de menselijkheid.

Dat verschil in benadering komt het duidelijkst tot uiting in de manier waarop wordt omgegaan met het begrip “extreem geweld”. In je brief aan Liesbeth leg je helder uit dat het begrip “extreem geweld” een techniek is on “normaal geweld” van de kolonisator te legitimeren. Een dekoloniale jurist zou het begrip “extreem geweld” nooit accepteren en het rechtspodium juist gebruiken om uit te leggen dat het een techniek is van het legitimeren van koloniaal geweld.
Ik respecteer Liesbeth en het goede werk dat ze gedaan, maar vroeg of laat zouden die verschillen in visies op de rol van een rechtszaak in sociale strijd leiden tot een breuk met haar. De vraag was niet of, maar wanneer die breuk zou komen gegeven haar benadering van rechtszaken.

In landen als Amerika is er een traditie van een nauwe verbinding tussen rechtszaken en sociale strijd, waardoor je daar dus een leger hebt van advocaten die getraind zijn in die tweede visie op de relatie tussen rechtszaken en sociale strijd. In Nederland zijn veel juristen getraind in die eerste visie: een rechtszaak puur als een juridisch proces. Het zal niet gemakkelijk zijn om een nieuwe advocaat te vinden, maar wie weet zijn er advocaten die pro deo deel willen zijn van de sociale strijd die KUKB nu leidt.

Met dekoloniale groet

Sandew Hira

Pan-dekoloniaal collectief Aralez

Pan-dekoloniaal collectief Aralez, een grassroots organisatie gebaseerd in Amsterdam, organiseert maandelijkse Decolonial Learning Sessions. In online sessies van 1,5 uur biedt Aralez dekoloniale perspectieven op een verscheidenheid aan thema’s. Van ‘decolonizing the university’ tot ‘Climate justice reparations’ tot ‘Inheemse cosmovisies op autonomie’, tijdens deze learning sessions wordt het publiek meegenomen in zowel theoretische kaders als praktische ervaringen. De sessies worden gehost door kernleden van Aralez: Max de Ploeg, Chris de Ploeg, Chihiro Geuzebroek,  Chautuileo Kun en Pravini Baboeram. Naast het delen van hun eigen kennis en ervaring nodigt Aralez ook gastsprekers uit om specifieke thema’s uit te lichten, zoals ‘Energy sovereignty and solidarity’ en ‘Westers imperialisme en de War on  Terror’. Alle sessies worden opgenomen en beschikbaar gesteld in de Aralez blog. Wil je meer weten over Aralez of de Decolonial Learning Sessions? Klik hier voor meer info.

Dekoloniseer de 1 juli viering: de ketenen werden niet verbroken maar overgedragen

Sandew Hira
Den Haag 27-6-2021

Slechts één visie mogelijk op 1 juli?

Een wind van verandering waait door Nederland. In de nasleep van de anti Zwarte Piet beweging en Black Lives Matters, maar ook in de context van een radicale milieubeweging en de anti-imperialistische beweging rond de bevrijding van Palestina, ontwikkelt zich een klimaat waarin zaken die vroeger onbespreekbaar waren nu onderdeel zijn geworden van een brede maatschappelijke discussie. De kwestie van het uitroepen van 1 Juli tot een nationale feest- en herdenkingsdag is deel van die discussie in de vorm van een petitie aan de Tweede Kamer. En zoals ieder onderwerp m.b.t. koloniale geschiedenis zijn er twee hoofdstromingen: een dominante koloniale stroming die vanuit de akademia wordt geleid en een dekoloniale die vanuit sociale bewegingen wordt gepromoot. Dit artikel presenteert een dekoloniale analyse van de 1 Juli viering en herdenking.

Mitchell Esajas, een van de initiatiefnemers van de petitie, heeft een Facebook post geplaatst met de volgende tekst: “Je kan niet pro #BlackLivesMatter zijn en de petitie voor ‘Maak 1 Juli/Keti Koti een nationale vrije dag’ NIET tekenen.” Dit is een problematische post. Het stelt dat er vanuit de BLM sociale beweging maar één correcte visie is op 1 juli, de zijne. Laten we de visie van Dr. Glenn Willemsen, de veel te vroeg overleden eerste directeur van NiNsee en schrijver van het boek Dagen van Gejuich en Gejoebel ernaast leggen.[1] Het boek van Willemsen is de meest uitgebreide en diepgaande standaardwerk over de dag van de afschaffing van slavernij. Willemsen: Op Curaçao werd deze dag aanvankelijk wel herdacht, maar dat raakte al spoedig in de vergetelheid. 1 juli 1968 was de laatste keer dat op Curaçao emancipatiedag officieel werd herdacht. De jonge generatie ervaart de afschaffing van de slavernij als een daad van Nederlandse koloniale wetgeving die geen betekenis heeft voor de huidige Curaçaose samenleving. Veel meer belang wordt gehecht aan de herdenking van de grote slavenopstand die onder leiding van Tula op 17 augustus 1795 uitbrak. Met de leuze `overwinnen of sterven’, streden de slaafgemaakten voor hun vrijheid. Op Curaçao wordt 17 augustus officieel als Dag van de Vrijheidstrijd erkend.” De gedachte achter deze redenering is dat je niet de dag kiest die de kolonisator heeft ingesteld, maar een dag die de vrijheidsstrijd van de totslaafgemaakten herdenkt. Die vrijheid is belangrijker dan de vrijheid die de kolonisator heeft bedacht. Is dat een rare gedachte?

In Brazilië, het land waar 40%van alle gekidnapte Afrikanen zijn gebracht, werd slavernij op 13 mei 1888 afgeschaft. Die dag werd lange tijd gevierd door de bevolking en met name de zwarte gemeenschap. Door de opkomst van de Black Power beweging in de jaren zestig heeft de zwarte gemeenschap gekozen om een andere dag, 20 november, te vieren als de dag van het Zwarte Bewustzijn. Op 20 november 1695 werd Zumbi, de leider van de gemeenschap van vrije Afrikanen die ontsnapt waren uit slavernij, vermoord. De strijd van Zumbi werd gezien als deel van een lange strijd voor de bevrijding van zwarte mensen in Brazilië. Is dat een rare gedachte? Nee, er zijn goede argumenten te bedenken voor de keuze van een andere dag om de afschaffing van slavernij te vieren en herdenken.

Toch steun ik het initiatief van de petitie en wel op basis van tactische en niet op basis van principiële gronden. De eerste grond is dat het concept van 1 juli als een dag van Keti Koti, de dag waarop de ketenen van de totslaafgemaakten zijn verbroken, diep geworteld is in de Surinaamse gemeenschap (niet in de Antilliaanse). De Surinaamse gemeenschap is de grootste zwarte gemeenschap in Nederland en daar moet je rekening mee houden. De tweede grond is dat een dag van nationale viering niet het eindpunt, maar nieuw startpunt is om de sociale beweging tegen racisme te versterken. Het gaat namelijk gepaard met enorm veel educatie over koloniale geschiedenis. Daarom is het een goede zaak. Als je het tot een principieel punt in plaats van een taktische, dan kom je al gauw in de problemen. Want hoe reageer je hierop: “Je kan niet oproepen om de petitie voor ‘Maak 1 Juli/Keti Koti een nationale vrije dag’ tekenen en daarbij zwijgen over herstelbetalingen.”

Als je principieel bent, dan kun je niet zwijgen over herstelbetalingen. Als je tactisch bent, dan is het goed mogelijk om te stellen dat het opnemen van herstelbetalingen nu, de basis versmalt om te komen tot een nationale vrije dag en dus tot een bredere maatschappelijk discussie waarin later het onderwerp herstelbetalingen wordt ingebracht.

Laten we nu dieper ingaan op de twee benaderingen van 1 juli.

