Alle berichten van iisrnl

Nederland uit de NAVO: stop alle economische boycot

De achtergronden

Nederland zit net als de rest van Europa in een diepe economische en politieke crisis. Dat is niet de schuld van Rusland. Het is een crisis van eigen makelij. Het begon met de val van de Sovjet Unie in 1990. Dat was het formele einde van de Koude Oorlog. In 1989 beloofd president Bush aan president Gorbachev dat in ruil voor vreedzame hereniging van Oost en West Duitsland de NAVO niet meer zou uitbreiden naar het oosten. Die belofte heeft de VS aan haar laars gelapt.

De militaire alliantie geleid door de Sovjet Uie – het Warsaw pact – was ontbonden. Het zou logisch zijn geweest om die andere militaire alliantie – de NAVO – te ontbinden. Daarmee zou de wereldgemeenschap het pad van vrede en ontwikkeling zijn opgegaan. Zo is het niet gegaan.

De val van de Sovjet Unie leidde tot een euforie: de VS heeft nu de alleenheerschappij van de wereld die militair ondersteund wordt door de NAVO. De wereld dient te dansen naar de pijpen van de VS. In 1999 begon de NAVO uitbreiding naar het Oosten met de toetreding van Hongarije, Polen en Tsjechië in de militaire alliantie. In 2004 volgde de toetreding van Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen, Roemenië, Slowakije, Slovenië en in 2009 van Albanië en Kroatië. Bij elke uitbreiding bouwde de NAVO een militaire infrastructuur die Rusland ging omcirkelen. Het doel van die omcirkeling is een situatie creëren waarin Rusland onder druk kon worden gezet als zij tegen de wensen van de VS zou ingaan en een eigen koers zou gaan varen. Dat gebeurde onder Putin. De val van de Sovjet Unie had geleid tot een diepe economische en politieke crisis in Rusland en een enorme armoede onder grote delen van de bevolking. Putin heeft het tij weten te keren. De economie werd hersteld. De welvaart nam toe. Rusland werd een nieuwe wereldmacht naast China. Rusland wilde graag de banden van de Europese Unie aanhalen. Goedkope Russische olie en gas werd het fundament waarop de Europese welvaart werd gebouwd. Dat was tegen de zin van de VS, die dat zag als een bedreiging van haar alleenheerschappij van de wereld. Vanuit de VS werd een plan in werking gesteld om Rusland te vernietiging door Tsjetsjeense separatisten aan te moedigen om zich Tsjetsjenië van de Russische Federatie af te splitsen. Het leidde tot een bloedige oorlog. De separatisten werden verslagen, maar Rusland heeft een zware economische en humanitaire prijs betaald.

Vervolgens werd in 2014 een pro-Russische regering in Oekraine via een coup ten val gebracht. Djehuti-Ank-Kheru heeft dit proces uitvoerig geanalyseerd. Zie zijn artikelen hier. Een regering met veel Nazi-invloed ging vervolgens wetgeving invoeren die de Russiche bevolking van Oekraïne verbood om haar eigen taal en cultuur te kunnen gebruiken. Die regering ging de regio’s in de Donbas militair aanvallen. Tussen 2014 en 2021 zijn 14.000 mensen in de Donbas regio vermoord, maar het Westen zweeg over deze genocide. De overwegend Russische bevolking van de Krim stemde in 2014 een referendum voor aansluiting bij Rusland.

Toen Zelensky aan de macht kwam, wilde hij Oekraïne lid maken van de NAVO en een militaire campagne starten om de Krim te heroveren, desnoods met nucleaire wapens. Dat is de achtergrond van de Russische invasie van Oekraïne die in Februari van dit jaar begon. Het was bedoeld om een einde te maken aan de genocide in de Donbas, te voorkomen dat er een nucleaire aanval op Rusland zou worden uitgevoerd en te zorgen dan de macht van de Nazi’s werd gebroken.

Toen de oorlog begon in februari 2022 gingen Europa en de VS onmiddellijk over tot algehele mobilisatie: alle militaire faciliteiten werden ter beschikking gesteld van Oekraïne en een strategie van een algehele economische boycot in combinatie met aan grote media-campagne om de geest van hun bevolking te koloniseren werden ingezet om te zorgen dat Rusland deze oorlog zou verliezen. Het heeft averechts gewerkt. Rusland heeft nu de Donbas – 20% van het grondgebied van Oekraïne – geannexeerd. De Russische roebel is sterker dan ooit. De Russische economie heeft de klappen van de economische boycot goed weten op te vangen door de samenwerking met Azië, Afrika en Latijns-Amerika te versterken. Europa en vooral Oekraïne moeten de klappen incasseren. Oekraïne heeft in acht maanden 100.000 mensen verloren en nog een veelvoud is gewond geraakt. Miljoenen Oekraïners zijn hun land ontvlucht. De economische boycot heeft vooral Europa getroffen. Ze heeft zichzelf in de voet geschoten. Goedkope Russische olie en gas wordt met moeite vervangen door dure olie en gas van de VS. De prijzen in de winkel vliegen de pan uit. De prijzen voor elektriciteit treffen particulieren en bedrijven diep in hun portemonnaie.

Hoe verder?

Vroeger was het de linkse beweging (socialisten, anti-imperialisten) die de bevolking tegen oorlog mobiliseerden. Nu is het de linkse beweging die imperialistische oorlogen steunt. In het Nederlandse parlement steunen de linkse partijen – inclusief BIJ1 en DENK – de NAVO politiek in Oekraïne. Deze politiek kan leiden tot een nucleaire oorlog. Het leidt in ieder geval tot een diepe economische crisis die vooral de werkende klasse treft. En toch blijven de linkse partijen de NAVO steunen. Het is tijd dat activisten een duidelijk standpunt innemen in deze oorlog: Nederland uit de NAVO en stop alle economische boycot. Zie een uitgebreide argumentatie voor dit standpunt hier. Als het niet vanuit de top van die partijen komt, dan moet het van de basis komen.

 

Sandew Hira

Den Haag

4-11-2022

Herstelbetalingen: Geen woorden, maar daden

Sandew Hira 2-9-2022

In februari 2022 kondigt Klaas Knot, president van De Nederlandse Bank, bij de presentatie van het rapport van Karwan Fatah-Black over het slavernijverleden van DNB dat de bank een aantal stappen zal ondernemen. Knot: “De eerste stap is openbaren en erkennen. Ik vind het belangrijk dat alle Nederlanders en iedereen in het Caribisch gebied en Suriname kennis kunnen nemen van het onderzoek en onze reactie daarop, omdat we heel duidelijk zien hoezeer het slavernijverleden nog altijd een open wond is en doorwerkt in het heden. We kunnen het aangedane leed niet ongedaan maken. Maar we kunnen als DNB wel proberen bij te dragen aan de verwerking van het leed door deze geschiedenis zichtbaar te maken en de feiten en het leed te erkennen. Dat zien we als DNB-directie als onze blijvende opdracht…. Ten tweede gaan we binnenkort in gesprek met medewerkers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties. In het bijzonder met mensen die geraakt zijn door deze geschiedenis…. Samen gaan we een passende manier uitwerken om invulling te geven aan onze opdracht. Wat we willen is een gebaar maken dat blijvende waarde heeft voor de betrokkenen en de Nederlandse samenleving. We kiezen voor een zorgvuldige aanpak en daar is enige tijd voor nodig. Uit de dialoog moet blijken welke vervolgstappen we nemen, die we dan later in het jaar met u zullen delen.”

In april 2022 komt de ABN AMRO met excuses over haar slavernijverleden. CEO Robert Swaak zegt bij de presentatie van het rapport van Pepijn Brandon c.s. over ABN AMRO: “In de meer dan 300 jaar geschiedenis van ABN AMRO heeft de bank veel om trots op te zijn. We erkennen dat dit verleden ook zijn schaduwkanten heeft. Het huidige ABN AMRO kan deze periode uit haar geschiedenis niet ongedaan maken. We beseffen dat dit onrecht uit het verleden ook na de officiële afschaffing van de slavernij heeft voortgeduurd. ABN AMRO biedt haar excuses aan voor het handelen en de pijn die deze voorgangers in het verleden hebben veroorzaakt.”

Op 1 juli biedt Klaas Knot namens DNB excuses aan. Knot: “Namens De Nederlandsche Bank bied ik vandaag excuses aan. Excuses aan alle nazaten van slaafgemaakten in Nederland, in Suriname, in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, in Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Excuses aan alle mensen die door de persoonlijke keuzes van ook mijn voorgangers herleid werden tot hun huidskleur. Excuses aan alle mensen die vandaag nog steeds de gevolgen hiervan dragen.”

Hij kondigt de volgende stappen aan.

DNB richt een fonds op waarmee ze maatschappelijke projecten zullen financieren – rond educatie, gezondheidszorg, werk, en meer. Projecten in Nederland, in het Caribisch gebied, en in Suriname. Met dit fonds zal over de komende tien jaar vijf miljoen euro verdeeld kunnen worden.

Naast dit fonds draagt DNB – ook voor vijf miljoen euro – eenmalig bij aan enkele grotere projecten, zoals het Nationaal Slavernijmuseum en Kenniscentrum.

De Nederlandsche Bank moet diverser en inclusiever worden via werving en selectie, via stages, via het traineeship en bij promoties.

Het gebouw op het Frederiksplein zal dit in alle openheid een plek krijgen. En dit zal ook steeds een uitnodiging tot gesprek zijn. Daarna is het stil geworden.

En dat is het. Vergelijk dat met de vele miljarden die elders betaald zijn voor het slavernijverleden. Sommige mensen dachten dat dit het begin was van een traject van herstelbetalingen in plaats van het eind. Nu weten we beter. Het was een grote poppenkast. Excuses zijn gebakken lucht met een onaangename geur als woorden niet gepaard gaan met daden.

De auteurs van de rapporten hebben hun Eurocentrisch werk gedaan. Hun opdrachtgevers hebben gekregen waarvoor ze betaald hebben. Zowel Pepijn Brandon als Karwan Fatah-Black zwijgen over de miserabele response op hun rapporten. Maar daar worden ze ook voor betaald.

 

Lezingen Sandew Hira over herstelbetalingen en slavernij en dwangcontractarbeid

Op 1 juli heeft Sandew Hira in het Oosterpark tijdens het Keti Koti Festival in Amsterdam een lezing gehouden over herstelbetalingen. Daarin is hij ingegaan op elf tradities in de strijd tegen racisme en voor herstelbetalingen.

Later op de dag heeft hij een lezing gehouden in Den Haag over slavernij en dwangcontractarbeid. Hij heef de internationale context van beide vormen van dwangarbeid behandeld.

Beide lezingen zijn als volgt te downloaden.

  • Klik hier voor de lezing over herstelbetalingen.
  • Klik hier voor de lezing over slavernij en dwangcontractarbeid.

Karwan Fatah-Black en Pepijn Brandon: Eurocentrisme en herstelbetalingen

Inleiding

Dit jaar zijn twee rapporten uitgekomen die betrekking hebben op slavernij en herstelbetalingen. Pepijn Brandon leidde het onderzoek naar het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO.[1] Hij werd bijgestaan door Gerhard de Kok, Gabrielle LaCroix, Henk Looijesteijn, Brecht Nijman, Daniël Tuik, Patrick van der Geest, Voke Akati-Udi, Britt van Lochem, Matthias Lukkes, Elizabeth Tjalma en Pelle Yntema. Ook werd hij geadviseerd door een wetenschappelijke raad bestaande uit Prof. Dr. Cátia Antunes, Dr. Karwan Fatah-Black, Prof. Dr. Karin Hofmeester, Prof. Dr. Joost Jonker, Nancy Jouwe Ma, drs. Marcel van Kanten, Prof. Em. Dr. Jan Lucassen, Prof. Dr. Leo Lucassen, Prof. Dr. Wayne Modest, Dr. Matthias van Rossum.

Karwan Fatah-Black leidde het onderzoek naar de Nederlandse Bank en de laatste decennia van slavernij 1814-1863.[2] Hij werd bijgestaan door Lauren Lauret, Joris van den Tol, Zipphora Dors, Leonoor Kemperman, Camilla de Koning en Sakina Mouami.

Objectiviteit en onafhankelijkheid

Fatah-Black en Brandon beroepen zich op hun objectiviteit en onafhankelijkheid. Eén ding hebben we in de loop der jaren geleerd. Zodra iemand begint over hoe objectief en onafhankelijk ze zijn (meestal zijn dat witte mensen), dan hoef je verder na te denken om vast te stellen dat ze Eurocentrisch zijn. Met enkele simpele krasjes kun je vrij snel hun Eurocentrische bias zichtbaar maken.

Fatah-Black: “In opdracht van DNB, met medewerking van het archief van DNB, en in volledige onafhankelijkheid hebben wij dit onderzoek ter hand genomen.”[3] Bij de presentatie van het rapport zegt de DNB:“Als DNB-directie beseften we enige tijd geleden dat we een objectief beeld willen hebben van de betrokkenheid van De Nederlandsche Bank bij slavernij. Aanleiding daarvoor was de toenemende aandacht in de wereld voor de strijd tegen racisme en voor het slavernijverleden. Tegelijkertijd kwamen er vanuit onze eigen geledingen stemmen op die hiervoor pleitten. We beseften dat het belangrijk is om dit deel van de geschiedenis van DNB te onderzoeken, als onderdeel van het Nederlandse slavernijverleden.In juni 2020 besloot de directie tot een onafhankelijk extern onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd door de Universiteit Leiden.”[4]

Brandon: “Wetenschappelijke onafhankelijkheid stond voorop in de organisatie van het onderzoek. De invloed van ABN AMRO beperkte zich tot het vaststellen van de randvoorwaarden van dit onderzoek (duur, omvang, vraagstelling). Een paritaire commissie vanuit het IISG en ABN AMRO bewaakte de voortgang van het proces en kwam daarvoor vier keer tijdens de loop van het onderzoek bijeen. Dankzij de bemiddelende rol van deze commissie en de medewerking van het Amsterdams Stadsarchief, het Rotterdams Stadsarchief en de Afdeling Collecties van het IISG kon gezorgd worden dat essentieel archiefmateriaal ook tijdens de periode van lockdown in het voorjaar van 2021 beschikbaar bleef voor de onderzoekers. Vertegenwoordigers van de bank hadden geen enkele zeggenschap over de tekst van dit rapport, die zonder redactionele inmenging vanuit ABN AMRO tot stand is gekomen.”[5]

Wat zit achter deze hang naar de proclamatie van objectiviteit en onafhankelijkheid? Er zijn twee motieven.

In de eerste plaats is het bedoeld om de zwarte perspectieven op dit thema weg te drukken. Iedere student van slavernijgeschiedenis weet dat er twee hoofdstromingen zijn in de geschiedschrijving van de trans-Atlantische slavernij: de witte Eurocentrische perspectieven dat dominant is op de Eurocentrische universiteiten (die niet alleen in Europa en Amerika zitten, maar ook in de gekoloniseerde wereld) en de zwarte perspectieven die vooral vanuit zwarte sociale bewegingen zijn voortgekomen. De verschillen tussen deze perspectieven komen hier uitgebreid aan bod.

Objectiviteit betekent dat de productie van kennis vrij is van waardeoordelen. De geproduceerd kennis is de waarheid. Je kunt niet twee objectieve waarheden hebben die diametraal tegenover elkaar staan. Als jij claimt dat jouw kennisproductie objectief is, dan betekent dat dat degenen die je bekritiseert subjectief is. Diens kennis is niet objectief en dus waardeloos.

