Extreem geweld mag niet, maar normaal geweld is OK

Wetenschap en ideologie

Vandaag, 17 februari 2022, is weer zo een dag waarop Nederland met horten en stoten haar misdaden tegen de menselijkheid probeert te verwerken. Dan presenteren het (Koloniaal) Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies de resultaten van de door de Nederlandse overheid gefinancierde studie (€ 4,1 miljoen subsidie) naar extreem geweld tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië. De kern van hun boodschap is vervat in een interview met onderzoeksleider Prof. Gert Oostindie: “Nederlandse militairen, rechters en politici tolereerden en verzwegen collectief het stelselmatig gebruik van extreem geweld tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië. Historici tonen aan hoe dat kon gebeuren. ‘Het was schandaalmanagement in plaats van preventie’.”

Het onderzoek wordt gepresenteerd als een wetenschappelijk onderzoek, omdat wetenschappers van universiteiten en onderzoeksinstituten het onderzoek hebben gedaan. Maar het is een ideologisch onderzoek – zoals ik zal aantonen – met als doel om het Nederlandse volk te leren accepteren dat Nederland een beetje fout was in de koloniale geschiedenis. Het doel is niet om de waarheid over kolonialisme te ontdekken. Het verschil tussen ideologen en wetenschappers is dat wetenschappers proberen om objectief de waarheid te onderzoek met alle problemen die vastzitten aan “objectiviteit” en ideologen heel bewust een politiek doel nastreven en een verhaallijn creëren ten behoeve van dit doel. Je hebt niet een wetenschapper omdat je een professor bent. Een professor kan een ideoloog van het kolonialisme zijn. Je hebt een wetenschapper omdat je onderzoek gebaseerd is op een vraagstelling die niet ideologisch bepaald is.

Remy Limpach

Het onderzoek van de drie instituten is voortgekomen uit de dissertatie van Remy Limpach van het NIMH (Limpach, R. (2016): De brandende kampongs van Generaal Spoor. Boom. Amsterdam). Hij heeft daarin de theoretische basis gelegd voor dit onderzoek. Limpach definieert extreem geweld als volgt: “‘Massageweld’ en ‘extreem geweld’ zijn in dit boek gedefinieerd als gebruik van fysiek geweld dat overwegend buiten directe reguliere gevechtssituaties  werd toegepast tegen non-combattanten (burgers) en tegen combattanten (militairen of strijders) die na hun gevangenneming of overgave werden ontwapend. Dit extreme geweld vond doorgaans plaats zonder directe militaire noodzaak of zonder duidelijk afgebakend militair doel.” (Limpach, R. (2016), p. 45).

Wat zijn reguliere gevechtssituaties? Tja, dat is heel breed. In de onafhankelijkheidsoorlog van Indonesië is een bombardement tegen een dorp waarin guerrillastrijders verschanst zitten regulier geweld. Alle gevechtshandelingen om een land te bezetten zijn reguliere gevechtshandelingen. Het geweld dat normaal gebruikt wordt om kolonialisme in stand te houden (bezetting) staat niet ter discussie.

In een wetenschappelijke benadering van extreem geweld zou je normaal geweld afzetten tegen extreem geweld. Je zou normaal en extreem geweld definiëren. In een ideologische benadering van extreem geweld praat je niet over normaal geweld. In een wetenschappelijke benadering stel je de vraag: wat was normaal geweld? Het ideologische doel van het concept van extreem geweld is om kolonialisme te presenteren als een normaal verschijnsel. In de activistische golf die Nederland nu meemaakt over dekolonisatie staat kolonialisme als instituut ter discussie. Door alles te concentreren op extreem geweld, verschuif je de focus van het ter discussie stellen van het instituut van kolonialisme naar iets dat iedereen wel kan accepteren: extreem geweld is niet goed. En impliciet volgt dan: maar kolonialisme was OK en dus normaal geweld ook.

Om normaal geweld te legitimeren hanteren de ideologen va het Hollands kolonialisme twee trucjes.

De eerste truc is het gebruik van het concept van “waar twee mensen vechten, zijn beide fout”. De behandeling van de bersiap periode waarbij Indonesische revolutionaire collaborateurs van de kolonisator aanvielen, is een voorbeeld van deze truc. Limpach: “Na aanvankelijke militaire schermutselingen en kleinere en grotere militaire acties monden de gevechten in de uitgestrekste archipel uit in een verbeten guerrillaoorlog, die aan beide kanten structureel met extreem geweld gepaard ging.” (Limpach, R. (2016), p. 18).

Hij wijdt uit: “Tevens behandel ik extreme Indonesisch geweld en bespreek ik groepen, daders en slachtoffers van andere etnische groepen, zoals het Nederlands en Indonesische gebruik van geweld tegen de grote Chinese minderheid in de archipel.” (Limpach, R. (2016), p. 38).

In de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog is deze truc nooit gebruikt: waar twee mensen vechten, zijn beide fout. Nazisme wordt gezien als een historische misdaad tegen de menselijkheid. Kolonialisme niet. De reden hiervoor is racisme. Nazisme was een misdaad van Europeanen tegen Europeanen. De Nazi’s hebben verloren, dus belanden ze op de vuilnisbelt van de geschiedenis. De koloniale mogendheden hebben gewonnen, dus proberen ze te verhinderen dat zij op de vuilnisbelt van de geschiedenis belanden. Hun ideologen hebben tot taak om dat met “wetenschappelijk” onderzoek te promoten. Deze truc hoort daarbij.

De tweede truc is het maken van een onderscheid tussen goede kolonialen en slecht kolonialen. De slechte kolonialen zijn de mensen die extreem geweld gebruiken. De goede kolonialen gebruiken normaal geweld. Limpach: “Voorts wil ik op deze plaats duidelijk maken dat de meerderheid van de militairen die deel uitmaakten van de Nederlandse krijgsmacht , niet betrokken was bij extreme gewelddaden.” (Limpach, R. (2016), p. 39). De meeste militairen waren eigenlijk ontwikkelingswerkers. Ze herstelde verwoeste infrastructuur en boden hulp aan de noodlijdende bevolking.