De dominante koloniale benadering

De koloniale benadering wordt het beste verwoord door de racist Pieter Emmer. Volgens hem hadden zwarte mensen geen notie van vrijheid. Emmer: “There is no indication that either the insurgent slaves or the maroons ever had the intention to abolish slavery and to strive towards general slave emancipation.”[2] Sterker nog, ze wilden helemaal geen afschaffing. Wat wilden ze wel? Zijn antwoord: “The fact that the slaves did not strive to abolish slavery does not indicate that the slaves in the Dutch Caribbean were not interested in more freedom to manage their own time. They wanted time to tend their own gardens, to sell their produce at other plantations or at slave markets, to go fishing and hunting and to own guns, to visit relations at other plantations and to stay away from their plantation from time to time. And in many ways, the slaves had their way.”[3]

Als zwarte mensen slavernij niet wilde afschaffen, waarom is het dan toch gebeurd? Emmer: “Who abolished the slave trade and slavery? For a long time the answer seemed simple: the governments in Europe, and the USA, Cuba and Brazil. The abolition of slavery was a typical feature of Western civilization.”[4] En dit is het leidende verhaal in van historici uit de koloniale stroming: de afschaffing van slavernij was het product van de Europese beschaving die het vrijheidsideaal had ontwikkeld, dat geen enkel andere beschaving heeft ontwikkeld. De helden in het verhaal van de afschaffing zijn witte mensen. Witte historicus Simon Drescher is lyrisch over die heiligen (saints) met William Wilberforce als de ultime Engelse held: “Abolitionism was part of Britain’s unchallenged status as the center of the movement to eliminate slavery from the world…  Symptomatic was the centenary of British colonial slave emancipation, in 1933… The national memory was refreshed by a roll call of the gallant band of Saints led by their English hero.”[5]

In Engeland was er een breder abolitionistische sociale beweging met vele petities en bijeenkomsten die druk uitoefenden op politici. Dat was het bewijs dat de afschaffing het resultaat was van oprechte humanistische gevoelens en niet het gevolg van economische, dus zelfzuchtige, motieven. Zwarte historici hebben als weerwoord: waarom heeft deze beweging dan de daders van de misdaad gecompenseerd in plaats van de slachtoffers? Hoe humanistisch is dat?

Op de vraag “Wat vier je op 1 juli?” is het antwoord vanuit de koloniale stroming: “We vieren een heldendaad van de Europese beschaving: de afschaffing van slavernij.” Voor een anti-racistische sociale beweging is dit een problematisch antwoord, want nu moet je de kolonisator prijzen voor deze daad van beschaving. Dat probleem doet zich niet voor als je een andere datum neemt dan 1 juli, namelijk een datum van het verzet door de totslaafgemaakten zelf, bijvoorbeeld de eerste opstand.

De koloniale benadering van de afschaffing van slavernij bestaat uit twee hoofdpunten:

  1. Slavernij wordt gezien als een systeem met één hoofdkenmerk: de mens als bezit van een ander mens.
  2. Slavernij wordt losgekoppeld van kolonialisme.

Een dekoloniale benadering

Wie viert wat op 1 juli?

De vraag “Wat vieren we op 1 Juli?” begint met de vaststelling dat er twee groepen feest vierden. De eerste groep bestond uit de totslaafgemaakten die vierden dat hun fysieke kettingen die hen tot bezit van de witte mensen maakten waren verbroken. Ze waren niet meer het eigendom van deze mensen. Maar er was een tweede groep die ook feest vierde en met goede redenen. Die bestond uit de eigenaren van de totslaafgemaakten die een flinke financiële compensatie kregen voor het “verlies” van hun bezit. Willemsen: De tegemoetkoming aan de slaveneigenaren kwam in totaal te staan op 11.876.260 gulden, waarvan 9.864.360 gulden voor Suriname en 2.011.900 gulden voor de zes eilanden die de Nederlandse Antillen vormden. Slechts ongeveer een kwart van het bedrag dat aan de slaveneigenaren in Suriname werd uitgekeerd, is in Suriname uitbetaald. Het overige deel ging naar in Nederland wonende eigenaren, van wie velen na ontvangst van de betaling hun onderneming in Suriname sloten.”[6] Willemsen legt het verband uit met de uitbuiting van Indonesië. Want wie draaide op voor de kosten van de afschaffing van de slavernij in het Caraïbisch gebied? Willemsen: “De West-Indische slavenemancipatie werd uit het surplus van de exploitatie van Java (de zogenaamde ‘Indische baten’) gefinancierd.”[7] De enorme winsten uit de uitbuiting van het Indonesische volk hebben de afschaffing in Suriname en de Antillen gefinancierd.

Waarom is de slavernij afgeschaft?

Hierboven is de koloniale analyse van de afschaffing van slavernij uitgelegd: het was het resultaat van de Europese beschaving. In Nederland was er een probleem. Er was geen abolitionistische beweging van betekenis? Waarom is de slavernij dan in de Nederlandse koloniën afgeschaft. Gert Oostindie, die samen met Alex van Stipriaan tot de leiding van de koloniale stroming van historici in Nederland behoort, geeft als antwoord: “Desinteresse!” Oostindie, die uit jaloezie het meesterwerk van Willemsen “gemakzuchtige bladvulling” noemt, heeft hiermee een probleem voor zichzelf geschapen. Humanisme of egoïsme zijn motieven om handelingen te plegen, maar desinteresse is geen motief, maar een state of mind. Ik leg dat in detail uit in mijn kritiek op Oostindie in de essay Decolonizing The Mind.[8] Willemsen heeft de discussie over de redenen voor de afschaffing van de slavernij heel nuchter en wetenschappelijk aangepakt. Hij is gaan kijken welke redenen de beleidsmakers uit die tijd als argumenten hebben gebruikt.

Op 29 november 1853 stelde de regering een commissie onder voorzitterschap van de ex-minister van Koloniën J.C. Baud om te onderzoeken waarom, of en hoe de slavernij zou moeten worden afgeschaft. De voorbereiding voor de daadwerkelijke afschaffing heeft dus tien jaar geduurd. Willemsen geeft het belangrijkste argument van de commissie Baud weer om de slavernij af te schaffen: ‘De emancipatie is […] een maatregel van materiële noodzakelijkheid, zonder welken Suriname onmisbaar te gronde gaat, door het wegsterven zijner landbouwers. Met de emancipatie zal Suriname wel minder opleveren dan thans, maar zal voor algeheele vernietiging behoed blijven. Kortom, voor Suriname schijnt de emancipatie het eenig middel van behoud.’[9]

Hoe was Baud tot dit standpunt gekomen? Hij had op basis van statistieken van het ministerie van Koloniën vastgesteld dat de slavenbevolking sterk terugliep: van 42.272 personen in 1833 tot 34.773 in 1841. Dat was een daling van 18%, wat neerkomt op een jaarlijks gemiddelde van 2¼%. Willemsen licht het motief verder toe: Het zwaarst wegende belang – daarover laat de tekst geen misverstand bestaan – was het behoud van Suriname als exploitatiekolonie voor Nederland. De toelichting stelt dat Suriname als suikerproducerende kolonie in verval verkeerde. De reden daarvoor lag in de krimp van de slavenbevolking. Door het uitzonderlijk lage geboortecijfer en het buitengewoon hoge sterftecijfer van de slavenbevolking was er geen sprake van natuurlijke aanwas. Met name de suikerproductie was (en daar was ook de koloniale overheid zich van bewust) een afmattende, slopende en gevaarlijke bezigheid die door de slavenbevolking werd gehaat omdat ze vele levens eiste. Suriname was, net als de andere plantage economieën in het Caraïbisch gebied, wat dit betreft een abattoir. De plantagebezitters waren dus afhankelijk van een constante import van nieuwe slaven, maar sinds de slavenhandel was afgeschaft kon de populatie niet meer worden aangevuld.”[10]

Hoe werd de slavernij afgeschaft?

Toen de regering zover om over te gaan tot daadwerkelijke afschaffing, formuleerde ze een beleid dat gebaseerd was op drie overwegingen. Willemsen:

  1. De emancipatie moest door de staat geleid worden.
  2. De planters moesten gecompenseerd worden voor hun verlies aan eigendom.
  3. Een nieuw systeem van dwangarbeid moest worden opgezet: contractarbeid.