In de tweede plaats is het bedoeld om van alle mogelijke beleidsopties die voortvloeien uit kennisproductie de lezer in één richting te duwen. Kennis heeft altijd een beleidsdimensie. En zeker in de discussie over slavernij en herstelbetalingen.

Het wegpellen van Eurocentrisme bij Fatah-Black en Brandon

Het conceptueel kader

In de zwarte perspectieven over slavernij wordt slavernij gepositioneerd in de context van kolonialisme en de opkomst van een Eurocentrische en racistische wereldbeschaving. De zwarte perspectieven treffen we in verschillende tradities, o.a. in de VS met Marcus Garvey en Malcolm X en in het Caribisch gebied met Eric Williams, Walter Rodney, Frantz Fanon, Aimé Césaire en C.L.R. James.

Slavernij en kolonialisme worden geduid als een misdaad tegen de menselijkheid, als een historisch onrecht van mensenrechtenschendingen. Kolonialisme begint met de illegale bezetting van land die behoort tot de gekoloniseerden. Die misdaad heeft een doorwerking tot in de huidige tijd in kennisproductie van de kolonisator (de kolonisatie van de geest via universiteiten) en in de geest van de gekoloniseerden via mental slavery.

Studies over de rol van afzonderlijke entiteiten (ondernemingen, universiteiten, kerkgenootschappen etc.) positioneren deze entiteiten in het kader van dit historisch onrecht en de doorwerking daarvan in het heden.

In de Eurocentrische perspectieven wordt slavernij losgekoppeld van een Eurocentrische en racistische wereldbeschaving. Het vertrekt vanuit de niet-onderbouwde claim van objectiviteit en neutraliteit. Vervolgens wordt het element van de misdaad tegen de menselijkheid en de aard van koloniale bezetting zorgvuldig uit hun verhaal gehouden. Ook wordt de koppeling losgemaakt met de doorwerking naar het verleden, waardoor een misdaad wordt gepresenteerd als iets neutraals uit het verleden.

Dat zie je in de titels van de studies. De studie van Fatah-Black is getiteld: Dienstbaar aan de keten? Als je aan een economisch keten denkt, dan denk je niet aan een misdaad, maar aan hoe een product wordt geproduceerd, gedistribueerd en geconsumeerd. Dat is een andere titel dan “Medeplichtigheid aan een misdaad tegen de menselijkheid“. Ook bij Brandon wordt slavernij niet geduid als een misdaad tegen de menselijkheid. Zijn titel is gewoon: Het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO. Dat is iets anders dan “Historische voorlopers van het misdadig verleden van de ABN AMRO“.

Vervolgens zie je dat in de opzet van de studies. Fatah-Black: “Ons onderzoek richt zich niet alleen op de formele betrokkenheid van DNB bij slavernij, maar ook op de particuliere betrokkenheid van vooraanstaande bestuurders. Bovendien is nagegaan of DNB of betrokken bestuurders een rol speelden in de afschaffing van de slavernij.”[6] De hele studie draait om de vraag: was Jantje of Pietje direct betrokken in de slavernij-economie. Hetzelfde geldt voor Brandon. Zijn onderzoek richt zich op de directe betrokkenheid aan slavernij-gerelateerde activiteiten, niet op het systeem van de misdaad tegen de menselijkheid die gebaseerd was op slavernij en haar effecten had op bedrijfstakken die niet slavernij-gerelateerd zijn. Brandon: ” Het rapport duidt de volgende activiteiten als slavernijgerelateerd: “Eigen deelname, investeringen en financiële dienstverlening … in de plantagesector (eigenaarschap, leningen en obligaties, verzekeringsactiviteiten), de slavenhandel en de handel in door slaafgemaakten geproduceerde goederen, leningen aan, handel met en financiële dienstverlening … gericht op … activiteiten in slavenhandel, slavernij, en de handel in door slaafgemaakten geproduceerde goederen, staatsleningen aan staten waarin slavernij voorkwam en investeringen in handelscompagnieën die participeerden in de slavenhandel.”[7]

De gebrekkige onderzoeksopzet

Een omvangrijke misdaad als de trans-Atlantische slavernij kende tienduizenden betrokken daders met een directe betrokkenheid: de organisatie van de kidnapping, de brute dwang om gratis te werken op plantages, het vermoorden van mensen die in opstand komen etc.. Deze misdadigers worden ondersteund in hun dagelijkse activiteiten door miljoenen mensen en ondernemingen. De bron van hun inkomsten is een misdaad tegen de menselijkheid. De besteding van die inkomsten is vaak niet eens in slavernij-gerelateerde bedrijfstakken: woningbouw, investering in nieuwe bedrijfstakken etc. Eric Williams heeft in zijn studie “Capitalism and slavery” in details uitgewerkt hoe de inkomsten slavernij geleid heeft tot de opkomst van een wereldwijd kapitalistisch systeem met bedrijfstakken die niet slavernij gerelateerd zijn. Karl Marx heeft in Het Kapitaal een heel hoofdstuk (hoofdstuk 33) gewijd aan hoe kolonialisme heeft bijdrage aan de primitieve accumulatie van het kapitalisme. Als je die besteding buiten beschouwing laat, dan haal je deze belangrijke bijdrage van slavernij aan de Europese economie uit beeld: het multiplier effect van bestedingen van inkomsten uit slavernij op de algemene economie. En dat is precies wat Fatah-Black en Brandon doen. Ze hebben niet gekeken naar de besteding van de gelden die verdiend werden door de misdadigers en welke rol de banken hebben gespeeld in die besteding. Ze hebben bijvoorbeeld niet  gekeken naar het ontstaan van nieuwe bedrijfstakken met geld die verdiend is met slavernij en de rol die de banken daarin gespeeld hebben. Daardoor bagatelliseren ze de betekenis van de banken in het hele economische systeem van slavernij. En dat komt hun opdrachtgevers heel goed uit.

Academische vrijheid of intellectuele lafheid?

Fatah-Black en Brandon geven hoog op over hun academische onafhankelijkheid. Niemand moet ze vertellen wat ze moeten doen. Maar hoe zit het met die onafhankelijkheid als het gaat om zagen die je niet mag en moet doen, met name als het gaat om de rol van de hoofdmatador in de Nederlandse misdaad tegen de menselijkheid: Koning Willem I. Beide academici weten wat ze niet mogen doen: ze mogen Willem I niet neerzetten als de motor achter een misdaad tegen de menselijkheid.

In de Nederlandse geschiedschrijving wordt hij zo beschreven: “Hij bepaalt het beleid, neemt besluiten en is verantwoordelijk voor de financiën, en hij benoemt en ontslaat de ministers. Die ministers zijn alleen aan hem verantwoording schuldig en zijn in feite ‘ambtenaren’.”[8] Willem I was niet alleen betrokken bij de misdaad van slavernij. Hij was ook een ordinaire drugsbaron. Hij was de grondlegger en grootaandeelhouder van de Nederlandse Handels Maatschappij (NHM), de belangrijkste voorloper van de ABN-AMRO. Historiek.net beschrijft zijn drugsactiviteiten als volgt: “In 1827 verleende Willem I de NHM het alleenrecht op de invoer van opium, waardoor de winsten flink toenamen.”[9]

Als een zwart man dit doet, dan noemen ze hem een dictator en drugsbaron. Maar het om de witte Willem I gaat, dan heet hij een “verlicht absolutistisch vorst[10]. En vervolgens wordt dan ingegaan op de goede daden die hij voor het land heeft verricht: “De koning heeft het beste voor met het land, zo bevordert hij handel en industrie en zorgt hij voor aanleg van kanalen.”[11]

Nederlandse historici die hoog opgeven van hun akademische vrijheid, weten wat hun grenzen zijn, zo ook Fatah-Black en Brandon.

Fatah-Black: “De oprichting van De Nederlandsche Bank in 1814 maakte onderdeel uit van het beleid van koning Willem I gericht op herstel van de Nederlandse staat na de inlijving bij Frankrijk tussen 1810 en 1813. De oprichting van DNB vond in hetzelfde jaar plaats als waarin Willem I per decreet de Nederlandse trans-Atlantische slavenhandel verbood. Als vorst van het huidige Nederland, België en Luxemburg vond Willem I dat dit nieuwe koninkrijk op het gebied van handel en industrie een land met aanzien moest worden.”[12] Hij wordt laaiend enthousiast over zijn witte vorst: “Hij was niet alleen een ondernemende vorst, maar ook een gedreven ondernemer die het belang zag van een modernisering van de economie.”[13] Het is dezelfde toon die premier Balkenende in 2007 sloeg toen het ging om de VOC, de grootste misdaadsyndicaat van Nederland. Balkenende: “Laten we blij zijn met elkaar! Laten wij optimistisch zijn! Laten we zeggen: Nederland kan het weer! Die VOC-mentaliteit, over grenzen heen kijken, dynamiek! Toch?”

Niks over zijn aandeel in een misdaad tegen de menselijkheid. Sterker nog, Fatah-Black geeft zelf aan dat het verboden terrein is. De uitdrukkelijke missie van het onderzoek was om in kaart te brengen wat de formele betrokkenheid van DNB bij slavernij was, maar ook op de particuliere betrokkenheid van vooraanstaande bestuurders.

Fatah-Black: “Degenen die toch al vroeg investeerden zouden een belangrijke rol spelen in de verdere ontwikkeling van de bank. De zestien grootste aandeelhouders waren de kring waaruit commissarissen werden geloot en ze droegen directieleden voor aan de koning. Ook de koning en de regering waren grote investeerders van het eerste uur, maar we rekenen hen in dit onderzoek niet mee.”[14]

Waarom niet? De belangrijkste persoon uit de groep van zestien (Surinamers hebben een andere connotatie met de term “de groep van zestien”) wordt niet onderzocht en er volgt geen enkele uitleg waarom niet. Dit is geen academische vrijheid. Dit is intellectuele lafheid.

Brandon doet het net iets anders. De belangrijkste voorloper van ABN-AMRO is de Nederlandse Handel-Maatschappij (NHM). De oprichter en grootaandeelhouder is de beruchte Koning Willem I. Brandon schrijft over de reden om de NHM, en daarmee Koning Willem I, uit te sluiten van het onderzoek: “De belangrijkste beperking in dit onderzoek is de keuze voor een concentratie op slavernij, en niet op andere vormen van (koloniale) gedwongen arbeid. Connecties met de NHM en het Cultuurstelsel of de Russische lijfeigenschap zijn in het huidige rapport wel benoemd, maar worden uitsluitend expliciet behandeld in relatie tot slavernij.”[15] Tijdens slavernij was de onderneming als zodanig amper betrokken in eigendom en transacties van slavernij-gerelateerde activiteiten, maar haar grootaandeelhouder zat er diep in. Hij was koning. Hij maakte de wetten die mensen tot slaaf maakten en hen in slavernij hielden. Hij was de oprichter van De Nederlandse Bank en de NHM. Kortom, groter kun je het niet hebben als je op zoek bent als je deze onderzoeksvraag van Brandon wilt beantwoord: “Hoe verhielden vertegenwoordigers van de betrokken financiële instellingen zich tot de debatten over (afschaffing van) de slavernij in de achttiende en de negentiende eeuw.”[16]

Als het om het koningshuis gaat, dan hoef je kennelijk die vraag niet te beantwoorden. Is dit academische vrijheid of intellectuele lafheid?

Het dilemma van de Europese beschaving

In de slavernij literatuur is een kardinaal verschil tussen witte en zwarte perspectieven op hoe je aankijkt tegen de afschaffing van de slavernij. In de zwarte perspectieven wordt de afschaffing niet gezien als het hoogtepunt van de menselijke beschaving, maar een triest dieptepunt van ongeciviliseerd gedrag. Slavernij werd vervangen door andere vormen van dwangarbeid. De illegale bezetting van land ging door. Racisme vierde hoogtij. De misdadiger werd gecompenseerd en daarmee erkenden de witte abolitionisten hun recht op eigendom van zwarte mensen. De slachtoffers kregen geen cent. Witte mensen had op hun knieën moet gaan om zwarte mensen om vergiffenis te vragen foor de honderden jaren aan misdaden die ze tegen hen hebben begaan. Dat zou beschaafd gedrag en niet de poppenkast van koloniale transformatie van de ene vorm van dwangarbeid naar een andere. Deze perspectieven vind je in de zwarte literatuur over slavernij.

In de witte literatuur vind je het perspectief dat Fatah-Black en Brandon presenteren: de afschaffing van slavernij als een hoogtepunt in de westerse beschaving. Brandon: “Zeker in de negentiende eeuw kon slavernij rekenen op brede publieke afkeuring.”[17] De vraag vanuit welk perspectief die afkeuring plaats vond (de witte of zwarte), stelt hij niet ter discussie.

Fatah-Black komt met het hele repertoire uit de witte literatuur: “De Britten beëindigden de trans-Atlantische mensenhandel in 1808 en maakten dit, gesteund door hun dominantie op de wereldzeeën, een belangrijk punt in hun buitenlandse beleid. Zij werden daarbij gedreven door humanitaire (SH: mijn nadruk) en veiligheidsoverwegingen.”[18] Het humanitaire aspect komt terug: “De Britten zagen het sinds hun afschaffing van de slavenhandel in 1808 als taak om andere landen te bewegen tot afschaffing. Dat was zowel uit humanitaire overtuiging als pragmatisme; men wenste de concurrentie van landen die nog wel mensenhandel toestonden in te perken.”[19]

Hij vervolgt: “Na een lange periode van stilte rond het onderwerp leefde plotseling de afschaffingsbeweging in Engeland weer op. De aantrekkingskracht van deze nieuwe beweging was ongekend en vele honderden petities werden getekend die verzochten om onmiddellijke, in plaats van stapsgewijze afschaffing van de slavernij. In de tien jaar die volgden stond de afschaffing hoog op de politieke agenda tot in 1833 het Britse parlement besloot om tot de algehele afschaffing over te gaan.”[20]

Dan komt hij met de abolitionistische beweging in Nederland. Die stelde niks voor. Zelfs de verstokte racist Piet Emmer geeft dat toe: “Abolitie is in Nederland nooit populair geweest bij een seculiere of religieuze beweging, maar was alleen aanwezig bij een klein deel van de elite… Als je al kunt spreken van een hoogtepunt dan zou de Nederlandse abolitionistische beweging haar piekjaren hebben bereikt tussen 1853-1857, toen de Vereniging ter Bevordering van de Afschaffing van Slavernij een ledental had van 670.”[21]

Fatah-Black: “De Nederlandse financiële en handelselite kreeg in de negentiende eeuw te maken met een belangrijke tegenstrijdigheid. Terwijl de eerste stappen richting de afschaffing van de slavernij werden gezet, groeide het economisch belang van de sectoren die gebruik maakten van slavenarbeid. De publieke opinie keerde zich tegen de slavernij, maar de consumptie van slavernijgerelateerde als katoen, indigo, suiker en koffie steeg.”[22]

Hij ziet de tegenstrijdigheid helemaal niet. De publieke opinie keert zich tegen slavernij en gaat juist meer consumeren aan slavernijgerelateerde goederen.