In een interview uit 2021 gaat Limpach dieper in op de onschuld van de Nederlandse militairen in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. De interviewer stelt de vraag: “Het merendeel van de Nederlandse soldaten gedroeg zich keurig en had niets met oorlogsmisdaden en standrecht te maken. Wat was het percentage dat zich wel te buiten ging aan extreem geweld? Wat was de achtergrond van hen die zich hier schuldig aan maakten?”

In zijn antwoord verwijst Limpach naar Oostindie: “Ik kan geen harde cijfers geven, dat laten de bronnen niet toe. Veel extreem geweld werd in de doofpot gestopt en is daardoor niet te traceren. Ik heb voor een kwalitatief onderzoek gekozen. Voor mij zijn bijvoorbeeld uitspraken van auditeurs-militair of bestuursambtenaren belangrijk die vaststellen dat extreme gewelddaden in hun sectoren schering en inslag waren. Dat heeft toch wel enige bewijskracht. Collega-historicus Gert Oostindie heeft op basis van analyse van memoires onlangs geschat dat het aandeel Nederlandse militairen met schone handen rond 80 procent ligt. Wat de daders betreft lijkt er geen verband te bestaan met specifieke achtergronden, iedereen en elk legeronderdeel kon in potentie over de schreef gaan – al gebeurde dit vooral bij gevechtseenheden die met de rug tegen de muur stonden, wat vooral in het laatste en bloedigste oorlogsjaar 1949 het geval was. Of militairen wel of niet over de schreef gingen hing onder andere van hun vorming, de omstandigheden, het gezag en mentaliteit van hun commandant en de eigen persoonlijkheid af.”

Slechts 20%, een kleine minderheid, maakte zich schuldig aan extreem geweld, heeft de Leidse professor berekend. Hè, hè, dat is gelukkig niet veel.

Nederlandse historici van het kolonialisme hebben er een hobby van gemaakt: statistieken gebruiken om een misdaad tegen de menselijkheid te bagatelliseren. Prof. Pieter Emmer doet dat met slavernij: “Het is onzin dat de Nederlandse slavenhandel veel groter is dan werd aangenomen, want destijds schatten we het Nederlandse aandeel al op 5 procent.” De vraag die een dekoloniale persoon stelt is: “Is het zo weinig omdat je niet meer kon krijgen of omdat je niet meer wilde hebben?” Brazilië is het land met het grootste aandeel. Nederland heeft Brazilië aan de Portugezen verloren, niet omdat ze maar 5% wilde hebben, maar omdat de Portugezen sterker waren.

Een wetenschapper zou zich de vraag moeten stellen: “Was extreem geweld door 20% genoeg om het systeem in stand te houden, of kon het met meer of minder?”

Maar een ideoloog doet dat niet. Die creëert het klimaat van onschuld van de kolonisator.

De invloed van de overheid

Het onderzoek van de drie instituten is het resultaat van maatschappelijke druk van activisten van de voormalige Nederlandse koloniën die een herschrijving eisen van de koloniale geschiedenis. Om die druk te weerstaan worden ideologen van de universiteiten en onderzoeksinstituten opgevoerd als wetenschappers die dan het wetenschappelijke verhaal (het ware verhaal) gaan vertellen. Afhankelijk van de maatschappelijke reacties stellen ze hun verhaal bij. De reacties op de activisten komt van de Indië-veteranen.

In Duitsland worden de soldaten die Nederland hadden bezet als deel van foute oorlog. Ze houden geen herdenkingen. In Nederland worden de soldaten die Indonesië gingen herbezetten gezien als lieverdjes die je met fluwelen handschoenen moet aanpakken. Oostindie schreef in 2015 een boek over hun verhalen: Soldaat van Indonesië. Het boek is een eerbetoon aan deze strijders: “In Soldaat in Indonesië worden geen morele oordelen geveld. Het doel van het onderzoek was om zonder vooringenomenheid wezenlijke aspecten van de oorlog en de verwerking daarvan te reconstrueren en daarbij recht te doen aan diegenen die hun eigen ervaringen en herinneringen te boek stelden of te boek lieten stellen. In die zin is Soldaat in Indonesië een eerbewijs aan deze mannen.” (p. 13).

De tijden veranderen, dus verandert zijn verhaal ook. Iedereen bekritiseert het kolonialisme. Hij kan niet achterblijven. Nu gaat het niet om individuele soldaten die aan de Nederlandse bezetting van Indonesië meewerkten, maar om instituten. Dat is tenminste vooruitgang. Oostindie: “Nederlandse militairen, rechters en politici tolereerden en verzwegen collectief het stelselmatig gebruik van extreem geweld tijdens de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië.”

De Indië veteranen laten deze dagen van zich horen. VVD-kamerlid Han ten Broeke is hun spreekbuis. Hij geeft de conditie aan waaronder de regering akkoord zou moeten gaan met de subsidie voor het onderzoek: “De eis om de Bersiap bij het onderzoek te betrekken is al zo oud als ik betrokken ben bij het ontstaan van de discussie hierover. Het kwam tot stand na gesprekken met velen (betrokkenen, zij die een familieverleden hebben of zelf veteraan zijn, maar ook betrokkenen in de politiek). Vervolgens is het door mij in de VVD-fractie voorgesteld als een van de eisen die voor ons instemming voor dit onderzoek mogelijk zou maken. De fractie steunde die lijn en die heb ik vervolgens uitgedragen. Het was weliswaar niet geformuleerd als een eis, maar wel een belangrijke conditie waaronder wij – de VVD – eventueel akkoord konden gaan met een dergelijk onderzoek.”

Een wetenschapper zou antwoorden: bij de Nazi-bezetting van Nederland was er ook geen sprake van de propositie dat “waar twee vechten, beide schuld hebben.” Dat doen we ook niet bij de Nederlandse bezetting van Indonesië. Een ideoloog gaat netjes in de houding staan en roept: “Ja meneer, dan gaan we doen!” En zo is de Bersiap onderdeel geworden van dit “wetenschappelijk” onderzoek.