Een belangrijk principe was: “No emancipation without reparations!” Dit zou een slogan kunnen zijn van de anti-racistische beweging, maar het was een slogan van de koloniale planters die verwoord werd in het rapport van de Commissie Baud: “Geen Emancipatie van staatswege zonder voorafgaande schadeloosstelling aan de slavenhouders.”[11] Dus geen emancipatie van zwarte slachtoffers zonder compensatie van witte daders. De commissie Baud had voorgesteld dat de vrijgemaakten zelf moesten opdraaien “voor de kosten van hun vrijmaking en die zoveel mogelijk terugbetalen aan de staat.” Maar dit bleek niet haalbaar, dus kwam de regering met het voorstel dat de staat dit zou moeten doen uit de winsten van de uitbuiting van Indonesië (die waren geoormerkt in het overheidsbudget als zijnde afkomstig uit Oostindië, de Oostindische baten).

Slavernij kon niet direct worden afgeschaft, betoogde de commissie. Willemsen: Omdat slaven volgens de commissie op een lage trede stonden op de trap van beschaving en zedelijkheid – zelfs diegenen die christen genoemd konden worden, maakten zich schuldig aan ‘veelwijverij en veelmannerij’ – diende de staat, als zij de opheffing van de slavernij beval, dit te doen in het belang van godsdienst, beschaving en welzijn. Aan de geëmancipeerde behoorde voorts de verplichting te worden opgelegd tot arbeid. Dit kon door het meesterschap van de planters te vervangen door het gezag van de staat.”[12]

De beschuldiging van veelwijverij zedelijk verval was komisch gegeven het gedrag van Koning Willem III die verantwoordelijk wordt gehouden voor de afschaffing van de slavernij. De biografen van het koningshuis schrijven: Zo waren er flink wat bastaardkinderen. Zowel Willem I als Willem III gingen vreemd en beiden hadden kinderen bij andere vrouwen. Willem I had vier kinderen met de gouvernante van zijn overleden dochter Paulina… Een affaire van Willem III leidde zelfs bijna tot troonsafstand. Hij had zijn maîtresse zwanger gemaakt en wilde met haar op het platteland gaan wonen… Willem II had een ander ‘probleem’: hij was biseksueel (in die tijd een misdaad) en werd gechanteerd door ene Petrus Janssen. Die beweerde dat de koning hem had aangerand. Als de koning hem zou betalen, zou Janssen niets zeggen over zijn biseksualiteit. De koning zette Janssen in de gevangenis, maar daar ging de chantage gewoon door. Alles bij elkaar betaalde Willem II hem, en mensen om hem heen, jarenlang omgerekend honderdduizenden euro’s.”

De eerste dag van 1 juli

Hoe werd de eerste viering van 1 juli ingericht? Willemsen legt dat in details uit.

Ten eerste de informatievoorziening. De Nederlandse regering misleidde de Afro-bevolking over de afschaffing. De informatievoorziening was ook in het Sranan Tongo. Willemsen: “De koloniale overheid ging bij haar vertalingen echter vrij selectief te werk: van de nieuwe wetten werden niet alle artikelen vertaald. Wij hebben vastgesteld dat wetten en of bepalingen die betrekking hadden op de slaveneigenaren vaak niet werden vertaald, waardoor de vrijgemaakten geen kennis droegen van die bepalingen. Zo werd een van de meest belangrijke bepalingen uit de wet die de opheffing van de slavernij regelt niet aan de vrijgemaakte bevolking bekend gemaakt. Het gaat om artikel 2 van de wet van 8 augustus 1862 houdende de opheffing van de slavernij in de West-Indische koloniën, waarin wordt bepaald dat de slavenhouders in Suriname voor elke nog in leven zijnde slaaf een bedrag van f 300, – als schadeloosstelling zouden krijgen. In de in het Sranan vertaalde tekst van deze wet, werd dit belangrijke artikel weggelaten.”[13]

Ten tweede, de keuze voor de dag van 1 juli. Willemsen: Waarom had de Nederlandse regering de datum van 1 juli 1863 aangewezen als de dag waarop de tot slaaf gemaakten hun vrijheid mochten verkrijgen en niet een ander tijdstip? Volgens de Memorie van Toelichting op de wet tot afschaffing van de slavernij is deze datum niet willekeurig gekozen, maar met het plantersbelang voor ogen. Destijds viel 1 juli in Suriname in de grote regentijd, een periode waarin de productie van suiker twee tot drie maanden bijna geheel stil lag. Dan was er weinig arbeid nodig op de plantages, ‘weshalve alsdan een tijdelijke stilstand van arbeid – zoo als bij de emancipatie aanvankelijk kan worden verwacht – het minst nadeelig zal zijn’. Omdat men dacht dat de vrijgemaakten de eerste tijd zouden willen genieten van hun pas verkregen vrijheid en niet op de plantages zouden willen werken, werd de datum van 1 juli voor de planters het minst nadelig geacht. Een andere verwachting was dat de vrijgemaakten door de vele en zware regens niet zouden gaan ‘rondzwerven’ en daardoor eerder geneigd zouden zijn arbeidsovereenkomsten te sluiten met hun voormalige overheersers. Dit zou volgens de regering orde en rust bevorderen.  Samengevat wilde de regering dat de Emancipatie plaats vond in een periode waarin weinig werk was op de plantages ‘opdat de arbeid zoo min mogelijk moge worden verstoord’.

De orale geschiedenis van Suriname geeft een geheel andere verklaring voor de keuze van 1 juli als emancipatiedag. In de slaventijd was het gebruikelijk om jaarlijks, met nieuwjaar en/of halfjaarlijks, op 1 juli, uitdelingen te houden van kleding en levensmiddelen. Bij deze wettelijk voorgeschreven verstrekkingen kregen de slaafgemaakten vrij en het geheel ging met zang, dans en feestvieren gepaard. Bekend waren de zogenaamde `Nieuwjaarsspelen’, waarbij er volgens de Hernhutter zendelingen “somtijds zes dagen achter elkander gedanst, gezongen, geraasd en gedronken wordt”. Door de vrijmaking te laten samenvallen met een van deze `volksfeesten’ dacht de koloniale overheid twee vliegen in een klap te slaan.”

Ten derde, de voorbereidingen om een eventuele te uitbundige viering van vrijheid die tot een opstand kon leiden gewelddadig de kop in te drukken. Willemsen: “De politiemacht werd gereorganiseerd en met vijftig manschappen versterkt. Er werd een korps marechaussees opgericht met een sterkte van 122 onderofficieren en manschappen dat nog voor 1 juli 1863 op sterkte werd gebracht. Op de avonden van 1 en 2 juli liepen patrouilles van de politie uit voorzorg door de stad. Zij konden echter ongestoord door de lege straten marcheren. De Surinaamse legermacht van ruim achthonderd manschappen werd uitgebreid met een compagnie van tweehonderd mariniers en 144 manschappen bestemd voor het bataljon jagers… Al op 10 februari 1863 arriveerden de tweehonderd mariniers met het fregatschip Landbouw, dat aan boord ook een grote hoeveelheid ammunitie had. De overige manschappen arriveerden in de loop van de maanden daarna vanuit Nederland aan boord van de militaire zeeschepen Cornelis Dirks, Stavoren, Delfzijl en Dommel. De zeemacht werd bovendien versterkt met een korvet met stoomvermogen, vier stoomflottille vaartuigen en een schoener.”[14]