Fatah-Black komt ook met andere argumenten uit de witte literatuur. Zwarte slaven wilden eigenlijk geen vrijheid van dwangarbeid. Ze wilden meer tijd om naar de kerk te gaan en een betere informatievoorziening. Fatah-Black over een opstand in de Nederlandse kolonie Demerary (nu Guyana): “In Demerary brak in augustus 1823 een grote opstand uit die een keerpunt zou betekenen in het Britse debat over de afschaffing van slavernij. De opstandelingen in Demerary hadden zich niet tegen het Britse gezag als zodanig gekeerd, maar hadden alleszins redelijk eisen gesteld. Zo wensten zij op zondag naar de kerk te gaan en ze vroegen om duidelijkheid over het gerucht dat hun vrijlating aanstaande was. Bovendien hadden de gevangengenomen eigenaren en opzichters een brief geschreven waarin ze verklaarden goed behandeld te zijn.”[23]

De bestuurders van de DNB waren over het algemeen voor het behoud van slavernij, aldus Fatah-Black. Hij ging naarstig op zoek naar tenminste één persoon die dat misschien niet was en die vond hij: Cornelis. Hij wijdt maar liefst tien pagina’s aan hoe Mees actief was in de abolitionistische beweging in Nederland, ook al stelde die niet veel voor.

Dan volgt het ultieme argument om de misdaad tegen de menselijkheid te relativeren. Fatah-Black: “Met de hedendaagse maatschappelijke interesse voor historische slavernij doemt onmiddellijk een ingewikkelde vraag op: hoe duiden we de betrokkenheid van DNB bij een slavernij die eeuwenlang had bestaan, maar juist in de eerste decennia van het bestaan van DNB werd beëindigd. Om die vraag te beantwoorden is het nodig om ons te realiseren dat een aantal eenentwintigste-eeuwse denkbeelden over instituten en onderwerpen verschillen met die van de negentiende eeuw: DNB was nog geen centrale bank, slavernij was nog niet bij wet verboden en het staatshoofd was nog niet zoals die nu is. Ook opvattingen over oneigenlijke vormen van belangenverstrengeling verschillen van wat we nu gewend zijn.”[24]

In die tijd dacht men er anders over, en wij moeten niet met de huidige bril ernaar kijken. Hiermee laat hij zijn objectiviteit helemaal varen. Als hij het over de negentiende-eeuwse denkbeeld heeft, dan doelt hij op de denkbeelden van witte mensen. Die beschouwt hij als maatgevend. Wat de zwarte mensen in de negentiende eeuw dachten, boeit hem niet. Hij kent het begrip hypocrisie niet, want zelfs in de negentiende eeuw was de Bijbel het meest gebruikte boek in Nederlandse huishouden. Twee van de tien geboden zeggen dit: “U zult niet stelen” en “U zult niet doodslaan”. Ze kenden die morele denkbeelden, maar handelden daar niet naar vanwege hun hypocrisie.

Herstelbetalingen

Beide consultants (want dat zijn ze in plaats van wetenschappers) weten heel goed wat er speelt in de zwarte gemeenschap. Ze kennen de zwarte literatuur, maar kiezen ervoor de zwarte perspectieven die een kritiek zijn op hun witte Eurocentrische perspectief weg te moffelen.

Brandon: “Het slavernijverleden van overheden, bedrijven en financiële instellingen staat in Nederland en daarbuiten volop in de belangstelling. Gemeenschappen van nazaten van de slaafgemaakten vragen al decennia om erkenning van dit aspect van het verleden. Sinds de herdenking van 150 jaar wettelijke afschaffing van de slavernij in 2013 vertaalt deze roep om een nieuwe omgang met het slavernijverleden zich in een soms hoogoplopend nationaal debat. De wereldwijde Black Lives Matter protesten in 2020, die ook in Nederland veel navolging kregen, brachten dit debat nog verder in een stroomversnelling.”[25]

Fatah-Black: “In 2020 gaf DNB aan dat men zich bewust is ‘van de huidige discussie over het Nederlandse slavernijverleden.'”[26]

Van wetenschappers verwacht je dat ze hun rapport vervolgens in dit kader positioneren en materiaal aandragen voor die maatschappelijke discussie. En wat is het hoofdonderwerp in die maatschappelijke discussie: herstelbetalingen! Onbevreesde wetenschappers die kennisproductie centraal stellen, koppelen hun bevindingen aan de discussie over herstelbetalingen: waarom, hoeveel, hoe? Geen van deze vragen komen aan de orde in de studies, hoewel ze centraal staat in de maatschappelijke discussie over het slavernijverleden.

Hoe stellen de twee heren zich op? De beleidsimplicatie van hun studie is niet: hoe om te gaan met het historisch onrecht van een misdaad tegen de menselijkheid? Ze laten hun pet als wetenschapper door hun pet als consultant. Zoals het slimme consultants betaamt, pleiten ze voor meer onderzoek in plaats van een begin met herstelbetalingen. De waarde voor hun acquisitiebeleid is gestegen, maar de waarde voor de gekoloniseerde gemeenschappen is daardoor nul geworden. We wisten al lang dat het bankwezen een belangrijk onderdeel van de slavernij-economie was. Dat is uitgebreid gepubliceerd in tal van studies, alleen het label DNB of ABN AMRO ontbrak. Dat die labels nu worden toegevoegd is leuk, maar voegt niet veel toe aan de kennis die we hebben.

Wat we willen weten is hoe komt het dat in vergelijkbare gevallen van een  misdaad tegen de menselijkheid (de Joodse Holocaust die vijf jaar duurde) Zwitserse banken in 2000 hebben besloten om US$ 1,3 miljard te betalen aan de slachtoffers[27], en de AMRO AMRO geen cent wil uitgeven en de hoogste vorm van herstelbetaling ziet in het bieden van excuses en het beschikbaar stellen van stage-plaatsen voor nazaten van slavernij. En dat zeggen ze zonder enig schaamte.[28]

Het bieden van excuses zonder herstelbetalingen is gewoon gebakken lucht dat ruikt naar scheten van hypocrisie. Het stinkt en je hebt er niets aan.

 

Sandew Hira

Den Haag

11-6-2022

[1] Brandon, P. (2022): Het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO. Een onderzoek naar Hope & Co en R. Mees & Zoonen. IISG. Amsterdam.

[2] Fatah-Black, K. (2022): Dienstbaar aan de keten?. De Nederlandsche Bank en de laatste decennia van slavernij 1814-1863. Leiden.

[3] Fatah-Black, idem, p. 9.

[4] Spreeklijn persbijeenkomst presentatie onderzoek slavernijverleden DNB.

[5] Brandon, idem p. 16.

[6] Fatah-Black, idem, p. 9.

[7] Brandon, idem p. 10.

[8] Zie https://www.parlement.com/id/vh8lnhrpfxto.

[9] https://historiek.net/nederlandsche-handel-maatschappij-nhm-1824/83034/

[10] https://www.parlement.com/id/vh8lnhrpfxto.

[11] https://www.parlement.com/id/vh8lnhrpfxto.

[12] Fatah-Black, idem, p. 4.

[13] Fatah-Black, idem, p. 19.

[14] Fatah-Black, idem, p. 23.

[15] Brandon, idem p. 16.

[16] Brandon, idem p. 11.

[17] Brandon, idem p. 12.

[18] Fatah-Black, idem, p. 18.

[19] Fatah-Black, idem, p. 20.

[20] Fatah-Black, idem, p. 74.

[21] Emmer, P.: Anti-slavery and the Dutch: abolition without reform, in: Bolt, C. and S. Drescher (eds.) (1980): Anti-Slavery, Religion and Reform. Essays in Memory of Roger Anstey. Wm Dawson and Sons. Folkestone, pp. 80-98.

[22] Fatah-Black, idem, p. 51-52.

[23] Fatah-Black, idem, p. 73.

[24] Fatah-Black, idem, p. 14.

[25] Brandon, idem p. 6.

[26] Fatah-Black, idem, p. 9.

[27] https://www.swissbankclaims.com/Overview.aspx.html.

[28] https://www.abnamro.com/nl/nieuws/abn-amro-maakt-excuses-voor-historische-betrokkenheid-bij-slavernij.

Nazis aan de macht in Oekraïne

Djehuti-Ank-Kheru

De nieuwsbrief van Djehuti-Ank-Kheru bevat interessante analyses over allerlei ontwikkelingen in de wereld. Hier zijn drie artikelen die gaan over Ukraine.

Je kunt je hier abonneren op de nieuwsbrief.

                             Nazis aan de macht in Oekraïne – 8/3/2014

Menig volger van de actualiteit moet zo langzamerhand bekend zijn met het concept CIA-kleurenrevolutie; het omverwerpen van regeringen middels door Anglo-Amerikaanse NGOs opgejutte menigtes. In die geest heeft het Westen de afgelpen jaren liefst 5 miljard gepompt in Oekraïne. Desalniettemin zullen velen nog immer in het duister leven, omdat de Westerse pers de rol van de subversieve acties onder auspiciën van NGOs verzwijgt, waardoor het net lijkt alsof die massale demonstraties organisch zijn ontstaan. Zo wordt er een vals beeld geschapen van vreedzame demonstranten. In werkelijkheid waren die demonstranten nimmer vreedzaam, maar hebben ze vanaf het prille begin gebruikmakend van gemaskerde sluipschutters voor dood en verderf gezorgd. Hoe dan ook, de Westerse pers pinokkioot continu schaamteloos over uit de gratie geraakte leiders die hun eigen volk zouden afschieten op pleinen. Dat is namelijk beproefde propaganda.

De recentelijk gevluchte Oekraïnse president Janoekovitsj is een zeer corrupte meneer, maar hij kwam in 2010 wel degelijk op democratische wijze aan de macht. Dat kon omdat de in 2004 middels een CIA-kleurenrevolutie aan de macht gekomen regering Joesjtsjenko/Timosjenko er een nog grotere puinhoop van gemaakt had dan hij. Het zinde het Anglo-Amerikaanse imperium echter geenszins dat de pro-Westerse regering Joesjtsjenko het veld moest ruimde in 2010, vandaar dat ze een nieuwe kleurenrevolutie op poten zetten om Janoekovitsj wederom pootje te lichten.

Een deel van de demonstranten zal oprecht tegen de stuitende corruptie van Janoekovitsj hebben gedemonstreerd, maar het kloppend hart van de opstand waren toch echt de nazis, die paradeerden met symbolen als de swastika en de zuidelijke vlag (vlag van de slavenenhoudende staten). Antifascistische groepen trachtten ook deel te nemen aan de demonstraties, maar kregen van de door Obama gesteunde nazis toegesnauwd dat anarchisten “zoals joden, Zwarten en communisten moesten optieven”.

De grote fout van Janoekovitsj was dat hij niet hard genoeg tegen ze optrad. Hij liet uit angst ervan beschuldigd te worden zijn eigen volk af te maken ongewapende politieagenten vechten tegen met scherp schietende en molotov cocktails werpende nazis, waardoor vele dienders op dramatische wijze stierven (evenzeer zijn vele demonstranten vermoord door nazi sluipschutters). Toen Janoekovitsj ook nog eens vergaande concessies ging doen aan de nazis was de maat voor de politie vol, en weigerden ze nog langer Janoekovitsj’s orders op te volgen, waardoor de president geen andere keuze had dan te vluchten.

Eerder faciliteerde de “zoon van Afrika” de genocide op tienduizenden Zwarte Afrikanen in Libië. Nu zagen we dat diezelfde Zwarte Amerikaanse president een nazi- regering aan de macht hielp, nota bene in strijd met de Oekraïnse grondwet. Deze onwettige regering gaf niet slechts de nazis op straat onmiddellijk pardon, maar ging zelfs zover dat geteisem de status van helden toe te dichten. Wat vooral verontrustend is is dat de ronduit nazistische politieke partij Svobodasleutelposities heeft gekregen in de nieuwe, onwettige Oekraïnse regering: een partij waarvan de leiders luidkeels uitschreeuwen dat nazis als Stephan Bandera en John Demjanjuk helden zijn en met trots niemand minder dan Joseph Goebbels veelvuldig citeren tijdens debatten in het parlement.

Eenmaal aan de macht deed de nazi-regering van Oekraïne niets om hun versies van de SA en de SD in bedwang te houden. Hun straatvechters werd geen strobreed in de weg gelegd toen ze door bleven gaan met het bezetten van gebouwen, gijzelen van bestuurders en het vermoorden van burgers. Ook werd er sieg heil scanderend een monument voor de Oekraïners die in de tweede wereldoorlog hun leven hebben gegeven in de strijd tegen de nazis vernietigd. Bovenal liet de onwettige regering reeds op 23 februari weten dat iedereen die gebruik maakte van de Russische taal zijn burgerrechten zou verliezen.

Toen die nazis probeerden om het kunstje dat ze in Kiev hadden geflikt te herhalen in de Krim was de maat vol voor de Russen. Zij kunnen het zich als grote mogendheid simpelweg niet veroorloven om hun enige diepzeehaven aan de Zwarte Zee te verliezen, dus stuurden zij nieuwe militairen naar de Krim. Let op, volgens een verdrag gesloten met Oekraïne mag Rusland zoveel als 25.000 troepen hebben in de Krim. Deze informatie is heel belangrijk, want het plaatst de hype in de Westerse media dat Poetin 16.000 troepen naar de Krim zou sturen in een heel ander licht: er was dus geen sprake van een invasie, maar hij deed gewoon wat hij mocht doen volgens een verdrag dat Oekraïne jaarlijks vele miljoenen oplevert. Bovendien was het de regering van de autonome republiek van de Krim (waarvan de helft van de bevolking Russisch is) die Rusland om hulp vroeg nadat de onwettige regering te Kiev verklaard had de burgerrechten te gaan vertrappen van iedereen die Russisch spreekt.

Gezien de illegale oorlog die Obama in Libië heeft gevoerd, wat tot genocide en de balkanisering van een bloeiend Afrikaans land leidde, is het erg opmerkelijk dat uitgerekend hij andere mogendheden ervan beticht het internationale recht te schenden. Over the wrong side of history gesproken, wat moet er van gedacht worden dat nota bene een Zwarte president een onvalste nazi-regering in het zadel heeft geholpen? Wat te denken van de rol van Nederland in deze, dat om het hardst roept om sancties? In Nederland worden 4 en 5 mei hoog in het vaandel gehouden, dus hoe rijmt dat met de steun die pers, politiek en publiek aan die nazis te Kiev geven?

 

Nazi’s aan de macht in Oekraïne (2) – 26/3/2022

Volodymyr Zelensky werd op 20 mei 2019 ingezworen als president van Oekraïne. Hij wist de verkiezingen te winnen zonder een duidelijk programma. Hij legde er vooral de nadruk op te beloven de corruptie te bestrijden en bruggen te bouwen tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Dit bleek voldoende te zijn om maar liefst 73% van de stemmen te bemachtigen in de tweede ronde. Maar die populariteit hield niet lang stand aangezien twee jaar later nog slechts 25% van de bevolking Zelensky steunde: men was zeer ontevreden over het coronabeleid, de economie en de bestrijding van corruptie. Zeker nadat uit de Pandora Papers bleek dat zelfverklaard corruptiebestrijder Zelensky zelf corrupt was.

Voor de duidelijkheid, president Zelensky is van Joodse afkomst en zelf geen ideologische nazi. Daar heeft de Westerse pers gelijk in. Maar dat gegeven wil absoluut niet zeggen dat er niets merkwaardigs aan de hand is in Oekraïne. President Zelensky himself kan daarover meepraten!