Hoe nu verder?

De context van dit ideologisch onderzoek is BLM. Er groeit een generatie activisten in de multiculturele samenleving die gewoonweg geen geloof hechten aan wat ze op de universiteiten en geschiedenisboeken hebben geleerd over de Nederlandse koloniale geschiedenis. Dit onderzoek moet de regering een handvat bieden om te zeggen: “Mensen, sorry! Er is inderdaad iets fout gegaan in kolonialisme. Het heeft een naam: extreem geweld. Dat verfoeien we. Over normaal geweld gaan we het niet hebben. We bieden onze excuses aan en sluiten hiermee dit hoofdstuk. Bedankt ‘wetenschappers’ die dit mogelijk hebben gemaakt.”

Activisten kunnen nu gerust slapen. Nederland heeft haar geschiedenis herschreven. Wat een geweldige prestatie.

Voor dekoloniale wetenschappers is er sprak van geschiedvervalsing. Door het presenteren van extreem geweld als het probleem van dekolonisatie, zit je gewoon de boel te belazeren. Stel je voor: iemand komt 18.000 km vandaan uit Nederland, bezet je land, dwingt je met ‘normaal’ en ‘extreem geweld’ om gratis of voor bijna niets voor je te werken, steelt je producten, vernedert je met onvervalst racisme en als je in verzet komt zegt hij “je mag niet schieten, anders schiet ik ook”. Dan komt een stel “wetenschappers”, die zwijgt over alles wat je hebt meegemaakt in honderden jaren en roept: “Oh daar wordt geschoten! Laten we in kaart brengen wie wanneer waarop schiet en welke extreme vormen van geweld zijn toegepast.” En daarmee hebben ze een zwarte bladzijde in hun koloniale geschiedenis herschreven. Als je dit accepteert, dan is je geest goed gekoloniseerd.

In 2015 werd ook een grootschalige poging ondernomen om de koloniale geschiedenis te herschrijven, namelijk de geschiedenis van de Nederlandse slavernij. De NTR produceerde een serie over slavernij met als doel een definitieve versie te leveren over hoe naar slavernijgeschiedenis moet worden gekeken. Het is een grote flop geworden. Zie hier de analyse van dit verhaal. En zo zal het gaan met dit groot onderzoek. Volgens het KITLV zullen de boeken over enkele weken gratis online beschikbaar zijn. We zullen ze tezijnertijd bespreken.

Een dekoloniaal antwoord

De dekoloniale beweging in Nederland is nog zwak. De universiteiten waar onderzoek gedaan wordt zijn meer bezig met diversiteit dan dekolonisatie. Een dekoloniale studentenbeweging ontbreekt. Als die er was, dan had zij een onderzoeksprogramma opgesteld vanuit de sociale bewegingen. Dat programma zou bestaat uit fundamentele kritiek op de “wetenschappers” op de universiteiten die koloniale geschiedenis beschrijven. Het zou thema’s aankaarten die de ideologen op de universiteiten niet durven aan te kaarten. Neem het vraagstuk van herstelbetalingen voor kolonialisme.

Lambert Giebels heeft de aanzet gegeven voor een studie over herstelbetalingen die Indonesië aan Nederland heeft betaald. Hij schrijft: “Een onderwerp waarover op de RTC langdurig werd onderhandeld, was de schuldenkwestie. Nederland liet Indonesië een hoge prijs betalen voor zijn soevereiniteit. Kreeg Suriname dertig jaar later een bruidsschat mee van twee miljard gulden, Indonesië werd opgezadeld met de totale schuldenlast van het voormalige Nederlands-Indië. Deze schuld werd door Nederland berekend op 6,5 miljard gulden. Het betekende dat Indonesië zelfs moest opdraaien voor de kosten van de politionele acties. Dit werd Cochran te gortig. Tot woede van Drees wist de Amerikaan de Nederlandse financiële onderhandelaars ertoe te bewegen twee miljard gulden te laten vallen – zijnde de ruw geschatte kosten van de politionele acties. Er bleef een schuld over van 4,5 miljard, in guldens van toen…

In de collectieve herinnering van ons, Nederlanders, is bewaard gebleven dat het Indonesië van Soekarno weigerde zijn schulden te betalen. In deze herinnering is iets verdrongen. Toen Indonesië in 1956 zijn schulden aan Nederland opzegde was het restant van de schuld nog 650 miljoen gulden. Dit betekent dat Indonesië tussen 1950 en 1956 bijna vier miljard gulden heeft afgelost. Het belang van dit bedrag kan worden afgemeten aan de Marshallhulp. Nederland heeft over de periode 1948-1953 1127 miljard dollar Marshallhulp gekregen – als lening wel te verstaan. Bij de toenmalige koers van de dollar van 3,80 gulden is deze hulp niet veel meer geweest dan wat Indonesië tussen 1950 en 1956 heeft betaald. Menigeen meent dat Nederland zijn naoorlogse wederopbouw louter aan de Marshallhulp te danken heeft, de Indonesische bijdrage pleegt men over het hoofd te zien.”

Dekoloniale historici moeten de terugbetaling aan Indonesië van deze gelden op de onderzoeksagenda zetten. Daarnaast moeten ze uitrekenen hoeveel de Nederlanders hun koloniën schuldig zijn aan herstelbetalingen. KUKB heeft rechtszaken gevoerd en gewonnen namens weduwen en kinderen van Indonesiërs wier mannen en vaders tijdens de dekolonisatieoorlog zijn geëxecuteerd. Ze kunnen aanspraak maken op een vergoeding van € 5.000, mits de aanspraak gegrond is. De vergoeding is inclusief de kosten die gemaakt moeten worden om de aanvraag in te dienen.