Ten vierde: de kolonisatie van de geest. De nieuwe burgers moeten geestelijk gevormd worden in de tradiei van gehoorzaamheid, onderdanigheid en het ontnemen van zelfrespect. Willemsen: “Vooral de vraag welke familienamen de geëmancipeerden zouden aannemen, stond hoog op de agenda bij de machthebbers. Bij de behandeling in de Staten-Generaal van het wetsontwerp tot opheffing van de slavernij had een afgevaardigde de minister van Koloniën erop geattendeerd dat erop moest worden toegezien dat de slaven niet de geslachtsnamen aannamen van hun oude meesters. Er zou namelijk verwarring kunnen ontstaan, ‘om van zwarte Vondels en andere beroemde personen [maar] te zwijgen’. Om dit probleem op te lossen, stonden de slavenhouders voor de taak om in de laatste maanden voor 1 juli 1863 meer dan 30.000 nieuwe namen te bedenken.20 Anders dan in de Verenigde Staten van Amerika, waar de vrijgemaakten zelf nieuwe namen mochten kiezen, kregen de vrijgemaakten in Suriname hun familienaam van de koloniale overheid of de planters.”[15]

Een andere manier van het koloniseren van de geest was het inzetten van de kerk om een attitude van onderworpenheid te kweken. Willemsen: “Al lang voor de ‘grote dag’ trachtten de zendelingen de gedoopte slaven dus al in spirituele zin voor te bereiden op hun aanstaande vrijheid. Deze spirituele controle, in de Koloniale Verslagen ook wel het ‘gunstig stemmen van de slaven’ genoemd, was vooral het werk van de Moravische Broeders (ook bekend als Hernhutters); in iets mindere mate was het ook het werk van de katholieke missionarissen. Volgens Helman werd het christendom door de Hernhutters (en de katholieken) overgedragen op de slaven met een ‘geloofsleer die de nadruk legde op genade en verlossing, lijden en medelijden. Het leidde tot een “levenskunst” die deemoed, geduld, berusting en onderdanigheid ten opzichte van de machthebbers ten toon spreidde.’”[16]

En tenslotte was daar de ultieme daad van dank. Er werd een lied gecomponeerd “Gi Koning Willem III” (“Voor Koning Willem III) die in alle kerken werd gezongen en waarin de koning wordt geprezen en bedankt voor zijn weldaad.

De ketenen werden niet verbroken maar overgedragen

Mijn dochter Pravini reikte mij dit concept aan: op 1 juli de ketenen werden niet verbroken, maar overgedragen. Zonder de inrichting van een nieuw systeem van dwangarbeid, zou het oude systeem niet afgeschaft kunnen worden. Toen de regering het wetsontwerp in tot opheffing van de slavernij indiende bij het parlement stond deze eis dan ook centraal: “dat de vrijverklaring dient gepaard te gaan van de invoering van nieuwe werkkrachten.”[17] Zonder Aziatische contractarbeid, geen zwarte emancipatie! Dit aspect wordt in de Afro-gemeenschap bij de herdenking en viering van 1 juli volledig over het hoofd gezien. Perez Jong Loi heeft een stap in die richting gezet door erop te wijzen dat 1873 moet worden aangehouden als het jaar van emancipatie, en niet 1863. De periode van staatstoezicht (1863-1873) was een periode van dwangarbeid voor Afro-Surinamers. De gedachte dat de afschaffing van slavernij mogelijk was door de invoering van contractarbeid als een nieuw vorm van dwangarbeid is duidelijk aanwezig bij Anton de Kom. Hij legt het verband uit tussen emancipatie en contractarbeid door de contracten die tijdens het staatstoezicht werden afgesloten “koeliecontracten” te noemen. De Kom: “De heele emancipatie der slaven werd zoo ingericht dat de vrijgelatenen geen andere keus zouden hebben dan het vrijwillig weder opnemen der slavernij die men zoo juist wettelijk afgeschaft had. Terwijl de kolonisten driehonderd gulden per slaaf ontvingen, konden de vrijgelaten slaven zelfs geen rooie cent hun eigendom noemen. Zij waren vrij, doch zonder de middelen om ook maar een enkelen dag voor zich zelf te kunnen zorgen. Zij ontvingen geen land, zooals vroeger de Europeesche kolonisten. Zij ontvingen geen landbouwonderwijs om later op de kostgronden voor zichzelf te kunnen zorgen. Zij kregen geen crediet om zich op gepacht land de gereedschappen te kunnen verschaffen die voor het bewerken van de akkers noodig waren. Het eenige wat zij ontvingen, was de mededeeling dat alle plantageslaven van 15 tot 60 jaar verplicht waren om koeliecontracten [mijn nadruk] te sluiten tot het verrichten van plantagearbeid. Ook zij die in de stad woonden (stadsslaven) moesten contracten sluiten voor het verrichten van huisarbeid. Het loon werd natuurlijk voor, bij en buiten hen om vastgesteld. Zoo zag de ‘vrijheid’ er uit onder het z.g. ‘staatstoezicht’. “[18]

Hij gaat dieper in op het verband tussen emancipatie en contractarbeid: “In 1858 werden op aandringen van een aantal planters, die van oordeel waren, dat immigratie noodig was vóór tot afschaffing der slavernij kon worden overgegaan, door bemiddeling van den Nederlandschen Consul in Macao een 500 Chineesche koelies geronseld… De Chineezen werden volkomen als slaven behandeld. Toen zij hiertegen in verzet kwamen, werden zij zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen, door de politie met rietslagen gestraft, een onwettige handeling die telkens en telkens herhaald is.”[19]

Zonder Aziatische contractarbeid, geen zwarte emancipatie. Contractarbeid was niet alleen vervangende dwangarbeid. Het had ook een ander doel: zorgen dat de lonen van de Afro-Surinamers die gedwongen waren om loonarbeid te verrichten op de plantages om in hun levensonderhoud te voorzien, naar beneden werden gedrukt. Volgens De Kom liet men Aziaten “onder valsche voorspiegelingen, contracten […] teekenen waardoor loon en arbeidsvoorwaarden in Suriname omlaag gedrukt worden.”[20]

Welke ketenen werden verbroken?

In de koloniale benadering is slavernij een systeem met één hoofdkenmerk: de mens als bezit van een ander mens. In de dekoloniale benadering is de trans-Atlantische slavernij een wereldsysteem gebaseerd op vijf kenmerken:

  • Een economisch systeem waarbij Westerse particuliere bedrijven mensen lieten kidnappen om als werkvee en eigendom van die bedrijven te beschouwen (eerst de Inheemse bevolking en later Afrikanen) zodat ze hun leven lang onder dwang gratis arbeid kunnen verrichten. De afschaffing van slavernij verbrak een deel van de economische ketenen: de zwarte mens was geen eigendom. De particuliere bedrijven gingen door met andere vormen van arbeid (dwangarbeid, loonarbeid).
  • Een sociaal systeem waarin sociale verhoudingen op basis van raskenmerken werden georganiseerd. De witte mens was superieur en stond aan de top van de samenleving. De zwarte mens was inferieur en stond aan onderaan. De afschaffing van de slavernij heeft dat niet veranderd.
  • Een politiek systeem waarin de witte kolonisator de zwarte bevolking bestuurde met harde hand. De inzet van leger, politie en veiligheidsdiensten zorgen voor een systematische controle op de bewegingsvrijheid van de zwarte bevolking. De afschaffing van de slavernij heeft dat niet veranderd.
  • Een cultureel systeem waarin de geest van de zwarte mens werd gekoloniseerd en minderwaardigheid en het ontnemen van zelfrespect werd bevorderd. De afschaffing van slavernij heeft niet geleid tot de afschaffing van mental slavery.
  • Een geografische systeem waarin de kolonie een wingewest was om de welvaart van Europa te bevorderen. De uitbuiting van de kolonie was een belangrijke basis voor rijkdom van Nederland. Koloniale historici proberen het tegendeel te bewijzen door te verzwijgen hoe arm Nederland zou zijn geworden als ze honderden jaren lang gewoon een normaal loon had betaald aan de zwarte arbeider. Er is geografisch wel wat veranderd, maar de basisverhouding van het machtige Noorden dat het rijke Zuiden wil beroven van haar natuurlijke hulpbronnen bestaat nog steeds.