Zelensky trachtte in het begin van zijn presidentschap het fascistische Azovbataljon tot rede te brengen en zover te krijgen de vrede te respecteren. Want in strijd met de in 2014 en 2015 gesloten Minsk-akkoorden bleef het Azovbataljon de twee Russischsprekende republieken in de Donbas aanvallen. Het Azovbataljon beschouwde de Minsk-akkoorden, waarin de Donbas een status aparte werd toegekend binnen de Oekraïense staat, als verraad. Waaruit volgde dat ze zich er niets van aantrokken. In die geest ving het Azovbataljon de nee tegen capitulatie campagne aan. Ze gingen dus onverdroten door met het bombarderen en martelen van de bewoners van de Donbas. Aldus gaf Zelensky acte de presence te Zolote om de nazi’s van het Azovbataljon te bewegen om hun wapens neer te leggen. Maar het Azovbataljon toonde geen enkel respect voor de president en bedreigde hem met de dood.

Het Azovbataljon is echt een hele machtige organisatie in Oekraïne. Het is niet slechts officieel onderdeel van het Oekraïense leger, het is tevens het sterkste onderdeel van het Oekraïense leger. Het kan dus gewoon op eigen houtje verdragen die de regering van Oekraïne heeft getekend glashard negeren en desnoods de president met de dood bedreigen en er mee wegkomen. Bovendien, het Azovbataljon is niet slechts geïntegreerd in het leger, maar eveneens in de politie. De burgerwacht van Azov opereert in het hele land naast de reguliere politie.

Het contradictoire aan het Azovbataljon is dat het gefinancierd wordt door de Joodse oligarch Igor Kolomoisky. Net zoals Kolomoisky in de buidel heeft getast voor de verkiezingscampagne van Zelensky. Ondanks dat Andriy Biletsky (voormalig leider van het Azovbataljon) gezegd heeft dat het doel van het Azovbataljon is “de witte rassen van de wereld leiden in een beslissende kruistocht…tegen door Semieten geleide untermenschen”. Desalniettemin, hoe wrang het ook moge klinken, de relatie tussen Kolomoisky en het Azovbataljon is zeker niet uniek. Want de relatie tussen Joden en fascisten is immer complex geweest.

Het onwetende Westerse publiek denkt dat de oorlog pas begon op 24 februari 2022 en dat nazi’s onmogelijk macht kunnen hebben in Oekraïne omdat de president van het land Joods is. Helaas zit de wereld niet zo simpel in elkaar. Niets is minder waar. Op 22 juli 2021 tekende Zelensky de wet van de inheemse volkeren, de eerste rassenwet in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. Deze wet beschermt namelijk slechts de mensen -en burgerrechten van Oekraïners van (vermeende) Scandinavische en proto-Germaanse oorsprong, maar sluit mensen met een Slavische achtergrond uit. Bovendien vermijdde de Joodse president Zelensky verdere confrontatie met het Azovbataljon en papte zelfs met ze aan. Op 2 november 2021 werd Dmitro Yarosh (de leider van het Azovbataljon) benoemd tot adviseur van de opperbevelhebber van het Oekraïense leger.

Resumerend, Oekraïne heeft een Joodse president. In de praktijk komt dat de Westerse media goed uit omdat hij als dekmantel wordt gebruikt om te verhullen wat er daadwerkelijk speelt in het grensland. Opmerkelijk is dat Zelensky momenteel de grootst mogelijke mond durft op te zetten tegen Poetin, tegen Biden (no fly zone!), en NAVO, maar voor het Azovbataljon is hij doodsbang. Er zijn akkoorden in Minsk getekend door meerdere partijen, maar de Oekraïense regering hield zich niet aan de akkoorden. Zelensky wilde aanvankelijke wel, maar durfde uiteindelijk het Azovbataljon niet aan te pakken. Dus niet de democratisch gekozen regering van Oekraïne bepaalt wat er in het land gebeurt, maar het fascistische Azovbataljon.

Het is voor Rusland levensgevaarlijk als een land waar nazi’s de dienst uitmaken lid wordt van de NAVO en kernwapens krijgt op het grondgebied. Het Westerse publiek wordt wijsgemaakt dat het raar is dat Rusland geen (nazi)staat als buur wil dat NAVO-lid is. Maar wellicht kan alles opgelost worden met de volgende deal: de VS mag op Rusland gerichte kernraketten plaatsen in Polen, Roemenië en Oekraïne, maar dan mag Rusland op zijn beurt op de VS gerichte kernraketten plaatsen in Mexico, Venezuela en op Cuba. Doch wellicht was het nog beter geweest als Zelensky net zo dapper was geweest tegen het Azovbataljon als hij momenteel is tegen Poetin en Biden.

De Westerse pers rept nauwelijks een woord over de enorme greep die nazi’s hebben op de Oekraïense staat, met het gevolg dat het publiek denkt dat ʽZwitserlandʼ zo maar is binnengevallen. Tegelijkertijd zeggen Westerse politici Oekraïne meer en meer wapens toe. Nederland incluis. Nederland steunt nazi’s maar gaat tegelijkertijd op 4 mei aanstaande gewoon met droge ogen plechtig de doden herdenken…

 

De oorlog in Oekraïne (3) 2/4/2022

Het Oekraïense leger had bij aanvang van de oorlog met Rusland 255.000 beroepssoldaten en 900.000 reservisten, hetgeen inhoudt dat Oekraïne het omvangrijkste leger van Europa had (Rusland niet meegerekend). Daarnaast heeft de VS Oekraïne de afgelopen jaren voor $2,5 miljard aan wapens geschonken en hebben de VS, Canada en het VK 55.000 Oekraïense troepen getraind (inclusief het fascistische Azovbataljon). Dit alles ter voorbereiding op een grootschalige oorlog met Rusland. Of met andere woorden, het Oekraïense leger is veel minder Calimero dan wat de pers suggereert. Oekraïne bereidde zich al acht jaar met haar Westerse bondgenoten voor op een grootschalige oorlog met Rusland. Waarbij het Westen als bedoeling had om Rusland in dezelfde val te lokken als de Sovjet-Unie in 1979, toen het in Afghanistan verstrikt geraakte.

Het Russische invasieleger bestaat daarentegen uit slechts zo’n 200.000 soldaten. Men zou kunnen zeggen dat gezien de enorme overmacht aan soldaten, de miljarden aan wapens die het al jaren ontvangt en de uitgebreide trainingen door Westerse instructeurs, Oekraïne klaar had moeten zijn op 24 februari jongstleden. In ieder geval om een stevige vuist te kunnen maken tegen het relatief kleine Russische invasieleger. Maar dat blijkt dus geenszins het geval, want Rusland komt steeds dichter bij het behalen van zijn gestelde doelen. De gigantische hoeveelheid wapens die het Westen naar Oekraïne heeft gestuurd (en blijft sturen) ten spijt.

Rusland stelde als militaire doelstellingen het bevrijden van de Donbas en demilitarisering en denazificering van Oekraïne. Maar waarom willen de Russen de Donbas bevrijden en hoe dachten de Russen dat te doen? Het land Oekraïne ervaart nu ruim een maand, maar de bewoners van de Russischsprekende Donbas ervaren reeds acht jaar hoe erg oorlog is. Zoveel jaren worden ze reeds bestookt met projectielen afgevuurd door het fascistische Azovbataljon. Als gevolg hiervan hebben zo’n 14.000 mensen het leven moeten laten en zijn zo’n 2,6 miljoen mensen naar Rusland gevlucht. Er zijn vredesakkoorden gesloten in 2014 en 2015 te Minsk, waarvoor Duitsland en Frankrijk zich garant hebben gesteld. Maar in de praktijk heeft Oekraïne zich nimmer aan die akkoorden gehouden, noch hebben Duitsland en Frankrijk Oekraïne op de vingers getikt voor het schenden van die akkoorden. Naast dat Rusland beslist niet wilde dat Oekraïne zich aansloot bij de NAVO, wilde het een einde maken aan deze oorlog in Oost-Oekraïne waarin nazi’s vanaf het begin een voortrekkersrol vervullen. De retorische vraag is waarom de Westerse pers verzuimt deze kant van het verhaal te belichten.

Hoe kwam Rusland ertoe om militaire doelen in gans Oekraïne te vernietigen? De Russen bedachten dat het geen zin had om slechts de Donbas te bevrijden omdat de nazi’s eindeloos van wapens voorzien zouden worden vanuit het Westen en door het Westen: de frontlinie zou slechts een stukje westwaarts verplaatst worden. De enige manier om die oorlog in de Donbas te stoppen was dus om het Oekraïense militaire apparaat te vernietigen en in het bijzonder de fascistische, door het Westen getrainde en bewapende bataljons zoals Azov. Te meer omdat die fascisten het neusje van de zalm van het Oekraïense leger vormen.

Generaal Kronasjenkov heeft inmiddels uitgelegd dat in tegenstelling tot wat alle commentatoren op de Westerse tv denken Rusland Oekraïne niet wil veroveren. Westerse commentatoren zijn zeer verbaasd dat het Russische leger na een paar dagen niet verder oprukte en debiteren dat dat de grote verdienste is van het dappere Oekraïense leger. Tevens wordt er wild gespeculeerd over ernstige logistieke problemen en astronomische militaire verliezen aan Russische zijde. Hoe groot de Russische militaire verliezen precies zijn weten we niet. De kans is niet ondenkbeeldig dat zowel Oekraïne als Rusland daarover liegen. Wel heeft een Russische officier aangegeven dat de javelins (antitankwapens) aanvankelijk inderdaad veel schade toe berokkenden maar dat de Russen nu een formule hebben uitgedokterd om die schade te beperken.

In de Westerse media is er veel te doen geweest over het gigantische konvooi dat uiteindelijk nabij Kiev werd gestationeerd. Waarom bestormden ze hoofdstad Kiev niet? Generaal Kronasjenkov heeft inmiddels uitgelegd dat die troepen daar niet zijn om Kiev in te nemen maar om het talrijke Oekraïense leger vast te pinnen. Zoals gezegd is één van de hoofddoelen van de Russen de Donbas te bevrijden. Door Kiev rechtstreeks te bedreigen kan Oekraïne geen versterkingen naar de Donbas sturen, want hoofdstad Kiev moet sowieso zo goed mogelijk verdedigd worden. Zodoende kunnen de Russen de Donbas bevrijden van de nazi’s zonder dat ze bevreesd hoeven te zijn dat de hoofdmacht van het Oekraïense leger vanuit het oosten versterkingen krijgt. Dus hetgeen Westerse commentatoren uitlegden als klungeligheid was in werkelijkheid een briljante manoeuvre.

Volgens militair expert en voormalig CIA-agent Larry C. Johnson had Rusland Oekraïne eigenlijk al in de eerste 24 uur verslagen: Oekraïne verdedigt zich nog wel, maar kan sindsdien niet meer serieus terugslaan. Verder wees hij erop dat het Westen zich doodgeschrokken is van de hypersonische precisie-raketten die Rusland heeft ingezet, omdat ze te snel zijn om te worden onderschept en het Westen zulke raketten niet bezit.

De Russen staan bovendien op het punt om Marioepol in te nemen, belangrijkste bolwerk van het fascistische Azovbataljon. Wetende hoe ongelofelijk veel moeite het de Amerikanen het in 2004 gekost heeft om de Iraakse stad Falluja in te nemen, kan gesteld worden dat de Russen relatief eenvoudig Marioepol weten te veroveren, en daarmee naast de demilitarisering tevens de denazificering van Oekraïne vordert.

Extreem geweld mag niet, maar normaal geweld is OK

Wetenschap en ideologie

Vandaag, 17 februari 2022, is weer zo een dag waarop Nederland met horten en stoten haar misdaden tegen de menselijkheid probeert te verwerken. Dan presenteren het (Koloniaal) Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies de resultaten van de door de Nederlandse overheid gefinancierde studie (€ 4,1 miljoen subsidie) naar extreem geweld tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië. De kern van hun boodschap is vervat in een interview met onderzoeksleider Prof. Gert Oostindie: “Nederlandse militairen, rechters en politici tolereerden en verzwegen collectief het stelselmatig gebruik van extreem geweld tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië. Historici tonen aan hoe dat kon gebeuren. ‘Het was schandaalmanagement in plaats van preventie’.”

Het onderzoek wordt gepresenteerd als een wetenschappelijk onderzoek, omdat wetenschappers van universiteiten en onderzoeksinstituten het onderzoek hebben gedaan. Maar het is een ideologisch onderzoek – zoals ik zal aantonen – met als doel om het Nederlandse volk te leren accepteren dat Nederland een beetje fout was in de koloniale geschiedenis. Het doel is niet om de waarheid over kolonialisme te ontdekken. Het verschil tussen ideologen en wetenschappers is dat wetenschappers proberen om objectief de waarheid te onderzoek met alle problemen die vastzitten aan “objectiviteit” en ideologen heel bewust een politiek doel nastreven en een verhaallijn creëren ten behoeve van dit doel. Je hebt niet een wetenschapper omdat je een professor bent. Een professor kan een ideoloog van het kolonialisme zijn. Je hebt een wetenschapper omdat je onderzoek gebaseerd is op een vraagstelling die niet ideologisch bepaald is.

Remy Limpach

Het onderzoek van de drie instituten is voortgekomen uit de dissertatie van Remy Limpach van het NIMH (Limpach, R. (2016): De brandende kampongs van Generaal Spoor. Boom. Amsterdam). Hij heeft daarin de theoretische basis gelegd voor dit onderzoek. Limpach definieert extreem geweld als volgt: “‘Massageweld’ en ‘extreem geweld’ zijn in dit boek gedefinieerd als gebruik van fysiek geweld dat overwegend buiten directe reguliere gevechtssituaties  werd toegepast tegen non-combattanten (burgers) en tegen combattanten (militairen of strijders) die na hun gevangenneming of overgave werden ontwapend. Dit extreme geweld vond doorgaans plaats zonder directe militaire noodzaak of zonder duidelijk afgebakend militair doel.” (Limpach, R. (2016), p. 45).

Wat zijn reguliere gevechtssituaties? Tja, dat is heel breed. In de onafhankelijkheidsoorlog van Indonesië is een bombardement tegen een dorp waarin guerrillastrijders verschanst zitten regulier geweld. Alle gevechtshandelingen om een land te bezetten zijn reguliere gevechtshandelingen. Het geweld dat normaal gebruikt wordt om kolonialisme in stand te houden (bezetting) staat niet ter discussie.

In een wetenschappelijke benadering van extreem geweld zou je normaal geweld afzetten tegen extreem geweld. Je zou normaal en extreem geweld definiëren. In een ideologische benadering van extreem geweld praat je niet over normaal geweld. In een wetenschappelijke benadering stel je de vraag: wat was normaal geweld? Het ideologische doel van het concept van extreem geweld is om kolonialisme te presenteren als een normaal verschijnsel. In de activistische golf die Nederland nu meemaakt over dekolonisatie staat kolonialisme als instituut ter discussie. Door alles te concentreren op extreem geweld, verschuif je de focus van het ter discussie stellen van het instituut van kolonialisme naar iets dat iedereen wel kan accepteren: extreem geweld is niet goed. En impliciet volgt dan: maar kolonialisme was OK en dus normaal geweld ook.

Om normaal geweld te legitimeren hanteren de ideologen va het Hollands kolonialisme twee trucjes.

De eerste truc is het gebruik van het concept van “waar twee mensen vechten, zijn beide fout”. De behandeling van de bersiap periode waarbij Indonesische revolutionaire collaborateurs van de kolonisator aanvielen, is een voorbeeld van deze truc. Limpach: “Na aanvankelijke militaire schermutselingen en kleinere en grotere militaire acties monden de gevechten in de uitgestrekste archipel uit in een verbeten guerrillaoorlog, die aan beide kanten structureel met extreem geweld gepaard ging.” (Limpach, R. (2016), p. 18).

