Als witte mensen koloniale geschiedenis schrijven – deel 1

Reybrouck, D. van (2020): Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld. De Bezige Bij. Amsterdam.

Veel witte historici en de door hen getrainde house negroes hebben moeite met de koloniale geschiedenis. Je hebt de klassieke racisten zoals Pieter Emmer en de house negro R.A.J. van Lier. Hun “wetenschappelijke” betogen zijn doorspekt van onvervalst racisme over de superioriteit van de westerse cultuur en de inferioriteit van de niet-westerse. Dan heb je de categorie historici die van slachtoffers van het kolonialisme misdadigers maken en van misdadigers slachtoffers. Gert Oostindie is zo een type. In zijn boek Soldaat in Indonesië 1945-1950. Getuigenissen van een oorlog aan de verkeerde kant van de geschiedenis zijn de Indonesiërs de bad guys. Ze kunnen geen objectieve geschiedenis schrijven. Nederlanders hebben zich schuldig gemaakt aan excessief geweld, maar de Indonesiërs hebben dat in grotere mate gedaan, vooral tijdens de bersiap. Zijn boek is “een eerbetoon” aan de Nederlandse soldaten die in Indonesië de onafhankelijkheidsstrijd met grof geweld hebben willen neerslaan. Het kan ook gelezen worden als aan aanklacht tegen de Indonesische vrijheidsstrijders. Dit soort historici is in diskrediet geraakt vanwege de opkomst van de Black Lives Matter jongerenbeweging en de beweging voor dekolonisatie.

Nu is er een derde categorie historici in opkomst. Ze spelen in op de nieuwe sociale bewegingen. Ze erkennen dat kolonialisme verkeerd was, maar kunnen maar niet loskomen van hun Eurocentrische framing van kolonialisme. Dat levert verhalen met tegenstrijdigheden op. Aan de ene kant worden onvervalste koloniale redeneringen opgehangen over kolonialisme. Aan de andere kant wordt het kolonialisme afgekeurd. Als ze kritiek krijgen van de dekoloniale beweging, zeggen ze: “kijk naar die en die formulering; daaruit blijkt dat ik tegen het kolonialisme ben.” Als ze kritiek krijgen van dat ze anti-westers zijn, zeggen ze “kijk naar die en die formulering, daaruit blijkt dat ik niet anti-westers zijn.”

David van Reybrouck valt in deze categorie. Zijn boek Revolusi heeft een titel die anti-koloniale jongeren moet aanspreken. Hij laat mensen aan het woord die het kolonialisme bekritiseren. Maar hij kan maar niet loskomen van zijn Eurocentrische vooroordelen. Zie enkele voorbeelden.

Hij beschrijft de koloniale bezetting van Indonesië en de onafhankelijkheidsstrijd als volgt:Na bijna drieënhalve eeuw Nederlandse aanwezigheid (1600-1942) en drieënhalf jaar Japanse bezetting (1942-1945) gaven enkele plaatselijke leiders te kennen dat ze voortaan als soevereine staat verder zouden gaan.” (p. 14-15).

De Japanse bezetting noemt hij een bezetting. De Nederlandse bezetting noemt hij “aanwezigheid”. Dat klinkt echt anders dan bezetting. Het is vergoelijkend. De onafhankelijkheidsstrijd is geen strijd van een volk, maar van plaatselijke leiders. Hoe denigrerend wil je het hebben. Tussen 1825-1830 voerde de bevolking van Java een bevrijdingsoorlog tegen de Nederlandse bezetter. Van Reybrouck beschrijft het als volgt: “De Java-oorlog was de laatste poging van de oude Javaanse aristocratie om buitenlandse overheersing tegen te gaan.” (p. 60) Het gaat niet om de vrijheidsstrijd van een volk, maar om de belangen van een elite. Stel je voor dat de strijd tegen de Duitse bezetting van Nederland werd gepresenteerd als een strijd van de oude Nederlandse monarchie in plaats als een strijd van een volk. Hoe zou dat vallen in Nederland? Als het over Java gaat, dan kun je het wel doen. Dat is een deel van hoe je geschiedschrijving koloniseert.

Hij heeft van dit soort terminologie. De kolonisatie met bloedige moordpartijen worden eufemistisch genoemd: “De hele archipel werd onder Nederlands gezag gebracht.” (p. 70). Klinkt anders dan “ De hele archipel werd onder brute Nederlands bezetting gebracht .”