Als je pleit voor een nationale viering en herdenking van het verbreken van de ketenen (Keti Koti) moet je de vraag stellen: over welke ketenen praat je?

Aan wie werden de ketenen overgedragen?

Mijn goede vriend Prof. Stephen Small van de University of California Berkeley die samen met mij veel werk verzet op het gebied van slavernijgeschiedenis, zegt: “For every act of oppression, there was act of resistance.” Na de afschaffing slavernij werden economische, sociale, culturele en politieke ketenen overgedragen aan Afro-Surinamers. En zij kwamen in verzet daartegen. Veertig jaar geleden publiceerde ik mijn eerste boek: Van Priary tot en met De Kom – de geschiedenis van het verzet in Suriname 1630-1940.[21] Daarin behandel ik het verzet tegen het kolonialisme in Suriname vanaf het begin van de kolonisatie. Al vrij snel na de afschaffing van slavernij, tijdens het staatstoezicht, begon het verzet van Afro-Surinamers. In 1889 kwamen de zwarte kleine boeren in Para in opstand tegen het koloniaal bewind naar aanleiding hoge belastingen. In 1910 was Suriname in rep en roer toen een groep mensen onder leiding van Frans Killinger werd gearresteerd omdat ze plannen hadden om het koloniaal bewind omver te werpen en een democratische vrije republiek te vestigen. In 1921 lieten de Marrons van zich horen met een drie maanden lange staking van Marron vrachtvaarders die een belangrijk rol speelden in de goudindustrie als transporteurs op de rivieren. In de jaren dertig kwam de arbeidersbeweging op die in 1931 de hongeroproer organiseerde en in 1933 de protesten tegen de arrestatie van Anton de Kom. In 1863 werden de ketenen niet verbroken, maar overgedragen aan nieuwe generaties Afro-Surinamers.

Met de invoer van het systeem van Aziatische contractarbeid, die de noodzakelijke voorwaarde was voor het verbreken van de ketenen van de zwarte bevolking, werden de ketenen overgedragen aan een nieuwe groep Surinamers: Aziaten van China, India en Indonesië. Voor de Tweede Wereldoorlog was er solidariteit onder de onderdrukte geketende bevolkingsgroepen van Suriname. Na de Tweede Wereldoorlog werd met de invoering van het algemeen kiesrecht en de introductie van politieke partijvoering op basis van etniciteit een systeem van verdeel-en-heers doorgevoerd. Tijdens de opstand bij de arrestatie van De Kom in 1933 vielen er twee doden: de Hindostaan Mohabier en de Afro-Guyanees Cyriel Murray.[22] Toen de fysieke ketenen van de Afro-Surinamers op 1 juli 1863 werden verbroken heeft het gekoloniseerde volk van Suriname nieuwe manieren gevonden om de ketenen die overgedragen werd te verbreken in een continu proces van verzet. Wij moeten daaruit lessen trekken over hoe we hun offers gaan herdenken.

Hoe zou je een nationale viering en herdenking kunnen inrichten?

De kolonisator heeft Hindostanen en Afro-Surinamers geleerd om elkaar te haten. Wij moeten onze generatie leren om elkaar lief te hebben. De kolonisator heeft ons geleerd om elkaar als concurrent te zien. Wij moeten onze kinderen leren om elkaar als partners te zien in een strijd om emancipatie en bevrijding. De kolonisator heeft ons geleerd dat de vooruitgang van de ene groep ten koste gaat van de vooruitgang van de andere groep. Wij moeten onze generatie leren dat de vooruitgang van de ene groep een inspiratiebron moet zijn voor de vooruitgang van de andere groep. De kolonisator heeft ons geleerd om neer te kijken op elkaar. Wij moeten onze generatie leren om elkaar met respect te behandelen.

Het wordt tijd dat we onze herdenkingen gaan verbinden met elkaar. Op 1 juli zou het Sarnámihuis als vertegenwoordiger van een online community van Hindostanen in Nederland een boodschap van liefde en solidariteit moeten sturen naar de Afro gemeenschap, ongeacht of die boodschap wel of niet wordt beantwoord, gewoon als principe en niet als onderhandeling. Afro-Surinaamse organisaties zouden moeten leren om op 5 juni zulke boodschappen te sturen naar de Hindostaanse gemeenschap.

Op 5 juni 2023 wordt in de Hindostaanse gemeenschap 150 jaar Hindostaanse immigratie herdacht. Op 1 juli 2023 wordt in de Afro-gemeenschap 160 jaar Keti Koti herdacht. Hoe mooi zou het zijn als in dat jaar een gemeenschappelijke boodschap van Hindostaanse en Afro-Surinaamse organisatie zou worden uitgegeven naar de hele gemeenschap dat de ketenen zijn overgedragen en het een gezamenlijke strijd om die te verbreken. Hoe mooi zou het zijn als op 1 juli 2023 eindelijk een standbeeld van Flora en Sery naast het standbeeld van Tetary bij het presidentieel paleis in Paramaribo zou worden onthuld. Een standbeeld van krachtige vrouwen. Flora en Sery zijn twee dappere Marron vrouwen die weigerden om het kamp van hun gemeenschap te verraden en dat met de dood hebben moeten bekopen. Anton de Kom deed hen een belofte: “Dappere Séry. Dappere Flora. Wij zullen uw namen steeds in eerbied gedenken.”[23] Hoe mooi zou het zijn als we in 2023 zijn belofte konden nakomen met het standbeeld van Flora en Sery naast die van Tetary. De Kom kendehet verhaal van Tetary, maar haar naam niet. Hij schrijft over de opstand op plantage Zorg en Hoop dat in September 1884 … er een groote opstand onder de Indische contractkoelies [viel] te vermelden. Dadelijk werden de troepen opgecommandeerd, de ‘extremisten’ aangevallen en zeven ‘belhamels neergelegd’. Zoo slaagde gouverneur van Heerdt tot Eversberg er in, met bloedig geweld den opstand in korten tijd te dempen.”[24] Het ging om de opstand waar Tetary werd vermoord. Laten we Anton de Kom in 2023 trots laten zijn op de hele Surinaamse gemeenschap door in dat jaar samen op te trekken in de herdenking van het verzet tegen het kolonialisme.

Leeswijzer

Wie meer wil lezen over de discussie over slavernij kan de volgende stukken raadplegen:

  1. Hira, S. (1984): Van Priary tot en met De Kom. De geschiedenis van het verzet in Suriname, 1630-1940. Futile, Rotterdam.
  2. Hira, S. (2009): Decolonizing the mind. Een fundamentele kritiek op het wetenschappelijk kolonialisme. Amrit, Den Haag.
  3. Hira, S. (2014): 20 Questions and Answers on Reparations for Colonialism. Amrit, Den Haag.
  4. Kom, A. de (1934): Wij Slaven van Suriname. Contact, Amsterdam.
  5. Small, S. en Hira, S. (2014): 20 Questions and Answers on 20 Questions and Answers on Dutch Slavery and its Legacy. Amrit, Den Haag.
  6. Willemsen, G. (2006): Dagen van Gejuich en Gejoebel. 1 juli 1863: afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Amrit/Ninsee. Den Haag/Amsterdam 2006.
  7. Website IISR: https://iisr.nl/slavernij/.

 

[1] Willemsen, G. (2006): Dagen van Gejuich en Gejoebel. 1 juli 1863: afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Amrit/Ninsee. Den Haag/Amsterdam 2006.

[2] Emmer, P.C. (2008): Emmer, P.C. (2008): Who abolished slavery?. Resistance and accommodation in the Dutch Caribbean. Paramaribo, p. 15.

[3] Emmer, P.C. (2008), p. 18.

[4] Emmer, P.C. (2008), p. 2.

[5] Drescher, S. (2010): British abolitionism and imperialism. in: Peterson (2010), pp. 129-149. Peterson, D.R.(ed.) (2010): Abolitionism and imperialism in Britain, Africa, and the Atlantic. Cambridge Centre of African Studies Series. Ohio University Press. Athene, p. 130.