Vergelijk dat met dit bericht van 15 oktober 2020: “Staatssecretaris Paul Blokhuis (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) heeft 20,4 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de Indische gemeenschap en is in gesprek met de gemeenschap over hoe dit geld het beste besteed kan worden… Het extra geld is bedoeld voor de komende drie jaar. In 2020 is 2,4 miljoen beschikbaar, in 2021 15,7 miljoen en in 2022 is er 2,6 miljoen euro. Vanaf 2023 is er 0,7 miljoen euro structureel extra beschikbaar.”

Je krijgt plaatsvervangende schaamte als je het bedrag van € 5.000 hoort als je kijkt naar wat Indonesië aan Nederland heeft betaald en wat de Indische gemeenschap hier heeft gekregen.

Sandew Hira

Den Haag, 17 februari 2022

Als witte mensen koloniale geschiedenis schrijven – deel 2

Reybrouck, D. van (2010): Congo. Een geschiedenis. De Bezige Bij. Amsterdam.

In de vorige aflevering van deze serie heb ik het boek van David van Reybrouck over Indonesië behandeld. Daarin stel ik dat hij een vertegenwoordiger is van een nieuwe stroming witte (linkse) intellectuelen die erkennen dat kolonialisme verkeerd was, maar die niet kunnen loskomen van hun Eurocentrische framing van kolonialisme. Gold dat voor het  verhaal van Indonesië. Het geldt des te sterker voor zijn verhaal over Congo, een ex-koloniale van België, de vaderland van Van Reybrouck.

Onafhankelijke journalistiek

Van Reybrouck begint zichzelf in bescherming te nemen met een claim van onafhankelijkheid: “Het was voor mij van meet af aan duidelijk dat dit boek, als breed gebaar, makkelijker tot stand kon komen indien ik niet gebonden was aan een universitaire instelling. De vrijheid van het schrijverschap was me meer waard dan de zekerheid van een academische aanstelling. Voor de financiering besloot ik de regel van Amnesty International te hanteren, namelijk geen geld te aanvaarden dat rechtstreeks van overheden kwam.” (p. 588-589.) Wat nu als het geld niet rechtstreeks, maar indirect van de overheid komt. Ben je dan nog onafhankelijk? Hij noemt zijn financiers waaronder het Vlaams Fonds voor de Letteren, het Nederlands Letterenfonds en het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Het Vlaams Fonds voor de Letteren krijgt volgens haar jaarverslag 7 miljoen euro subsidie van de Belgische overheid. Het Nederlandse Letterfonds krijgt 17 miljoen euro subsidie van de Nederlandse overheid. Het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten wordt grotendeels gefinancierd door het Nederlandse ministerie van OCW (0,5 miljoen euro).

Als je geen claim legt op onafhankelijkheid, dan doet deze informatie er niet aan toe. Als je dat wel doet, leg dan maar eens uit hoe je onafhankelijkheid wel of niet beïnvloedt wordt als je onderzoek indirect door de overheid is gefinancierd.

Het verhaal van de Belgische Hitler: koning Leopold

Het Belgisch kolonialisme in de Congo is één van de meest wrede misdaden tegen de menselijkheid. Die misdaden zijn uitgebreid gedocumenteerd. De vergelijking van Leopold met Hitler is zeer op zijn plaats. Aan die vergelijking zal Van Reybrouck zich nooit wagen. Daarvoor zit het eurocentrisme veel te diep in hem.

Op YouTube kun je video’s vinden met vreselijke beelden van die misdaden, die te vergelijken zijn met de Joodse Holocaust. De witte progressieve Amerikaanse historicus Adam Hochschild heeft in 1998 een boek gepubliceerd met de titel “King Leopold’s Ghost. A Story of Greed, Terror, and Heroism in Colonial Africa“. (Houghton Mifflin Company. Boston/New York). Daarin beschrijft hij heel gedetailleerd en zeer goed gedocumenteerd hoe de Belgische Hitler Koning Leopold verantwoordelijk was voor de daling van de bevolking van Congo van 20 naar 10 miljoen tussen 1880 en 1920. Ter vergelijking: de Duitse bezetting van België heeft geleid tot een kleine stijging in het bevolkingsaantal, van 8.301.000 in 1940 naar 8.339.000 in 1945.

Hochschild beschrijft hoe het systeem van genocide systematisch werd ontwikkeld zodat een paar duizend witte mannen een bevolking van 20 miljoen genadeloos konden onderdrukken en uitbuiten.

Ten eerste, de meest moderne wapens (mitrailleurs, geavanceerde geweren) vervingen de oude musketten. Ten tweede, de ontwikkeling van een geavanceerd medische systeem voor witte mensen, met name voor malariabestrijding, waardoor hun sterfte als gevolg van ziekte aanzienlijk verminderde. Ten derde, de stoomboot en de aanleg voor lange spoorlijnen die het mogelijk maakte om grote delen van het land snel onder controle te krijgen.

Hochschild geeft voorbeelden van de misdaden van Leopold.

“White traders and state officials were kidnapping African women and using them as concubines. White officers were shooting villagers, sometimes to capture their women, sometimes to intimidate the survivors into working as forced laborers, and sometimes for sport. “Two Belgian Army officers saw, from the deck of their steamer, a native in a canoe some distance away…. The officers made a wager of £5 that they could hit the native with their rifles. Three shots were fired and the native fell dead, pierced through the head.” (Hochschild, A. (1998), p. 119)

“Hostage-taking set the Congo apart from most other forced-labor regimes. But in other ways it resembled them. As would be true decades later of the Soviet gulag, another slave labor system for harvesting raw materials, the Congo operated by quotas. In Siberia the quotas concerned cubic meters of timber cut or tons of gold ore mined by prisoners each day; in the Congo the quota was for kilos of rubber. In the A.B.I.R. concession company’s rich territory just below the Congo River’s great half-circle bend, for example, the normal quota assigned to each village was three to four kilos of dried rubber per adult male per fortnight—which essentially meant full-time labor for those men. Elsewhere, quotas were higher and might be raised as time went on…

Wherever rubber vines grew, the population was tightly controlled. Usually you had to get a permit from the state or company agent in order to visit a friend or relative in another village. In some areas, you were required to wear a numbered metal disk, attached to a cord around your neck, so that company agents could keep track of whether you had met your quota. Huge numbers of Africans were conscripted into this labor army: in 1906, the books of A.B.I.R. alone, responsible for only a small fraction of the Congo state’s rubber production, listed forty-seven thousand rubber gatherers.” (Hochschild, A. (1998), p. 173-174)

“Like the hostage-taking, the severing of hands was deliberate policy, as even high officials would later admit. ‘During my time in the Congo I was the first commissioner of the Equator district,’ recalled Charles Lemaire after his retirement. ‘As soon as it was a question of rubber, I wrote to the government, ‘To gather rubber in the district … one must cut off hands, noses and ears….

