Categoriearchief: 2021

Dekoloniseer de 1 juli viering: de ketenen werden niet verbroken maar overgedragen

Sandew Hira
Den Haag 27-6-2021

Slechts één visie mogelijk op 1 juli?

Een wind van verandering waait door Nederland. In de nasleep van de anti Zwarte Piet beweging en Black Lives Matters, maar ook in de context van een radicale milieubeweging en de anti-imperialistische beweging rond de bevrijding van Palestina, ontwikkelt zich een klimaat waarin zaken die vroeger onbespreekbaar waren nu onderdeel zijn geworden van een brede maatschappelijke discussie. De kwestie van het uitroepen van 1 Juli tot een nationale feest- en herdenkingsdag is deel van die discussie in de vorm van een petitie aan de Tweede Kamer. En zoals ieder onderwerp m.b.t. koloniale geschiedenis zijn er twee hoofdstromingen: een dominante koloniale stroming die vanuit de akademia wordt geleid en een dekoloniale die vanuit sociale bewegingen wordt gepromoot. Dit artikel presenteert een dekoloniale analyse van de 1 Juli viering en herdenking.

Mitchell Esajas, een van de initiatiefnemers van de petitie, heeft een Facebook post geplaatst met de volgende tekst: “Je kan niet pro #BlackLivesMatter zijn en de petitie voor ‘Maak 1 Juli/Keti Koti een nationale vrije dag’ NIET tekenen.” Dit is een problematische post. Het stelt dat er vanuit de BLM sociale beweging maar één correcte visie is op 1 juli, de zijne. Laten we de visie van Dr. Glenn Willemsen, de veel te vroeg overleden eerste directeur van NiNsee en schrijver van het boek Dagen van Gejuich en Gejoebel ernaast leggen.[1] Het boek van Willemsen is de meest uitgebreide en diepgaande standaardwerk over de dag van de afschaffing van slavernij. Willemsen: Op Curaçao werd deze dag aanvankelijk wel herdacht, maar dat raakte al spoedig in de vergetelheid. 1 juli 1968 was de laatste keer dat op Curaçao emancipatiedag officieel werd herdacht. De jonge generatie ervaart de afschaffing van de slavernij als een daad van Nederlandse koloniale wetgeving die geen betekenis heeft voor de huidige Curaçaose samenleving. Veel meer belang wordt gehecht aan de herdenking van de grote slavenopstand die onder leiding van Tula op 17 augustus 1795 uitbrak. Met de leuze `overwinnen of sterven’, streden de slaafgemaakten voor hun vrijheid. Op Curaçao wordt 17 augustus officieel als Dag van de Vrijheidstrijd erkend.” De gedachte achter deze redenering is dat je niet de dag kiest die de kolonisator heeft ingesteld, maar een dag die de vrijheidsstrijd van de totslaafgemaakten herdenkt. Die vrijheid is belangrijker dan de vrijheid die de kolonisator heeft bedacht. Is dat een rare gedachte?

In Brazilië, het land waar 40%van alle gekidnapte Afrikanen zijn gebracht, werd slavernij op 13 mei 1888 afgeschaft. Die dag werd lange tijd gevierd door de bevolking en met name de zwarte gemeenschap. Door de opkomst van de Black Power beweging in de jaren zestig heeft de zwarte gemeenschap gekozen om een andere dag, 20 november, te vieren als de dag van het Zwarte Bewustzijn. Op 20 november 1695 werd Zumbi, de leider van de gemeenschap van vrije Afrikanen die ontsnapt waren uit slavernij, vermoord. De strijd van Zumbi werd gezien als deel van een lange strijd voor de bevrijding van zwarte mensen in Brazilië. Is dat een rare gedachte? Nee, er zijn goede argumenten te bedenken voor de keuze van een andere dag om de afschaffing van slavernij te vieren en herdenken.

Toch steun ik het initiatief van de petitie en wel op basis van tactische en niet op basis van principiële gronden. De eerste grond is dat het concept van 1 juli als een dag van Keti Koti, de dag waarop de ketenen van de totslaafgemaakten zijn verbroken, diep geworteld is in de Surinaamse gemeenschap (niet in de Antilliaanse). De Surinaamse gemeenschap is de grootste zwarte gemeenschap in Nederland en daar moet je rekening mee houden. De tweede grond is dat een dag van nationale viering niet het eindpunt, maar nieuw startpunt is om de sociale beweging tegen racisme te versterken. Het gaat namelijk gepaard met enorm veel educatie over koloniale geschiedenis. Daarom is het een goede zaak. Als je het tot een principieel punt in plaats van een taktische, dan kom je al gauw in de problemen. Want hoe reageer je hierop: “Je kan niet oproepen om de petitie voor ‘Maak 1 Juli/Keti Koti een nationale vrije dag’ tekenen en daarbij zwijgen over herstelbetalingen.”

Als je principieel bent, dan kun je niet zwijgen over herstelbetalingen. Als je tactisch bent, dan is het goed mogelijk om te stellen dat het opnemen van herstelbetalingen nu, de basis versmalt om te komen tot een nationale vrije dag en dus tot een bredere maatschappelijk discussie waarin later het onderwerp herstelbetalingen wordt ingebracht.

Laten we nu dieper ingaan op de twee benaderingen van 1 juli.

De dominante koloniale benadering

De koloniale benadering wordt het beste verwoord door de racist Pieter Emmer. Volgens hem hadden zwarte mensen geen notie van vrijheid. Emmer: “There is no indication that either the insurgent slaves or the maroons ever had the intention to abolish slavery and to strive towards general slave emancipation.”[2] Sterker nog, ze wilden helemaal geen afschaffing. Wat wilden ze wel? Zijn antwoord: “The fact that the slaves did not strive to abolish slavery does not indicate that the slaves in the Dutch Caribbean were not interested in more freedom to manage their own time. They wanted time to tend their own gardens, to sell their produce at other plantations or at slave markets, to go fishing and hunting and to own guns, to visit relations at other plantations and to stay away from their plantation from time to time. And in many ways, the slaves had their way.”[3]

Als zwarte mensen slavernij niet wilde afschaffen, waarom is het dan toch gebeurd? Emmer: “Who abolished the slave trade and slavery? For a long time the answer seemed simple: the governments in Europe, and the USA, Cuba and Brazil. The abolition of slavery was a typical feature of Western civilization.”[4] En dit is het leidende verhaal in van historici uit de koloniale stroming: de afschaffing van slavernij was het product van de Europese beschaving die het vrijheidsideaal had ontwikkeld, dat geen enkel andere beschaving heeft ontwikkeld. De helden in het verhaal van de afschaffing zijn witte mensen. Witte historicus Simon Drescher is lyrisch over die heiligen (saints) met William Wilberforce als de ultime Engelse held: “Abolitionism was part of Britain’s unchallenged status as the center of the movement to eliminate slavery from the world…  Symptomatic was the centenary of British colonial slave emancipation, in 1933… The national memory was refreshed by a roll call of the gallant band of Saints led by their English hero.”[5]

In Engeland was er een breder abolitionistische sociale beweging met vele petities en bijeenkomsten die druk uitoefenden op politici. Dat was het bewijs dat de afschaffing het resultaat was van oprechte humanistische gevoelens en niet het gevolg van economische, dus zelfzuchtige, motieven. Zwarte historici hebben als weerwoord: waarom heeft deze beweging dan de daders van de misdaad gecompenseerd in plaats van de slachtoffers? Hoe humanistisch is dat?

Op de vraag “Wat vier je op 1 juli?” is het antwoord vanuit de koloniale stroming: “We vieren een heldendaad van de Europese beschaving: de afschaffing van slavernij.” Voor een anti-racistische sociale beweging is dit een problematisch antwoord, want nu moet je de kolonisator prijzen voor deze daad van beschaving. Dat probleem doet zich niet voor als je een andere datum neemt dan 1 juli, namelijk een datum van het verzet door de totslaafgemaakten zelf, bijvoorbeeld de eerste opstand.

De koloniale benadering van de afschaffing van slavernij bestaat uit twee hoofdpunten:

  1. Slavernij wordt gezien als een systeem met één hoofdkenmerk: de mens als bezit van een ander mens.
  2. Slavernij wordt losgekoppeld van kolonialisme.

Een dekoloniale benadering

Wie viert wat op 1 juli?

De vraag “Wat vieren we op 1 Juli?” begint met de vaststelling dat er twee groepen feest vierden. De eerste groep bestond uit de totslaafgemaakten die vierden dat hun fysieke kettingen die hen tot bezit van de witte mensen maakten waren verbroken. Ze waren niet meer het eigendom van deze mensen. Maar er was een tweede groep die ook feest vierde en met goede redenen. Die bestond uit de eigenaren van de totslaafgemaakten die een flinke financiële compensatie kregen voor het “verlies” van hun bezit. Willemsen: De tegemoetkoming aan de slaveneigenaren kwam in totaal te staan op 11.876.260 gulden, waarvan 9.864.360 gulden voor Suriname en 2.011.900 gulden voor de zes eilanden die de Nederlandse Antillen vormden. Slechts ongeveer een kwart van het bedrag dat aan de slaveneigenaren in Suriname werd uitgekeerd, is in Suriname uitbetaald. Het overige deel ging naar in Nederland wonende eigenaren, van wie velen na ontvangst van de betaling hun onderneming in Suriname sloten.”[6] Willemsen legt het verband uit met de uitbuiting van Indonesië. Want wie draaide op voor de kosten van de afschaffing van de slavernij in het Caraïbisch gebied? Willemsen: “De West-Indische slavenemancipatie werd uit het surplus van de exploitatie van Java (de zogenaamde ‘Indische baten’) gefinancierd.”[7] De enorme winsten uit de uitbuiting van het Indonesische volk hebben de afschaffing in Suriname en de Antillen gefinancierd.