De onafhankelijkheidsproclamatie vond hij te vroeg: “Die proclamatie kwam niet alleen erg vroeg, ze was ook nog eens erg jong. Ze werd gedragen en verdedigd door een hele generatie van vijftien- tot vijfentwintigjarigen die bereid waren te sterven voor hun vrijheid… Ik mag hopen dat de jeugdige klimaatactivisten minder gewelddadige tactieken hanteren.” (p. 15).

Van Reybrouck kan de vraag niet beantwoorden die Jeffry Pondaag stelt:Waar haalt Nederland het recht vandaan om een gebied dat 18.000 kilometer verderop ligt als Nederlands bezit te beschouwen?” Als je die vraag beantwoordt, dan weet je dat voor geen enkel volk vrijheid “te vroeg” komt. Als je onderdrukt en uitgebuit wordt, wanneer is bevrijding dat te vroeg? En als de bezetter je met geweld onderdrukt (niet met aardige woorden), waarom is tegengeweld dan zo verachtelijk? Voor Europeanen was het geen probleem om twee atoombommen te gooien op Japan om voor hun vrijheid te vechten.

In het algemeen blijft Van Reybrouck binnen de Eurocentrische kaders. De koloniale reizen om land te bezetten vanwege specerijen noemt hijOntdekkingsreizen”(Kaart 8, p. 37). De Verenigde Oost-Indische Compagnie noemt hij niet een instituut uit de georganiseerde misdaad (slavernij, moord, diefstal) zoals dekoloniale historici zouden doen, maar een “roemruchte” organisatie die tweehonderd jaar heeft bestaan (p. 42). De Van Dale omschrijft roemrucht als “vermaard, beroemd”, positief dus. De VOC wordt door hem gepresenteerd als een normaal bedrijf. Jan Pieterszoon Coen wordt beschreven als het “hoofd van de Nederlandse operaties in Azië” (p. 46), en niet als het hoofd van een misdaadkartel, want kolonialisme is in zijn ogen geen misdaad, maar een normale onderneming. Coen wilde uit de forten die op de eilanden werden gebouwd en vervolgens werden gebruikt om strijd te voeren tegen Engelse concurrenten een centrale locatie hebben van waaruit de koloniale bezetting moest worden opgebouwd. Van Reybrouck stelt de vraag: Hoe moest uit deze lege, verkoolde en nasmeulende puinhoop een bloeiende draaischijf voor de wereldhandel ontstaan?” (p. 46) De misdaad van slavernij wordt beschreven in termen van een “bloeiende handel”. Bloeiend voor wie? Voor de tot slaafgemaakte Aziaten die gratis en onder brute dwang moesten werken voor de VOC? Van Reybrouck beschrijft de misdadiger als een legitieme ondernemer. Het is alsof je over Pablo Escobar spreekt niet in termen van de drugshandelaar, maar in termen van een handelaar. Escobar de ondernemer.

Geheel in lijn met de Eurocentrische visie op geschiedenis presenteert Van Reybrouck Napoleon Bonaparte als een geweldige progressieve leider. Van Reybrouck: “Napoleon zag zich als erfgenaam van liberté, égalité, fraternité?” (p. 57). Hij vertelt enthousiast over zijn goede daden: de aanleg van wegen en vaarroutes, hij vond onderwijs belangrijk, hij had een hekel aan feodalisme, hij had Frankrijk in departementen en prefecturen opgedeeld en hij pleitte voor een rationeel beheer van de nationale economie. Wat Reybrouck verzwijgt is de ervaring van de gekoloniseerde met Napoleon.

De Franse revolutie van 1789 werd gevolgd door de Haïtiaanse revolutie die van 1791 tot en met 1804 en resulteerde in de afschaffing van de slavernij op Haïti. De ideeën van vrijheid, gelijkheid en broederschap was voor witte mensen bedoeld. Voor de Fransen, inclusief Napoleon gold de uitspraak van één van de leiders van de Franse revolutie over de totslaafgemaakten in de Franse koloniën: “We have not brought half-a-million slaves from the coasts of Africa to make them into French citizens”. In de woelige periode van de Franse revolutie werd de slavernij afgeschaft, maar toen Napoleon de macht greep herstelde hij op 20 mei 1802 bij wet slavernij in de Franse koloniën en ging hij volop de strijd aan om die ook in Haïti opnieuw in te voeren. Dat is niet gelukt. Haïti verklaarde de onafhankelijkheid op 1 januari 1804. Dit zijn de feiten van Napoleon. Van Reybrouck gebruikt de koloniale fantasieën om van Napoleon een held i.p.v. een misdadiger te maken.