If a village refused to submit to the rubber regime, state or company troops or their allies sometimes shot everyone in sight, so that nearby villages would get the message. But on such occasions some European officers were mistrustful. For each cartridge issued to their soldiers they demanded proof that the bullet had been used to kill someone, not “wasted” in hunting or, worse yet, saved for possible use in a mutiny. The standard proof was the right hand from a corpse. Or occasionally not from a corpse. ‘Sometimes,’ said one officer to a missionary, soldiers ‘shot a cartridge at an animal in hunting; they then cut off a hand from a living man.’ In some military units there was even a ‘keeper of the hands’; his job was the smoking.'” (Hochschild, A. (1998), p. 175-176)

Deze verhalen zul je niet aantreffen in het boek van Van Reybrouck. Maar dit is de essentie van het Belgisch kolonialisme in Congo. Het deed niet onder voor Hitler’s moordmachine.

Het verhaal van Lumumba

Het verhaal van Congo is niet alleen het verhaal van de genocide door de Belgen. Het is ook het verhaal van een iconisch Afrikaanse leider: Patrice Lumumba. Een Pan Africanist. Een charismatische leider die zijn land en volk naar de onafhankelijkheid leidde. Zijn onafhankelijkheidsspeech was een historische speech. In het bijzijn van koning Boudewijn, een nazaat van Leopold II, hield Lumumba een speech die een antwoord was op een koloniale speech van Boudewijn. Boudewijn begon met een belediging aan het adres van de Congolezen: “De onafhankelijkheid van Congo is het eindresultaat van het werk dat is ingezet met de uitzonderlijke persoonlijkheid van koning Leopold II.” Hij vervolgt zijn belediging: “Toen Leopold II het grote werk aanvatte dat vandaag zijn bekroning vindt, is hij niet naar hier gekomen als veroveraar maar als brenger van de beschaving.” Hij concludeert: “Breng de toekomst niet in het gedrang door haastige hervormingen, en vervang de instellingen niet die België u overdraagt, zolang u niet zeker bent er betere te kunnen maken.”

Lumumba richt zich niet op de koning van België, maar op de vrijheidsstrijders van Congo: “Victorious independence fighters, I salute you in the name of the Congolese Government. I ask all of you, my friends, who tirelessly fought in our ranks, to mark this June 30, 1960, as an illustrious date that will be ever engraved in your hearts, a date whose meaning you will proudly explain to your children, so that they in turn might relate to their grandchildren and great-grandchildren the glorious history of our struggle for freedom. Although this independence of the Congo is being proclaimed today by agreement with Belgium, an amicable country, with which we are on equal terms, no Congolese will ever forget that independence was won in struggle, a persevering and inspired struggle carried on from day to day, a struggle, in which we were undaunted by privation or suffering and stinted neither strength nor blood. It was filled with tears, fire and blood. We are deeply proud of our struggle, because it was just and noble and indispensable in putting an end to the humiliating bondage forced upon us. That was our lot for the eighty years of colonial rule and our wounds are too fresh and much too painful to be forgotten.”

De Belgen met Boudewijn voorop vonden zijn speech opruiend. In plaats van de kolonisator te bedanken klaagde hij hen aan op een internationaal podium. De internationale pers was aanwezig.

Dat zouden de Belgen hem nooit vergeven. Op 30 juni 1960 riep Congo haar onafhankelijkheid uit met Lumumba als eerste premier. Direct daarna begon de destabilisatie van zijn regime door de Amerikanen en de Belgen. Die mondde uit in een coup op 24 september 1960 georganiseerd door de CIA met Joseph-Désiré Mobutu als militaire leider. Lumumba werd gearresteerd. Lumumba werd door Mobutu gearresteerd. Op 17 januari 1961 werden hij en twee medestanders door een executiepeloton onder leiding van de Belgische legerofficier Julien Gat vermoord. Hun lichamen werd in zwavelzuur opgelost.

De Belgische genocide in de Congo, de onafhankelijkheidsspeech van Lumumba en CIA coup en de moord op Lumumba zijn diep gegrift in het geheugen van de volkeren die strijden voor dekolonisatie. Ze vormen de kern van het dekolonisatieproces van Congo.

Hoe behandelt Van Reybrouck dit proces?

Keuvelen over kolonialisme.

De stijl van Van Reybrouck is niet die van een serieuze onderzoeksjournalist, hoewel hij die indruk wil wekken. Het is de stijl van anekdotische journalistiek. Je verzamelt verhalen van Jantje, Pietje en Marieke. Je presenteert als hun verhalen, terwijl je narrative construeert waarin die verhalen naadloos passen, Het is de narrative van keuvelen over kolonialisme.

Het begint al bij de intro van het boek waarin de geschiedenis van Congo als volgt wordt samengevat: “Van 1885 tot 1908 werd het land bestierd door koning Leopold II, die een fortuin verdiende met de exploitatie van rubber.” (p. 2) Hoe verzinnen ze het? Leopold is niet rijk geworden door diefstal van land en grondstoffen, door misdaden tegen de menselijkheid, door onderdrukking en uitbuiting. Nee, hij is rijk geworden door rubber!

De brute bezetting van Congo België heeft bij Van Reybrouck: “In 1885 kwam  het gebied in handen van de Belgische vorst Leopold II.” (p. 20). Hou zouden de Belgen de Duitse bezetting van hun land omschrijven. Als een bezetting toch? België kwam niet in  handen van de Duitsers. België werd bezet door de Duitsers.