Waarom is de slavernij afgeschaft?

Hierboven is de koloniale analyse van de afschaffing van slavernij uitgelegd: het was het resultaat van de Europese beschaving. In Nederland was er een probleem. Er was geen abolitionistische beweging van betekenis? Waarom is de slavernij dan in de Nederlandse koloniën afgeschaft. Gert Oostindie, die samen met Alex van Stipriaan tot de leiding van de koloniale stroming van historici in Nederland behoort, geeft als antwoord: “Desinteresse!” Oostindie, die uit jaloezie het meesterwerk van Willemsen “gemakzuchtige bladvulling” noemt, heeft hiermee een probleem voor zichzelf geschapen. Humanisme of egoïsme zijn motieven om handelingen te plegen, maar desinteresse is geen motief, maar een state of mind. Ik leg dat in detail uit in mijn kritiek op Oostindie in de essay Decolonizing The Mind.[8] Willemsen heeft de discussie over de redenen voor de afschaffing van de slavernij heel nuchter en wetenschappelijk aangepakt. Hij is gaan kijken welke redenen de beleidsmakers uit die tijd als argumenten hebben gebruikt.

Op 29 november 1853 stelde de regering een commissie onder voorzitterschap van de ex-minister van Koloniën J.C. Baud om te onderzoeken waarom, of en hoe de slavernij zou moeten worden afgeschaft. De voorbereiding voor de daadwerkelijke afschaffing heeft dus tien jaar geduurd. Willemsen geeft het belangrijkste argument van de commissie Baud weer om de slavernij af te schaffen: ‘De emancipatie is […] een maatregel van materiële noodzakelijkheid, zonder welken Suriname onmisbaar te gronde gaat, door het wegsterven zijner landbouwers. Met de emancipatie zal Suriname wel minder opleveren dan thans, maar zal voor algeheele vernietiging behoed blijven. Kortom, voor Suriname schijnt de emancipatie het eenig middel van behoud.’[9]

Hoe was Baud tot dit standpunt gekomen? Hij had op basis van statistieken van het ministerie van Koloniën vastgesteld dat de slavenbevolking sterk terugliep: van 42.272 personen in 1833 tot 34.773 in 1841. Dat was een daling van 18%, wat neerkomt op een jaarlijks gemiddelde van 2¼%. Willemsen licht het motief verder toe: Het zwaarst wegende belang – daarover laat de tekst geen misverstand bestaan – was het behoud van Suriname als exploitatiekolonie voor Nederland. De toelichting stelt dat Suriname als suikerproducerende kolonie in verval verkeerde. De reden daarvoor lag in de krimp van de slavenbevolking. Door het uitzonderlijk lage geboortecijfer en het buitengewoon hoge sterftecijfer van de slavenbevolking was er geen sprake van natuurlijke aanwas. Met name de suikerproductie was (en daar was ook de koloniale overheid zich van bewust) een afmattende, slopende en gevaarlijke bezigheid die door de slavenbevolking werd gehaat omdat ze vele levens eiste. Suriname was, net als de andere plantage economieën in het Caraïbisch gebied, wat dit betreft een abattoir. De plantagebezitters waren dus afhankelijk van een constante import van nieuwe slaven, maar sinds de slavenhandel was afgeschaft kon de populatie niet meer worden aangevuld.”[10]

Hoe werd de slavernij afgeschaft?

Toen de regering zover om over te gaan tot daadwerkelijke afschaffing, formuleerde ze een beleid dat gebaseerd was op drie overwegingen. Willemsen:

  1. De emancipatie moest door de staat geleid worden.
  2. De planters moesten gecompenseerd worden voor hun verlies aan eigendom.
  3. Een nieuw systeem van dwangarbeid moest worden opgezet: contractarbeid.

Een belangrijk principe was: “No emancipation without reparations!” Dit zou een slogan kunnen zijn van de anti-racistische beweging, maar het was een slogan van de koloniale planters die verwoord werd in het rapport van de Commissie Baud: “Geen Emancipatie van staatswege zonder voorafgaande schadeloosstelling aan de slavenhouders.”[11] Dus geen emancipatie van zwarte slachtoffers zonder compensatie van witte daders. De commissie Baud had voorgesteld dat de vrijgemaakten zelf moesten opdraaien “voor de kosten van hun vrijmaking en die zoveel mogelijk terugbetalen aan de staat.” Maar dit bleek niet haalbaar, dus kwam de regering met het voorstel dat de staat dit zou moeten doen uit de winsten van de uitbuiting van Indonesië (die waren geoormerkt in het overheidsbudget als zijnde afkomstig uit Oostindië, de Oostindische baten).

Slavernij kon niet direct worden afgeschaft, betoogde de commissie. Willemsen: Omdat slaven volgens de commissie op een lage trede stonden op de trap van beschaving en zedelijkheid – zelfs diegenen die christen genoemd konden worden, maakten zich schuldig aan ‘veelwijverij en veelmannerij’ – diende de staat, als zij de opheffing van de slavernij beval, dit te doen in het belang van godsdienst, beschaving en welzijn. Aan de geëmancipeerde behoorde voorts de verplichting te worden opgelegd tot arbeid. Dit kon door het meesterschap van de planters te vervangen door het gezag van de staat.”[12]

De beschuldiging van veelwijverij zedelijk verval was komisch gegeven het gedrag van Koning Willem III die verantwoordelijk wordt gehouden voor de afschaffing van de slavernij. De biografen van het koningshuis schrijven: Zo waren er flink wat bastaardkinderen. Zowel Willem I als Willem III gingen vreemd en beiden hadden kinderen bij andere vrouwen. Willem I had vier kinderen met de gouvernante van zijn overleden dochter Paulina… Een affaire van Willem III leidde zelfs bijna tot troonsafstand. Hij had zijn maîtresse zwanger gemaakt en wilde met haar op het platteland gaan wonen… Willem II had een ander ‘probleem’: hij was biseksueel (in die tijd een misdaad) en werd gechanteerd door ene Petrus Janssen. Die beweerde dat de koning hem had aangerand. Als de koning hem zou betalen, zou Janssen niets zeggen over zijn biseksualiteit. De koning zette Janssen in de gevangenis, maar daar ging de chantage gewoon door. Alles bij elkaar betaalde Willem II hem, en mensen om hem heen, jarenlang omgerekend honderdduizenden euro’s.”

De eerste dag van 1 juli

Hoe werd de eerste viering van 1 juli ingericht? Willemsen legt dat in details uit.

Ten eerste de informatievoorziening. De Nederlandse regering misleidde de Afro-bevolking over de afschaffing. De informatievoorziening was ook in het Sranan Tongo. Willemsen: “De koloniale overheid ging bij haar vertalingen echter vrij selectief te werk: van de nieuwe wetten werden niet alle artikelen vertaald. Wij hebben vastgesteld dat wetten en of bepalingen die betrekking hadden op de slaveneigenaren vaak niet werden vertaald, waardoor de vrijgemaakten geen kennis droegen van die bepalingen. Zo werd een van de meest belangrijke bepalingen uit de wet die de opheffing van de slavernij regelt niet aan de vrijgemaakte bevolking bekend gemaakt. Het gaat om artikel 2 van de wet van 8 augustus 1862 houdende de opheffing van de slavernij in de West-Indische koloniën, waarin wordt bepaald dat de slavenhouders in Suriname voor elke nog in leven zijnde slaaf een bedrag van f 300, – als schadeloosstelling zouden krijgen. In de in het Sranan vertaalde tekst van deze wet, werd dit belangrijke artikel weggelaten.”[13]

Ten tweede, de keuze voor de dag van 1 juli. Willemsen: Waarom had de Nederlandse regering de datum van 1 juli 1863 aangewezen als de dag waarop de tot slaaf gemaakten hun vrijheid mochten verkrijgen en niet een ander tijdstip? Volgens de Memorie van Toelichting op de wet tot afschaffing van de slavernij is deze datum niet willekeurig gekozen, maar met het plantersbelang voor ogen. Destijds viel 1 juli in Suriname in de grote regentijd, een periode waarin de productie van suiker twee tot drie maanden bijna geheel stil lag. Dan was er weinig arbeid nodig op de plantages, ‘weshalve alsdan een tijdelijke stilstand van arbeid – zoo als bij de emancipatie aanvankelijk kan worden verwacht – het minst nadeelig zal zijn’. Omdat men dacht dat de vrijgemaakten de eerste tijd zouden willen genieten van hun pas verkregen vrijheid en niet op de plantages zouden willen werken, werd de datum van 1 juli voor de planters het minst nadelig geacht. Een andere verwachting was dat de vrijgemaakten door de vele en zware regens niet zouden gaan ‘rondzwerven’ en daardoor eerder geneigd zouden zijn arbeidsovereenkomsten te sluiten met hun voormalige overheersers. Dit zou volgens de regering orde en rust bevorderen.  Samengevat wilde de regering dat de Emancipatie plaats vond in een periode waarin weinig werk was op de plantages ‘opdat de arbeid zoo min mogelijk moge worden verstoord’.