[6] Willemsen, G. (2006): p. 139.

[7] Idem, p. 138.

[8] Hira, S. (2009): Decolonizing the mind. Een fundamentele kritiek op het wetenschappelijk kolonialisme. Amrit, Den Haag, p. 30 e.v.

[9] Willemsen, G. (2006): p. 89.

[10] Idem, p. 83-84.

[11] Idem, p. p. 79-80

[12] Idem.

[13] Idem, p. 116-117.

[14] Idem, p. 136-137.

[15] Idem, p. 142-143.

[16] Idem, p. 142.

[17] Idem, p. 89.

[18] Kom, A. de (1934): Wij Slaven van Suriname. Contact, Amsterdam, p. 135-136.

[19] Idem, p. 127-128.

[20] Idem, p. 161.

[21] Hira, S. (1982): Van Priary tot en met De Kom. De geschiedenis van het verzet in Suriname, 1630-1940. Futile, Rotterdam.

[22] Hira (1982), p. 316.

[23] Kom, A. de (1934), p. 74.

[24] Idem, p. 158.

Nederland als slachtoffer en dader van fascisme

Sandew Hira, 1-6-2021

Inleiding

Rishma Khubsing heeft het initiatief genomen om 3 mei te maken tot een dag van nationale herdenking over de Nederlandse koloniale geschiedenis. Op 3 mei worden de slachtoffers van het Nederlands kolonialisme herdacht. Op 4 mei worden Nederlanders als slachtoffer van nazisme herdacht. Nederland als slachtoffer en als dader van fascisme. Hoe ga je daarmee om? Rishma pleit voor dialoog en verzoening. Een goed idee, maar we hebben nog een lange weg te gaan; dat blijkt uit de discussie tussen Piet de Blauw en mij op mijn Facebook pagina over verschillende perspectieven op nazisme en kolonialisme. Hij was jarenlang journalist bij KRO-NCRV.

De discussie begon naar aanleiding van een vraag die ik stelde over de relatie tussen de strijd tegen nazisme en kolonialisme: Hoe kijken we naar mensen van kleur die tijdens de tweede wereldoorlog gevochten hebben tegen de nazi’s en voor hun koloniale onderdrukkers. Moeten we trots zijn op hen of moeten we ons afvragen: hebben ze op de verkeerde mensen geschoten? Hadden ze hun geweren naar de andere kant moeten richten, naar hun koloniale onderdrukkers?

Die discussie is geen theoretische discussie. Zij vond plaats in de verschillende koloniën. In India heeft Subhas Chandra Bose, de oprichter van het Indiase leger, nadrukkelijk de positie gekozen dat Indiërs niet de Britten moesten gaan helpen in hun strijd tegen de Duitse fascisten, maar hun geweren moesten richten op de Britten die hun land hebben gekoloniseerd en India hebben uitgebuit en onderdrukt. De Vietnamezen zagen de Fransen als hun vijand in plaats van Hitler. Dat gold ook voor de Indonesische nationalisten die Nederland als hun vijand zagen en niet de Duitsers die in Europa waren en niet in Indonesië. Toch hebben koloniale mogendheden mensen van kleur weten te mobiliseren om voor hen te vechten tegen de Duitse fascisten. Hoe kijken we naar deze mensen? Die vraag leidde tot de volgende discussie met De Blauw.

Discussie

Piet De Blaauw: Hadden ze beter de kant van de nazi’s kunnen kiezen?

Sandew Hira: De kolonisatoren waren hun nazi’s.

Piet De Blaauw: Kolonisatie was vreselijk, maar mensen werden niet de gaskamers ingestuurd naar mijn weten.

Sandew Hira: Ze werden op andere manieren gedood onthoofding, afgrijselijke martelingen.

Piet De Blaauw: Zeker, er gebeurden vreselijke dingen. Toch is een vergelijking met de nazi’s niet gepast vanwege de Holocaust. Ik ben blij dat mensen van kleur tijdens de oorlog dat ook zo zagen. Die zou je moeten eren ipv achteraf in een kwaad daglicht stellen.

Sandew Hira: Was de holocaust erger dan de Europese slavernij en daarom ongepast om de vergelijking te maken?

Piet De Blaauw: Sandew Hira Een vergelijking is ingewikkeld als je naar de aantallen slachtoffers kijkt. Toch is de industriële vernietiging van de joden inderdaad uniek in zijn soort. Een koloniaal was racistisch, maar niet uit op de vernietiging van de ander.

Sandew Hira: Waarom zou een Indonesiër Nederland helpen bevrijden van de Nazi’s om vervolgens vijf jaar later diezelfde Nederlanders opnieuw hun land komen bezetten en 150.000 vermoorden. Waarom zouden we voor die Indonesier groot respect moeten hebben? Het is toch helemaal niet slim wat hij deed?

Piet De Blaauw: Sandew Hira Ik begrijp heel goed dat de Indonesiërs blij waren dat de Japanners de Nederlanders aanvielen. Mijn punt is dat ze vervolgens van de regen in de drup kwamen omdat ze vervolgens werden onderdrukt door de Japanners die ook op ze neerkeken. Maar voor mij is het een stap te ver om soldaten van kleur af te vallen die streden tegen de nazi’s. Zij hebben een, op dat moment, nog groter kwaad dan het kolonialisme bestreden. Daarna is er gelukkig ook een eind gekomen aan het kolonialisme. In Nederlands Indië na een bloedige strijd, in Suriname in relatieve eensgezindheid. Maar daar weet u veel meer van dan ik.

Sandew Hira: Waarom was Duits nazisme voor Indonesiërs een groter gevaar dan Nederlands fascisme?

Piet De Blaauw: Ik stel een tegenvraag: hoe denkt u dat de wereld eruit had gezien als Hitler had gewonnen?

Sandew Hira: Precies als de wereld onder kolonialisme 500 jaar eruit heeft gezien: genocide, racisme, uitbuiting witte superioriteit net als de Arische superioriteit. Hitler zag het Brits kolonialisme als zijn rolmodel. Hij zei dat wat de Britten met India gedaan wilde hij met oost Europa doen

Piet De Blaauw: Het kolonialisme was racistisch en gewelddadig, maar alleen de nazi’s wilden hele volkeren systematisch vernietigen. Tientallen miljoenen in een paar jaar tijd. Dat u soldaten van kleur afvalt die daar tegen vochten moet u zelf weten, maar ik vind het beschamend. En nu stop ik ermee want dit wordt een herhaling van zetten. Groet

Sandew Hira: Congo – 9 miljoen doden, genocide van 75 miljoen inheemsen in amerika, 300 jaar slavernij 200-400 miljoen levens vernietigd door ze dood te laten werken

Piet De Blaauw: Nogmaals, ik ontken niet dat het kolonialisme vreselijk was. Maar dat betekent niet dat de strijd tegen de nazi’s een foute keus was. Ik ben iedereen die daartegen streed dankbaar.

Sandew Hira: De strijd tegen de nazi’s in Nederland was een goede keuze voor mensen die in Nederland wonen, maar niet een goede keuze voor de mensen wier land door de Nederlanders bezet waren. Hun belangrijkste strijd was niet tegen het nazisme, maar tegen het Nederlandse fascisme die hun land bezetten en hun mensen op een vreselijke manier onderdrukten. Het probleem met Piet is dat hij Nederlanders alleen als slachtoffers van fascisme ziet en niet ook als daders. Want als Nederlander ook daders van fascisme zijn, dan moet je je afvragen: stel je dat een Indonesiër was en weet dat als Nederland nazisme heeft verslagen, ze vijf jaar later 150.000 van je volksgenoten zouden afslachten, zou je dan die Nederlanders willen helpen in de strijd tegen nazisme zodat ze massaslachting konden uitvoeren op jouw volk?