Van Reybrouck hanteert het Eurocentrisch concept van kolonialisme als een ontdekkingsreis: “Rond het midden van de eeuw was de ontdekkingskoorts in Europa  uitgebroken. Kranten en geografische genootschappen daagden avonturiers uit om  bergmassieven te verkennen, waterlopen te beschrijven en oerwouden in kaart te  brengen.” (p. 43). Het komt niet in zijn eurocentrische geest op om de vraag te stellen: wie geeft jou het recht om een land te bezetten dat niet van jou is en in kaart te brengen wat je kunt stelen.? Het Eurocentrisme zit diep geworteld in de geest van Van Reybrouck. Dat blijkt uit zijn conceptualisering van kolonialisme, maar ook uit zijn terminologie. Hij noemt de Congolezen steevast inlanders. Over Stanley Livingstone die Congo “ontdekt”: “Een week later vroeg Stanley voor de zoveelste maal aan een inlander [!] op de oever hoe de rivier heette.” (p. 45). “Inlanders moesten het oerwoud in om rubberlianen in te kerven, het sap op te vangen en rudimentair te bewerken tot kleverige hompen.” (p. 101). “In 1910 stipuleerde een decreet dat elke inlander tot een chefferie of sous-chefferie behoorde.” (p. 120). “Als het schandaal van de Vrijstaat iets had duidelijk gemaakt, dan was het wel het totale gebrek aan kennis van de inlandse cultuur.” (p. 123). “De schoorvoetende pogingen om het lot van de inlander te verbeteren door betere huisvesting bij de mijnen of door grootschalige campagnes tegen de slaapziekte, werden op de lange baan geschoven.” (p. 123). En dat zo maar door en door, zonder enige gevoel van schaamte. Hoe zouden de Belgen zich voelen als ze in plaats van met een nationaliteit (Belg) aangesproken zouden worden met de beledigende term inlander?

Belgische genocide heeft niet bestaan

Van Reybrouck moet natuur de kwestie van genocide adresseren. Hij schrijft over Hochschild die dat uitgebreid heeft gedocumenteerd: “Het debat over de Congo-Vrijstaat wordt al meer dan een decennium gedomineerd door het boek van Adam Hochschild, De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo (Amsterdam, 1998). Het had als verdienste een groot publiek in te lichten over de misstanden in Congo en academische kennis toegankelijk en spannend te maken. Helaas dreef het meer op een talent voor verontwaardiging dan voor nuance; zijn perspectief bleek meermaals erg manicheïstisch.” (p. 599). Geen enkele poging om de feiten die Hochschild aandraagt te weerleggen. Gewoon van tafel vegen met de kwalificatie “manicheïstisch”.Manicheïsme is  een openbaringsreligie uit de late oudheid en vroege middeleeuwen. Kortom, onzin dus. En zijn tegenargumenten? Die geeft hij niet. Wel bagatelliseert hij de genocide als volgt: “In Europa tekende men vanaf 1900 luid protest aan tegen de Belgische vorst die handen liet afhakken. Enkele foto’s van Congolezen met een stompje aan de arm gingen de wereld rond. Daardoor ontstond de wijdverbreide misvatting dat men in Congo op grote schaal de hand van levenden afhakte. Dat gebeurde, maar minder systematisch dan doorgaans wordt aangenomen. De grootste schande van Leopolds rubberpolitiek was niet dat er van doden handen werden afgehakt, maar dat er zo lichtzinnig werd gemoord. Lijkverminking was een secundair effect.” (p. 103-104). Je zou verwachten dat deze misvatting werd onderbouwd met feiten. Feiten bij Van Reybrouck. Ho maar! Hij verzamelt geen feiten, maar lichtzinnige anekdotes. Handen afkappen was lijkverminking, want het gaat om doden mensen. Maar YouTube heeft filmpjes van levende Congolezen wier handen zijn afgehakt. Iedereen kan die video’s bekijken, ook Van Reybrouck.

En als je toch over moorden hebt: “Er was meer dan geweld van Afrikanen op Afrikanen. Het bloed vloeide niet alleen onder aan de piramide van de macht.”, aldus Van Reybrouck in het klassieke Eurocentrische beeld van Afrika. (p. 104). En eigenlijk moeten we meer medelijden hebben met de witte mensen dan met de zwarte: “Het gros van de Belgen dat in Congo zijn geluk ging beproeven kwam uit de provinciestadjes en de lagere burgerij. Velen waren in het leger geweest en hadden zin in avontuur, roem en fortuin. Maar eenmaal in Congo belandden ze vaak moederziel alleen op verafgelegen posten in een moordend klimaat. De hitte en de vochtigheid waren onverbiddelijk, de koortsaanvallen frequent. Nog steeds wist men niet dat malaria werd overgedragen door muggen. Zo’n jongeman in de bloei van zijn leven kon ’s nachts zonder reden wakker worden, badend in het zweet, ijlend, rillend, denkend aan al die andere blanken die waren gecrepeerd. Hij hoorde een oerwoud vol vreemde geluiden, herinnerde zich flarden van bitse gesprekken met een dorpshoofd overdag, dacht terug aan de schichtige blikken van mensen die rubber moesten verzamelen, aan het venijnig gesis in hun onbegrijpelijke taal. In zijn koortsige visioenen tussen waken en slapen passeerden de blikkerende ogen vol achterdocht, de brede, glimmende ruggen bedekt met tatoeages, en de prille borsten van een jong, inlands meisje dat naar hem had gelachen.“(p. 106). Hij citeert een Britse baptist George Grenfell om zijn punt kracht bij te zetten: “Gelet op het aantal eenzame posten dat blanke alleenstaande mannen bezetten met slechts een handjevol inheemse soldaten te midden van half onderworpen en vaak wrede en bijgelovige volkeren, hoeft het niet te verbazen dat meer waanzin aan het daglicht zal komen. Maar het is het systeem dat veroordeeld moet worden, meer dan het arme individu dat, overweldigd door koorts en angst, de controle over zichzelf verliest en zich te buiten gaat aan vormen van intimidatie om zijn autoriteit hoog te houden.” (p. 106).