De orale geschiedenis van Suriname geeft een geheel andere verklaring voor de keuze van 1 juli als emancipatiedag. In de slaventijd was het gebruikelijk om jaarlijks, met nieuwjaar en/of halfjaarlijks, op 1 juli, uitdelingen te houden van kleding en levensmiddelen. Bij deze wettelijk voorgeschreven verstrekkingen kregen de slaafgemaakten vrij en het geheel ging met zang, dans en feestvieren gepaard. Bekend waren de zogenaamde `Nieuwjaarsspelen’, waarbij er volgens de Hernhutter zendelingen “somtijds zes dagen achter elkander gedanst, gezongen, geraasd en gedronken wordt”. Door de vrijmaking te laten samenvallen met een van deze `volksfeesten’ dacht de koloniale overheid twee vliegen in een klap te slaan.”

Ten derde, de voorbereidingen om een eventuele te uitbundige viering van vrijheid die tot een opstand kon leiden gewelddadig de kop in te drukken. Willemsen: “De politiemacht werd gereorganiseerd en met vijftig manschappen versterkt. Er werd een korps marechaussees opgericht met een sterkte van 122 onderofficieren en manschappen dat nog voor 1 juli 1863 op sterkte werd gebracht. Op de avonden van 1 en 2 juli liepen patrouilles van de politie uit voorzorg door de stad. Zij konden echter ongestoord door de lege straten marcheren. De Surinaamse legermacht van ruim achthonderd manschappen werd uitgebreid met een compagnie van tweehonderd mariniers en 144 manschappen bestemd voor het bataljon jagers… Al op 10 februari 1863 arriveerden de tweehonderd mariniers met het fregatschip Landbouw, dat aan boord ook een grote hoeveelheid ammunitie had. De overige manschappen arriveerden in de loop van de maanden daarna vanuit Nederland aan boord van de militaire zeeschepen Cornelis Dirks, Stavoren, Delfzijl en Dommel. De zeemacht werd bovendien versterkt met een korvet met stoomvermogen, vier stoomflottille vaartuigen en een schoener.”[14]

Ten vierde: de kolonisatie van de geest. De nieuwe burgers moeten geestelijk gevormd worden in de tradiei van gehoorzaamheid, onderdanigheid en het ontnemen van zelfrespect. Willemsen: “Vooral de vraag welke familienamen de geëmancipeerden zouden aannemen, stond hoog op de agenda bij de machthebbers. Bij de behandeling in de Staten-Generaal van het wetsontwerp tot opheffing van de slavernij had een afgevaardigde de minister van Koloniën erop geattendeerd dat erop moest worden toegezien dat de slaven niet de geslachtsnamen aannamen van hun oude meesters. Er zou namelijk verwarring kunnen ontstaan, ‘om van zwarte Vondels en andere beroemde personen [maar] te zwijgen’. Om dit probleem op te lossen, stonden de slavenhouders voor de taak om in de laatste maanden voor 1 juli 1863 meer dan 30.000 nieuwe namen te bedenken.20 Anders dan in de Verenigde Staten van Amerika, waar de vrijgemaakten zelf nieuwe namen mochten kiezen, kregen de vrijgemaakten in Suriname hun familienaam van de koloniale overheid of de planters.”[15]

Een andere manier van het koloniseren van de geest was het inzetten van de kerk om een attitude van onderworpenheid te kweken. Willemsen: “Al lang voor de ‘grote dag’ trachtten de zendelingen de gedoopte slaven dus al in spirituele zin voor te bereiden op hun aanstaande vrijheid. Deze spirituele controle, in de Koloniale Verslagen ook wel het ‘gunstig stemmen van de slaven’ genoemd, was vooral het werk van de Moravische Broeders (ook bekend als Hernhutters); in iets mindere mate was het ook het werk van de katholieke missionarissen. Volgens Helman werd het christendom door de Hernhutters (en de katholieken) overgedragen op de slaven met een ‘geloofsleer die de nadruk legde op genade en verlossing, lijden en medelijden. Het leidde tot een “levenskunst” die deemoed, geduld, berusting en onderdanigheid ten opzichte van de machthebbers ten toon spreidde.’”[16]

En tenslotte was daar de ultieme daad van dank. Er werd een lied gecomponeerd “Gi Koning Willem III” (“Voor Koning Willem III) die in alle kerken werd gezongen en waarin de koning wordt geprezen en bedankt voor zijn weldaad.

De ketenen werden niet verbroken maar overgedragen

Mijn dochter Pravini reikte mij dit concept aan: op 1 juli de ketenen werden niet verbroken, maar overgedragen. Zonder de inrichting van een nieuw systeem van dwangarbeid, zou het oude systeem niet afgeschaft kunnen worden. Toen de regering het wetsontwerp in tot opheffing van de slavernij indiende bij het parlement stond deze eis dan ook centraal: “dat de vrijverklaring dient gepaard te gaan van de invoering van nieuwe werkkrachten.”[17] Zonder Aziatische contractarbeid, geen zwarte emancipatie! Dit aspect wordt in de Afro-gemeenschap bij de herdenking en viering van 1 juli volledig over het hoofd gezien. Perez Jong Loi heeft een stap in die richting gezet door erop te wijzen dat 1873 moet worden aangehouden als het jaar van emancipatie, en niet 1863. De periode van staatstoezicht (1863-1873) was een periode van dwangarbeid voor Afro-Surinamers. De gedachte dat de afschaffing van slavernij mogelijk was door de invoering van contractarbeid als een nieuw vorm van dwangarbeid is duidelijk aanwezig bij Anton de Kom. Hij legt het verband uit tussen emancipatie en contractarbeid door de contracten die tijdens het staatstoezicht werden afgesloten “koeliecontracten” te noemen. De Kom: “De heele emancipatie der slaven werd zoo ingericht dat de vrijgelatenen geen andere keus zouden hebben dan het vrijwillig weder opnemen der slavernij die men zoo juist wettelijk afgeschaft had. Terwijl de kolonisten driehonderd gulden per slaaf ontvingen, konden de vrijgelaten slaven zelfs geen rooie cent hun eigendom noemen. Zij waren vrij, doch zonder de middelen om ook maar een enkelen dag voor zich zelf te kunnen zorgen. Zij ontvingen geen land, zooals vroeger de Europeesche kolonisten. Zij ontvingen geen landbouwonderwijs om later op de kostgronden voor zichzelf te kunnen zorgen. Zij kregen geen crediet om zich op gepacht land de gereedschappen te kunnen verschaffen die voor het bewerken van de akkers noodig waren. Het eenige wat zij ontvingen, was de mededeeling dat alle plantageslaven van 15 tot 60 jaar verplicht waren om koeliecontracten [mijn nadruk] te sluiten tot het verrichten van plantagearbeid. Ook zij die in de stad woonden (stadsslaven) moesten contracten sluiten voor het verrichten van huisarbeid. Het loon werd natuurlijk voor, bij en buiten hen om vastgesteld. Zoo zag de ‘vrijheid’ er uit onder het z.g. ‘staatstoezicht’. “[18]

Hij gaat dieper in op het verband tussen emancipatie en contractarbeid: “In 1858 werden op aandringen van een aantal planters, die van oordeel waren, dat immigratie noodig was vóór tot afschaffing der slavernij kon worden overgegaan, door bemiddeling van den Nederlandschen Consul in Macao een 500 Chineesche koelies geronseld… De Chineezen werden volkomen als slaven behandeld. Toen zij hiertegen in verzet kwamen, werden zij zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen, door de politie met rietslagen gestraft, een onwettige handeling die telkens en telkens herhaald is.”[19]

Zonder Aziatische contractarbeid, geen zwarte emancipatie. Contractarbeid was niet alleen vervangende dwangarbeid. Het had ook een ander doel: zorgen dat de lonen van de Afro-Surinamers die gedwongen waren om loonarbeid te verrichten op de plantages om in hun levensonderhoud te voorzien, naar beneden werden gedrukt. Volgens De Kom liet men Aziaten “onder valsche voorspiegelingen, contracten […] teekenen waardoor loon en arbeidsvoorwaarden in Suriname omlaag gedrukt worden.”[20]

Welke ketenen werden verbroken?