Hij wijdt uit: “Tevens behandel ik extreme Indonesisch geweld en bespreek ik groepen, daders en slachtoffers van andere etnische groepen, zoals het Nederlands en Indonesische gebruik van geweld tegen de grote Chinese minderheid in de archipel.” (Limpach, R. (2016), p. 38).

In de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog is deze truc nooit gebruikt: waar twee mensen vechten, zijn beide fout. Nazisme wordt gezien als een historische misdaad tegen de menselijkheid. Kolonialisme niet. De reden hiervoor is racisme. Nazisme was een misdaad van Europeanen tegen Europeanen. De Nazi’s hebben verloren, dus belanden ze op de vuilnisbelt van de geschiedenis. De koloniale mogendheden hebben gewonnen, dus proberen ze te verhinderen dat zij op de vuilnisbelt van de geschiedenis belanden. Hun ideologen hebben tot taak om dat met “wetenschappelijk” onderzoek te promoten. Deze truc hoort daarbij.

De tweede truc is het maken van een onderscheid tussen goede kolonialen en slecht kolonialen. De slechte kolonialen zijn de mensen die extreem geweld gebruiken. De goede kolonialen gebruiken normaal geweld. Limpach: “Voorts wil ik op deze plaats duidelijk maken dat de meerderheid van de militairen die deel uitmaakten van de Nederlandse krijgsmacht , niet betrokken was bij extreme gewelddaden.” (Limpach, R. (2016), p. 39). De meeste militairen waren eigenlijk ontwikkelingswerkers. Ze herstelde verwoeste infrastructuur en boden hulp aan de noodlijdende bevolking.

In een interview uit 2021 gaat Limpach dieper in op de onschuld van de Nederlandse militairen in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. De interviewer stelt de vraag: “Het merendeel van de Nederlandse soldaten gedroeg zich keurig en had niets met oorlogsmisdaden en standrecht te maken. Wat was het percentage dat zich wel te buiten ging aan extreem geweld? Wat was de achtergrond van hen die zich hier schuldig aan maakten?”

In zijn antwoord verwijst Limpach naar Oostindie: “Ik kan geen harde cijfers geven, dat laten de bronnen niet toe. Veel extreem geweld werd in de doofpot gestopt en is daardoor niet te traceren. Ik heb voor een kwalitatief onderzoek gekozen. Voor mij zijn bijvoorbeeld uitspraken van auditeurs-militair of bestuursambtenaren belangrijk die vaststellen dat extreme gewelddaden in hun sectoren schering en inslag waren. Dat heeft toch wel enige bewijskracht. Collega-historicus Gert Oostindie heeft op basis van analyse van memoires onlangs geschat dat het aandeel Nederlandse militairen met schone handen rond 80 procent ligt. Wat de daders betreft lijkt er geen verband te bestaan met specifieke achtergronden, iedereen en elk legeronderdeel kon in potentie over de schreef gaan – al gebeurde dit vooral bij gevechtseenheden die met de rug tegen de muur stonden, wat vooral in het laatste en bloedigste oorlogsjaar 1949 het geval was. Of militairen wel of niet over de schreef gingen hing onder andere van hun vorming, de omstandigheden, het gezag en mentaliteit van hun commandant en de eigen persoonlijkheid af.”

Slechts 20%, een kleine minderheid, maakte zich schuldig aan extreem geweld, heeft de Leidse professor berekend. Hè, hè, dat is gelukkig niet veel.

Nederlandse historici van het kolonialisme hebben er een hobby van gemaakt: statistieken gebruiken om een misdaad tegen de menselijkheid te bagatelliseren. Prof. Pieter Emmer doet dat met slavernij: “Het is onzin dat de Nederlandse slavenhandel veel groter is dan werd aangenomen, want destijds schatten we het Nederlandse aandeel al op 5 procent.” De vraag die een dekoloniale persoon stelt is: “Is het zo weinig omdat je niet meer kon krijgen of omdat je niet meer wilde hebben?” Brazilië is het land met het grootste aandeel. Nederland heeft Brazilië aan de Portugezen verloren, niet omdat ze maar 5% wilde hebben, maar omdat de Portugezen sterker waren.

Een wetenschapper zou zich de vraag moeten stellen: “Was extreem geweld door 20% genoeg om het systeem in stand te houden, of kon het met meer of minder?”

Maar een ideoloog doet dat niet. Die creëert het klimaat van onschuld van de kolonisator.

De invloed van de overheid

Het onderzoek van de drie instituten is het resultaat van maatschappelijke druk van activisten van de voormalige Nederlandse koloniën die een herschrijving eisen van de koloniale geschiedenis. Om die druk te weerstaan worden ideologen van de universiteiten en onderzoeksinstituten opgevoerd als wetenschappers die dan het wetenschappelijke verhaal (het ware verhaal) gaan vertellen. Afhankelijk van de maatschappelijke reacties stellen ze hun verhaal bij. De reacties op de activisten komt van de Indië-veteranen.

In Duitsland worden de soldaten die Nederland hadden bezet als deel van foute oorlog. Ze houden geen herdenkingen. In Nederland worden de soldaten die Indonesië gingen herbezetten gezien als lieverdjes die je met fluwelen handschoenen moet aanpakken. Oostindie schreef in 2015 een boek over hun verhalen: Soldaat van Indonesië. Het boek is een eerbetoon aan deze strijders: “In Soldaat in Indonesië worden geen morele oordelen geveld. Het doel van het onderzoek was om zonder vooringenomenheid wezenlijke aspecten van de oorlog en de verwerking daarvan te reconstrueren en daarbij recht te doen aan diegenen die hun eigen ervaringen en herinneringen te boek stelden of te boek lieten stellen. In die zin is Soldaat in Indonesië een eerbewijs aan deze mannen.” (p. 13).

De tijden veranderen, dus verandert zijn verhaal ook. Iedereen bekritiseert het kolonialisme. Hij kan niet achterblijven. Nu gaat het niet om individuele soldaten die aan de Nederlandse bezetting van Indonesië meewerkten, maar om instituten. Dat is tenminste vooruitgang. Oostindie: “Nederlandse militairen, rechters en politici tolereerden en verzwegen collectief het stelselmatig gebruik van extreem geweld tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië.”

De Indië veteranen laten deze dagen van zich horen. VVD-kamerlid Han ten Broeke is hun spreekbuis. Hij geeft de conditie aan waaronder de regering akkoord zou moeten gaan met de subsidie voor het onderzoek: “De eis om de Bersiap bij het onderzoek te betrekken is al zo oud als ik betrokken ben bij het ontstaan van de discussie hierover. Het kwam tot stand na gesprekken met velen (betrokkenen, zij die een familieverleden hebben of zelf veteraan zijn, maar ook betrokkenen in de politiek). Vervolgens is het door mij in de VVD-fractie voorgesteld als een van de eisen die voor ons instemming voor dit onderzoek mogelijk zou maken. De fractie steunde die lijn en die heb ik vervolgens uitgedragen. Het was weliswaar niet geformuleerd als een eis, maar wel een belangrijke conditie waaronder wij – de VVD – eventueel akkoord konden gaan met een dergelijk onderzoek.”

Een wetenschapper zou antwoorden: bij de Nazi-bezetting van Nederland was er ook geen sprake van de propositie dat “waar twee vechten, beide schuld hebben.” Dat doen we ook niet bij de Nederlandse bezetting van Indonesië. Een ideoloog gaat netjes in de houding staan en roept: “Ja meneer, dan gaan we doen!” En zo is de Bersiap onderdeel geworden van dit “wetenschappelijk” onderzoek.

Hoe nu verder?

De context van dit ideologisch onderzoek is BLM. Er groeit een generatie activisten in de multiculturele samenleving die gewoonweg geen geloof hechten aan wat ze op de universiteiten en geschiedenisboeken hebben geleerd over de Nederlandse koloniale geschiedenis. Dit onderzoek moet de regering een handvat bieden om te zeggen: “Mensen, sorry! Er is inderdaad iets fout gegaan in kolonialisme. Het heeft een naam: extreem geweld. Dat verfoeien we. Over normaal geweld gaan we het niet hebben. We bieden onze excuses aan en sluiten hiermee dit hoofdstuk. Bedankt ‘wetenschappers’ die dit mogelijk hebben gemaakt.”

Activisten kunnen nu gerust slapen. Nederland heeft haar geschiedenis herschreven. Wat een geweldige prestatie.

Voor dekoloniale wetenschappers is er sprak van geschiedvervalsing. Door het presenteren van extreem geweld als het probleem van dekolonisatie, zit je gewoon de boel te belazeren. Stel je voor: iemand komt 18.000 km vandaan uit Nederland, bezet je land, dwingt je met ‘normaal’ en ‘extreem geweld’ om gratis of voor bijna niets voor je te werken, steelt je producten, vernedert je met onvervalst racisme en als je in verzet komt zegt hij “je mag niet schieten, anders schiet ik ook”. Dan komt een stel “wetenschappers”, die zwijgt over alles wat je hebt meegemaakt in honderden jaren en roept: “Oh daar wordt geschoten! Laten we in kaart brengen wie wanneer waarop schiet en welke extreme vormen van geweld zijn toegepast.” En daarmee hebben ze een zwarte bladzijde in hun koloniale geschiedenis herschreven. Als je dit accepteert, dan is je geest goed gekoloniseerd.

In 2015 werd ook een grootschalige poging ondernomen om de koloniale geschiedenis te herschrijven, namelijk de geschiedenis van de Nederlandse slavernij. De NTR produceerde een serie over slavernij met als doel een definitieve versie te leveren over hoe naar slavernijgeschiedenis moet worden gekeken. Het is een grote flop geworden. Zie hier de analyse van dit verhaal. En zo zal het gaan met dit groot onderzoek. Volgens het KITLV zullen de boeken over enkele weken gratis online beschikbaar zijn. We zullen ze tezijnertijd bespreken.

Een dekoloniaal antwoord

De dekoloniale beweging in Nederland is nog zwak. De universiteiten waar onderzoek gedaan wordt zijn meer bezig met diversiteit dan dekolonisatie. Een dekoloniale studentenbeweging ontbreekt. Als die er was, dan had zij een onderzoeksprogramma opgesteld vanuit de sociale bewegingen. Dat programma zou bestaat uit fundamentele kritiek op de “wetenschappers” op de universiteiten die koloniale geschiedenis beschrijven. Het zou thema’s aankaarten die de ideologen op de universiteiten niet durven aan te kaarten. Neem het vraagstuk van herstelbetalingen voor kolonialisme.

Lambert Giebels heeft de aanzet gegeven voor een studie over herstelbetalingen die Indonesië aan Nederland heeft betaald. Hij schrijft: “Een onderwerp waarover op de RTC langdurig werd onderhandeld, was de schuldenkwestie. Nederland liet Indonesië een hoge prijs betalen voor zijn soevereiniteit. Kreeg Suriname dertig jaar later een bruidsschat mee van twee miljard gulden, Indonesië werd opgezadeld met de totale schuldenlast van het voormalige Nederlands-Indië. Deze schuld werd door Nederland berekend op 6,5 miljard gulden. Het betekende dat Indonesië zelfs moest opdraaien voor de kosten van de politionele acties. Dit werd Cochran te gortig. Tot woede van Drees wist de Amerikaan de Nederlandse financiële onderhandelaars ertoe te bewegen twee miljard gulden te laten vallen – zijnde de ruw geschatte kosten van de politionele acties. Er bleef een schuld over van 4,5 miljard, in guldens van toen…

In de collectieve herinnering van ons, Nederlanders, is bewaard gebleven dat het Indonesië van Soekarno weigerde zijn schulden te betalen. In deze herinnering is iets verdrongen. Toen Indonesië in 1956 zijn schulden aan Nederland opzegde was het restant van de schuld nog 650 miljoen gulden. Dit betekent dat Indonesië tussen 1950 en 1956 bijna vier miljard gulden heeft afgelost. Het belang van dit bedrag kan worden afgemeten aan de Marshallhulp. Nederland heeft over de periode 1948-1953 1127 miljard dollar Marshallhulp gekregen – als lening wel te verstaan. Bij de toenmalige koers van de dollar van 3,80 gulden is deze hulp niet veel meer geweest dan wat Indonesië tussen 1950 en 1956 heeft betaald. Menigeen meent dat Nederland zijn naoorlogse wederopbouw louter aan de Marshallhulp te danken heeft, de Indonesische bijdrage pleegt men over het hoofd te zien.”

Dekoloniale historici moeten de terugbetaling aan Indonesië van deze gelden op de onderzoeksagenda zetten. Daarnaast moeten ze uitrekenen hoeveel de Nederlanders hun koloniën schuldig zijn aan herstelbetalingen. KUKB heeft rechtszaken gevoerd en gewonnen namens weduwen en kinderen van Indonesiërs wier mannen en vaders tijdens de dekolonisatieoorlog zijn geëxecuteerd. Ze kunnen aanspraak maken op een vergoeding van € 5.000, mits de aanspraak gegrond is. De vergoeding is inclusief de kosten die gemaakt moeten worden om de aanvraag in te dienen.

Vergelijk dat met dit bericht van 15 oktober 2020: “Staatssecretaris Paul Blokhuis (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft 20,4 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de Indische gemeenschap en is in gesprek met de gemeenschap over hoe dit geld het beste besteed kan worden… Het extra geld is bedoeld voor de komende drie jaar. In 2020 is 2,4 miljoen beschikbaar, in 2021 15,7 miljoen en in 2022 is er 2,6 miljoen euro. Vanaf 2023 is er 0,7 miljoen euro structureel extra beschikbaar.”

Je krijgt plaatsvervangende schaamte als je het bedrag van € 5.000 hoort als je kijkt naar wat Indonesië aan Nederland heeft betaald en wat de Indische gemeenschap hier heeft gekregen.

Sandew Hira

Den Haag, 17 februari 2022

Als witte mensen koloniale geschiedenis schrijven – deel 2

Reybrouck, D. van (2010): Congo. Een geschiedenis. De Bezige Bij. Amsterdam.

In de vorige aflevering van deze serie heb ik het boek van David van Reybrouck over Indonesië behandeld. Daarin stel ik dat hij een vertegenwoordiger is van een nieuwe stroming witte (linkse) intellectuelen die erkennen dat kolonialisme verkeerd was, maar die niet kunnen loskomen van hun Eurocentrische framing van kolonialisme. Gold dat voor het  verhaal van Indonesië. Het geldt des te sterker voor zijn verhaal over Congo, een ex-koloniale van België, de vaderland van Van Reybrouck.

Onafhankelijke journalistiek

Van Reybrouck begint zichzelf in bescherming te nemen met een claim van onafhankelijkheid: “Het was voor mij van meet af aan duidelijk dat dit boek, als breed gebaar, makkelijker tot stand kon komen indien ik niet gebonden was aan een universitaire instelling. De vrijheid van het schrijverschap was me meer waard dan de zekerheid van een academische aanstelling. Voor de financiering besloot ik de regel van Amnesty International te hanteren, namelijk geen geld te aanvaarden dat rechtstreeks van overheden kwam.” (p. 588-589.) Wat nu als het geld niet rechtstreeks, maar indirect van de overheid komt. Ben je dan nog onafhankelijk? Hij noemt zijn financiers waaronder het Vlaams Fonds voor de Letteren, het Nederlands Letterenfonds en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Het Vlaams Fonds voor de Letteren krijgt volgens haar jaarverslag 7 miljoen euro subsidie van de Belgische overheid. Het Nederlandse Letterfonds krijgt 17 miljoen euro subsidie van de Nederlandse overheid. Het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten wordt grotendeels gefinancierd door het Nederlandse ministerie van OCW (0,5 miljoen euro).