Om het nog duidelijker te stellen: “Het is grotesk om in deze context van een ‘genocide’ of ‘holocaust’ te gewagen, want een genocide veronderstelt een bewuste, geplande vernietiging van een specifieke bevolkingsgroep en dat was hier nooit de bedoeling, noch het resultaat. En de term holocaust is voorbehouden aan de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. Maar het was wel een hecatombe, een slachting op een ongelooflijke schaal die niet bedoeld was, maar wel veel sneller begrepen had kunnen worden als collatoral damage van een perfide, roofzuchtige exploitatiepolitiek, een offer op het altaar van het ziekelijk winstbejag.” (p. 108.)

Als je over genocide praat, dan praat je over herstelbetalingen, over een misdaad tegen de menselijkheid. Daarvoor moet Van Reybrouck met zijn boek waken en de Belgische regering en het koningshuis krampachtig beschermen. Of hij nou direct of indirect gesubsidieerd wordt, maakt niet uit.

Net als koning Boudewijn breekt Van Reybrouck een lans voor de beschavingsmissie van het Belgisch kolonialisme: “Tijdens de Vrijstaat kwam de plaatselijke bevolking voor het eerst in contact met diverse facetten van de Europese aanwezigheid. Anno 1908 gingen circa zestienduizend kinderen naar school bij de missies, naar schatting dertigduizend mensen waren gealfabetiseerd, zesenzestigduizend mensen waren in het leger geweest en zo’n tweehonderdduizend hadden zich laten dopen. Honderdduizenden hadden, rechtstreeks of indirect, met de rubberpolitiek te maken gehad. Miljoenen waren door de slaapziekte en andere besmettelijke aandoeningen geveld. En Disasi Makulo had het andermaal van nabij meegemaakt. Hij was betrokken geweest in de ivoorhandel toen die nog vrij was, hij was boy geworden van een beroemde Britse missionaris, hij had talloze verkenningstochten op diens stoombootje meegemaakt, hij had de verweving van missie en staat letterlijk aan den lijve ondervonden toen hij op expeditie met Grenfell een uniform van de Force Publique kreeg aangemeten, hij had zich laten dopen, had een meisje uit een totaal ander gebied gehuwd, zwoer bij monogamie en het kerngezin, kritiseerde het traditionele dorpsleven en was ten slotte catechist geworden om zijn eigen regio te kunnen kerstenen.” (p. 111). En nergens stelt zijn Eurocentrische geest de vraag: wie heeft je gevraagd om de Congolezen te gaan beschaven? Wie heeft je dat recht gegeven?

Van Reybrouck raakt niet uitgesproken over al het goede dat het Belgisch kolonialisme de Congo heeft gebracht: “De staat, dat was in 1885 een eenzame blanke die aan het hoofd van je dorp vroeg om een blauwe vlag te laten wapperen. De staat, dat was in 1895 een beambte die je kwam opvorderen als drager of soldaat. De staat, dat was in 1900 een zwarte soldaat die kwam bulderen en schieten in je dorp naast enkele manden rubber. Maar in 1910 was de staat een zwarte assistent-verpleegkundige die op het dorpsplein de lymfeklieren in je hals betastte en zei dat het goed was. … Het koloniaal bewind wilde al vroeg beginnen met een grootschalig medisch bevolkingsonderzoek, koning Albert maakte er meer dan een miljoen Belgische frank voor vrij, maar de Eerste Wereldoorlog vertraagde het proces. Vanaf 1918 echter trokken gezondheidsteams van Belgische artsen en Congolese verplegers naar de dorpen en werden vele honderdduizenden onderzocht”. (p. 121.)

Dit soort verhalen moet de vraag wegdrukken: “Wanneer ge je terugbetalen wat je gestolen hebt?”

Lumumba en de onafhankelijkheidsstrijd

Net als Koning Boudewijn heeft Van Reybrouck grote moeite met de zwarte leider Lumumba. Dit is de visie van een witte Belg Van Reybrouck op de onafhankelijkheidstrijd: “In 1955 droomde nog geen enkele inheemse organisatie van een onafhankelijk Congo. Vijf jaar later was die politieke autonomie een feit. Die snelheid verblufte zowat iedereen, niet in het minst de Congolezen zelf. Het Belgische kolonialisme waaraan ze waren onderworpen, was immers doordrongen van de idee van geleidelijkheid. Stap voor stap zou Congo onttrokken worden aan zijn archaïsche oorsprong om de moderniteit te betreden. Wat de Belgen betrof was het einddoel nog lang niet in zicht. Ja, het land was sinds de Tweede Wereldoorlog op de goede weg, maar het ‘beschavingswerk’ was nog niet eens halverwege. ‘Onafhankelijkheid?’ snoof missionaris van het Heilig Hart en toekomstig aartsbisschop Petrus Wijnants in 1959 tegen zijn gelovigen. ‘Misschien binnen vijfenzeventig of in elk geval niet binnen vijftig jaar!’1 Het zou anders lopen. Geleidelijkheid maakte plaats voor een stormloop, bedaagdheid voor chaos.” (p. 245). Dit is de visie van de zwarte Congolees Lumumba: “Congolese will ever forget that independence was won in struggle, a persevering and inspired struggle carried on from day to day, a struggle, in which we were undaunted by privation or suffering and stinted neither strength nor blood. It was filled with tears, fire and blood. We are deeply proud of our struggle, because it was just and noble and indispensable in putting an end to the humiliating bondage forced upon us. That was our lot for the eighty years of colonial rule and our wounds are too fresh and much too painful to be forgotten.” Het begon niet in 1955, maar tachtig jaar eerder.