In de koloniale benadering is slavernij een systeem met één hoofdkenmerk: de mens als bezit van een ander mens. In de dekoloniale benadering is de trans-Atlantische slavernij een wereldsysteem gebaseerd op vijf kenmerken:

  • Een economisch systeem waarbij Westerse particuliere bedrijven mensen lieten kidnappen om als werkvee en eigendom van die bedrijven te beschouwen (eerst de Inheemse bevolking en later Afrikanen) zodat ze hun leven lang onder dwang gratis arbeid kunnen verrichten. De afschaffing van slavernij verbrak een deel van de economische ketenen: de zwarte mens was geen eigendom. De particuliere bedrijven gingen door met andere vormen van arbeid (dwangarbeid, loonarbeid).
  • Een sociaal systeem waarin sociale verhoudingen op basis van raskenmerken werden georganiseerd. De witte mens was superieur en stond aan de top van de samenleving. De zwarte mens was inferieur en stond aan onderaan. De afschaffing van de slavernij heeft dat niet veranderd.
  • Een politiek systeem waarin de witte kolonisator de zwarte bevolking bestuurde met harde hand. De inzet van leger, politie en veiligheidsdiensten zorgen voor een systematische controle op de bewegingsvrijheid van de zwarte bevolking. De afschaffing van de slavernij heeft dat niet veranderd.
  • Een cultureel systeem waarin de geest van de zwarte mens werd gekoloniseerd en minderwaardigheid en het ontnemen van zelfrespect werd bevorderd. De afschaffing van slavernij heeft niet geleid tot de afschaffing van mental slavery.
  • Een geografische systeem waarin de kolonie een wingewest was om de welvaart van Europa te bevorderen. De uitbuiting van de kolonie was een belangrijke basis voor rijkdom van Nederland. Koloniale historici proberen het tegendeel te bewijzen door te verzwijgen hoe arm Nederland zou zijn geworden als ze honderden jaren lang gewoon een normaal loon had betaald aan de zwarte arbeider. Er is geografisch wel wat veranderd, maar de basisverhouding van het machtige Noorden dat het rijke Zuiden wil beroven van haar natuurlijke hulpbronnen bestaat nog steeds.

Als je pleit voor een nationale viering en herdenking van het verbreken van de ketenen (Keti Koti) moet je de vraag stellen: over welke ketenen praat je?

Aan wie werden de ketenen overgedragen?

Mijn goede vriend Prof. Stephen Small van de University of California Berkeley die samen met mij veel werk verzet op het gebied van slavernijgeschiedenis, zegt: “For every act of oppression, there was act of resistance.” Na de afschaffing slavernij werden economische, sociale, culturele en politieke ketenen overgedragen aan Afro-Surinamers. En zij kwamen in verzet daartegen. Veertig jaar geleden publiceerde ik mijn eerste boek: Van Priary tot en met De Kom – de geschiedenis van het verzet in Suriname 1630-1940.[21] Daarin behandel ik het verzet tegen het kolonialisme in Suriname vanaf het begin van de kolonisatie. Al vrij snel na de afschaffing van slavernij, tijdens het staatstoezicht, begon het verzet van Afro-Surinamers. In 1889 kwamen de zwarte kleine boeren in Para in opstand tegen het koloniaal bewind naar aanleiding hoge belastingen. In 1910 was Suriname in rep en roer toen een groep mensen onder leiding van Frans Killinger werd gearresteerd omdat ze plannen hadden om het koloniaal bewind omver te werpen en een democratische vrije republiek te vestigen. In 1921 lieten de Marrons van zich horen met een drie maanden lange staking van Marron vrachtvaarders die een belangrijk rol speelden in de goudindustrie als transporteurs op de rivieren. In de jaren dertig kwam de arbeidersbeweging op die in 1931 de hongeroproer organiseerde en in 1933 de protesten tegen de arrestatie van Anton de Kom. In 1863 werden de ketenen niet verbroken, maar overgedragen aan nieuwe generaties Afro-Surinamers.

Met de invoer van het systeem van Aziatische contractarbeid, die de noodzakelijke voorwaarde was voor het verbreken van de ketenen van de zwarte bevolking, werden de ketenen overgedragen aan een nieuwe groep Surinamers: Aziaten van China, India en Indonesië. Voor de Tweede Wereldoorlog was er solidariteit onder de onderdrukte geketende bevolkingsgroepen van Suriname. Na de Tweede Wereldoorlog werd met de invoering van het algemeen kiesrecht en de introductie van politieke partijvoering op basis van etniciteit een systeem van verdeel-en-heers doorgevoerd. Tijdens de opstand bij de arrestatie van De Kom in 1933 vielen er twee doden: de Hindostaan Mohabier en de Afro-Guyanees Cyriel Murray.[22] Toen de fysieke ketenen van de Afro-Surinamers op 1 juli 1863 werden verbroken heeft het gekoloniseerde volk van Suriname nieuwe manieren gevonden om de ketenen die overgedragen werd te verbreken in een continu proces van verzet. Wij moeten daaruit lessen trekken over hoe we hun offers gaan herdenken.

Hoe zou je een nationale viering en herdenking kunnen inrichten?

De kolonisator heeft Hindostanen en Afro-Surinamers geleerd om elkaar te haten. Wij moeten onze generatie leren om elkaar lief te hebben. De kolonisator heeft ons geleerd om elkaar als concurrent te zien. Wij moeten onze kinderen leren om elkaar als partners te zien in een strijd om emancipatie en bevrijding. De kolonisator heeft ons geleerd dat de vooruitgang van de ene groep ten koste gaat van de vooruitgang van de andere groep. Wij moeten onze generatie leren dat de vooruitgang van de ene groep een inspiratiebron moet zijn voor de vooruitgang van de andere groep. De kolonisator heeft ons geleerd om neer te kijken op elkaar. Wij moeten onze generatie leren om elkaar met respect te behandelen.

Het wordt tijd dat we onze herdenkingen gaan verbinden met elkaar. Op 1 juli zou het Sarnámihuis als vertegenwoordiger van een online community van Hindostanen in Nederland een boodschap van liefde en solidariteit moeten sturen naar de Afro gemeenschap, ongeacht of die boodschap wel of niet wordt beantwoord, gewoon als principe en niet als onderhandeling. Afro-Surinaamse organisaties zouden moeten leren om op 5 juni zulke boodschappen te sturen naar de Hindostaanse gemeenschap.

Op 5 juni 2023 wordt in de Hindostaanse gemeenschap 150 jaar Hindostaanse immigratie herdacht. Op 1 juli 2023 wordt in de Afro-gemeenschap 160 jaar Keti Koti herdacht. Hoe mooi zou het zijn als in dat jaar een gemeenschappelijke boodschap van Hindostaanse en Afro-Surinaamse organisatie zou worden uitgegeven naar de hele gemeenschap dat de ketenen zijn overgedragen en het een gezamenlijke strijd om die te verbreken. Hoe mooi zou het zijn als op 1 juli 2023 eindelijk een standbeeld van Flora en Sery naast het standbeeld van Tetary bij het presidentieel paleis in Paramaribo zou worden onthuld. Een standbeeld van krachtige vrouwen. Flora en Sery zijn twee dappere Marron vrouwen die weigerden om het kamp van hun gemeenschap te verraden en dat met de dood hebben moeten bekopen. Anton de Kom deed hen een belofte: “Dappere Séry. Dappere Flora. Wij zullen uw namen steeds in eerbied gedenken.”[23] Hoe mooi zou het zijn als we in 2023 zijn belofte konden nakomen met het standbeeld van Flora en Sery naast die van Tetary. De Kom kendehet verhaal van Tetary, maar haar naam niet. Hij schrijft over de opstand op plantage Zorg en Hoop dat in September 1884 … er een groote opstand onder de Indische contractkoelies [viel] te vermelden. Dadelijk werden de troepen opgecommandeerd, de ‘extremisten’ aangevallen en zeven ‘belhamels neergelegd’. Zoo slaagde gouverneur van Heerdt tot Eversberg er in, met bloedig geweld den opstand in korten tijd te dempen.”[24] Het ging om de opstand waar Tetary werd vermoord. Laten we Anton de Kom in 2023 trots laten zijn op de hele Surinaamse gemeenschap door in dat jaar samen op te trekken in de herdenking van het verzet tegen het kolonialisme.

Leeswijzer

Wie meer wil lezen over de discussie over slavernij kan de volgende stukken raadplegen:

  1. Hira, S. (1984): Van Priary tot en met De Kom. De geschiedenis van het verzet in Suriname, 1630-1940. Futile, Rotterdam.
  2. Hira, S. (2009): Decolonizing the mind. Een fundamentele kritiek op het wetenschappelijk kolonialisme. Amrit, Den Haag.
  3. Hira, S. (2014): 20 Questions and Answers on Reparations for Colonialism. Amrit, Den Haag.
  4. Kom, A. de (1934): Wij Slaven van Suriname. Contact, Amsterdam.
  5. Small, S. en Hira, S. (2014): 20 Questions and Answers on 20 Questions and Answers on Dutch Slavery and its Legacy. Amrit, Den Haag.
  6. Willemsen, G. (2006): Dagen van Gejuich en Gejoebel. 1 juli 1863: afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Amrit/Ninsee. Den Haag/Amsterdam 2006.
  7. Website IISR: https://iisr.nl/slavernij/.

 

[1] Willemsen, G. (2006): Dagen van Gejuich en Gejoebel. 1 juli 1863: afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Amrit/Ninsee. Den Haag/Amsterdam 2006.

[2] Emmer, P.C. (2008): Emmer, P.C. (2008): Who abolished slavery?. Resistance and accommodation in the Dutch Caribbean. Paramaribo, p. 15.

[3] Emmer, P.C. (2008), p. 18.

[4] Emmer, P.C. (2008), p. 2.

[5] Drescher, S. (2010): British abolitionism and imperialism. in: Peterson (2010), pp. 129-149. Peterson, D.R.(ed.) (2010): Abolitionism and imperialism in Britain, Africa, and the Atlantic. Cambridge Centre of African Studies Series. Ohio University Press. Athene, p. 130.

[6] Willemsen, G. (2006): p. 139.