Als je geen claim legt op onafhankelijkheid, dan doet deze informatie er niet aan toe. Als je dat wel doet, leg dan maar eens uit hoe je onafhankelijkheid wel of niet beïnvloedt wordt als je onderzoek indirect door de overheid is gefinancierd.

Het verhaal van de Belgische Hitler: koning Leopold

Het Belgisch kolonialisme in de Congo is één van de meest wrede misdaden tegen de menselijkheid. Die misdaden zijn uitgebreid gedocumenteerd. De vergelijking van Leopold met Hitler is zeer op zijn plaats. Aan die vergelijking zal Van Reybrouck zich nooit wagen. Daarvoor zit het eurocentrisme veel te diep in hem.

Op YouTube kun je video’s vinden met vreselijke beelden van die misdaden, die te vergelijken zijn met de Joodse Holocaust. De witte progressieve Amerikaanse historicus Adam Hochschild heeft in 1998 een boek gepubliceerd met de titel “King Leopold’s Ghost. A Story of Greed, Terror, and Heroism in Colonial Africa“. (Houghton Mifflin Company. Boston/New York). Daarin beschrijft hij heel gedetailleerd en zeer goed gedocumenteerd hoe de Belgische Hitler Koning Leopold verantwoordelijk was voor de daling van de bevolking van Congo van 20 naar 10 miljoen tussen 1880 en 1920. Ter vergelijking: de Duitse bezetting van België heeft geleid tot een kleine stijging in het bevolkingsaantal, van 8.301.000 in 1940 naar 8.339.000 in 1945.

Hochschild beschrijft hoe het systeem van genocide systematisch werd ontwikkeld zodat een paar duizend witte mannen een bevolking van 20 miljoen genadeloos konden onderdrukken en uitbuiten.

Ten eerste, de meest moderne wapens (mitrailleurs, geavanceerde geweren) vervingen de oude musketten. Ten tweede, de ontwikkeling van een geavanceerd medische systeem voor witte mensen, met name voor malariabestrijding, waardoor hun sterfte als gevolg van ziekte aanzienlijk verminderde. Ten derde, de stoomboot en de aanleg voor lange spoorlijnen die het mogelijk maakte om grote delen van het land snel onder controle te krijgen.

Hochschild geeft voorbeelden van de misdaden van Leopold.

“White traders and state officials were kidnapping African women and using them as concubines. White officers were shooting villagers, sometimes to capture their women, sometimes to intimidate the survivors into working as forced laborers, and sometimes for sport. “Two Belgian Army officers saw, from the deck of their steamer, a native in a canoe some distance away…. The officers made a wager of £5 that they could hit the native with their rifles. Three shots were fired and the native fell dead, pierced through the head.” (Hochschild, A. (1998), p. 119)

“Hostage-taking set the Congo apart from most other forced-labor regimes. But in other ways it resembled them. As would be true decades later of the Soviet gulag, another slave labor system for harvesting raw materials, the Congo operated by quotas. In Siberia the quotas concerned cubic meters of timber cut or tons of gold ore mined by prisoners each day; in the Congo the quota was for kilos of rubber. In the A.B.I.R. concession company’s rich territory just below the Congo River’s great half-circle bend, for example, the normal quota assigned to each village was three to four kilos of dried rubber per adult male per fortnight—which essentially meant full-time labor for those men. Elsewhere, quotas were higher and might be raised as time went on…

Wherever rubber vines grew, the population was tightly controlled. Usually you had to get a permit from the state or company agent in order to visit a friend or relative in another village. In some areas, you were required to wear a numbered metal disk, attached to a cord around your neck, so that company agents could keep track of whether you had met your quota. Huge numbers of Africans were conscripted into this labor army: in 1906, the books of A.B.I.R. alone, responsible for only a small fraction of the Congo state’s rubber production, listed forty-seven thousand rubber gatherers.” (Hochschild, A. (1998), p. 173-174)

“Like the hostage-taking, the severing of hands was deliberate policy, as even high officials would later admit. ‘During my time in the Congo I was the first commissioner of the Equator district,’ recalled Charles Lemaire after his retirement. ‘As soon as it was a question of rubber, I wrote to the government, ‘To gather rubber in the district … one must cut off hands, noses and ears….

If a village refused to submit to the rubber regime, state or company troops or their allies sometimes shot everyone in sight, so that nearby villages would get the message. But on such occasions some European officers were mistrustful. For each cartridge issued to their soldiers they demanded proof that the bullet had been used to kill someone, not “wasted” in hunting or, worse yet, saved for possible use in a mutiny. The standard proof was the right hand from a corpse. Or occasionally not from a corpse. ‘Sometimes,’ said one officer to a missionary, soldiers ‘shot a cartridge at an animal in hunting; they then cut off a hand from a living man.’ In some military units there was even a ‘keeper of the hands’; his job was the smoking.'” (Hochschild, A. (1998), p. 175-176)

Deze verhalen zul je niet aantreffen in het boek van Van Reybrouck. Maar dit is de essentie van het Belgisch kolonialisme in Congo. Het deed niet onder voor Hitler’s moordmachine.

Het verhaal van Lumumba

Het verhaal van Congo is niet alleen het verhaal van de genocide door de Belgen. Het is ook het verhaal van een iconisch Afrikaanse leider: Patrice Lumumba. Een Pan Africanist. Een charismatische leider die zijn land en volk naar de onafhankelijkheid leidde. Zijn onafhankelijkheidsspeech was een historische speech. In het bijzijn van koning Boudewijn, een nazaat van Leopold II, hield Lumumba een speech die een antwoord was op een koloniale speech van Boudewijn. Boudewijn begon met een belediging aan het adres van de Congolezen: “De onafhankelijkheid van Congo is het eindresultaat van het werk dat is ingezet met de uitzonderlijke persoonlijkheid van koning Leopold II.” Hij vervolgt zijn belediging: “Toen Leopold II het grote werk aanvatte dat vandaag zijn bekroning vindt, is hij niet naar hier gekomen als veroveraar maar als brenger van de beschaving.” Hij concludeert: “Breng de toekomst niet in het gedrang door haastige hervormingen, en vervang de instellingen niet die België u overdraagt, zolang u niet zeker bent er betere te kunnen maken.”

Lumumba richt zich niet op de koning van België, maar op de vrijheidsstrijders van Congo: “Victorious independence fighters, I salute you in the name of the Congolese Government. I ask all of you, my friends, who tirelessly fought in our ranks, to mark this June 30, 1960, as an illustrious date that will be ever engraved in your hearts, a date whose meaning you will proudly explain to your children, so that they in turn might relate to their grandchildren and great-grandchildren the glorious history of our struggle for freedom. Although this independence of the Congo is being proclaimed today by agreement with Belgium, an amicable country, with which we are on equal terms, no Congolese will ever forget that independence was won in struggle, a persevering and inspired struggle carried on from day to day, a struggle, in which we were undaunted by privation or suffering and stinted neither strength nor blood. It was filled with tears, fire and blood. We are deeply proud of our struggle, because it was just and noble and indispensable in putting an end to the humiliating bondage forced upon us. That was our lot for the eighty years of colonial rule and our wounds are too fresh and much too painful to be forgotten.”

De Belgen met Boudewijn voorop vonden zijn speech opruiend. In plaats van de kolonisator te bedanken klaagde hij hen aan op een internationaal podium. De internationale pers was aanwezig.

Dat zouden de Belgen hem nooit vergeven. Op 30 juni 1960 riep Congo haar onafhankelijkheid uit met Lumumba als eerste premier. Direct daarna begon de destabilisatie van zijn regime door de Amerikanen en de Belgen. Die mondde uit in een coup op 24 september 1960 georganiseerd door de CIA met Joseph-Désiré Mobutu als militaire leider. Lumumba werd gearresteerd. Lumumba werd door Mobutu gearresteerd. Op 17 januari 1961 werden hij en twee medestanders door een executiepeloton onder leiding van de Belgische legerofficier Julien Gat vermoord. Hun lichamen werd in zwavelzuur opgelost.

De Belgische genocide in de Congo, de onafhankelijkheidsspeech van Lumumba en CIA coup en de moord op Lumumba zijn diep gegrift in het geheugen van de volkeren die strijden voor dekolonisatie. Ze vormen de kern van het dekolonisatieproces van Congo.

Hoe behandelt Van Reybrouck dit proces?

Keuvelen over kolonialisme.

De stijl van Van Reybrouck is niet die van een serieuze onderzoeksjournalist, hoewel hij die indruk wil wekken. Het is de stijl van anekdotische journalistiek. Je verzamelt verhalen van Jantje, Pietje en Marieke. Je presenteert als hun verhalen, terwijl je narrative construeert waarin die verhalen naadloos passen, Het is de narrative van keuvelen over kolonialisme.

Het begint al bij de intro van het boek waarin de geschiedenis van Congo als volgt wordt samengevat: “Van 1885 tot 1908 werd het land bestierd door koning Leopold II, die een fortuin verdiende met de exploitatie van rubber.” (p. 2) Hoe verzinnen ze het? Leopold is niet rijk geworden door diefstal van land en grondstoffen, door misdaden tegen de menselijkheid, door onderdrukking en uitbuiting. Nee, hij is rijk geworden door rubber!

De brute bezetting van Congo België heeft bij Van Reybrouck: “In 1885 kwam  het gebied in handen van de Belgische vorst Leopold II.” (p. 20). Hou zouden de Belgen de Duitse bezetting van hun land omschrijven. Als een bezetting toch? België kwam niet in  handen van de Duitsers. België werd bezet door de Duitsers.

Van Reybrouck hanteert het Eurocentrisch concept van kolonialisme als een ontdekkingsreis: “Rond het midden van de eeuw was de ontdekkingskoorts in Europa  uitgebroken. Kranten en geografische genootschappen daagden avonturiers uit om  bergmassieven te verkennen, waterlopen te beschrijven en oerwouden in kaart te  brengen.” (p. 43). Het komt niet in zijn eurocentrische geest op om de vraag te stellen: wie geeft jou het recht om een land te bezetten dat niet van jou is en in kaart te brengen wat je kunt stelen.? Het Eurocentrisme zit diep geworteld in de geest van Van Reybrouck. Dat blijkt uit zijn conceptualisering van kolonialisme, maar ook uit zijn terminologie. Hij noemt de Congolezen steevast inlanders. Over Stanley Livingstone die Congo “ontdekt”: “Een week later vroeg Stanley voor de zoveelste maal aan een inlander [!] op de oever hoe de rivier heette.” (p. 45). “Inlanders moesten het oerwoud in om rubberlianen in te kerven, het sap op te vangen en rudimentair te bewerken tot kleverige hompen.” (p. 101). “In 1910 stipuleerde een decreet dat elke inlander tot een chefferie of sous-chefferie behoorde.” (p. 120). “Als het schandaal van de Vrijstaat iets had duidelijk gemaakt, dan was het wel het totale gebrek aan kennis van de inlandse cultuur.” (p. 123). “De schoorvoetende pogingen om het lot van de inlander te verbeteren door betere huisvesting bij de mijnen of door grootschalige campagnes tegen de slaapziekte, werden op de lange baan geschoven.” (p. 123). En dat zo maar door en door, zonder enige gevoel van schaamte. Hoe zouden de Belgen zich voelen als ze in plaats van met een nationaliteit (Belg) aangesproken zouden worden met de beledigende term inlander?

Belgische genocide heeft niet bestaan

Van Reybrouck moet natuur de kwestie van genocide adresseren. Hij schrijft over Hochschild die dat uitgebreid heeft gedocumenteerd: “Het debat over de Congo-Vrijstaat wordt al meer dan een decennium gedomineerd door het boek van Adam Hochschild, De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo (Amsterdam, 1998). Het had als verdienste een groot publiek in te lichten over de misstanden in Congo en academische kennis toegankelijk en spannend te maken. Helaas dreef het meer op een talent voor verontwaardiging dan voor nuance; zijn perspectief bleek meermaals erg manicheïstisch.” (p. 599). Geen enkele poging om de feiten die Hochschild aandraagt te weerleggen. Gewoon van tafel vegen met de kwalificatie “manicheïstisch”.Manicheïsme is  een openbaringsreligie uit de late oudheid en vroege middeleeuwen. Kortom, onzin dus. En zijn tegenargumenten? Die geeft hij niet. Wel bagatelliseert hij de genocide als volgt: “In Europa tekende men vanaf 1900 luid protest aan tegen de Belgische vorst die handen liet afhakken. Enkele foto’s van Congolezen met een stompje aan de arm gingen de wereld rond. Daardoor ontstond de wijdverbreide misvatting dat men in Congo op grote schaal de hand van levenden afhakte. Dat gebeurde, maar minder systematisch dan doorgaans wordt aangenomen. De grootste schande van Leopolds rubberpolitiek was niet dat er van doden handen werden afgehakt, maar dat er zo lichtzinnig werd gemoord. Lijkverminking was een secundair effect.” (p. 103-104). Je zou verwachten dat deze misvatting werd onderbouwd met feiten. Feiten bij Van Reybrouck. Ho maar! Hij verzamelt geen feiten, maar lichtzinnige anekdotes. Handen afkappen was lijkverminking, want het gaat om doden mensen. Maar YouTube heeft filmpjes van levende Congolezen wier handen zijn afgehakt. Iedereen kan die video’s bekijken, ook Van Reybrouck.

En als je toch over moorden hebt: “Er was meer dan geweld van Afrikanen op Afrikanen. Het bloed vloeide niet alleen onder aan de piramide van de macht.”, aldus Van Reybrouck in het klassieke Eurocentrische beeld van Afrika. (p. 104). En eigenlijk moeten we meer medelijden hebben met de witte mensen dan met de zwarte: “Het gros van de Belgen dat in Congo zijn geluk ging beproeven kwam uit de provinciestadjes en de lagere burgerij. Velen waren in het leger geweest en hadden zin in avontuur, roem en fortuin. Maar eenmaal in Congo belandden ze vaak moederziel alleen op verafgelegen posten in een moordend klimaat. De hitte en de vochtigheid waren onverbiddelijk, de koortsaanvallen frequent. Nog steeds wist men niet dat malaria werd overgedragen door muggen. Zo’n jongeman in de bloei van zijn leven kon ’s nachts zonder reden wakker worden, badend in het zweet, ijlend, rillend, denkend aan al die andere blanken die waren gecrepeerd. Hij hoorde een oerwoud vol vreemde geluiden, herinnerde zich flarden van bitse gesprekken met een dorpshoofd overdag, dacht terug aan de schichtige blikken van mensen die rubber moesten verzamelen, aan het venijnig gesis in hun onbegrijpelijke taal. In zijn koortsige visioenen tussen waken en slapen passeerden de blikkerende ogen vol achterdocht, de brede, glimmende ruggen bedekt met tatoeages, en de prille borsten van een jong, inlands meisje dat naar hem had gelachen.“(p. 106). Hij citeert een Britse baptist George Grenfell om zijn punt kracht bij te zetten: “Gelet op het aantal eenzame posten dat blanke alleenstaande mannen bezetten met slechts een handjevol inheemse soldaten te midden van half onderworpen en vaak wrede en bijgelovige volkeren, hoeft het niet te verbazen dat meer waanzin aan het daglicht zal komen. Maar het is het systeem dat veroordeeld moet worden, meer dan het arme individu dat, overweldigd door koorts en angst, de controle over zichzelf verliest en zich te buiten gaat aan vormen van intimidatie om zijn autoriteit hoog te houden.” (p. 106).