Van Reybrouck kan de Congolezen niet vergeven dat ze voor onafhankelijkheid hebben gestreden. Hij laat Congolezen opdraven in zijn geconstrueerd verhaal die  vertellen hoe graag ze nog door de Belgen gekoloniseerd hadden willen worden: “Wat toen een reactionair standpunt leek, is anno 2010 een alom gehoorde verzuchting in Congo, een verzuchting aangewakkerd door alle recente misère. Veel jongeren verwijten hun ouders dat ze destijds per se die onafhankelijkheid wilden. Op straat in Kinshasa vroeg iemand me eens: ‘Hoe lang gaat die onafhankelijkheid van ons nu nog duren?’ Als Belg heb ik het talloze keren moeten aanhoren: ‘Wanneer komen de Belgen terug? Jullie zijn toch onze nonkels?’ Vaak was dat bedoeld als vleierij, soms stak er meer achter. Zelfs Albert Tukeke, de man uit Kisangani die een verre verwant was van Lumumba, zei op het eind van ons gesprek: ‘We hadden niet zo snel onafhankelijk moeten worden. Maar na de oorlog, weet u… er was die drang. Als het niet zo overhaast was gegaan, hadden we al die tekortkomingen niet gekend.’” (p. 274.) Hij concludeert: “Dansend van onwetendheid begaf het land zich naar de afgrond van de onafhankelijkheid.” (p. 283)

Van Reybrouck gaat tekeer tegen Lumumba. Refererend aan de speech van Lumumba begint hij met de vaststelling: “Het is een misvatting te menen dat heel Congo juichte om de gedurfde woorden van zijn premier. Veertien miljoen mensen denken zelden hetzelfde.” (p. 295). Een waarheid als een koe, toch? En nou komt het: hoeveel waren er tegen. 1, 10, 100, 10.000, 100.000 op een bevolking van 14 miljoen. Is 100.000 veel of weinig. En is 13,9 miljoen mensen die voor onafhankelijkheid zijn, veel of weinig? En wie waren ze? Waren dat vertegenwoordigers van een strijdend volk of gewone house negroes? Als je een serieuze onderzoeksjournalist bent, dan stel je deze vragen. Als je wilt keuvelen over kolonialisme met een wijntje of biertje, dan hoef je dat niet te doen.

Van Reybrouck noemt de speech van Lumumba opruiend, net als zijn koning Boudewijn: “Tijdens het eerste bedrijf van Congo’s onafhankelijkheid was Patrice Lumumba de onbetwiste spilfiguur. Na zijn opruiende speech bij de overdrachtsceremonie waren alle ogen op hem gericht. Toen het doek van het Congolese drama opging, was hij een dynamische volkstribuun die aanbeden werd door tienduizenden kleine luiden. Slechts enkele scènes later werd hij al veracht, bespuwd en gedwongen om een kopie van zijn speech op te eten.” (p. 304). Van Reybrouck verwijst met leedvermaak naar de arrestatie van Lumumba: “Op 1 december hielden de militairen van Mobutu Lumumba en zijn gevolg aan terwijl ze nabij Port Francqui de Sankuru probeerden over te steken. Lumumba werd overgevlogen naar het kamp Hardy bij Thysville, de kazerne waar enkele maanden eerder het leger was gaan muiten. Vanaf dat moment genoot Lumumba niet langer de bescherming van de vn, maar was hij een gevangene van het regime in Léopoldville. Toen hij er aankwam, zonder bril en vastgebonden, stopte iemand hem een prop papier in de mond: de tekst van zijn beroemde speech.” (p. 327-328)

Van Reybrouck probeert op een klungelige manier de schuld van de moord op Lumumba weg te schuiven van België en Amerika naar hun handlangers in Congo: “Het besluit om Lumumba over te brengen naar Katanga was een gezamenlijk plan van de autoriteiten in Léopoldville, hun Belgische raadgevers en de autoriteiten in Brussel; maar het besluit om Lumumba te vermoorden werd genomen door de Katangese autoriteiten.” (p. 329).

Maar de verantwoordelijkheid van Amerika en België is uitgebreid gedocumenteerd. Zie o.a. Gerard, E. and Kuklick, B. (2015): Death in the Congo. Murdering Patrice Lumumba. Harvard Univ. Press. Cambridge. Zie ook de vele video’s op Youtube waaronder deze.

De klungelige aanpak van Van Reybrouck om de Belgische verantwoordelijkheid voor de moord op Lumumba te verhullen blijkt uit deze passage waarin zijn voorgaande  bewering tegenspreekt: “De moord op Lumumba werd een tijd lang stilgehouden. Om alle sporen uit te wissen groef Gerard Soete, de Belgische adjunct-inspecteur-generaal van de Katangese politie, kort nadien het stoffelijk overschot van de drie slachtoffers op. Naar verluidt stak er nog een hand, mogelijk die van Lumumba, uit de grond.50 Soete zaagde de lichamen in stukken en loste ze op in een vat zwavelzuur. Uit Lumumba’s bovenkaak trok hij twee met goud bezette tanden. Van zijn hand sneed hij drie vingers af.51 In zijn huis bij Brugge bewaarde hij jarenlang een doosje dat hij soms aan bezoekers liet zien. Het bevatte de tanden en een kogel.52 Vele jaren later gooide hij ze in de Noordzee.” (p. 329-330).

Wat doet deze Belg bij de moordpartij? Hoe komt hij daar terecht. Een onderzoeksjournalist stelt zulke vragen. Een huis-tuin-en-keukenjournalist doet niet.

Conclusie

Het boek van Van Reybrouck over Congo is het resultaat van een volledig gekoloniseerde en Eurocentrische geest, die maar niet kan accepteren dat zwarte mensen gewoon met respect willen worden behandeld. Ze weigeren te accepteren dat witte mensen het recht hebben om hen te beschaven, om hun land te bezetten en voor hen te bepalen wanneer ze wel of niet onafhankelijk mogen worden. De geschiedenis van de Congo moet gedekoloniseerd worden. En een fundamentele kritiek op dit boek is daar onderdeel van.

 

Sandew Hira

Den Haag 3-2-2022