[7] Idem, p. 138.

[8] Hira, S. (2009): Decolonizing the mind. Een fundamentele kritiek op het wetenschappelijk kolonialisme. Amrit, Den Haag, p. 30 e.v.

[9] Willemsen, G. (2006): p. 89.

[10] Idem, p. 83-84.

[11] Idem, p. p. 79-80

[12] Idem.

[13] Idem, p. 116-117.

[14] Idem, p. 136-137.

[15] Idem, p. 142-143.

[16] Idem, p. 142.

[17] Idem, p. 89.

[18] Kom, A. de (1934): Wij Slaven van Suriname. Contact, Amsterdam, p. 135-136.

[19] Idem, p. 127-128.

[20] Idem, p. 161.

[21] Hira, S. (1982): Van Priary tot en met De Kom. De geschiedenis van het verzet in Suriname, 1630-1940. Futile, Rotterdam.

[22] Hira (1982), p. 316.

[23] Kom, A. de (1934), p. 74.

[24] Idem, p. 158.

Nederland als slachtoffer en dader van fascisme

Sandew Hira, 1-6-2021

Inleiding

Rishma Khubsing heeft het initiatief genomen om 3 mei te maken tot een dag van nationale herdenking over de Nederlandse koloniale geschiedenis. Op 3 mei worden de slachtoffers van het Nederlands kolonialisme herdacht. Op 4 mei worden Nederlanders als slachtoffer van nazisme herdacht. Nederland als slachtoffer en als dader van fascisme. Hoe ga je daarmee om? Rishma pleit voor dialoog en verzoening. Een goed idee, maar we hebben nog een lange weg te gaan; dat blijkt uit de discussie tussen Piet de Blauw en mij op mijn Facebook pagina over verschillende perspectieven op nazisme en kolonialisme. Hij was jarenlang journalist bij KRO-NCRV.

De discussie begon naar aanleiding van een vraag die ik stelde over de relatie tussen de strijd tegen nazisme en kolonialisme: Hoe kijken we naar mensen van kleur die tijdens de tweede wereldoorlog gevochten hebben tegen de nazi’s en voor hun koloniale onderdrukkers. Moeten we trots zijn op hen of moeten we ons afvragen: hebben ze op de verkeerde mensen geschoten? Hadden ze hun geweren naar de andere kant moeten richten, naar hun koloniale onderdrukkers?

Die discussie is geen theoretische discussie. Zij vond plaats in de verschillende koloniën. In India heeft Subhas Chandra Bose, de oprichter van het Indiase leger, nadrukkelijk de positie gekozen dat Indiërs niet de Britten moesten gaan helpen in hun strijd tegen de Duitse fascisten, maar hun geweren moesten richten op de Britten die hun land hebben gekoloniseerd en India hebben uitgebuit en onderdrukt. De Vietnamezen zagen de Fransen als hun vijand in plaats van Hitler. Dat gold ook voor de Indonesische nationalisten die Nederland als hun vijand zagen en niet de Duitsers die in Europa waren en niet in Indonesië. Toch hebben koloniale mogendheden mensen van kleur weten te mobiliseren om voor hen te vechten tegen de Duitse fascisten. Hoe kijken we naar deze mensen? Die vraag leidde tot de volgende discussie met De Blauw.

Discussie

Piet De Blaauw: Hadden ze beter de kant van de nazi’s kunnen kiezen?

Sandew Hira: De kolonisatoren waren hun nazi’s.

Piet De Blaauw: Kolonisatie was vreselijk, maar mensen werden niet de gaskamers ingestuurd naar mijn weten.

Sandew Hira: Ze werden op andere manieren gedood onthoofding, afgrijselijke martelingen.

Piet De Blaauw: Zeker, er gebeurden vreselijke dingen. Toch is een vergelijking met de nazi’s niet gepast vanwege de Holocaust. Ik ben blij dat mensen van kleur tijdens de oorlog dat ook zo zagen. Die zou je moeten eren ipv achteraf in een kwaad daglicht stellen.

Sandew Hira: Was de holocaust erger dan de Europese slavernij en daarom ongepast om de vergelijking te maken?

Piet De Blaauw: Sandew Hira Een vergelijking is ingewikkeld als je naar de aantallen slachtoffers kijkt. Toch is de industriële vernietiging van de joden inderdaad uniek in zijn soort. Een koloniaal was racistisch, maar niet uit op de vernietiging van de ander.

Sandew Hira: Waarom zou een Indonesiër Nederland helpen bevrijden van de Nazi’s om vervolgens vijf jaar later diezelfde Nederlanders opnieuw hun land komen bezetten en 150.000 vermoorden. Waarom zouden we voor die Indonesier groot respect moeten hebben? Het is toch helemaal niet slim wat hij deed?

Piet De Blaauw: Sandew Hira Ik begrijp heel goed dat de Indonesiërs blij waren dat de Japanners de Nederlanders aanvielen. Mijn punt is dat ze vervolgens van de regen in de drup kwamen omdat ze vervolgens werden onderdrukt door de Japanners die ook op ze neerkeken. Maar voor mij is het een stap te ver om soldaten van kleur af te vallen die streden tegen de nazi’s. Zij hebben een, op dat moment, nog groter kwaad dan het kolonialisme bestreden. Daarna is er gelukkig ook een eind gekomen aan het kolonialisme. In Nederlands Indië na een bloedige strijd, in Suriname in relatieve eensgezindheid. Maar daar weet u veel meer van dan ik.

Sandew Hira: Waarom was Duits nazisme voor Indonesiërs een groter gevaar dan Nederlands fascisme?

Piet De Blaauw: Ik stel een tegenvraag: hoe denkt u dat de wereld eruit had gezien als Hitler had gewonnen?

Sandew Hira: Precies als de wereld onder kolonialisme 500 jaar eruit heeft gezien: genocide, racisme, uitbuiting witte superioriteit net als de Arische superioriteit. Hitler zag het Brits kolonialisme als zijn rolmodel. Hij zei dat wat de Britten met India gedaan wilde hij met oost Europa doen

Piet De Blaauw: Het kolonialisme was racistisch en gewelddadig, maar alleen de nazi’s wilden hele volkeren systematisch vernietigen. Tientallen miljoenen in een paar jaar tijd. Dat u soldaten van kleur afvalt die daar tegen vochten moet u zelf weten, maar ik vind het beschamend. En nu stop ik ermee want dit wordt een herhaling van zetten. Groet

Sandew Hira: Congo – 9 miljoen doden, genocide van 75 miljoen inheemsen in amerika, 300 jaar slavernij 200-400 miljoen levens vernietigd door ze dood te laten werken

Piet De Blaauw: Nogmaals, ik ontken niet dat het kolonialisme vreselijk was. Maar dat betekent niet dat de strijd tegen de nazi’s een foute keus was. Ik ben iedereen die daartegen streed dankbaar.

Sandew Hira: De strijd tegen de nazi’s in Nederland was een goede keuze voor mensen die in Nederland wonen, maar niet een goede keuze voor de mensen wier land door de Nederlanders bezet waren. Hun belangrijkste strijd was niet tegen het nazisme, maar tegen het Nederlandse fascisme die hun land bezetten en hun mensen op een vreselijke manier onderdrukten. Het probleem met Piet is dat hij Nederlanders alleen als slachtoffers van fascisme ziet en niet ook als daders. Want als Nederlander ook daders van fascisme zijn, dan moet je je afvragen: stel je dat een Indonesiër was en weet dat als Nederland nazisme heeft verslagen, ze vijf jaar later 150.000 van je volksgenoten zouden afslachten, zou je dan die Nederlanders willen helpen in de strijd tegen nazisme zodat ze massaslachting konden uitvoeren op jouw volk?

Piet De Blaauw: Sandew Hira Dat zeg ik niet. Ik zie Nederland in Indonesië wel degelijk als dader. Er werden na de oorlog bv door Westerling nazi-methoden gebruikt. De discussie gaat er nu om dat u mensen van kleur de maat neemt die tegen de nazi’s te vechten.

Sandew Hira: En dat verbindt ik met het daderschap van de Nederlanders, wat jij niet doet. Daarom kan ik de vraag stellen die jij niet kan beantwoorden: wat zou je doen met de dader die jouw volk gaat afslachten: hem helpen in een strijd met een andere fascist zodat hij jou kan vermoorden?

Piet De Blaauw: Sandew Hira Dit is een wel heel zwart/wit wereldbeeld. Alsof elke witte die strijdt tegen de nazi’s na gedane arbeid de koloniaal gaat uithangen. Veel mensen die de oorlog hadden meegemaakt waren daarna voor dekolonisatie. Dit gold jammer genoeg niet voor de Nederlandse regering, maar dat betekent niet dat de strijd tegen de nazi’s fout was.

Sandew Hira: De strijd tegen de nazi’s is heel goed. Jullie moeten vechten tegen jullie nazi’s en wij moeten vechten tegen onze nazi’s. Waar we de verbinding moeten leggen is tussen hoe die beide nazi’s met elkaar verbonden zijn. Als je blijft ontkennen dat de strijd tegen het nazisme niet alleen een strijd was tussen goed en fout, maar ook tussen fout en fout, dan kun je die verbinding nooit maken. Mensen van kleur in Nederland moeten in Nederland vechten tegen beide soorten nazi’s zoals Anton de Kom en de communisten dat hebben gedaan. De communisten waren tegen de Nederlandse nazi’s in Indonesie. Mensen van kleur in de kolonieen moeten vechten tegen de nazi in de kolonie en niet naar Europa gaan om de Nederlandse nazi’s te bevrijden. Overigens de herbezetting in Nederland werd breed gesteund door veel partijen in Nederland. Het was geen marginale groep en alleen de regering.