Om het nog duidelijker te stellen: “Het is grotesk om in deze context van een ‘genocide’ of ‘holocaust’ te gewagen, want een genocide veronderstelt een bewuste, geplande vernietiging van een specifieke bevolkingsgroep en dat was hier nooit de bedoeling, noch het resultaat. En de term holocaust is voorbehouden aan de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. Maar het was wel een hecatombe, een slachting op een ongelooflijke schaal die niet bedoeld was, maar wel veel sneller begrepen had kunnen worden als collatoral damage van een perfide, roofzuchtige exploitatiepolitiek, een offer op het altaar van het ziekelijk winstbejag.” (p. 108.)

Als je over genocide praat, dan praat je over herstelbetalingen, over een misdaad tegen de menselijkheid. Daarvoor moet Van Reybrouck met zijn boek waken en de Belgische regering en het koningshuis krampachtig beschermen. Of hij nou direct of indirect gesubsidieerd wordt, maakt niet uit.

Net als koning Boudewijn breekt Van Reybrouck een lans voor de beschavingsmissie van het Belgisch kolonialisme: “Tijdens de Vrijstaat kwam de plaatselijke bevolking voor het eerst in contact met diverse facetten van de Europese aanwezigheid. Anno 1908 gingen circa zestienduizend kinderen naar school bij de missies, naar schatting dertigduizend mensen waren gealfabetiseerd, zesenzestigduizend mensen waren in het leger geweest en zo’n tweehonderdduizend hadden zich laten dopen. Honderdduizenden hadden, rechtstreeks of indirect, met de rubberpolitiek te maken gehad. Miljoenen waren door de slaapziekte en andere besmettelijke aandoeningen geveld. En Disasi Makulo had het andermaal van nabij meegemaakt. Hij was betrokken geweest in de ivoorhandel toen die nog vrij was, hij was boy geworden van een beroemde Britse missionaris, hij had talloze verkenningstochten op diens stoombootje meegemaakt, hij had de verweving van missie en staat letterlijk aan den lijve ondervonden toen hij op expeditie met Grenfell een uniform van de Force Publique kreeg aangemeten, hij had zich laten dopen, had een meisje uit een totaal ander gebied gehuwd, zwoer bij monogamie en het kerngezin, kritiseerde het traditionele dorpsleven en was ten slotte catechist geworden om zijn eigen regio te kunnen kerstenen.” (p. 111). En nergens stelt zijn Eurocentrische geest de vraag: wie heeft je gevraagd om de Congolezen te gaan beschaven? Wie heeft je dat recht gegeven?

Van Reybrouck raakt niet uitgesproken over al het goede dat het Belgisch kolonialisme de Congo heeft gebracht: “De staat, dat was in 1885 een eenzame blanke die aan het hoofd van je dorp vroeg om een blauwe vlag te laten wapperen. De staat, dat was in 1895 een beambte die je kwam opvorderen als drager of soldaat. De staat, dat was in 1900 een zwarte soldaat die kwam bulderen en schieten in je dorp naast enkele manden rubber. Maar in 1910 was de staat een zwarte assistent-verpleegkundige die op het dorpsplein de lymfeklieren in je hals betastte en zei dat het goed was. … Het koloniaal bewind wilde al vroeg beginnen met een grootschalig medisch bevolkingsonderzoek, koning Albert maakte er meer dan een miljoen Belgische frank voor vrij, maar de Eerste Wereldoorlog vertraagde het proces. Vanaf 1918 echter trokken gezondheidsteams van Belgische artsen en Congolese verplegers naar de dorpen en werden vele honderdduizenden onderzocht”. (p. 121.)

Dit soort verhalen moet de vraag wegdrukken: “Wanneer ge je terugbetalen wat je gestolen hebt?”

Lumumba en de onafhankelijkheidsstrijd

Net als Koning Boudewijn heeft Van Reybrouck grote moeite met de zwarte leider Lumumba. Dit is de visie van een witte Belg Van Reybrouck op de onafhankelijkheidstrijd: “In 1955 droomde nog geen enkele inheemse organisatie van een onafhankelijk Congo. Vijf jaar later was die politieke autonomie een feit. Die snelheid verblufte zowat iedereen, niet in het minst de Congolezen zelf. Het Belgische kolonialisme waaraan ze waren onderworpen, was immers doordrongen van de idee van geleidelijkheid. Stap voor stap zou Congo onttrokken worden aan zijn archaïsche oorsprong om de moderniteit te betreden. Wat de Belgen betrof was het einddoel nog lang niet in zicht. Ja, het land was sinds de Tweede Wereldoorlog op de goede weg, maar het ‘beschavingswerk’ was nog niet eens halverwege. ‘Onafhankelijkheid?’ snoof missionaris van het Heilig Hart en toekomstig aartsbisschop Petrus Wijnants in 1959 tegen zijn gelovigen. ‘Misschien binnen vijfenzeventig of in elk geval niet binnen vijftig jaar!’1 Het zou anders lopen. Geleidelijkheid maakte plaats voor een stormloop, bedaagdheid voor chaos.” (p. 245). Dit is de visie van de zwarte Congolees Lumumba: “Congolese will ever forget that independence was won in struggle, a persevering and inspired struggle carried on from day to day, a struggle, in which we were undaunted by privation or suffering and stinted neither strength nor blood. It was filled with tears, fire and blood. We are deeply proud of our struggle, because it was just and noble and indispensable in putting an end to the humiliating bondage forced upon us. That was our lot for the eighty years of colonial rule and our wounds are too fresh and much too painful to be forgotten.” Het begon niet in 1955, maar tachtig jaar eerder.

Van Reybrouck kan de Congolezen niet vergeven dat ze voor onafhankelijkheid hebben gestreden. Hij laat Congolezen opdraven in zijn geconstrueerd verhaal die  vertellen hoe graag ze nog door de Belgen gekoloniseerd hadden willen worden: “Wat toen een reactionair standpunt leek, is anno 2010 een alom gehoorde verzuchting in Congo, een verzuchting aangewakkerd door alle recente misère. Veel jongeren verwijten hun ouders dat ze destijds per se die onafhankelijkheid wilden. Op straat in Kinshasa vroeg iemand me eens: ‘Hoe lang gaat die onafhankelijkheid van ons nu nog duren?’ Als Belg heb ik het talloze keren moeten aanhoren: ‘Wanneer komen de Belgen terug? Jullie zijn toch onze nonkels?’ Vaak was dat bedoeld als vleierij, soms stak er meer achter. Zelfs Albert Tukeke, de man uit Kisangani die een verre verwant was van Lumumba, zei op het eind van ons gesprek: ‘We hadden niet zo snel onafhankelijk moeten worden. Maar na de oorlog, weet u… er was die drang. Als het niet zo overhaast was gegaan, hadden we al die tekortkomingen niet gekend.’” (p. 274.) Hij concludeert: “Dansend van onwetendheid begaf het land zich naar de afgrond van de onafhankelijkheid.” (p. 283)

Van Reybrouck gaat tekeer tegen Lumumba. Refererend aan de speech van Lumumba begint hij met de vaststelling: “Het is een misvatting te menen dat heel Congo juichte om de gedurfde woorden van zijn premier. Veertien miljoen mensen denken zelden hetzelfde.” (p. 295). Een waarheid als een koe, toch? En nou komt het: hoeveel waren er tegen. 1, 10, 100, 10.000, 100.000 op een bevolking van 14 miljoen. Is 100.000 veel of weinig. En is 13,9 miljoen mensen die voor onafhankelijkheid zijn, veel of weinig? En wie waren ze? Waren dat vertegenwoordigers van een strijdend volk of gewone house negroes? Als je een serieuze onderzoeksjournalist bent, dan stel je deze vragen. Als je wilt keuvelen over kolonialisme met een wijntje of biertje, dan hoef je dat niet te doen.

Van Reybrouck noemt de speech van Lumumba opruiend, net als zijn koning Boudewijn: “Tijdens het eerste bedrijf van Congo’s onafhankelijkheid was Patrice Lumumba de onbetwiste spilfiguur. Na zijn opruiende speech bij de overdrachtsceremonie waren alle ogen op hem gericht. Toen het doek van het Congolese drama opging, was hij een dynamische volkstribuun die aanbeden werd door tienduizenden kleine luiden. Slechts enkele scènes later werd hij al veracht, bespuwd en gedwongen om een kopie van zijn speech op te eten.” (p. 304). Van Reybrouck verwijst met leedvermaak naar de arrestatie van Lumumba: “Op 1 december hielden de militairen van Mobutu Lumumba en zijn gevolg aan terwijl ze nabij Port Francqui de Sankuru probeerden over te steken. Lumumba werd overgevlogen naar het kamp Hardy bij Thysville, de kazerne waar enkele maanden eerder het leger was gaan muiten. Vanaf dat moment genoot Lumumba niet langer de bescherming van de vn, maar was hij een gevangene van het regime in Léopoldville. Toen hij er aankwam, zonder bril en vastgebonden, stopte iemand hem een prop papier in de mond: de tekst van zijn beroemde speech.” (p. 327-328)

Van Reybrouck probeert op een klungelige manier de schuld van de moord op Lumumba weg te schuiven van België en Amerika naar hun handlangers in Congo: “Het besluit om Lumumba over te brengen naar Katanga was een gezamenlijk plan van de autoriteiten in Léopoldville, hun Belgische raadgevers en de autoriteiten in Brussel; maar het besluit om Lumumba te vermoorden werd genomen door de Katangese autoriteiten.” (p. 329).

Maar de verantwoordelijkheid van Amerika en België is uitgebreid gedocumenteerd. Zie o.a. Gerard, E. and Kuklick, B. (2015): Death in the Congo. Murdering Patrice Lumumba. Harvard Univ. Press. Cambridge. Zie ook de vele video’s op Youtube waaronder deze.

De klungelige aanpak van Van Reybrouck om de Belgische verantwoordelijkheid voor de moord op Lumumba te verhullen blijkt uit deze passage waarin zijn voorgaande  bewering tegenspreekt: “De moord op Lumumba werd een tijd lang stilgehouden. Om alle sporen uit te wissen groef Gerard Soete, de Belgische adjunct-inspecteur-generaal van de Katangese politie, kort nadien het stoffelijk overschot van de drie slachtoffers op. Naar verluidt stak er nog een hand, mogelijk die van Lumumba, uit de grond.50 Soete zaagde de lichamen in stukken en loste ze op in een vat zwavelzuur. Uit Lumumba’s bovenkaak trok hij twee met goud bezette tanden. Van zijn hand sneed hij drie vingers af.51 In zijn huis bij Brugge bewaarde hij jarenlang een doosje dat hij soms aan bezoekers liet zien. Het bevatte de tanden en een kogel.52 Vele jaren later gooide hij ze in de Noordzee.” (p. 329-330).

Wat doet deze Belg bij de moordpartij? Hoe komt hij daar terecht. Een onderzoeksjournalist stelt zulke vragen. Een huis-tuin-en-keukenjournalist doet niet.

Conclusie

Het boek van Van Reybrouck over Congo is het resultaat van een volledig gekoloniseerde en Eurocentrische geest, die maar niet kan accepteren dat zwarte mensen gewoon met respect willen worden behandeld. Ze weigeren te accepteren dat witte mensen het recht hebben om hen te beschaven, om hun land te bezetten en voor hen te bepalen wanneer ze wel of niet onafhankelijk mogen worden. De geschiedenis van de Congo moet gedekoloniseerd worden. En een fundamentele kritiek op dit boek is daar onderdeel van.

 

Sandew Hira

Den Haag 3-2-2022

Als witte mensen koloniale geschiedenis schrijven – deel 1

Reybrouck, D. van (2020): Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld. De Bezige Bij. Amsterdam.

Veel witte historici en de door hen getrainde house negroes hebben moeite met de koloniale geschiedenis. Je hebt de klassieke racisten zoals Pieter Emmer en de house negro R.A.J. van Lier. Hun “wetenschappelijke” betogen zijn doorspekt van onvervalst racisme over de superioriteit van de westerse cultuur en de inferioriteit van de niet-westerse. Dan heb je de categorie historici die van slachtoffers van het kolonialisme misdadigers maken en van misdadigers slachtoffers. Gert Oostindie is zo een type. In zijn boek Soldaat in Indonesië 1945-1950. Getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis zijn de Indonesiërs de bad guys. Ze kunnen geen objectieve geschiedenis schrijven. Nederlanders hebben zich schuldig gemaakt aan excessief geweld, maar de Indonesiërs hebben dat in grotere mate gedaan, vooral tijdens de bersiap. Zijn boek is “een eerbetoon” aan de Nederlandse soldaten die in Indonesië de onafhankelijkheidsstrijd met grof geweld hebben willen neerslaan. Het kan ook gelezen worden als aan aanklacht tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Dit soort historici is in diskrediet geraakt vanwege de opkomst van de Black Lives Matter jongerenbeweging en de beweging voor dekolonisatie.

Nu is er een derde categorie historici in opkomst. Ze spelen in op de nieuwe sociale bewegingen. Ze erkennen dat kolonialisme verkeerd was, maar kunnen maar niet loskomen van hun Eurocentrische framing van kolonialisme. Dat levert verhalen met tegenstrijdigheden op. Aan de ene kant worden onvervalste koloniale redeneringen opgehangen over kolonialisme. Aan de andere kant wordt het kolonialisme afgekeurd. Als ze kritiek krijgen van de dekoloniale beweging, zeggen ze: “kijk naar die en die formulering; daaruit blijkt dat ik tegen het kolonialisme ben.” Als ze kritiek krijgen van dat ze anti-westers zijn, zeggen ze “kijk naar die en die formulering, daaruit blijkt dat ik niet anti-westers zijn.”

David van Reybrouck valt in deze categorie. Zijn boek Revolusi heeft een titel die anti-koloniale jongeren moet aanspreken. Hij laat mensen aan het woord die het kolonialisme bekritiseren. Maar hij kan maar niet loskomen van zijn Eurocentrische vooroordelen. Zie enkele voorbeelden.

Hij beschrijft de koloniale bezetting van Indonesië en de onafhankelijkheidsstrijd als volgt:Na bijna drieënhalve eeuw Nederlandse aanwezigheid (1600-1942) en drieënhalf jaar Japanse bezetting (1942-1945) gaven enkele plaatselijke leiders te kennen dat ze voortaan als soevereine staat verder zouden gaan.” (p. 14-15).

De Japanse bezetting noemt hij een bezetting. De Nederlandse bezetting noemt hij “aanwezigheid”. Dat klinkt echt anders dan bezetting. Het is vergoelijkend. De onafhankelijkheidsstrijd is geen strijd van een volk, maar van plaatselijke leiders. Hoe denigrerend wil je het hebben. Tussen 1825-1830 voerde de bevolking van Java een bevrijdingsoorlog tegen de Nederlandse bezetter. Van Reybrouck beschrijft het als volgt: “De Java-oorlog was de laatste poging van de oude Javaanse aristocratie om buitenlandse overheersing tegen te gaan.” (p. 60) Het gaat niet om de vrijheidsstrijd van een volk, maar om de belangen van een elite. Stel je voor dat de strijd tegen de Duitse bezetting van Nederland werd gepresenteerd als een strijd van de oude Nederlandse monarchie in plaats als een strijd van een volk. Hoe zou dat vallen in Nederland? Als het over Java gaat, dan kun je het wel doen. Dat is een deel van hoe je geschiedschrijving koloniseert.