Piet De Blaauw: Sandew Hira Dat zeg ik niet. Ik zie Nederland in Indonesië wel degelijk als dader. Er werden na de oorlog bv door Westerling nazi-methoden gebruikt. De discussie gaat er nu om dat u mensen van kleur de maat neemt die tegen de nazi’s te vechten.

Sandew Hira: En dat verbindt ik met het daderschap van de Nederlanders, wat jij niet doet. Daarom kan ik de vraag stellen die jij niet kan beantwoorden: wat zou je doen met de dader die jouw volk gaat afslachten: hem helpen in een strijd met een andere fascist zodat hij jou kan vermoorden?

Piet De Blaauw: Sandew Hira Dit is een wel heel zwart/wit wereldbeeld. Alsof elke witte die strijdt tegen de nazi’s na gedane arbeid de koloniaal gaat uithangen. Veel mensen die de oorlog hadden meegemaakt waren daarna voor dekolonisatie. Dit gold jammer genoeg niet voor de Nederlandse regering, maar dat betekent niet dat de strijd tegen de nazi’s fout was.

Sandew Hira: De strijd tegen de nazi’s is heel goed. Jullie moeten vechten tegen jullie nazi’s en wij moeten vechten tegen onze nazi’s. Waar we de verbinding moeten leggen is tussen hoe die beide nazi’s met elkaar verbonden zijn. Als je blijft ontkennen dat de strijd tegen het nazisme niet alleen een strijd was tussen goed en fout, maar ook tussen fout en fout, dan kun je die verbinding nooit maken. Mensen van kleur in Nederland moeten in Nederland vechten tegen beide soorten nazi’s zoals Anton de Kom en de communisten dat hebben gedaan. De communisten waren tegen de Nederlandse nazi’s in Indonesie. Mensen van kleur in de kolonieen moeten vechten tegen de nazi in de kolonie en niet naar Europa gaan om de Nederlandse nazi’s te bevrijden. Overigens de herbezetting in Nederland werd breed gesteund door veel partijen in Nederland. Het was geen marginale groep en alleen de regering.

Piet De Blaauw: Sandew Hira Mijn punt is dat de iedereen, wit en zwart, tijdens de oorlog een gezamenlijk doel had: het verslaan van de nazi’s. Na de joden waren er andere bevolkingsgroepen aan de beurt gekomen. En wat was er gebeurd als hij een atoombom had ontwikkeld, wat niet veel scheelde? Dat Nederland zich daarna zelf ook fout gedroeg rechtvaardigde het bestrijden van de koloniale bezetter. Maar rechtvaardigt niet het achteraf veroordelen van mensen van kleur die eerder een rechtvaardige strijd tegen de nazi’s voerden.

Sandew Hira: Iedereen moest een gezamenlijk doel hebben: het verslaan van de Duitse nazi’s. Waarom zeg je niet: iedereen moet een gezamenlijk doel hebben: het bestrijden van de Duitse en de Nederlandse nazi’s. Waarom die eenzijdige beperking tot de Duitse nazi’s? Want als je die beperking niet maakt, dan begrijp je waarom mensen van kleur in de kolonieën moesten blijven om de Nederlandse nazi’s te bestrijden en mensen van kleur die in Nederland wonen met de anti-imperialistische Nederlanders de Duitse nazi’s moeten bestrijden. Overigens, de eerste twee atoombommen werden niet door Duitsers gegooid maar door Amerikanen, jullie bevrijders! De oorlog was praktisch afgelopen en was absoluut geen militaire noodzaak voor die bommen, Het was gewoon een test die uitgevoerd werd bij wijze van proef. Hitler had dit niet eens bedacht.

Wat zou je vinden van Nederlanders die tijdens in de strijd tegen het Duits nazism zouden zeggen: weet je wat we gaan liever naar Indonesië om het Nederlands fascisme te bestrijden dan tegen hier tegen het Duits fascisme vechten? Zou je dat slim of dom hebben gevonden? Die mensen waren er overigens niet of nauwelijks.

Voor wie mijn argumentatie wil volgen, zie deze video van Mandela die zegt: waarom zou jouw vijand mijn vijand moeten zijn: https://www.youtube.com/watch?v=rkcbODygOV8

Piet De Blaauw: Sandew Hira Of de bommen op Japan gerechtvaardigd waren is weer een andere discussie. Ik beperk mij tot de vraag of je soldaten van kleur achteraf mag bekritiseren om hun keuze en u weet wat ik daarvan vind.

Sandew Hira: Als die soldaten van kleur hadden geweten dat niet Hitler, maar Amerika atoombommen zou gooien op een gekleurd volk (ze hebben het niet op Duitsland gegooid) alleen om maar te testen hoe ze werken (Japan was al praktisch verslagen net als Duitsland), zouden ze zich moeten afvragen: heb ik de goede keuze gemaakt.

Piet De Blaauw: Sandew Hira Opnieuw schetst u een vertekend beeld. Weet u wel hoeveel bommen de Amerikanen op de witte Duitsers hebben gegooid?

Sandew Hira: Maar geen atoombom, want dat was toch het ergste bombardement waarvoor u vreesde dat Hitler die zou gebruiken?

Piet De Blaauw: U maakt er een ideologische discussie van door te stellen dat soldaten van kleur zich achteraf waarschijnlijk de vraag zouden stellen of ze de goede keus hadden gemaakt omdat er kernbommen zijn gegooid op een niet gekleurd volk terwijl heel Duitsland is platgegooid door de Amerikanen. Ik ga die atoombommen niet verdedigen, maar ik weet wel dat ik blij ben dat de Amerikanen het als eerste lukte om een atoombom te gooien ipv Hitler. [SH: mijn nadruk] Dan waren er heel wat meer gegooid vermoed ik. En dat ook grote gevolgen gehad voor mensen van kleur.

Sandew Hira: Ik werk met feiten. U werkt met emoties van witte mensen die niet kunnen accepteren dat mensen van kleur een andere visie hebben op fascisme en kolonialisme. Wat moeten de gekleurde bewoners van Hiroshima en Nagasaki denken als ze dit van U, een witte man, lezen: “ik weet wel dat ik blij ben dat de Amerikanen het als eerste lukte om een atoombom te gooien ipv Hitler.”

Piet De Blaauw: U leest niet goed en u weet weinig van Adolf Hitler, ben ik bang. Ik vind het zeker interessant om te lezen hoe mensen met een ander perspectief naar de geschiedenis kijken, maar ik houd niet van populisten. Of ze nu wit of zwart zijn.

Sandew Hira: U weet weinig van kolonialisme, anders had u gezien dat er vele Hitlers waren in de koloniën. Dan had u ook geweten dat iemand die blij is dat Hiroshima en Nagasaki met atoombommen zijn weggevaagd daar wordt gezien als mensen zonder enig moreel besef en schaamtegevoel.

Piet De Blaauw: Sandew Hira U moet echt beter lezen. Gegroet

Sandew Hira: Ik Lees heel goed. Misschien schrijft u slordig.

Tot slot

Deze discussie laat zien dat dialoog en verzoening geen gemakkelijk traject zal zijn. Het stellen van ongemakkelijke vragen leidt in eerste instantie tot zeer verontwaardigde reacties bij witte Nederlanders, zoals dat ook het geval was met de discussie over Zwarte Piet. Nederlanders worden dan vaak heel emotioneel. Mogelijk hebben psychologen als Khubsing technieken voor hoe je zulke emoties kunt opvangen. Discussies over koloniale geschiedenis gaan dan niet over argumenten, maar over emoties.

Noot: In mijn aankomend boek Decolonizing The Mind behandel ik de discussie over nazisme en kolonialisme op internationaal niveau in hoofdstuk 7.