Piet De Blaauw: Sandew Hira Mijn punt is dat de iedereen, wit en zwart, tijdens de oorlog een gezamenlijk doel had: het verslaan van de nazi’s. Na de joden waren er andere bevolkingsgroepen aan de beurt gekomen. En wat was er gebeurd als hij een atoombom had ontwikkeld, wat niet veel scheelde? Dat Nederland zich daarna zelf ook fout gedroeg rechtvaardigde het bestrijden van de koloniale bezetter. Maar rechtvaardigt niet het achteraf veroordelen van mensen van kleur die eerder een rechtvaardige strijd tegen de nazi’s voerden.

Sandew Hira: Iedereen moest een gezamenlijk doel hebben: het verslaan van de Duitse nazi’s. Waarom zeg je niet: iedereen moet een gezamenlijk doel hebben: het bestrijden van de Duitse en de Nederlandse nazi’s. Waarom die eenzijdige beperking tot de Duitse nazi’s? Want als je die beperking niet maakt, dan begrijp je waarom mensen van kleur in de kolonieën moesten blijven om de Nederlandse nazi’s te bestrijden en mensen van kleur die in Nederland wonen met de anti-imperialistische Nederlanders de Duitse nazi’s moeten bestrijden. Overigens, de eerste twee atoombommen werden niet door Duitsers gegooid maar door Amerikanen, jullie bevrijders! De oorlog was praktisch afgelopen en was absoluut geen militaire noodzaak voor die bommen, Het was gewoon een test die uitgevoerd werd bij wijze van proef. Hitler had dit niet eens bedacht.

Wat zou je vinden van Nederlanders die tijdens in de strijd tegen het Duits nazism zouden zeggen: weet je wat we gaan liever naar Indonesië om het Nederlands fascisme te bestrijden dan tegen hier tegen het Duits fascisme vechten? Zou je dat slim of dom hebben gevonden? Die mensen waren er overigens niet of nauwelijks.

Voor wie mijn argumentatie wil volgen, zie deze video van Mandela die zegt: waarom zou jouw vijand mijn vijand moeten zijn: https://www.youtube.com/watch?v=rkcbODygOV8

Piet De Blaauw: Sandew Hira Of de bommen op Japan gerechtvaardigd waren is weer een andere discussie. Ik beperk mij tot de vraag of je soldaten van kleur achteraf mag bekritiseren om hun keuze en u weet wat ik daarvan vind.

Sandew Hira: Als die soldaten van kleur hadden geweten dat niet Hitler, maar Amerika atoombommen zou gooien op een gekleurd volk (ze hebben het niet op Duitsland gegooid) alleen om maar te testen hoe ze werken (Japan was al praktisch verslagen net als Duitsland), zouden ze zich moeten afvragen: heb ik de goede keuze gemaakt.

Piet De Blaauw: Sandew Hira Opnieuw schetst u een vertekend beeld. Weet u wel hoeveel bommen de Amerikanen op de witte Duitsers hebben gegooid?

Sandew Hira: Maar geen atoombom, want dat was toch het ergste bombardement waarvoor u vreesde dat Hitler die zou gebruiken?

Piet De Blaauw: U maakt er een ideologische discussie van door te stellen dat soldaten van kleur zich achteraf waarschijnlijk de vraag zouden stellen of ze de goede keus hadden gemaakt omdat er kernbommen zijn gegooid op een niet gekleurd volk terwijl heel Duitsland is platgegooid door de Amerikanen. Ik ga die atoombommen niet verdedigen, maar ik weet wel dat ik blij ben dat de Amerikanen het als eerste lukte om een atoombom te gooien ipv Hitler. [SH: mijn nadruk] Dan waren er heel wat meer gegooid vermoed ik. En dat ook grote gevolgen gehad voor mensen van kleur.

Sandew Hira: Ik werk met feiten. U werkt met emoties van witte mensen die niet kunnen accepteren dat mensen van kleur een andere visie hebben op fascisme en kolonialisme. Wat moeten de gekleurde bewoners van Hiroshima en Nagasaki denken als ze dit van U, een witte man, lezen: “ik weet wel dat ik blij ben dat de Amerikanen het als eerste lukte om een atoombom te gooien ipv Hitler.”

Piet De Blaauw: U leest niet goed en u weet weinig van Adolf Hitler, ben ik bang. Ik vind het zeker interessant om te lezen hoe mensen met een ander perspectief naar de geschiedenis kijken, maar ik houd niet van populisten. Of ze nu wit of zwart zijn.

Sandew Hira: U weet weinig van kolonialisme, anders had u gezien dat er vele Hitlers waren in de koloniën. Dan had u ook geweten dat iemand die blij is dat Hiroshima en Nagasaki met atoombommen zijn weggevaagd daar wordt gezien als mensen zonder enig moreel besef en schaamtegevoel.

Piet De Blaauw: Sandew Hira U moet echt beter lezen. Gegroet

Sandew Hira: Ik Lees heel goed. Misschien schrijft u slordig.

Tot slot

Deze discussie laat zien dat dialoog en verzoening geen gemakkelijk traject zal zijn. Het stellen van ongemakkelijke vragen leidt in eerste instantie tot zeer verontwaardigde reacties bij witte Nederlanders, zoals dat ook het geval was met de discussie over Zwarte Piet. Nederlanders worden dan vaak heel emotioneel. Mogelijk hebben psychologen als Khubsing technieken voor hoe je zulke emoties kunt opvangen. Discussies over koloniale geschiedenis gaan dan niet over argumenten, maar over emoties.

Noot: In mijn aankomend boek Decolonizing The Mind behandel ik de discussie over nazisme en kolonialisme op internationaal niveau in hoofdstuk 7.

 

Marjolein van Pagee: Banda – de genocide van Jan Pieterszoon Coen

Banda – de genocide van Jan Pieterszoon Coen is de titel van een boeiende historische studie van Marjolein van Pagee (uitgeverij Omniboek, Utrecht 2021). De Hollandse misdadiger Coen wordt in Nederland vereerd als de grondlegger van het Nederlandse koloniale rijk. Van Pagee slaat dit beeld aan diggelen. Ze behandelt de periode in de Indonesische geschiedenis waarin de eilandengroep van Banda een belangrijke rol speelde als een centrum in een internationaal handelsnetwerk in nootmuskaat en foelie. Het telde toen ongeveer 10.000 mensen. In 1599 komen schepen van de Verenigde Oostindische Compagnie die de Bandanezen dwongen om hun handel met andere volken te staken en uitsluitend voor de Nederlanders te produceren. Dat is het begin van de Nederlandse koloniale onderneming.

Van Pagee beschrijft de gruwelijke details van de genocide van Banda. Over Bandanezen die gevangen genomen werden door de VOC meldt ze: “Acht van hen werden apart gezet als ‘de meest schuldigen’ en allereerst levend gevierendeeld alvorens te worden onthoofd. De overige 36 werden direct onthoofd. Het moet een verschrikkelijke bloedbad zijn geweest.” (p. 85). Vandaag noemen we een organisatie dit doet ISIS. Mark Rutte noemt ze ‘visionair’ (p. 25). Het verhaal van Coen en de VOC zegt veel over de Nederlandse identiteit, meent Van Pagee: “Het is een verhaal over de identiteit die Nederland zichzelf heeft aangemeten. Het beeld van een geordend zeevarend land, geworteld in handel, rechtspraak en calvinisme, klein in gebied, maar groot in daden.” (p. 91) De erfenis van dat verhaal vinden we in de manier waarop Coen wordt beschreven in de Nederlandse literatuur. De gruwelijkheden van de genocide in Indonesië wordt weggelaten en zijn daden worden beschreven in termen van ondernemerschap in plaats van een misdaad. Van Pagee: “Niet de Nederlanders, maar de Javanen, Molukkers en Chinezen worden consequent als wreed en gewelddadig neergezet.” P. 153)

Haar boek is een model van hoe je koloniale geschiedenis vanuit een dekoloniaal perspectief zou moeten beschrijven. Ze baseert zich op feiten in plaats van fantasieën. Ze noemt een misdaad een misdaad en verbloemt niet de aard, omvang en wijze waarop de misdaad zich heeft voltrokken. Ze laat de doorwerking van het verleden zien in het heden en hoe dat samenhangt met de vorming van de Nederlandse identiteit. Ik kan die werkwijze van harte aanbevelen.

 

Kolonialisme en de Indiase dans

Wat is de relatie tussen kolonialisme en dans. Poernima Gobardhan is een Hindostaanse danseres getraind in Indiase klassieke dansen. Ze is afgestudeerd als Master Of Arts And Culture in Theatre Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Ze produceert een dansvoorstelling waarin de invloed van de voorouders van Hindostanen op de gemeenscap wordt uitgebeeld. Hiervoor ging ze in gesprek met Sandew Hira over kolonialisatie van de geest en kunst.

Lees hier meer over Poernima.