Hij heeft van dit soort terminologie. De kolonisatie met bloedige moordpartijen worden eufemistisch genoemd: “De hele archipel werd onder Nederlands gezag gebracht.” (p. 70). Klinkt anders dan “ De hele archipel werd onder brute Nederlands bezetting gebracht .”

De onafhankelijkheidsproclamatie vond hij te vroeg: “Die proclamatie kwam niet alleen erg vroeg, ze was ook nog eens erg jong. Ze werd gedragen en verdedigd door een hele generatie van vijftien- tot vijfentwintigjarigen die bereid waren te sterven voor hun vrijheid… Ik mag hopen dat de jeugdige klimaatactivisten minder gewelddadige tactieken hanteren.” (p. 15).

Van Reybrouck kan de vraag niet beantwoorden die Jeffry Pondaag stelt:Waar haalt Nederland het recht vandaan om een gebied dat 18.000 kilometer verderop ligt als Nederlands bezit te beschouwen?” Als je die vraag beantwoordt, dan weet je dat voor geen enkel volk vrijheid “te vroeg” komt. Als je onderdrukt en uitgebuit wordt, wanneer is bevrijding dat te vroeg? En als de bezetter je met geweld onderdrukt (niet met aardige woorden), waarom is tegengeweld dan zo verachtelijk? Voor Europeanen was het geen probleem om twee atoombommen te gooien op Japan om voor hun vrijheid te vechten.

In het algemeen blijft Van Reybrouck binnen de Eurocentrische kaders. De koloniale reizen om land te bezetten vanwege specerijen noemt hijOntdekkingsreizen”(Kaart 8, p. 37). De Verenigde Oost-Indische Compagnie noemt hij niet een instituut uit de georganiseerde misdaad (slavernij, moord, diefstal) zoals dekoloniale historici zouden doen, maar een “roemruchte” organisatie die tweehonderd jaar heeft bestaan (p. 42). De Van Dale omschrijft roemrucht als “vermaard, beroemd”, positief dus. De VOC wordt door hem gepresenteerd als een normaal bedrijf. Jan Pieterszoon Coen wordt beschreven als het “hoofd van de Nederlandse operaties in Azië” (p. 46), en niet als het hoofd van een misdaadkartel, want kolonialisme is in zijn ogen geen misdaad, maar een normale onderneming. Coen wilde uit de forten die op de eilanden werden gebouwd en vervolgens werden gebruikt om strijd te voeren tegen Engelse concurrenten een centrale locatie hebben van waaruit de koloniale bezetting moest worden opgebouwd. Van Reybrouck stelt de vraag: Hoe moest uit deze lege, verkoolde en nasmeulende puinhoop een bloeiende draaischijf voor de wereldhandel ontstaan?” (p. 46) De misdaad van slavernij wordt beschreven in termen van een “bloeiende handel”. Bloeiend voor wie? Voor de tot slaafgemaakte Aziaten die gratis en onder brute dwang moesten werken voor de VOC? Van Reybrouck beschrijft de misdadiger als een legitieme ondernemer. Het is alsof je over Pablo Escobar spreekt niet in termen van de drugshandelaar, maar in termen van een handelaar. Escobar de ondernemer.

Geheel in lijn met de Eurocentrische visie op geschiedenis presenteert Van Reybrouck Napoleon Bonaparte als een geweldige progressieve leider. Van Reybrouck: “Napoleon zag zich als erfgenaam van liberté, égalité, fraternité?” (p. 57). Hij vertelt enthousiast over zijn goede daden: de aanleg van wegen en vaarroutes, hij vond onderwijs belangrijk, hij had een hekel aan feodalisme, hij had Frankrijk in departementen en prefecturen opgedeeld en hij pleitte voor een rationeel beheer van de nationale economie. Wat Reybrouck verzwijgt is de ervaring van de gekoloniseerde met Napoleon.

De Franse revolutie van 1789 werd gevolgd door de Haïtiaanse revolutie die van 1791 tot en met 1804 en resulteerde in de afschaffing van de slavernij op Haïti. De ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap was voor witte mensen bedoeld. Voor de Fransen, inclusief Napoleon gold de uitspraak van één van de leiders van de Franse revolutie over de totslaafgemaakten in de Franse koloniën: “We have not brought half-a-million slaves from the coasts of Africa to make them into French citizens”. In de woelige periode van de Franse revolutie werd de slavernij afgeschaft, maar toen Napoleon de macht greep herstelde hij op 20 mei 1802 bij wet slavernij in de Franse koloniën en ging hij volop de strijd aan om die ook in Haïti opnieuw in te voeren. Dat is niet gelukt. Haïti verklaarde de onafhankelijkheid op 1 januari 1804. Dit zijn de feiten van Napoleon. Van Reybrouck gebruikt de koloniale fantasieën om van Napoleon een held i.p.v. een misdadiger te maken.

Sterker nog. Hij schildert de verrichtingen van Herman Willem Daendels in soortgelijke termen. In 1806 had Napoleon Nederland ingelijfd. Daendels was een vurige bewonderaar van Napoleon. Hij voegde zich bij de Franse bezetter. Op 1 januari 1808 kwam hij als generaal aan in Batavia. Van Reybrouck is wild enthousiast over hem. Hij beschrijft de daden van deze kolonisator in geuren en kleuren: “Hij liet kazernes, kruithuizen, arsenalen en hospitalen bouwen, versterkte de haven van Surabaya en verlegde het centrum van Batavia enkele kilometers landinwaarts naar een gezondere leefomgeving. Maar dat was niet alles. Net zoals Napoleon op het Europese vasteland wegen en waterwegen had aangelegd om de Britse zeeblokkade te omzeilen, liet Daendels op Java van oost naar west een weg aanleggen, parallel aan de kust, om berichten en troepen sneller te kunnen verplaatsen: de Grote Postweg. Die indrukwekkende verbindingsweg van wel duizend kilometer lang was binnen een jaar voltooid. Naar schatting twaalfduizend dwangarbeiders kwamen bij de aanleg om. De reis van Batavia naar Semarang, bijvoorbeeld, werd ingekort van minstens tien tot drie of vier dagen. Tot op de dag van vandaag blijft die weg de belangrijkste verkeersader van Java. Napoleon had Frankrijk in departementen en prefecturen opgedeeld? Daendels deelde Java in negen prefecturen op. Napoleon zag zich als erfgenaam van liberté, égalité, fraternité? Daendels verbeterde het lot van de slaven. Napoleon vond onderwijs van belang? Daendels vond dat Javaanse kinderen naar school moesten. Napoleon had een hekel aan het feodalisme van het ancien régime? Daendels rekende af met de sultans en andere edellieden op het eiland. Napoleon pleitte voor een rationeel beheer van de nationale economie? Daendels saneerde de landbouw, de bosbouw en de waterhuishouding – er kwam zelfs een algemene inspectie van de koffieplantages. De ‘Napoleon van Batavia’ werd hij genoemd, met al zijn revolutionaire, maar ook dictatoriale neigingen. Wat Daendels op Java binnenbracht was niets minder dan de notie van de moderne staat. Cruciaal daarbij was zijn overtuiging dat alle grond in principe aan de staat toebehoorde. De nog resterende Javaanse vorstendommen met hun sultans en prinsen beschouwde hij als anachronismen, die de bevolking onderdrukten en de moderniteit tegenhielden. In Cirebon en Banten brak hij de macht van de adel. Hij trok zelfs naar Surakarta (de stad die ook bekendstaat als Solo, zoals uit sommige citaten nog zal blijken) en Yogyakarta, de twee Midden-Javaanse steden die uit het ooit zo machtige sultanaat van Mataram waren voortgevloeid en waar de lokale vorsten nog steeds een riante Nederlandse schenking genoten. Over de sultan van Yogyakarta schreef hij eigenhandig aan Napoleon: ‘Ik heb zijn kroon afgenomen en het bestuur aan een van zijn zonen toevertrouwd. (…) Ik heb van de gelegenheid gebruikgemaakt om enkele van zijn districten te annexeren en ik heb een soort tribuut van tienduizend piasters afgeschaft dat het gouvernement hem jaarlijks betaalde. Iets dergelijks werd ook betaald aan de keizer van Solo (de susuhunan van Surakarta) en ook dat heb ik afgeschaft. Ten slotte ben ik met de nieuwe sultan handels- en politieke relaties aangegaan die ons zeer grote voordelen moeten opleveren.”

Nergens stelt Van Reybrouck de vraag: “Wie geeft Daendels het recht om voor de Indonesiërs te bepalen hoe zij hun samenleving zouden moeten inrichten?” En wat houdt de verbetering van het lot van slaven in? Zeker niet de afschaffing van slavernij, want dat heeft hij niet gedaan. Van Reybrouck herhaalt hier de oude legitimatie van kolonialisme: kolonialisme is goed want het verheft en moderniseert een verouderde samenleving.

Van Reybrouck heeft – net als veel Nederlanders met een gekoloniseerde geest – duidelijk veel moeite met de strategie van de vrijheidsstrijders in Indonesië om de Japanse bezetting van Indonesië te gebruiken als een springplank naar onafhankelijkheid. Hij gebruikt een heel hoofdstuk (30 pagina’s) om de gruwelijke details van de twee jaar durende bezetting van Japan te beschrijving, met name wat de Japanners de Nederlanders hebben aangedaan. Als je dat evenredig zou doen met de Nederlandse bezetting (“aanwezigheid”) , die 350 jaar duurde, zou dat 5.100 pagina moeten beslaan.

In alle revoluties vinden er discussies en meningsverschillen plaats over strategie en tactiek. Vanuit een dekoloniale optiek was de strategie van Soekarno om de Japanse bezetters te gebruiken tegen de Nederlandse bezetters als een springplank naar onafhankelijkheid een correcte strategie. Van Reybrouck ziet dat niet zitten. Dat typeert zijn Eurocentrische bias. Hij beschrijft de tegenstelling tussen jongeren en de oudere leiders van de revolutie als volgt: “Terwijl Soekarno de verticale breuklijnen tussen de politieke facties zorgvuldig wegmasseerde, ontstond er een nieuwe, horizontale breuklijn die kolossaal zou worden: die tussen de ouderen en de jongeren. De belangrijkste politieke omwenteling van dat moment voltrok zich daarom buiten de muren van de deftige vergaderzaal waar de inlandse leiders zaten te roken en te oreren over grenzen en grondwetsontwerpen. Die vond plaats in de hoofden – en de lichamen – van vele duizenden tieners en prille twintigers voor wie de oudere generatie grotendeels had afgedaan. De jeugd voelde zich verraden door het eindeloze gedraal en gekruip van haar leiders. Leerkrachten, leden van de lagere clerus en de bestuursadel hadden allen meegedaan met het Japanse bestuur – als lesgever, militieleider, rijst-inner, romusha-ronselaar of wat dan ook. Wat had je aan dat soort lui? Zelfs de nationale kopstukken stelden teleur. Voor een vijftienjarige jongen uit Java was Soekarno een oudere man van 45 die al erg lang meeging en met de bezetter had geheuld.Dit is zoals de Nederlanders Soekarno beschrijven: iemand die met de Japanse bezetter had geheuld. Over de mensen die met de Nederlandse “aanwezigheid” hadden geheuld, hoor je niets.

Net als voor veel Nederlandse kolonialen is ook voor Van Reybrouck is de leider van de Indonesische revolutie een dubieuze figuur. Hij had geheuld met de “bezetter”.

Tot slot zien we ook bij Van Reybrouck de legitimatie van koloniaal geweld. Die legitimatie vindt plaats door het begrip “extreem geweld”, die Van Reybrouck “ongeoorloofd geweld” noemt. Extreem geweld mag niet, gewoon geweld mag wel. Er is geoorloofd en ongeoorloofd koloniaal geweld. De legitimatie vindt plaats door te stellen dat er wel degelijk geoorloofd geweld is. Wat dat is, daar wordt niet over uitgewijd, maar dat er geoorloofd geweld is, staat buiten kijf. Van Reybrouck: “Wanneer we kijken naar oorlogsmisdaden is het nuttig een onderscheid te maken tussen drie vormen van ongeoorloofd geweld: incidenteel, structureel en systemisch massa-geweld.” (p. 492). Hij legt vervolgens uit wat de drie vormen van ongeoorloofd geweld zijn. En geheel in de koloniale traditie zwijgt hij over wat wel geoorloofd geweld is. Maar impliciet is duidelijk dat er wel degelijk geoorloofd geweld bestaat in een koloniale bezetting.

David van Reybrouck presenteert zich als de witte linkse historicus die sympathiek staat tegenover dekolonisatie. Hij laat tenslotte allerlei mensen aan het woord die voor dekolonisatie zijn. Maar als je het vernisje van dekolonisatie even afschrapt, dan kom je ook bij hem weer de traditionele Eurocentrische framing van kolonialisme als een beschavingsmissie tegen en de vrijheidsstrijd en hun leiders als moeilijk te verteren aspiraties van een onderdrukt volk.

 

Sandew Hira

Den Haag, 6-1-2022

Lezing/Dans Decolonizing The Mind

Wat gebeurt er als een dekoloniale denker en dekoloniale dansers elkaar ontmoeten? Als dekoloniale filosofie en dekoloniale kunst elkaar ontmoeten… Het laat je versteld staan.

Decolonizing The Mind is een filosofie van bevrijding. Decolonial arts transformeert entertainment in educatie en empowerment. Sandew Hira, secretaris van de Stichting DIN combineert een lezing over decoloniale theorie met een dansvoorstelling van de Amenti Theatre Company in een lezing/dans combinatie.

Deze lezing/dans is een experiment in de combinatie van filosofie en kunst. Is het mogelijk voor dansers om decoloniale filosofie te behandelen met beweging en expressie vanuit het lichaam? Is het mogelijk voor een dekoloniale denker om een gesprek te voeren met dansers in hun respectievelijke talen?

Amenti Theatre Company en Sandew Hira gaan een uniek artistiek experiment aan dat in de toekomst de deur kan openen voor het samengaan van kunst en filosofie.

Publicatiedatum: Juli 2022

Hoe kan kunst bijdragen aan het dekoloniseren van de geest? De toeschouwer onder te dompelen met gevoelens, in plaats van intellectuele woorden. Een manier om je in te leven en een band te creëren. Amenti nodigt deze avond Sandew Hira uit. Sandew Hira, schrijversnaam voor Dew Baboeram, is een historicus en schrijver die 20 boeken publiceerde. Momenteel schrijft hij een boek over het dekoloniseren van de geest.

Tijdens deze avond zullen we in gesprek gaan met Sandew, door middel van woorden en dans. We nodigen je uit om deze avond bij te wonen om te leren maar ook te discussiëren over onderwerpen die te maken hebben met het dekoloniseren van de geest. Tijdens ons ‘gesprek’ is er ruimte voor vragen en opmerkingen. We willen deze avond interactief, leerzaam en magisch maken.

Datum: Vrijdag 26 november 2021

Aanvang: 19.00 uur.

Locatie: ‘s-Gravendijkwal 58, 3014 EE Rotterdam

Entree: € 7,50

Bestel je kaarten hier: https://www.eversports.nl/e/event/xgcpqz4Ti