Sterker nog. Hij schildert de verrichtingen van Herman Willem Daendels in soortgelijke termen. In 1806 had Napoleon Nederland ingelijfd. Daendels was een vurige bewonderaar van Napoleon. Hij voegde zich bij de Franse bezetter. Op 1 januari 1808 kwam hij als generaal aan in Batavia. Van Reybrouck is wild enthousiast over hem. Hij beschrijft de daden van deze kolonisator in geuren en kleuren: “Hij liet kazernes, kruithuizen, arsenalen en hospitalen bouwen, versterkte de haven van Surabaya en verlegde het centrum van Batavia enkele kilometers landinwaarts naar een gezondere leefomgeving. Maar dat was niet alles. Net zoals Napoleon op het Europese vasteland wegen en waterwegen had aangelegd om de Britse zeeblokkade te omzeilen, liet Daendels op Java van oost naar west een weg aanleggen, parallel aan de kust, om berichten en troepen sneller te kunnen verplaatsen: de Grote Postweg. Die indrukwekkende verbindingsweg van wel duizend kilometer lang was binnen een jaar voltooid. Naar schatting twaalfduizend dwangarbeiders kwamen bij de aanleg om. De reis van Batavia naar Semarang, bijvoorbeeld, werd ingekort van minstens tien tot drie of vier dagen. Tot op de dag van vandaag blijft die weg de belangrijkste verkeersader van Java. Napoleon had Frankrijk in departementen en prefecturen opgedeeld? Daendels deelde Java in negen prefecturen op. Napoleon zag zich als erfgenaam van liberté, égalité, fraternité? Daendels verbeterde het lot van de slaven. Napoleon vond onderwijs van belang? Daendels vond dat Javaanse kinderen naar school moesten. Napoleon had een hekel aan het feodalisme van het ancien régime? Daendels rekende af met de sultans en andere edellieden op het eiland. Napoleon pleitte voor een rationeel beheer van de nationale economie? Daendels saneerde de landbouw, de bosbouw en de waterhuishouding – er kwam zelfs een algemene inspectie van de koffieplantages. De ‘Napoleon van Batavia’ werd hij genoemd, met al zijn revolutionaire, maar ook dictatoriale neigingen. Wat Daendels op Java binnenbracht was niets minder dan de notie van de moderne staat. Cruciaal daarbij was zijn overtuiging dat alle grond in principe aan de staat toebehoorde. De nog resterende Javaanse vorstendommen met hun sultans en prinsen beschouwde hij als anachronismen, die de bevolking onderdrukten en de moderniteit tegenhielden. In Cirebon en Banten brak hij de macht van de adel. Hij trok zelfs naar Surakarta (de stad die ook bekendstaat als Solo, zoals uit sommige citaten nog zal blijken) en Yogyakarta, de twee Midden-Javaanse steden die uit het ooit zo machtige sultanaat van Mataram waren voortgevloeid en waar de lokale vorsten nog steeds een riante Nederlandse schenking genoten. Over de sultan van Yogyakarta schreef hij eigenhandig aan Napoleon: ‘Ik heb zijn kroon afgenomen en het bestuur aan een van zijn zonen toevertrouwd. (…) Ik heb van de gelegenheid gebruikgemaakt om enkele van zijn districten te annexeren en ik heb een soort tribuut van tienduizend piasters afgeschaft dat het gouvernement hem jaarlijks betaalde. Iets dergelijks werd ook betaald aan de keizer van Solo (de susuhunan van Surakarta) en ook dat heb ik afgeschaft. Ten slotte ben ik met de nieuwe sultan handels- en politieke relaties aangegaan die ons zeer grote voordelen moeten opleveren.”

Nergens stelt Van Reybrouck de vraag: “Wie geeft Daendels het recht om voor de Indonesiërs te bepalen hoe zij hun samenleving zouden moeten inrichten?” En wat houdt de verbetering van het lot van slaven in? Zeker niet de afschaffing van slavernij, want dat heeft hij niet gedaan. Van Reybrouck herhaalt hier de oude legitimatie van kolonialisme: kolonialisme is goed want het verheft en moderniseert een verouderde samenleving.