Volg hier het interview met Poernima. De laatste vijf minuten is het gesprek met Sandew Hira.

Op 5 mei presenteert ze de solovoorstelling My Pitṛs in combinatie met Elly & Me op het India Dans Festival 2021! via een digitale stream. presenteer ik de solovoorstelling My Pitṛs in combinatie met Elly & Me. Een inspirerende double-bill waarin elementen uit Bharata Natyam en de Vedische traditie gebruik om te reflecteren op het fenomeen sterfelijkheid.

My Pitṛs

De solo My Pitṛs (mijn voorouders) stelt het lineaire besef van tijd ter discussie. Ons heden kan niet begrepen worden zonder het verleden. Ook in onze individuele tijdslijn speelt het verleden, de geschiedenis van onze voorouders een beslissende rol. De tijd is circulair waarbij het verleden, het heden en de toekomst met elkaar verbonden zijn. Circulair betekent niets minder dan dat je voorouders verbonden zijn met jouw leven. Op die wijze blijft elk leven behouden in de gedachtes van volgende generaties.

Elly & Me

In 2019 maakte ik Elly & me voor het CaDance Festival, gebaseerd op de roman Eline Vere van de Haagse schrijver Louis Couperus. De solo laat zien hoe ik mij verhoudt tot Eline, vrouw die zich niet wil conformeren aan de verwachtingen van de maatschappij. Het 19de-eeuwse personage toont schrijnend veel overeenkomsten met de vrouw van vandaag. Met de torenhoge paradoxale verwachtingen lijkt het zelfs nog makkelijker jezelf te verliezen in de ellende.

Klik hier voor meer informatie.

Een dekoloniale visie op klimaatverandering

Op 22 en 23 april 2021 heeft president Biden een videoconferentie georganiseerd met wereldleiders over klimaatverandering. De Plurinationale Staat Bolivia organiseerde op 23 april 2021 een alternatieve videoconferentie. Sandew Hira werd gevraagd om een bijdrage te leveren. Zie hier de tekst van zijn bijdrage.

De nieuwe Tweede Kamer: Grote kansen voor de anti-racisme beweging

In 2015 kwam de eerste partij van mensen van kleur in de Tweede Kamer: DENK. Daarvoor waren er wel politici van kleur in de Kamer, maar ze vielen onder een partij discipline van hun witte partijen waardoor ze altijd beperkt waren in de wijze waarop ze de belangen van de gemeenschappen van kleur behartigden. DENK heeft laten zien dat het mogelijk is zonder enige terughoudendheid de confrontatie aan te gaan op het belangrijke podium van het land en zich daarbij niet te beperken tot de Moslimgemeenschap, maar de issues uit de Afro-gemeenschap in hun programma en propaganda mee te nemen.

De splitsing tussen Kuzu en Özturk had desastreus kunnen uitpakken. Het had de partij kunnen breken in twee afzonderlijke organisaties die waarschijnlijk geen van beide in de kamer zouden komen. Farid Azarkhan heeft zich ontplooid tot een fantastische leider die met humor en sarcasme die de kar wist te trekken. Kuzu en Özturk zijn verstandig geweest om het niet tot een splitsing te laten komen. Ik had verwacht dat DENK zou terugvallen naar 2 of 1 zetel. Dat is niet het geval. Ze zijn op 3 gebleven. Ze zijn wel teruggelopen in absolute aantal stemmen van 216.147 in 2017 naar 211.237 in 2021, een terugval met 4.910 stemmen. Dat valt heel erg mee.

Opmerkelijk is het hoge aantal stemmen voor Isaura Carillho (5.839) en Natasha Mohamed-Hoessein (3.826), gemeenteraadslid voor DENK in Rotterdam. Beide komen niet uit de traditionele Turkse en Marokkaanse achterban van DENK. Ze hebben meer stemmen behaald dan Stephan van Baarle (2.449), die op nummer 3 stond van de lijst van DENK en nu in de Tweede Kamer zit. Bij de volgende verkiezingen voor de Tweede Kamer moet DENK minimaal één vrouw hebben bij de eerste drie.

Gegeven alle ellende die DENK heeft meegemaakt (te midden van de altijd aanwezige negatieve media-aandacht) is het toch een mooi resultaat.

BIJ1 heeft het fantastisch gedaan. Bij de vorige verkiezingen heeft ze onder de naam Artikel 1 28.700 stemmen behaald. Dat is bij deze verkiezingen gegroeid naar 87.238 en daarmee behaalde ze een zetel.

Met twee partijen uit de gemeenschappen van kleur is de kans aanwezig dat de media ze tegen elkaar zal willen uitspelen en hun verschillen onder een vergrootglas gaan leggen. Ik hoop dat ze verstandig genoeg zijn om dat te doorzien en een strategie weten te ontwikkelen om samen op te trekken. Dat biedt grote kansen voor de anti-racisme beweging want de interactie tussen sociale bewegingen en anti-racistische partijen in de Tweede Kamer is heel belangrijk.

Wie weet dat over tien jaar ze fuseren tot één partij en over 20 jaar met de linkse partij tot één grote linkse partij.

 

Sandew Hira

 

Webinar over godsdienst en recht met Dr. Geetanjali Srikantan

Dr. Srikantan publiceerde een studie met de titel: Identifying and regulation religion in India. Law, History and the Place of Worship (Cambridge University Press, 2020). Daarin gaat ze in op de manier waarop godsdienst gereguleerd wordt door wetgeving op basis van inzichten uit de post-koloniale theorie en rechtstheorie en rechtsgeschiedenis. Volgens haar heeft India als een seculiere staat problemen met godsdienst vanwege de methodologie en raakwerk die Britse koloniale heersers hebben gebruik om godsdienst te identificeren en te reguleren.

Op zondag 14 maart van 14.00-15.00 uur zal Dr. Srikantan een ZOOM webinar houden over dit onderwerp. De webinar is in het Engels en wordt geleid door Sandew Hira.

Aanmelding geschiedt hier.

 

De discussie over de vertaling van Amanda Gorman: institutioneel racisme in de uitgeverswereld

Sandew Hira
28-2-2021

Amanda Gorman werd wereldberoemd door de voordracht die ze hield tijdens de inauguratie van president Biden. Een jonge zwarte vrouw met grote poëtische talenten heeft een podium gekregen om een natie te inspireren en te begeesteren. Hoe is ze daar terechtgekomen? Die vraag moeten we ons stellen als we de discussie willen voeren over de ophef rond de vertaling van haar gedichten door een witte literator Marieke Lucas Rijneveld.

Nederland telt vele Amanda Gorman’s, jonge zwarte vrouwen met inspirerende poëtische talenten. Hoe komt het dat we hier geen Amanda Gorman’s kennen, zwarte dichteressen die inspireren op nationale podia?

Het antwoord is eenvoudig: door institutioneel racisme. Witte uitgevers zijn gefocust op witte dichteressen. Als ze inclusief waren, als ze een keur aan zwarte talenten hadden gekweekt, dan zouden die zwarte namen gegrift zijn in ons geheugen, niet omdat wit talent wordt weggeduwd, maar omdat zwart talent ook gehoord mag worden.

Janice Deul heeft heel terecht dit punt aan de orde gesteld toen bekend werd dat een witte literator Amanda Gorman zou gaan vertalen. In Amerika heeft de burgerrechtenbeweging decennialang strijd gevoerd om zwart talent te erkennen. Zij hebben steeds aangegeven dat er zwart talent aanwezig is en gebruikt moet worden. Door die strijd is Amanda Gorman op Biden’s podium beland. Als je dat weet, hoe kun je dan tegen dezelfde strijd in Nederland zijn en vinden dat je het besluit van de witte uitgeverij niet mag bekritiseren om zwart talent een podium te onthouden. Uitgeverij Meulenhoff had kunnen kiezen voor een zwarte vertalen, maar heeft dat niet gedaan. Waarom? Als het is omdat ze dat zwart talent niet kennen, dan is de actie duidelijk: leer zwart talent kennen en geef ze een podium. Meulenhof heeft door die kritiek uiteindelijk voor die actie gekozen en dat is alleen maar toe te juichen.

Marieke Lucas Rijneveld had geen flauw idee van de gevoeligheden van de strijd van mensen van kleur en dacht dat dat los stond van taalkundige zaken. Zij (ze is non-binair en wil als “zij” worden aangeduid) zag het verband niet tussen de “rijkdom van taal” van Amanda Gorman en de sociale strijd die daarachter zit. Als ze dat gezien had, dan had ze tegen Meulenhof gezegd: zoek zwart talent dat geworteld is in die strijd. Ik bedank ervoor.

Meulenhof gaf aan dat Rijneveld over kwaliteiten beschikt om het werk te kunnen doen. Uit de reactie van Rijneveld blijkt dat ze NIET over die kwaliteiten beschikt. Ze schrijft: “Wat me interesseert is de rijkdom van taal … waarbij ik het als grootste taak zag om haar kracht, toon en stijl overeind te houden.” Hieruit blijkt dat ze het gedicht niet begrepen heeft. Het gedicht  gaat over meer dan taal en stijl. Het gedicht gaat over sociale strijd. Kijk naar deze regels:

We the successors of a country and a time
where a skinny Black girl
descended from slaves and raised by a single mother
can dream of becoming president

Je moet sociale strijd begrijpen om te zien wat hierachter zit. Want het is een referentie naar de civil rights movement. Als jet puur als taal ziet, dan heb je er niet veel van begrepen en dan ben je niet gekwalificeerd voor de job.