 

Marjolein van Pagee: Banda – de genocide van Jan Pieterszoon Coen

Banda – de genocide van Jan Pieterszoon Coen is de titel van een boeiende historische studie van Marjolein van Pagee (uitgeverij Omniboek, Utrecht 2021). De Hollandse misdadiger Coen wordt in Nederland vereerd als de grondlegger van het Nederlandse koloniale rijk. Van Pagee slaat dit beeld aan diggelen. Ze behandelt de periode in de Indonesische geschiedenis waarin de eilandengroep van Banda een belangrijke rol speelde als een centrum in een internationaal handelsnetwerk in nootmuskaat en foelie. Het telde toen ongeveer 10.000 mensen. In 1599 komen schepen van de Verenigde Oostindische Compagnie die de Bandanezen dwongen om hun handel met andere volken te staken en uitsluitend voor de Nederlanders te produceren. Dat is het begin van de Nederlandse koloniale onderneming.

Van Pagee beschrijft de gruwelijke details van de genocide van Banda. Over Bandanezen die gevangen genomen werden door de VOC meldt ze: “Acht van hen werden apart gezet als ‘de meest schuldigen’ en allereerst levend gevierendeeld alvorens te worden onthoofd. De overige 36 werden direct onthoofd. Het moet een verschrikkelijke bloedbad zijn geweest.” (p. 85). Vandaag noemen we een organisatie dit doet ISIS. Mark Rutte noemt ze ‘visionair’ (p. 25). Het verhaal van Coen en de VOC zegt veel over de Nederlandse identiteit, meent Van Pagee: “Het is een verhaal over de identiteit die Nederland zichzelf heeft aangemeten. Het beeld van een geordend zeevarend land, geworteld in handel, rechtspraak en calvinisme, klein in gebied, maar groot in daden.” (p. 91) De erfenis van dat verhaal vinden we in de manier waarop Coen wordt beschreven in de Nederlandse literatuur. De gruwelijkheden van de genocide in Indonesië wordt weggelaten en zijn daden worden beschreven in termen van ondernemerschap in plaats van een misdaad. Van Pagee: “Niet de Nederlanders, maar de Javanen, Molukkers en Chinezen worden consequent als wreed en gewelddadig neergezet.” P. 153)

Haar boek is een model van hoe je koloniale geschiedenis vanuit een dekoloniaal perspectief zou moeten beschrijven. Ze baseert zich op feiten in plaats van fantasieën. Ze noemt een misdaad een misdaad en verbloemt niet de aard, omvang en wijze waarop de misdaad zich heeft voltrokken. Ze laat de doorwerking van het verleden zien in het heden en hoe dat samenhangt met de vorming van de Nederlandse identiteit. Ik kan die werkwijze van harte aanbevelen.

 

Kolonialisme en de Indiase dans

Wat is de relatie tussen kolonialisme en dans. Poernima Gobardhan is een Hindostaanse danseres getraind in Indiase klassieke dansen. Ze is afgestudeerd als Master Of Arts And Culture in Theatre Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Ze produceert een dansvoorstelling waarin de invloed van de voorouders van Hindostanen op de gemeenscap wordt uitgebeeld. Hiervoor ging ze in gesprek met Sandew Hira over kolonialisatie van de geest en kunst.

Lees hier meer over Poernima.

Volg hier het interview met Poernima. De laatste vijf minuten is het gesprek met Sandew Hira.

Op 5 mei presenteert ze de solovoorstelling My Pitṛs in combinatie met Elly & Me op het India Dans Festival 2021! via een digitale stream. presenteer ik de solovoorstelling My Pitṛs in combinatie met Elly & Me. Een inspirerende double-bill waarin elementen uit Bharata Natyam en de Vedische traditie gebruik om te reflecteren op het fenomeen sterfelijkheid.

My Pitṛs

De solo My Pitṛs (mijn voorouders) stelt het lineaire besef van tijd ter discussie. Ons heden kan niet begrepen worden zonder het verleden. Ook in onze individuele tijdslijn speelt het verleden, de geschiedenis van onze voorouders een beslissende rol. De tijd is circulair waarbij het verleden, het heden en de toekomst met elkaar verbonden zijn. Circulair betekent niets minder dan dat je voorouders verbonden zijn met jouw leven. Op die wijze blijft elk leven behouden in de gedachtes van volgende generaties.

Elly & Me

In 2019 maakte ik Elly & me voor het CaDance Festival, gebaseerd op de roman Eline Vere van de Haagse schrijver Louis Couperus. De solo laat zien hoe ik mij verhoudt tot Eline, vrouw die zich niet wil conformeren aan de verwachtingen van de maatschappij. Het 19de-eeuwse personage toont schrijnend veel overeenkomsten met de vrouw van vandaag. Met de torenhoge paradoxale verwachtingen lijkt het zelfs nog makkelijker jezelf te verliezen in de ellende.

Klik hier voor meer informatie.

Een dekoloniale visie op klimaatverandering

Op 22 en 23 april 2021 heeft president Biden een videoconferentie georganiseerd met wereldleiders over klimaatverandering. De Plurinationale Staat Bolivia organiseerde op 23 april 2021 een alternatieve videoconferentie. Sandew Hira werd gevraagd om een bijdrage te leveren. Zie hier de tekst van zijn bijdrage.

De nieuwe Tweede Kamer: Grote kansen voor de anti-racisme beweging

In 2015 kwam de eerste partij van mensen van kleur in de Tweede Kamer: DENK. Daarvoor waren er wel politici van kleur in de Kamer, maar ze vielen onder een partij discipline van hun witte partijen waardoor ze altijd beperkt waren in de wijze waarop ze de belangen van de gemeenschappen van kleur behartigden. DENK heeft laten zien dat het mogelijk is zonder enige terughoudendheid de confrontatie aan te gaan op het belangrijke podium van het land en zich daarbij niet te beperken tot de Moslimgemeenschap, maar de issues uit de Afro-gemeenschap in hun programma en propaganda mee te nemen.

De splitsing tussen Kuzu en Özturk had desastreus kunnen uitpakken. Het had de partij kunnen breken in twee afzonderlijke organisaties die waarschijnlijk geen van beide in de kamer zouden komen. Farid Azarkhan heeft zich ontplooid tot een fantastische leider die met humor en sarcasme die de kar wist te trekken. Kuzu en Özturk zijn verstandig geweest om het niet tot een splitsing te laten komen. Ik had verwacht dat DENK zou terugvallen naar 2 of 1 zetel. Dat is niet het geval. Ze zijn op 3 gebleven. Ze zijn wel teruggelopen in absolute aantal stemmen van 216.147 in 2017 naar 211.237 in 2021, een terugval met 4.910 stemmen. Dat valt heel erg mee.

Opmerkelijk is het hoge aantal stemmen voor Isaura Carillho (5.839) en Natasha Mohamed-Hoessein (3.826), gemeenteraadslid voor DENK in Rotterdam. Beide komen niet uit de traditionele Turkse en Marokkaanse achterban van DENK. Ze hebben meer stemmen behaald dan Stephan van Baarle (2.449), die op nummer 3 stond van de lijst van DENK en nu in de Tweede Kamer zit. Bij de volgende verkiezingen voor de Tweede Kamer moet DENK minimaal één vrouw hebben bij de eerste drie.

Gegeven alle ellende die DENK heeft meegemaakt (te midden van de altijd aanwezige negatieve media-aandacht) is het toch een mooi resultaat.

BIJ1 heeft het fantastisch gedaan. Bij de vorige verkiezingen heeft ze onder de naam Artikel 1 28.700 stemmen behaald. Dat is bij deze verkiezingen gegroeid naar 87.238 en daarmee behaalde ze een zetel.

Met twee partijen uit de gemeenschappen van kleur is de kans aanwezig dat de media ze tegen elkaar zal willen uitspelen en hun verschillen onder een vergrootglas gaan leggen. Ik hoop dat ze verstandig genoeg zijn om dat te doorzien en een strategie weten te ontwikkelen om samen op te trekken. Dat biedt grote kansen voor de anti-racisme beweging want de interactie tussen sociale bewegingen en anti-racistische partijen in de Tweede Kamer is heel belangrijk.

Wie weet dat over tien jaar ze fuseren tot één partij en over 20 jaar met de linkse partij tot één grote linkse partij.

 

Sandew Hira