Van Reybrouck heeft – net als veel Nederlanders met een gekoloniseerde geest – duidelijk veel moeite met de strategie van de vrijheidsstrijders in Indonesië om de Japanse bezetting van Indonesië te gebruiken als een springplank naar onafhankelijkheid. Hij gebruikt een heel hoofdstuk (30 pagina’s) om de gruwelijke details van de twee jaar durende bezetting van Japan te beschrijving, met name wat de Japanners de Nederlanders hebben aangedaan. Als je dat evenredig zou doen met de Nederlandse bezetting (“aanwezigheid”) , die 350 jaar duurde, zou dat 5.100 pagina moeten beslaan.

In alle revoluties vinden er discussies en meningsverschillen plaats over strategie en tactiek. Vanuit een dekoloniale optiek was de strategie van Soekarno om de Japanse bezetters te gebruiken tegen de Nederlandse bezetters als een springplank naar onafhankelijkheid een correcte strategie. Van Reybrouck ziet dat niet zitten. Dat typeert zijn Eurocentrische bias. Hij beschrijft de tegenstelling tussen jongeren en de oudere leiders van de revolutie als volgt: “Terwijl Soekarno de verticale breuklijnen tussen de politieke facties zorgvuldig wegmasseerde, ontstond er een nieuwe, horizontale breuklijn die kolossaal zou worden: die tussen de ouderen en de jongeren. De belangrijkste politieke omwenteling van dat moment voltrok zich daarom buiten de muren van de deftige vergaderzaal waar de inlandse leiders zaten te roken en te oreren over grenzen en grondwetsontwerpen. Die vond plaats in de hoofden – en de lichamen – van vele duizenden tieners en prille twintigers voor wie de oudere generatie grotendeels had afgedaan. De jeugd voelde zich verraden door het eindeloze gedraal en gekruip van haar leiders. Leerkrachten, leden van de lagere clerus en de bestuursadel hadden allen meegedaan met het Japanse bestuur – als lesgever, militieleider, rijst-inner, romusha-ronselaar of wat dan ook. Wat had je aan dat soort lui? Zelfs de nationale kopstukken stelden teleur. Voor een vijftienjarige jongen uit Java was Soekarno een oudere man van 45 die al erg lang meeging en met de bezetter had geheuld.Dit is zoals de Nederlanders Soekarno beschrijven: iemand die met de Japanse bezetter had geheuld. Over de mensen die met de Nederlandse “aanwezigheid” hadden geheuld, hoor je niets.

Net als voor veel Nederlandse kolonialen is ook voor Van Reybrouck is de leider van de Indonesische revolutie een dubieuze figuur. Hij had geheuld met de “bezetter”.

Tot slot zien we ook bij Van Reybrouck de legitimatie van koloniaal geweld. Die legitimatie vindt plaats door het begrip “extreem geweld”, die Van Reybrouck “ongeoorloofd geweld” noemt. Extreem geweld mag niet, gewoon geweld mag wel. Er is geoorloofd en ongeoorloofd koloniaal geweld. De legitimatie vindt plaats door te stellen dat er wel degelijk geoorloofd geweld is. Wat dat is, daar wordt niet over uitgewijd, maar dat er geoorloofd geweld is, staat buiten kijf. Van Reybrouck: “Wanneer we kijken naar oorlogsmisdaden is het nuttig een onderscheid te maken tussen drie vormen van ongeoorloofd geweld: incidenteel, structureel en systemisch massa-geweld.” (p. 492). Hij legt vervolgens uit wat de drie vormen van ongeoorloofd geweld zijn. En geheel in de koloniale traditie zwijgt hij over wat wel geoorloofd geweld is. Maar impliciet is duidelijk dat er wel degelijk geoorloofd geweld bestaat in een koloniale bezetting.

David van Reybrouck presenteert zich als de witte linkse historicus die sympathiek staat tegenover dekolonisatie. Hij laat tenslotte allerlei mensen aan het woord die voor dekolonisatie zijn. Maar als je het vernisje van dekolonisatie even afschrapt, dan kom je ook bij hem weer de traditionele Eurocentrische framing van kolonialisme als een beschavingsmissie tegen en de vrijheidsstrijd en hun leiders als moeilijk te verteren aspiraties van een onderdrukt volk.