Rijneveld heeft via de harde weg dat verband leren zien tussen kunst en sociale strijd en heeft toen een correct standpunt ingenomen door zich terug te trekken.

In de publieke discussie worden mensen als Janice Deul gepresenteerd as fanatici die een jonge wit meisje niet gunnen dat ze een mooie opdracht uitvoert. Het team van Amanda Gorman ging akkoord met de keuze van Rijneveld, waardoor deze mensen zich gesterkt voelen in hun standpunten. Maar we zouden graag de discussie met dat team willen aangaan over de vroeg hoe Amanda Gorman op het podium van president Biden is beland. En dan zullen ook zij zien dat dat komt door de sociale strijd die gevoerd is en echt niet puur vanwege de rijkdom van de taal.

 

Naschrift

Meriek Lucas Rijneveld heeft een gedicht gemaakt n.a.v. de ophef. Zie https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/marieke-lucas-rijneveld-reageert-op-de-commotie-rond-de-vertaling-met-een-gedicht~bbb769af/

Groot respect voor Marieke Lucas Rijneveld over wat ze geleerd heeft uit de discussie over de vertaling. Petje af voor haar.

Dekosur en de riooljournalistiek van Starnieuws

Sandew Hira
Den Haag 27-2-2021

Onder de kop Kromosoeto, Sandew Hira en € 850.000 publiceerde Starnieuws op 15 februari 2021 een artikel met de suggestie dat ik via stichting Dekosur betrokken zou zijn bij corruptieve handelingen. Het artikel staat bol van onwaarheden en suggestieve moddergooien. Het artikel is ondertekend door de Stichting 8 december 1982 (Sunil Oemrawsingh, voorzitter). Amper 10 dagen later, op 24 februari 2021, publiceert Starnieuws een artikel met de kop DA’91 wil onderzoek naar besteding gelden Dekosur met de mededeling dat voorzitter Angelic del Castilho en partijraadsvoorzitter Sunil Oemrawsingh van DA’91 een brief hebben geschreven aan minister Armand Achaibersing van Financiën & Planning met de vraag om de Centrale Landsaccountantsdienst (CLAD) in te schakelen voor een onderzoek naar de schenking van 850.000 euro.

In de oude vakjournalistiek is er een check op laster en moddergooien. Ivan Cairo, journalist van De Ware Tijd, laat zien hoe die check in de vakjournalistiek werkt. N.a.v. deze berichtgeving stuurt hij mij een app met vragen, die een journalist van Starnieuws ook had kunnen stellen. Hieronder is onze Whatsapp correspondentie van 25 februari 2021.

Cairo: Goedemiddag hr Hira.

DA’91 heeft naar aanleiding van de schenking van SPSB aan Dekosur voor uitvoering van een project over onderzoek en herschrijving vd Surinaamse geschiedenis een verzoek aan de procureur-generaal gedaan onderzoek te doen in hoeverre er mogelijk sprake is van onrechtmatig gebruik/besteding of corrupte aanwending van staatsgelden.

  1. Wat is uw reactie als betrokkene bij voornoemd project over deze actie van de partij?

Ik: Ik ondersteun het initiatief van DA’91. Ieder onderzoek zal laten zien dat ik gratis heb gewerkt voor Dekosur. Ik ben niet meer betrokken bij Dekosur vanwege meningsverschillen met het bestuur.

Cairo: 2. Welke activiteiten heeft Dekosur in het kader van voornoemd project al uitgevoerd?

Ik verwijs hiervoor naar het bestuur van Dekosur. Ik beschik over uitgebreide documentatie van mijn gratis werkzaamheden om de encyclopedie te produceren. Als de PG daarom vraagt zal ik die ter beschikking stellen.

Cairo: 3. Zijn er inmiddels al gelden voor Dekosur overgemaakt door SPSB? Zo ja, hoe groot is dat bedrag?

Ik verwijs hiervoor naar het bestuur van Dekosur. Ik heb geen inzicht in de financiën.

Cairo: 4. Welke activiteiten moeten nog ontplooid worden om het project af te ronden en in welk stadium van gevorderdheid bevindt de uitvoering zich?

Vanwege meningsverschillen met het bestuur ben ik niet meer betrokken bij het project en ben niet op de hoogte van de voortgang.

In de follow-up van de vragen gaat hij door:

Cairo: Wat was trouwens het specifieke  doel m.b.t. tot de SPSB-schenking?

Ik: De Surinaamse Postspaarbank heeft in verband met haar 140 jarig bestaan gemeend om een bijzonder gebaar te maken naar duurzame intellectuele ontwikkeling in Suriname.

Om dit doel te bereiken is op 14 april 2019 met Stichting Dekosur het volgende overeengekomen:

  1. Dekosur zal een team van onderzoekers in het leven roepen om wetenschappelijk onderzoek naar de dekolonisatie in Suriname te leiden;
  2. Dekosur zal een trainingsprogramma opzetten voor het team om het onderzoek uit te voeren;
  3. Dekosur zal publieke lezingen verzorgen over dekolonisatie;
  4. Dekosur is verantwoordelijk voor de eindresultaten van het onderzoek te weten:
  • Een zesdelige encyclopedische uitgave over de moderne geschiedenis van Suriname;
  • Overige publicaties het onderzoek rakende;
  1. Dekosur is verantwoordelijk voor de inhoudelijke opzet van conferenties en workshops die zij zal organiseren;
  2. Dekosur is verantwoordelijk voor het doen ontwikkelen van wetenschappelijke databases.

Cairo: Dus vanuit SPSB is het idee gekomen om een project over de geschiedenis uit te voeren?

Ik: Net als vele andere historici heb ik gepleit voor een herschrijving van de geschiedenis vanuit een dekoloniaal optiek. Ook in het DNA is hiervoor gepleit. Ik heb het project ontwikkeld en ben op zoek gegaan naar financiering en die gevonden bij  SPSB toen ik hoorde dat ze op zoek waren naar een project om te financiering in het kader van 14 0 jaar herdenking. Toen het eenmaal was opgezet bleek dat het tussen het bestuur en mij niet goed liep waardoor de relatie snel stuk liep en ik moest afhaken.

Op basis van dit interview heeft Cairo op 26 februari 2021 een artikel gepubliceerd in zijn dagblad De Ware Tijd met een correcte weergave van de informatie zoals een integere vakjournalist hoort te doen, ook al heeft hij geen enkele sympathie voor mij. De titel van zijn artikel is: Hira verwelkomt onderzoek naar Dekosur-project.

De check op laster en moddergooien die een vakjournalistiek hoort te plegen is volledig weg bij Starnieuws, die maar al te graag haatartikelen tegen mij publiceert. In jaar jonge jaren was Starnieuws hoofdredacteur Nita Ramcharan een toonbeeld van een progressieve vakjournalist. Dat is nu volledig veranderd. Starnieuws is een rechts medium dat haar buitenlands nieuws kopieert uit pro-imperialistische media en haar binnenlands nieuws manipuleert onder het mom van “objectieve” berichtgeving. Mensen uit alle politieke kampen kunnen hun stukken toch kwijt in Starnieuws? Niet helemaal.

De 8 December beweging is een rechtse pro-imperialistische beweging die het leed van de slachtoffers van de 8 Decembermoorden heeft gemonopoliseerd en het leed van honderden andere slachtoffers van politiek geweld systematisch heeft weggedrukt. Ramcharan, die zich gelieerd heeft aan de 8 Decemberbeweging, weet wanneer ze alle partijen aan het woord laat en wanneer niet. Op 1 augustus 2016 publiceerde ik een column in Starnieuws over de deelname van Hugo Essed, advokaat van de Stichting 8 December, aan de Volksmilitie na 8 december 1982 en sprak mijn verontwaardiging uit over zijn gebrek aan moraal. Theo Para en Kanta Adhin reageerden daarop. Ik schreef een column met een weerwoord dat op 8 augustus 2016 geplaatst had moeten worden. Tot mijn verbazing weigerde Nita Ramcharan mijn column met een mail van 7 augustus 2016 waarin ze schrijft: “Ik had gehoopt dat je dit achter je zou laten nadat je zei dat je klaar bent met de groep. Eerlijk gezegd vind ik dit gehaal en getrek niet plezierig. Het is wat mij betreft te persoonlijk nu.”

Hoor en wederhoor in Starnieuws? Voor anderen wel, voor mij niet. Starnieuws is verworden tot een medium waar riooljournalistiek wordt bedreven als het om mijn persoon gaat. Starnieuws is een email postbus waar iedereen zijn of haar laster kan publiceren, waarbij Ramcharan dan hoopt dat de mensen naar wie modder gegooid wordt zullen reageren zodat ze kan zeggen dat ze hoor en wederhoor heeft toegepast, tenminste als ze besluit om het te publiceren. Dat is het kenmerk van riooljournalistiek. Van vakjournalisten verwacht je dat er een check is op laster en moddergooien.

De jonge progressieve vakjournalist Nita Ramcharan is nu veranderd in een verbitterde vrouw die riooljournalistiek bedrijft als het om mijn persoon gaat. Het is niet de eerste keer en het zal ook niet de laatste keer zijn.